Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201931288 nr. 678

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 678 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2018

Hierbij zend ik u de reactie op het verzoek van de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om haar op korte termijn te informeren over de bevindingen van de inspectie van het onderwijs (inspectie) en de reactie daarop van de Erasmus Universiteit (EUR), naar aanleiding van het onderzoek naar de betaalbaarheid en toegankelijkheid van een deeltijd masterstudie aan de EUR.

Het onderzoek van de inspectie is nog niet afgerond. In dat onderzoek wordt het kader gevormd door de artikelen 7.34, 7.45, 7.45a en 7.50 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) die betrekking hebben op de rechten van de student na inschrijving, het (wettelijk) collegegeld en eigen bijdragen, en door de brief van de Minister van OCW van 28 april 2015 (kenmerk 645693) over eigen bijdrage studenten.

De inspectie is van mening dat de aanvullende bijdragen die door de EUR in rekening worden gebracht boven het wettelijk collegegeld in strijd zijn met de kaders in wet- en regelgeving. De EUR deelt deze mening voorshands niet, maar heeft bij monde van de rector aangegeven een nieuw voorstel, dat past binnen de kaders van wet- en regelgeving, aan de Inspectie te zullen voorleggen.

De procedure voor het onderzoek door de inspectie en de rapportage daarover ligt vast in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). In het kader van zorgvuldige procesvoering conform de WOT krijgt de EUR gelegenheid aanvullende informatie aan te leveren. Vervolgens stelt de inspectie een concept-rapport op, waarop de EUR kan reageren. Naar verwachting wordt het definitieve inspectierapport in maart 2019 openbaar.

Bij de vervolgstappen staan de belangen van de zittende en aankomende studenten voorop.

De inspectie zal naast de beoordeling van het nieuwe arrangement voor 2019–2020 ook de eventuele consequenties voor compensatie van zittende en eerdere studenten en voor de in het verleden verstrekte rijksbijdragen in kaart brengen. Ik zal u hierover nader informeren zodra de definitieve inspectierapportage gereed is.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven