Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831288 nr. 617

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 617 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 februari 2018

Via deze brief wil ik uw Kamer inlichten over de procesaanpak voor de uitwerking van mijn visie op internationalisering in het hoger onderwijs. Ik ga eerst in op de uitgangspunten die het kabinet hierbij hanteert. Daarna geef ik aan op welke wijze ik hieraan verder gestalte wil gaan geven, zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg aangaande de Onderwijs-, Jeugd-, Cultuur- en Sportraad van 15 november 2017.

In het regeerakkoord staat dat het kabinet scherper zal gaan toezien op de naleving van de wet dat opleidingen alleen Engelstalig zijn wanneer dit een toegevoegde waarde heeft, de kwaliteit van het Engels van voldoende niveau is en er in voldoende mate Nederlandstalige opleidingen zijn. Ook heeft dit kabinet aangegeven een internationaliseringsaanpak in het onderwijs voor te staan waarbij zo veel mogelijk studenten de mogelijkheid krijgen om een internationale ervaring op te doen. Daarnaast moet het Nederlandse onderwijs aantrekkelijk blijven voor alle studenten, Nederlandse en internationale, met behoud van de toegankelijkheid.

Ik wil de komende tijd benutten om goed in kaart te brengen hoe de internationalisering van het hoger onderwijs zich ontwikkelt. Internationalisering heeft een meerwaarde voor het hoger onderwijs, maar onderwijskwaliteit en toegankelijkheid staan voor mij voorop. Het mag naar mijn mening niet zo zijn dat internationale studenten worden aangetrokken louter omdat zij meetellen in de studentenaantallen. Internationalisering is geen doel op zich. Ten aanzien van Engelstaligheid hecht ik er dan ook aan dat onderwijsinstellingen niet kiezen voor het Engels als daar geen goede, aan de kwaliteit gerelateerde, reden voor is. Ik wil nagaan of instellingen de keuze voor het Engels zorgvuldig en weloverwogen maken en ik wil met instellingen in gesprek over deze ontwikkeling. Ik hecht er ook aan dat instellingen met elkaar het gesprek aangaan.

Aan de uitwerking van bovengenoemde uitgangspunten ga ik de komende maanden gestalte geven. Het is mij niet ontgaan dat internationalisering en onderwerpen die daarmee te maken hebben, zoals het taalbeleid op instellingen, niet alleen in bestuurskamers of in de collegezaal aan de orde komen. Er is een breder maatschappelijk debat ontstaan over het hoe en waarom van internationalisering. Daarom ga ik in het voorjaar een aantal werkbezoeken afleggen aan hoger onderwijsinstellingen om met direct betrokkenen zoals docenten en studenten van gedachten te wisselen. Uiteraard zal ik ook het gesprek aangaan met de VH, de VSNU, studentenbonden en Nuffic.

Daarnaast verwacht ik dat de uitkomst van diverse nog onderhanden onderzoeken kan bijdragen aan de inhoud van mijn visiebrief. Dit betreft onder meer een advies van de Onderwijsraad, een onderzoek naar taalbeleid door het SCP (als vervolg op de KNAW-verkenning «Nederlands en/of Engels? Taalkeuze met beleid in het Nederlands hoger onderwijs» die bij brief van 11 juli 2017 aan uw Kamer aangeboden is) en een internationaliseringsagenda van de VSNU en de VH, waarin in samenspraak met andere stakeholders aandacht wordt besteed aan ontwikkelingen en randvoorwaarden voor internationalisering.

De uitkomsten van deze onderzoeken en gesprekken wil ik meenemen in mijn visiebrief. Daarom deel ik in deze brief over de procesaanpak een aantal uitgangspunten met u, maar kan ik nog niet de hoofdlijnen van mijn visiebrief uiteenzetten, zoals de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mij heeft verzocht (bij brief van 1 februari 2018). In het licht van een eerder verzoek van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (bij brief van 18 januari 2018) streef ik ernaar dit proces begin juni af te ronden. Voor het zomerreces kan dan nog een Algemeen Overleg over internationalisering in het hoger onderwijs plaatsvinden. Daarbij wil ik wel opmerken dat het SCP-rapport dat de relatie tussen het taalbeleid en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs onderzoekt, dan nog niet afgerond zal zijn.

Over het thema Engels in het hoger onderwijs staat op 14 maart een Algemeen Overleg gepland, waarvoor de eerder genoemde KNAW-verkenning en de kabinetsreactie daarop als basis kan dienen. Uit die verkenning volgt dat in het collegejaar 2015/2016 aan universiteiten 20% van de bacheloropleidingen Engelstalig is, en 69% van de masters. In het hbo betreft dit 6% van de bacheloropleidingen en 25% van de masters. Overige cijfers, inclusief een uitsplitsing naar sector en naar instelling, kunt u vinden in de eerder genoemde KNAW-verkenning. Daarnaast heeft u (bij brief van 20 december 2017) mijn antwoorden ontvangen op vragen van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over dit rapport.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven