31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 560 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 november 2016

In reactie op vragen van uw Kamer tijdens de begrotingsbehandeling van 3 november jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 18, Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) heb ik aangegeven na te gaan wat de juridische mogelijkheden zijn om opleidingsplaatsen bij opleidingen met een numerus fixus enkel aan Nederlandse studenten toe te wijzen. Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik u reeds geïnformeerd over de beleidsmatige afwegingen, ook met het oog op de afspraken die in Bolognaverband zijn gemaakt over studentenmobiliteit.

Het is van belang om onderscheid te maken tussen internationale studenten uit landen binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en internationale studenten uit landen buiten de EER. Het merendeel van de internationale studenten komt uit EER-landen, met Duitsland als belangrijkste herkomstland. Studenten uit EER-landen dienen op basis van Europese regelgeving hetzelfde te worden behandeld als Nederlandse studenten (vrij verkeer van personen). Anders dan bij niet-EER-studenten mag tussen Nederlandse studenten en andere EER-studenten geen (direct noch indirect) onderscheid gemaakt worden. Een EER-student kan dus alleen geweigerd worden op basis van objectieve gronden die voor de Nederlandse student en de EER-student (direct en indirect) gelijk zijn.

Instellingen bepalen de selectiecriteria en -procedures. Bij de selectie dient op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een combinatie van ten minste twee soorten kwalitatieve criteria te worden gehanteerd. De instellingen stellen dus vast welke criteria relevant zijn om de meest geschikte student toe te laten tot een dergelijke numerus fixusopleiding. Dit zou bijvoorbeeld een criterium ten aanzien van eindexamencijfers kunnen zijn en een ander criterium waaruit affiniteit met het werkveld of motivatie voor de opleiding blijkt. De samenstelling van de groep studenten kan ook een kwalitatief selectiecriterium zijn; een evenwichtige mix van nationale en internationale studenten. Bijvoorbeeld bij de zogenoemde international classroom, waarin diversiteit van de studenten bijdraagt aan de doelstelling van meer internationalisering en aan de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat hier om eigen beleid van de instelling waarbij het wel van belang is dat zij daarin consequent en consistent is. Het beleid moet voor de aspirant-studenten bovendien kenbaar zijn.

Tevens is het mogelijk om middels het collegegeld te sturen op de samenstelling van de studentenpopulatie. EER-studenten betalen net als Nederlandse studenten het wettelijk collegegeld voor een eerste studie, terwijl studenten van buiten de EER het instellingscollegegeld moeten betalen. Het is mogelijk om met een verhoogd instellingscollegegeld studenten uit niet-EER-landen te ontmoedigen. Dit instellingscollegegeld mag hoger zijn dan het instellingscollegegeld voor een tweede studie van een Nederlandse of EER-student.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Naar boven