Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731288 nr. 584

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 584 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 april 2017

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 21 februari 2017 over het Ontwerpbesluit houdende bepalingen voor een experiment met instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie gericht op onder meer een vermindering van de lasten die gepaard gaan met de accreditatie in het hoger onderwijs (Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie) (Kamerstuk 31 288, nr. 578).

De vragen en opmerkingen zijn op 4 april 2017 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 14 april 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, Bošnjakovi

Inhoud

Blz.

   

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

Algemeen

2

1. Inleiding

2

2. Het experiment «instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie»

3

 

2.1 Selectieprocedure voor deelname aan het experiment

3

 

2.2 Uitwerking experiment instellingsaccreditatie

3

 

2.3 Start, duur en einde experiment

4

3. Waarborgen in het experiment

4

 

3.1 Noodremprocedure

4

 

3.2 Vroegtijdige beëindiging

4

4. Evaluatie

4

Artikelsgewijs

4

Artikel 14

4

II Reactie van de Minister

4

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit voor een experiment met instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie. De leden herkennen hierin de weerslag van het debat in de Tweede Kamer en de door de eerdergenoemde leden met andere partijen ingebrachte voorstellen om onder voorwaarde van een instellingstoets de opleidingsaccreditatie op basis van twee in plaats van vier standaarden te bepalen. De focus komt zo met name te liggen op het waarborgen van het diploma en geeft opleidingen de ruimte om het «hoe» te bepalen. De leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig besluit dat onder andere voortvloeit uit de aangenomen motie Rog1 die pleit voor de mogelijkheid van accreditatie op instellingsniveau. Deze leden hebben nog wel een aantal vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het besluit over het experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie. Zij hebben nog enkele vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie merken op dat het ontwerpbesluit stelt dat het accreditatieproces dient te voldoen aan de European Standards and Guidelines (ESG). Kan de Minister aangeven welke voorwaarden hier relevant zijn en wat de (beperkende) invloed gaat zijn op de wijze van evaluatie van de standaards 2 en 3?

Gaan deze standaards nog invloed hebben op het potentieel aan vermindering van (ervaren) lastendruk, zo vragen zij.

2. Het experiment «instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie»

2.1 Selectieprocedure voor deelname aan het experiment

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nader te motiveren waarop het maximum aantal van zes instellingen is gebaseerd dat mag meedoen aan het experiment.

2.2 Uitwerking experiment instellingsaccreditatie

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de bepaling omtrent clustergewijze visitatie, waar deelnemende instellingen de ruimte krijgen om zelf te bepalen hoe de vergelijkbaarheid van opleidingen vorm krijgt. Ligt deze instellingsbeslissing per keer ter instemming aan de NVAO2 voor? Kan de Minister nogmaals onderbouwen wat de voordelen van deze verandering zijn, maar ook wat de eventuele nadelen zijn, zoals het verlies aan vergelijkbaarheid bij gelijktijdige vergelijkbare visitaties, zo vragen de leden.

Naast dit ontwerpbesluit willen de leden nogmaals het belang van studentbetrokkenheid benadrukken bij accreditaties. De eerdergenoemde leden zijn dan ook voorstander van pilots met studentenpanels. Wat is het resultaat van overleggen die hierover werden aangekondigd tussen ISO3, LSVb4 en NVAO? Kan de Minister aangeven op welke manier het studentenpanel een rol gaat spelen in de accreditatie? Deelt de Minister de mening dat de baten van een dergelijk panel ruim opwegen tegen de mogelijk iets hoger ervaren administratieve lastendruk? Daarnaast vragen de leden aan de Minister hoeveel opleidingen aan de slag gaan met de studentenpanels. Als dat er geen of weinig zijn, vragen de leden aan de Minister welke redenen daarvoor aangegeven worden. Kan de Minister inzichtelijk maken welke stappen zij zou kunnen zetten om pilots met de studentenpanels te stimuleren, zo vragen de leden.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nader toe te lichten hoe de evaluatie er in de praktijk uit zal zien en op welke wijze het terugbrengen van de administratieve lastendruk, één van de hoofdredenen van de eerdergenoemde motie Rog, zal worden gemonitord. Deze leden vragen tevens in hoeverre het mogelijk is om tussentijds zaken te wijzigen mocht dit noodzakelijk zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister of in de manier van instellings- en opleidingsaccreditatie meer inspraak van opleidingscommissies of medezeggenschap zit besloten dan in de huidige vorm van accreditatie. Zij vragen tevens op welke andere manieren de Minister voorziet dat instellingen in de accreditatieprocedure van de pilot studenten en docenten beter betrekken.

De leden zouden ook graag vragen of het signaleren, bijvoorbeeld door de medezeggenschap, van het afnemen van draagkracht voor de pilot onder studenten en docenten, aanleiding zou kunnen zijn om de pilot voortijdig te beëindigen.

Ten slotte zouden de leden graag aan de Minister willen vragen of er in de evaluatie van de pilot ook een duidelijk rol is voor de opleidingscommissie en de medezeggenschap.

2.3 Start, duur en einde experiment

De leden van de VVD-fractie vragen met betrekking tot de duur van het experiment waarom er gekozen is voor een periode van zes jaar en of er eventueel door een tussentijdse evaluatie eerder al mogelijkheid is om het experiment uit te breiden dan wel een meer permanent besluit te nemen.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister toe te lichten wat de overwegingen kunnen zijn om het experiment na zes jaar te verlengen met twee jaren. Na zes jaar moet het toch mogelijk zijn dat een helder en transparant beeld is ontstaan over de verschillende aspecten van het experiment? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

3. Waarborgen in het experiment

3.1 Noodremprocedure

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister onder welke voorwaarden kan worden besloten om over te gaan tot de noodremprocedure indien de onderwijskwaliteit in gevaar komt. Waaruit moet dat blijken? Wat moet het college van bestuur minimaal kunnen aantonen om dit te bewijzen, zo vragen de leden.

3.2 Vroegtijdige beëindiging

De leden van de CDA-fractie vragen naar de voorwaarden waaronder de Minister kan overgaan tot vroegtijdige beëindiging van het experiment of het uitsluiten van het experiment van één of meerdere instellingen.

4. Evaluatie

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister aan te geven in hoeverre de ervaringen die zijn opgedaan in Vlaanderen, waar al langere tijd wordt gewerkt met de instellingsaccreditatie, ook zijn meegenomen in de evaluatie en monitoring van het experiment.

Artikelsgewijs

Artikel 14

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nadere uitleg hoe wordt geborgd dat de kwaliteit op de kwaliteitsaspecten die niet onder de instellingsaccreditatie vallen in orde blijft aangezien deze accreditatie niet ziet op de niveaus 2 en 3 omdat daar de instelling zelf verantwoordelijk voor is.

II Reactie van de Minister

Algemeen

Het verheugt mij dat de leden van de VVD-fractie met belangstelling, en de leden van de CDA- en GroenLinks-fractie met interesse hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit voor een experiment met instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie. Ik dank de leden voor de gestelde vragen die hieronder op volgorde van het verslag worden beantwoord.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie merken op dat het ontwerpbesluit stelt dat het accreditatieproces dient te voldoen aan de European Standards and Guidelines (ESG). Kan de Minister aangeven welke voorwaarden hier relevant zijn? En, zo vragen de leden van de VVD-fractie, kan de Minister aangeven wat de (beperkende) invloed gaat zijn op de wijze van evaluatie van de standaards 2 en 3? Gaan deze standaards nog invloed hebben op het potentieel aan vermindering van (ervaren) lastendruk, zo vragen deze leden.

Instellingsaccreditatie met lichte opleidingsaccreditatie is een manier om het vertrouwen in de professional en de instelling uit te spreken. Dat is één van de uitgangspunten bij het experiment instellingsaccreditatie. Bij het experiment is de instelling zelf aan zet in de wijze waarop ze concreet verantwoording aflegt over standaard 2 en 3. Het eigenaarschap van de professional en de verantwoordelijkheid van instellingen voor de eigen kwaliteitszorg worden hiermee vergroot. Eigenaarschap over de kwaliteit en kwaliteitszorg zijn belangrijk voor de mate waarin het accreditatieproces als belastend wordt ervaren. Bovendien betekent de ontstane ruimte dat er beter wordt aangesloten op de wijze waarop een instelling haar kwaliteitszorgsysteem heeft ingericht en dat de docent meerwaarde ervaart van dit kwaliteitszorgsysteem. Op die manier komen de feitelijke lasten voor instellingen meer in verhouding te staan tot wat het de instelling oplevert.

De European Standards and Guidelines (hierna: ESG) gelden als voorwaarde waarbinnen het accreditatiestelsel wordt doorontwikkeld. Dat geldt ook voor het experiment. De ESG bevat standaarden voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs die met Europese landen zijn overeengekomen. Nederland heeft zich gecommitteerd aan de ESG; dit draagt eraan bij dat ons kwaliteitszorgstelsel internationaal erkend en gewaardeerd wordt. Alle ESG-bepalingen zijn vertaald in voorschriften in de huidige Nederlandse wet- en regelgeving. Deze zijn verder gedefinieerd en gespecificeerd in het accreditatiekader van de NVAO voor het reguliere accreditatieproces.

De standaarden die voor dit experiment als minimumnorm gehanteerd worden bij de beoordeling van de kwaliteitsaspecten II (standaarden 2 en 3) zijn overgenomen uit de ESG en opgenomen in de bijlage bij het ontwerpbesluit. In de ESG worden de standaarden nader uitgewerkt in richtlijnen. Ik heb ervoor gekozen om deze richtlijnen voor dit experiment niet apart voor te schrijven maar de invulling van de relevante ESG-standaarden over te laten aan de deelnemende instellingen, wat meer ruimte biedt om te experimenteren. Dit betekent dat binnen het experiment aan de onderwijsinstelling zelf wordt toevertrouwd hoe zij de ESG-standaarden concreet invult bij het laten beoordelen van de onderwijsleeromgeving (standaard 2) en de toetsing en examinering (standaard 3). De standaarden opgenomen in bijlage 2 van het besluit schrijven bijvoorbeeld voor dat de instelling een onafhankelijk panel van experts kan benoemen, zonder de tussenkomst van de NVAO. In de huidige wetgeving is de instemming van de NVAO bij de samenstelling van het panel juist verplicht. De instelling heeft binnen de kaders van dit experiment aldus ruimte om een eigen invulling te geven aan de samenstelling van het panel voor wat betreft standaard 2 en 3, waarbij overeind blijft dat het panel moet bestaan uit onafhankelijke deskundigen.

2. Het experiment «instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie»

2.1 Selectieprocedure voor deelname aan het experiment

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nader te motiveren waarop het maximum aantal van zes instellingen is gebaseerd dat mag meedoen aan het experiment.

Zoals vermeld in mijn brief van 1 juni 2015 (Accreditatie op maat) is het aantal instellingen dat kan deelnemen tot stand gekomen naar aanleiding van het advies van de Stuurgroep Accreditatiestelsel 3.0 en de overleggen die ik daarna heb gevoerd met de leden van die stuurgroep.5 Het aantal instellingen dat deel kan nemen aan het experiment is besproken in het algemeen overleg van 14 januari 2016 met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van uw Kamer.6

Bij de vaststelling van het aantal instellingen heb ik rekening gehouden met alle belanghebbenden. Studenten hechten bijvoorbeeld aan een beperkt experiment vanwege zorgvuldigheid en het belang van goede kwaliteitsborging. Om daadwerkelijk te kunnen leren van het experiment en conclusies te kunnen trekken is het echter nodig dat een redelijk aantal instellingen gebruik maakt van het instrument. Verder wees de stuurgroep er praktisch op dat de omvang de handelingscapaciteit van de NVAO niet mag overtreffen. Deelname van maximaal zes instellingen komt zoveel mogelijk tegemoet aan de wensen van alle belanghebbenden.

2.2 Uitwerking experiment instellingsaccreditatie

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de bepaling omtrent clustergewijze visitatie, waar deelnemende instellingen de ruimte krijgen om zelf te bepalen hoe de vergelijkbaarheid van opleidingen vorm krijgt. Ligt deze instellingsbeslissing per keer ter instemming aan de NVAO7 voor? Kan de Minister nogmaals onderbouwen wat de voordelen van deze verandering zijn, maar ook wat de eventuele nadelen zijn, zoals het verlies aan vergelijkbaarheid bij gelijktijdige vergelijkbare visitaties, zo vragen de leden.

Vergelijkbaarheid van oordelen is geen verplichting die voortvloeit uit de ESG. Clustergewijze visitatie is in Nederland ingevoerd om de vergelijkbaarheid van opleidingen vorm te geven. Aanstaande studenten, werkgevers en andere belanghebbenden krijgen door vergelijkbaarheid een beter inzicht in de kwaliteit van de opleidingen. Om het eigenaarschap van de instelling te vergroten is het binnen het experiment aan de deelnemende instellingen zelf om te bepalen hoe de vergelijkbaarheid van opleidingen vorm krijgt. Dit kan door deel te nemen aan de clustergewijze visitatie, maar kan ook door de vergelijkbaarheid van opleidingen op een andere manier in te richten. Het ligt voor de hand dat dit in goed overleg met de overige opleidingen in de visitatiegroepen plaats zal vinden. De NVAO hoeft hierop geen instemming te verlenen. De deelnemende instelling krijgt zo meer ruimte om de invulling en planning van de visitatie vorm te geven. Zo is het binnen het experiment mogelijk, door af te wijken van clustergewijze visitatie, om een opleiding die internationaal georiënteerd is op standaard 2 en 3 te vergelijken met gelijksoortige opleidingen in het buitenland.

Naast dit ontwerpbesluit willen de leden nogmaals het belang van studentbetrokkenheid benadrukken bij accreditaties. De leden van de VVD-fractie zijn dan ook voorstander van pilots met studentenpanels. Wat is het resultaat van overleggen die hierover werden aangekondigd tussen ISO8, LSVb9 en NVAO? Kan de Minister aangeven op welke manier het studentenpanel een rol gaat spelen in de accreditatie? Deelt de Minister de mening van de aan het woord zijnde leden dat de baten van een dergelijk panel ruim opwegen tegen de mogelijk iets hoger ervaren administratieve lastendruk? Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie aan de Minister hoeveel opleidingen aan de slag gaan met de studentenpanels. Als dat er geen of weinig zijn, vragen de leden aan de Minister welke redenen daarvoor aangegeven worden. Kan de Minister inzichtelijk maken welke stappen zij zou kunnen zetten om pilots met de studentenpanels te stimuleren, zo vragen de leden.

Het doel van het studentenpanel is bredere input van studenten te verwerven die het visitatiepanel kan gebruiken voor het gesprek tussen peers, bij de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs en bij het formuleren van aanbevelingen voor verbetering en ontwikkeling. Dit doel wordt door mij onderschreven. De gesprekken over studentenpanels tussen ISO en LSVb en de NVAO hebben begin 2017 plaatsgevonden en hebben recent tot een aanpak geleid. De door de studentenorganisaties voorgestelde aanpak van studentenpanels past naar het oordeel van de NVAO binnen de kaders van het accreditatieproces en kan toegevoegde waarde hebben. Het is nu aan ISO en LSVb om met één of meerdere instellingen de experimenten met studentenpanels te starten. Hierover zijn gesprekken gaande tussen de studentenorganisaties en instellingen, maar op dit moment is nog niet bekend hoeveel opleidingen zullen experimenteren met studentenpanels. Zoals ik eerder heb aangegeven in mijn brief van 16 december 2015 zie ik studentenpanels als een positief onderdeel in het accreditatieproces omdat ik van mening ben dat dat kan bijdragen aan een grotere betrokkenheid van studenten en daarmee aan de kwaliteit van het onderwijs.10

Het wetsvoorstel «Accreditatie op maat», dat op korte termijn aan uw Kamer zal worden aangeboden, sluit aan bij de ontwikkelingen rond studentbetrokkenheid. Ook binnen de reikwijdte van het experiment is echter volop ruimte om studentenpanels te betrekken bij de accreditatie.

In de praktijk zal blijken of een studentenpanel voor de genoemde doelstelling een goed middel is en bredere uitrol in het accreditatieproces verdient. Bij de evaluatie van de experimenten met studentenpanels zal de eventueel verhoogde lastendruk worden meegenomen, naast uiteraard de bijdrage die grotere betrokkenheid van studenten levert aan de kwaliteit en het kwaliteitszorgsysteem.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nader toe te lichten hoe de evaluatie er in de praktijk uit zal zien en op welke wijze het terugbrengen van de administratieve lastendruk, één van de hoofdredenen van de eerdergenoemde motie Rog, zal worden gemonitord. Deze leden vragen tevens in hoeverre het mogelijk is om tussentijds zaken te wijzigen mocht dit noodzakelijk zijn.

In 2022 wordt het experiment geëvalueerd. Dan hebben alle deelnemende instellingen met (bijna) al hun deelnemende opleidingen ervaring opgedaan met lichtere opleidingsaccreditatie. De evaluatie van het experiment zal inzicht geven in de vraag of de introductie van instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie leidt tot een verbetering van de kwaliteitscultuur binnen de instellingen, meer eigenaarschap voor studenten en docenten en of het leidt tot een doelmatiger accreditatiestelsel.

Ten aanzien van het verbeteren van de kwaliteitscultuur wordt onder meer onderzocht in hoeverre de ruimte die het experiment biedt om zelf invulling te geven aan de kwaliteitsaspecten II11 en zelf panels in te richten is benut door de deelnemende instelling. Ook wordt onderzocht welke invloed dit heeft gehad op het accreditatieproces.

In het kader van het eigenaarschap wordt onderzocht hoe het experiment de rol en het vertrouwen van studenten en docenten in het accreditatieproces heeft beïnvloed.

Tot slot wordt onderzocht wat het effect van het experiment is op de administratieve lasten in het accreditatieproces. Daarbij wordt onderzocht hoe de instellingen de administratieve verplichtingen die niet meer door de overheid worden gevraagd zelf hebben vormgegeven. Het effect van het experiment op de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten wordt tevens in kaart gebracht.

In paragraaf 6 van de algemene toelichting wordt met een aantal concrete vragen beschreven hoe de evaluatie er in de praktijk uit gaat zien.

Voor de evaluatie wordt in ieder geval gebruik gemaakt van de bevindingen van individuele instellingen (inclusief de medezeggenschap), de rapportages van de panels van deskundigen en de zienswijzen van de NVAO en de inspectie. De Minister kan besluiten om een onafhankelijke deskundige in te schakelen voor de evaluatie.12 Voor de beoogde effectmeting zijn er verschillende (internationale) onderzoeken en adviezen uitgebracht die als input kunnen dienen. Er zal om die reden bij de start van het experiment geen aparte nulmeting plaatsvinden. Daarnaast voorkomt het achterwege laten van een nulmeting administratieve lasten voor instellingen. Verder zal bij de evaluatie ook rekening moeten worden gehouden met de algemene ontwikkelingen in het hoger onderwijs, onder meer als gevolg van de wijziging van het accreditatiekader van de NVAO en het wetsvoorstel Accreditatie op maat.

Tijdens het experiment vormen de deelnemende instellingen, de NVAO en OCW gezamenlijk een monitorgroep. De monitorgroep biedt een platform om de voortgang van het experiment te bespreken, good practices met elkaar uit te wisselen en te reflecteren op de doelstellingen van het experiment. Kennis delen en uitwisselen is immers onlosmakelijk verbonden met een experiment. Instellingen hebben aangegeven dit ook als meerwaarde van het experiment te zien. In deze monitorgroep zal het verlagen van de ervaren lasten een vast agendapunt zijn. Ook de bevindingen uit de monitoring zijn van belang voor de evaluatie.

Drie jaar na de start van het experiment wordt door de monitorgroep een studiedag georganiseerd waarin de deelnemende instellingen, inclusief hun medezeggenschap, ervaringen met elkaar bespreken en delen. De studiedag is een interactieve vorm van de aanvankelijk aangekondigde tussenrapportage. Er is bewust gekozen voor een studiedag, juist om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden en om in een inspirerende setting ervaringen te delen en het experiment tussentijds te evalueren. De studiedag biedt ook een moment om te bezien of zich onvoorziene problemen voordoen die om bijsturing vragen vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister of in de manier van instellings- en opleidingsaccreditatie meer inspraak van opleidingscommissies of medezeggenschap zit besloten dan in de huidige vorm van accreditatie. Zij vragen tevens op welke andere manieren de Minister voorziet dat instellingen in de accreditatieprocedure van de pilot studenten en docenten beter betrekken.

Het is de bedoeling dat de geboden ruimte binnen de peerreview op standaarden 2 en 3 wordt ingevuld door studenten en docenten en niet met administratieve procedures die meer lasten opleveren voor de onderwijsgemeenschap. Deze werkwijze biedt meer ruimte voor betrokkenheid van de onderwijsgemeenschap en bevordert het goede gesprek tussen onderwijsgemeenschap en peers.

Studenten en docenten, onder andere vertegenwoordigd in opleidingscommissies, kunnen in dit proces een grotere rol pakken en een open gesprek over de kwaliteit van het onderwijs aangaan. Het is aan de deelnemende instellingen om studenten en docenten in dit proces zo goed mogelijk in positie te brengen.

De medezeggenschap heeft in het huidige stelsel instemmingsrecht op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg binnen de instelling. Binnen het experiment heeft de medezeggenschap daarnaast een aanvullende formele rol. Voor deelname aan het experiment is instemming nodig van de medezeggenschap.13 Daarnaast dient de instelling de medezeggenschap drie jaar na de start van het experiment te betrekken bij de studiedag die tot doel heeft uitwisseling over de ervaringen met het experiment tussen deelnemende instellingen te bevorderen. Ook heeft de medezeggenschap de bevoegdheid om, wanneer de onderwijsgemeenschap aangeeft dat twijfel bestaat over de onderwijskwaliteit door toedoen van deelname aan het experiment, het college van bestuur te verzoeken dit te onderzoeken en het experiment eventueel te beëindigen. De aanvullende maatregelen die worden getroffen om het eigenaarschap van studenten en docenten te vergroten, onder andere door een versterkte positie van de opleidingscommissie in het accreditatieproces en een hoofdstuk in de kritische reflectie geschreven door studenten, zullen in het wetsvoorstel «Accreditatie op maat» worden opgenomen dat op korte termijn bij uw Kamer zal worden ingediend. Wanneer dat van kracht wordt, geldt dat ook voor de instellingen die deelnemen aan het experiment. Tot die tijd kunnen de deelnemende instellingen, binnen de geboden ruimte van het experiment, studenten en docenten naar eigen inzicht versterkt positioneren in de accreditatieprocedure.

De aan het woord zijnde leden zouden ook graag vragen of het signaleren, bijvoorbeeld door de medezeggenschap, van het afnemen van draagkracht voor de pilot onder studenten en docenten, aanleiding zou kunnen zijn om de pilot voortijdig te beëindigen.

Het kan gebeuren dat het draagvlak voor het experiment afneemt. Of die afname een aanleiding kan zijn om het experiment vroegtijdig en vrijwillig door de instelling te beëindigen is afhankelijk van de concrete context (op de noodremprocedure, de procedure waarmee de Minister het experiment kan beëindigen, ga ik in paragraaf 3.1 van deze beantwoording in). De vraag of het een aanleiding is, dient in de eerste plaats binnen de instelling beantwoord te worden. De onderwijsgemeenschap, inclusief de docenten en studenten, deelt immers de verantwoordelijkheid voor het slagen van deelname aan het experiment waarbij het gesprek over de kwaliteitszorg niet alleen onderwerp van gesprek is bij de aanvraag voor deelname aan het experiment, maar ook en juist, gedurende het experiment. Het mag niet zo zijn dat de medezeggenschap in eerste instantie instemt, en er daarna definitief aan vastzit, ongeacht hoe het experiment zich binnen die instelling ontwikkelt. Overigens kan een nieuwe samenstelling van de medezeggenschapsraad op zich zelf geen reden zijn voor het beëindigen van het experiment.

Ten slotte zouden de leden van de GroenLinks-fractie graag aan de Minister willen vragen of er in de evaluatie van de pilot ook een duidelijk rol is voor de opleidingscommissie en de medezeggenschap.

In de evaluatie staat de vraag centraal of de doelstellingen van instellingsaccreditatie worden behaald, waaronder het doel meer eigenaarschap voor studenten en docenten te creëren. Evaluatie van deze doelstelling is alleen mogelijk door de betrokken studenten en docenten te bevragen. De medezeggenschap is op diverse momenten en wijzen bij het experiment betrokken. Tegelijk zal de rol van opleidingscommissies in het accreditatieproces worden versterkt en uitgebreid door de Wet versterking bestuurskracht en het wetsvoorstel «Accreditatie op maat» dat binnenkort aan uw Kamer wordt gezonden. Het is evident dat deze betrokken studenten en docenten ook bij de evaluatie worden meegenomen.

2.3 Start, duur en einde experiment

De leden van de VVD-fractie vragen met betrekking tot de duur van het experiment waarom er gekozen is voor een periode van zes jaar en of er eventueel door een tussentijdse evaluatie eerder al mogelijkheid is om het experiment uit te breiden dan wel een meer permanent besluit te nemen.

Er is gekozen voor een periode van zes jaar omdat opleidingen in principe elke zes jaar worden geaccrediteerd. De deelnemende instellingen hebben daardoor bij de evaluatie in 2022 met het gros van de deelnemende opleidingen ervaring opgedaan met lichtere opleidingsaccreditatie en zullen in een aantal gevallen nog bezig zijn met de voorbereiding daarvan. Door het experiment een looptijd van 6 jaar te geven, hebben deelnemende instellingen de mogelijkheid om met zoveel mogelijk opleidingen te experimenteren met een nieuwe vorm van accrediteren. Alle deelnemende opleidingen van deelnemende instellingen komen dankzij de periode van zes jaar éénmalig in aanmerking voor lichtere opleidingsaccreditatie. Dat betekent dat binnen de deelnemende instellingen bij een breed spectrum aan opleidingen ervaring kan worden opgedaan met nieuwe vormen van accrediteren.

Een tussentijdse evaluatie of een evaluatie die eerder dan na vijf jaar plaatsvindt heeft onvoldoende toegevoegde waarde. Er is dan onvoldoende tijd om het effect van nieuwe werkwijzen te kunnen evalueren. Wel wordt gedurende het experiment in de monitorgroep een vinger aan de pols gehouden en wordt drie jaar na de aanvang van het experiment een studiedag georganiseerd. Daarin kunnen ook de good practices worden uitgewisseld.

De experimenteerbepaling in de wet geeft in principe gelegenheid voor tussentijdse aanpassingen wanneer de noodzaak daarvan zou blijken. Op basis van de evaluatieresultaten zal worden besloten tot een wetswijziging of tot de beëindiging van het experiment.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister toe te lichten wat de overwegingen kunnen zijn om het experiment na zes jaar te verlengen met twee jaren. Na zes jaar moet het toch mogelijk zijn dat een helder en transparant beeld is ontstaan over de verschillende aspecten van het experiment? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

Het zou inderdaad mogelijk moeten zijn om na zes jaar een compleet beeld te hebben van de verschillende aspecten van het experiment. Het is dan ook niet de intentie om het experiment te verlengen, dat zou ook een wijziging van het experimenteerbesluit vergen. De nota van toelichting bij het ontwerpbesluit beschrijft alle opties die er zijn na afronding van de evaluatie. Ook de verlenging is een theoretische mogelijkheid die de wet biedt, en die daarom is genoemd in de toelichting bij het ontwerpbesluit. Van die mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt wanneer gedurende het experiment blijkt dat de bijzondere aard van het experiment dat noodzakelijk maakt. Ik verwacht niet dat die noodzaak er zal zijn.

3. Waarborgen in het experiment

3.1 Noodremprocedure

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister onder welke voorwaarden kan worden besloten om over te gaan tot de noodremprocedure indien de onderwijskwaliteit in gevaar komt. Waaruit moet dat blijken? Wat moet het college van bestuur minimaal kunnen aantonen om dit te bewijzen, zo vragen de leden.

Voorop staat dat de onderwijsgemeenschap ook verantwoordelijkheid draagt voor het slagen van de deelname aan het experiment en het borgen van de kwaliteit. Wanneer de kwaliteit van het onderwijs naar het oordeel van de onderwijsgemeenschap in het geding is, is het aan hen om dat binnen de instelling te agenderen.

In het bekostigd onderwijs kan de medezeggenschap het initiatief nemen om het college van bestuur te adviseren om deelname van betreffende instelling aan de pilot te beëindigen. De medezeggenschapsraad moet dan beargumenteren waarom hij vindt dat de pilot voortijdig moet worden beëindigd. Daarbij zal er sprake moeten zijn van nieuwe onvoorziene feiten die er op wijzen dat de kwaliteit van het onderwijs in het geding is: zo kan een nieuwe samenstelling van de medezeggenschapsraad geen reden zijn voor het in gang zetten van de noodremprocedure. Het college van bestuur zal binnen een redelijke termijn reageren op het advies van de medezeggenschapsraad. Indien dit niet leidt tot overeenstemming, kan de Raad van Toezicht een bemiddelende rol vervullen en onderzoeken of er een minnelijke schikking mogelijk is tussen de medezeggenschapsraad en het college van bestuur. Leidt dat ook niet tot een gemeenschappelijk beeld, dan staat voor de medezeggenschapsraad de weg open naar geschillencommissie en ultiem naar de Inspectie. De Inspectie adviseert de Minister van OCW in het kader van de brandweerfunctie of het nodig is de pilot bij een instelling te stoppen bij kwaliteitsproblemen. Op basis van het advies van de Inspectie kan de Minister besluiten de deelname van een instelling aan het experiment te beëindigen.

Bij een niet-bekostigde deelnemende instelling kan een representatieve vertegenwoordiging van de onderwijsgemeenschap in het belang van de kwaliteit van het onderwijs een verzoek tot intrekking van de instellingsaccreditatie indienen, waarna de Minister de Inspectie om advies zal vragen.

De kwaliteit van het onderwijs kan aldus de reden zijn voor de beëindiging. Deze beëindigingsgrond en de aanleiding voor de noodremprocedure zijn met opzet open geformuleerd, omdat op voorhand niet te voorzien is in welke gevallen hier sprake van kan zijn.

3.2 Vroegtijdige beëindiging

De leden van de CDA-fractie vragen naar de voorwaarden waaronder de Minister kan overgaan tot vroegtijdige beëindiging van het experiment of het uitsluiten van het experiment van één of meerdere instellingen.

De Minister kan de deelname aan het experiment voor een instelling beëindigen door de instellingsaccreditatie in te trekken. De instellingsaccreditatie wordt in ieder geval ingetrokken indien aan de onderwijsinstelling gedurende het experiment niet opnieuw een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend. Daarnaast kan de Minister in het belang van de kwaliteit van het onderwijs de instellingsaccreditatie van een onderwijsinstelling intrekken. Alvorens hiertoe wordt overgegaan wordt een advies gevraagd aan de Inspectie van het onderwijs. Tevens kan er een verzoek tot het intrekken van instellingsaccreditatie worden ingediend bij de Minister in het kader van de noodremprocedure. Deze noodremprocedure is in paragraaf 3.1 reeds nader toegelicht.

4. Evaluatie

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister aan te geven in hoeverre de ervaringen die zijn opgedaan in Vlaanderen, waar al langere tijd wordt gewerkt met de instellingsaccreditatie, ook zijn meegenomen in de evaluatie en monitoring van het experiment.

Ik heb regelmatig overleg met mijn Vlaamse collega over accreditatie in het hoger onderwijs, laatstelijk op 5 december 2016. De ervaringen van de Vlaamse overheid met instellingsaccreditatie zijn daarbij expliciet aan de orde geweest. Ik volg de ontwikkelingen in Vlaanderen met belangstelling.

Het kan interessant zijn om de Vlaamse ervaringen met instellingsaccreditatie te betrekken in de monitoring en/of evaluatie van dit experiment. Ik zal de partij die de evaluatie uitvoert verzoeken om die ervaringen zo mogelijk bij de evaluatie te betrekken.

Artikelsgewijs

Artikel 14

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister nadere uitleg hoe wordt geborgd dat de kwaliteit op de kwaliteitsaspecten die niet onder de instellingsaccreditatie vallen in orde blijft aangezien deze accreditatie niet ziet op de niveaus 2 en 3 omdat daar de instelling zelf verantwoordelijk voor is.

Deelname aan het experiment is voorbehouden aan instellingen die de kwaliteitszorg aantoonbaar op orde hebben.14 In het kader van het experiment zijn de instelling en de opleiding zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van de peer review van standaard 2 en 3. Dit geeft de instelling ruimte om de peer review vorm te geven op zo’n manier dat de opleiding daar zelf het meeste uit kan halen. Voorwaarde is wel dat de instelling voldoet aan de relevante ESG-standaarden. Deze standaarden zijn opgenomen in bijlage 2 bij het ontwerpbesluit. Dit betekent onder meer dat de beoordeling dient te worden uitgevoerd door een commissie van externe deskundigen, waarin ten minste één student zitting heeft en dat de volledige rapporten van de deskundigen gepubliceerd dienen te worden zodat ze duidelijk en toegankelijk zijn voor de onderwijsgemeenschap, externe partners en andere geïnteresseerden.


X Noot
1

Kamerstuk 33 472, nr. 28.

X Noot
2

NVAO: Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie

X Noot
3

ISO: Interstedelijk Studenten Overleg

X Noot
4

LSVb: Landelijke Studentenvakbond

X Noot
5

Brief van 1 juni 2015, Kamerstuk 31 288, nr. 471, p.19.

X Noot
6

Verslag van een algemeen overleg, Kamerstuk 31 288, nr. 529, p.3.

X Noot
7

NVAO: Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie

X Noot
8

ISO: Interstedelijk Studenten Overleg

X Noot
9

LSVb: Landelijke Studentenvakbond

X Noot
10

Brief van 16 december 2015, Kamerstuk 31 288, nr. 522, p.3.

X Noot
11

Wat wordt bedoeld met kwaliteitsaspecten II is nader toegelicht in het besluit. Bij een instelling die beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg en die daarmee een beperkte opleidingsbeoordeling heeft, gaat het over de standaarden 2 en 3. Voor zover het een instelling betreft zonder instellingstoets kwaliteitszorg die een uitgebreide opleidingsbeoordeling heeft, gaat het over de kwaliteitsaspecten b, d, e, f en g, genoemd in artikel 5a.8, tweede lid, van de wet (de uitgebreide opleidingsbeoordeling). In termen van de standaarden gaat het dan om de bij die kwaliteitsaspecten behorende standaarden van de uitgebreide opleidingsbeoordeling.

X Noot
12

Artikel 24, derde lid, van het ontwerpbesluit.

X Noot
13

Dat is voorgeschreven in artikel 9 van het ontwerpbesluit.

X Noot
14

Artikel 9 van het ontwerpbesluit beschrijft dat een deelnemende instelling kan zijn: een instelling met een instellingstoets kwaliteitszorg, of een instelling met ten minste een goed voor alle opleidingen op de standaard over kwaliteitszorg.