Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631288 nr. 499

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 499 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2015

Hierbij bied ik u twee rapporten aan van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) en een samenvatting1. De rapporten vloeien voort uit een meerjarig onderzoeksprogramma dat de inspectie is gestart over selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Dit onderzoek past in een breder kader, waarin ik het functioneren van de emancipatiefunctie van het onderwijs intensief wil blijven volgen. Gelijke kansen in het onderwijs verdienen voortdurend aandacht. De emancipatiefunctie van het onderwijs staat niet op zichzelf. De inspectie geeft dat in de samenvatting van de twee bijgevoegde rapporten ook nadrukkelijk aan. Onderwijskwaliteit, studiesucces en toegankelijkheid zijn drie onlosmakelijk met elkaar verbonden doelen in het hoger onderwijs. Ze zijn elk van groot belang voor de student, de maatschappij en de instelling zelf. In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs «De waarde(n) van weten» (bijlage bij Kamerstuk 31 288, nr. 481) heb ik dit zogenaamde trilemma ook in perspectief geplaatst.

De inspectie richt haar aandacht in deze twee rapporten voornamelijk op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De inspectie concludeert dat er op dit moment geen concrete aanwijzingen zijn dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs onder druk staat. Alle groepen studenten blijven gelijk vertegenwoordigd in het hoger onderwijs. Het is niet zo dat bepaalde groepen veel minder instromen dan vroeger. Zo wijst de inspectie erop dat er in 2014 geen afname van het aantal instromende mbo-ers en allochtone studenten is. Ook is er volgens de inspectie een redelijk stabiele procentuele verdeling in subgroepen binnen het hbo en wo. Wel ziet de inspectie dat bepaalde groepen studenten wat minder vaak in opleidingen met selectie instromen, zoals studenten met lagere eindexamencijfers, niet-westerse allochtonen en studenten met een mbo vooropleiding. Selecterende maatregelen lijken dus vooral tot een verschuiving van de studentenstromen te leiden. De inspectie typeert deze verschuivingen gemiddeld genomen niet als groot. Daardoor zijn eventuele trends op stelselniveau op dit moment ook lastig zichtbaar. Hoewel de toegankelijkheid van het hoger onderwijs dus niet ter discussie staat, is wel alertheid vereist dat ook de toegankelijkheid van meer selectieve opleidingen in het hoger onderwijs gewaarborgd blijft.

Bevindingen inspectie

De inspectie maakt in de rapporten helder dat meer studenten dan in 2010 in 2014 in het hoger onderwijs te maken hebben met selectie. Dit komt doordat het aantal opleidingen dat selectie aan de poort toepast, is toegenomen. Het percentage bekostigde voltijd bacheloropleidingen met selecterende maatregelen aan de poort is in de afgelopen vijf jaar gestegen tot 21 in het hbo en tot 15 in het wo in studiejaar 2014/2015. Daarbij is gekeken naar opleidingen die selecteren op basis van aanvullende eisen, het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs of op basis van een numerus fixus (opleidings- of instellingsfixus).

De inspectie geeft ook aan dat er aanwijzingen zijn dat de selectie in de propedeuse is verzwaard (door verhoging van de norm van het bindend studieadvies (BSA) en/of kwalitatieve eisen met kernvakken). De inspectie verwacht dat deze verzwaring zich de komende jaren doorzet.

Hogescholen en universiteiten noemen in het onderzoek als belangrijkste motieven voor een instellingsfixus respectievelijk BSA: kwaliteitsbeheersing, verbetering van het bachelorrendement en een betere matching tussen student en opleiding (inclusief vermindering van onterechte uitval). Ook een beperkte beschikbaarheid van stageplaatsen is voor hogescholen een belangrijke reden voor een numerus fixus. De respondenten in het onderzoek zien hun verwachtingen over de effecten van de genoemde maatregelen bevestigd. Selectie vergroot volgens hen studiesucces en onderwijskwaliteit. Daarnaast zorgt het voor een wat andere instroom.

De inspectie wijst op een aantal aandachtspunten die genoemd zijn door de respondenten. Daarvan wil ik er twee in het bijzonder onder uw aandacht brengen.

Het eerste aandachtspunt betreft de invloed die de instellingsfixus kan hebben op de studiekeuze en instroom van studenten. Het aantal opleidingen met een numerus fixus neemt in de meest recente cijfers voor het studiejaar 2016/2017 fors af en ik verwacht dat dit aantal door afschaffing van de loting en de overstap naar decentrale selectie vanaf het studiejaar 2017/2018 verder zal afnemen. De respondenten geven aan dat er zelfselectie kan optreden door onzekere aankomende studenten die menen niet tot een opleiding met een numerus fixus te worden toegelaten (met name eerste generatiestudenten). Waarschijnlijk komen eerste generatie studenten vanuit dit gezichtspunt minder goed voorbereid het hoger onderwijs binnen. Daarom onderstreep ik het door de inspectie in dit kader aangehaalde belang van voorlichting over de selectieprocedure. Deze voorlichting moet zowel eerlijk en transparant zijn over de moeilijkheidsgraad, als laagdrempelig en ondersteunend. In dit kader is ook van belang hoe instellingen hun decentrale selectie vormgeven en welke balans zij kiezen tussen meer op cognitieve vaardigheden gerichte selectiecriteria en criteria die zich richten op niet-cognitieve vaardigheden. Deze balans breng ik ook graag in gesprek in het kader van de voorbereidingen die instellingen treffen voor de vormgeving van hun decentrale selectie vanaf 2017/2018.

Een tweede aandachtspunt dat is genoemd is dat verzwaring van de selectie (door verhoging van de BSA-norm en/of kwalitatieve eisen) ongewenste effecten kan hebben op de doorstroom naar het tweede jaar en tot onterechte uitval kan leiden. De inspectie wijst er in het verlengde hiervan op dat instellingen hun selectie (in brede zin) zouden moeten evalueren op voorspellende waarde voor studiesucces. Ik deel het belang dat de inspectie hecht aan dit type evaluaties voor de vormgeving van het beleid op instellingsniveau. Ook de instellingen delen het belang hiervan. Daarbij verwacht ik dat instellingen zullen blijven verschillen op de zwaarte van het BSA en dat zij de invulling hiervan ook aanpassen onder invloed van hun ervaringen met de uitval die dit mogelijk met zich meebrengt en de ontwikkelingen in de effectiviteit van de studiekeuzevoorlichting en de studeerbaarheid van het programma voor studenten. Een studievoorlichting die tot betere matching leidt en een verhoging van de onderwijskwaliteit, wat zich vertaalt in betere studeerbaarheid, scheppen omstandigheden die zich beter lenen voor een verhoging van de zwaarte van de BSA-norm dan een botte verhoging die enkel tot meer uitval leidt.

Blijvende aandacht voor toegankelijkheid

Het onderzoek van de inspectie heeft voor mij een belangrijke signaalwaarde. Ik zal de ontwikkeling van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs nauwgezet blijven volgen. Tijdens de begrotingsbehandeling (Handelingen II 2015/16, nr. 18, items 4 en 11) heb ik aandacht gevraagd voor mogelijk financiële belemmeringen in de keuze van studenten voor een opleiding. Internationaal onderzoek laat zien dat goed presterende studenten van lagere inkomensklassen selectieve opleidingen mijden ook al zijn daar lagere kosten aan verbonden.2 Alertheid voor een blijvende toegankelijkheid van het hoger onderwijs is dus vereist. Ik heb het SCP gevraagd het onderzoek naar mogelijk financiële belemmeringen in de keuze van opleidingen in het hoger onderwijs uit te voeren. Hierbij zal het SCP ook kijken naar eventuele mechanismen van zelfselectie bepaald door het milieu van herkomst van studenten.

Het meerjarig onderzoek van de inspectie is met deze rapporten niet afgesloten. Het is goed dat de inspectie selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs blijft monitoren. Daarbij zal de aandacht ook uitgaan naar de toegankelijkheid voor groepen, onder andere uit de zwakkere sociaaleconomische milieus, en naar de effecten van selectie op kwaliteit van opleidingen. Deze ontwikkelingen wil ik ook zelf nauw blijven volgen. Door de thematiek bestuurlijk te agenderen en door het gesprek aan te gaan met onderwijsdirecteuren, decanen en studenten. Ik wil voeling blijven houden bij de uitwerking van dit type instrumenten op de emancipatiefunctie van het onderwijs. Ik zal u blijven informeren over de komende rapportages. Ook in de komende Onderwijsverslagen zal over het onderzoek worden gerapporteerd. In de Strategische Agenda «De waarde(n) van weten» (bijlage bij Kamerstuk 31 288, nr. 481), waarover ik op 14 december aanstaande met u spreek, heb ik het belang dat ik hecht aan een toegankelijk hoger onderwijs, onderstreept.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

The Missing «One-Offs»: The Hidden Supply of High-Achieving, Low Income Students, C.M. Hoxby, C. Avery NBER Working Paper No. 18586, december 2012