Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 september 2018
Bij brief van 6 september 2018 heeft de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap mij verzocht om te reageren op het rapport «Ruimte voor investeringen en
talent» van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). Hierbij
ontvangt u mijn reactie.
Allereerst deel ik de analyse van de VSNU dat de kwaliteit van het hoger onderwijs
en de wetenschap van hoog niveau is. Alle medewerkers bij de universiteiten en hogescholen
kunnen hier terecht trots op zijn. De geschetste knelpunten die in de analyse naar
voren komen herken ik echter ook. Vandaag vindt de landelijke actiedag van WO-in-actie
plaats. Overal in het land wordt op een sympathieke manier actiegevoerd. Docenten
en hoogleraren geven colleges in de open lucht, zo kan iedereen genieten van hun kennis
en kunde. Ze doen dat met een heel heldere reden; aandacht vragen voor de hoge werkdruk
aan universiteiten.
Laat ik helder zijn: ik erken dat de druk aan universiteiten hoog is. En wil hier
ook samen met de universiteiten naar kijken om dit aan te pakken. De VSNU heeft hiervoor
een goede aanzet gedaan met haar analyse. Deze analyse doet aanbevelingen voor maatregelen
die universiteiten zelf willen nemen en voor maatregelen te nemen door het kabinet.
Ik wil over deze aanbevelingen in gesprek en er ook, binnen de randvoorwaarden van
het regeerakkoord, mee aan de slag.
Eén van de punten uit de analyse van de VSNU is dat de instellingen financiële buffers
aanhouden, deels om toekomstige investeringen mee te dekken, maar ook doordat het
systeem van rijksbekostiging onzekerheden bevat. De universiteiten geven aan deze
onzekere middelen voortaan mee te willen nemen in hun begroting. Dit voornemen steun
ik van harte. Ik wil de universiteiten ook zeker die ruimte geven en zal hier ook
met de Inspectie over in gesprek gaan. Gezamenlijk zullen we kijken naar wat hierin
verantwoorde risico’s in financieel beheer zijn en moeten we voorkomen dat vanwege
onnodige restricties middelen niet voldoende worden geactiveerd. Door hier met elkaar
anders mee om te gaan stroomt er meer geld, in een vroeger stadium, naar het onderwijs
en onderzoek.
Ook wil ik met de verschillende actoren in gesprek die een rol spelen bij de budgettaire
cyclus van de universiteiten, zoals de Colleges van Bestuur, de Raden van Toezicht
en de Inspectie, over hoe we meer stabiliteit in de financiering van universiteiten
kunnen aanbrengen. Daarmee kunnen we namelijk een belangrijk bezwaar van WO-in-actie,
de grote hoeveelheid tijdelijke contracten, ook aan gaan pakken. Dit in aanvulling
op wat al in de cao Universiteiten al is afgesproken. Ook kan aanpassing van de voorwaarden
die NWO aan tweede geldstroomsubsidies stelt daarbij helpen. NWO is bezig om een pakket
maatregelen in te voeren om de aanvraagdruk te verminderen. Met deze maatregelen wil
NWO komen tot een honoreringspercentage van minstens 25%. NWO stelt sinds begin dit
jaar als voorwaarde voor de talentsubsidies Vidi en Vici dat een instelling iemand
een vaste aanstelling biedt of uitzicht daarop. In aanvulling daarop zal ik NWO vragen
te onderzoeken of er andere maatregelen zijn die zij kan nemen om vaste aanstellingen
bij universiteiten aantrekkelijker te maken.
Over een specifieke factor bij de stabiliteit van de financiering, de studentenramingen,
heb ik u in mijn eerdere brief van 3 juli 2018 (kamerstuk 34 775 VIII, nr. 142) toegezegd een verkenning te starten en u over de stand van zaken van deze verkenning
vóór de begrotingsbehandeling te informeren.
De universiteiten hebben daarnaast aangegeven meer gezamenlijk te willen investeren,
waardoor grote, kapitaalintensieve investeringen mogelijk worden, maar ook efficiëntie-voordelen
kunnen worden behaald. Dit komt ten goede aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.
Desgewenst zal ik dit voornemen ondersteunen, bijvoorbeeld als het gaat om kennis
en facilitering op het gebied van inkoop en van financiering.
Vanaf dit jaar komen de middelen van het studievoorschot vrij. Over de inzet van deze
middelen zijn de universiteiten en hogescholen met hun medezeggenschap afspraken aan
het maken. Als er gedragen voorstellen komen voor de versnelde inzet van deze middelen
zal ik mij ervoor inzetten om de voorstellen te faciliteren met behulp van een kasschuif
op mijn begroting, met respect voor de bestaande budgettaire kaders.
Tot slot wil ik graag nog benoemen dat ik aan de slag ben met een verkenning naar
hoe een betere balans gevonden kan worden tussen kwaliteitsborging van opleidingen
in het hoger onderwijs en de administratieve lasten die daarmee samenhangen. Deze
verkenning is onderdeel van de sectorakkoorden die ik met VSNU en Vereniging Hogescholen
heb afgesloten en zal in de zomer 2019 gereed zijn.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven