31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 1062 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 juni 2023

In de beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap1 heb ik aangekondigd in 2023 een nieuwe Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs in werking te laten treden. Hierbij bied ik u deze herziene Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs (hierna: regeling) aan. De nieuwe regeling is op 28 april jl. gepubliceerd in de Staatscourant, nadat deze in een openbare internetconsultatie is voorgelegd. De nieuwe regeling is tot stand gebracht in samenspraak met Universiteiten van Nederland, Vereniging Hogescholen, de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs, de NVAO, VNO-NCW en de NRTO.

De regeling vormt het beoordelingskader voor het toetreden van een nieuwe opleiding of een reeds bestaande onbekostigde opleiding tot het bekostigde stelsel. Aan de hand van dit beoordelingskader geeft de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs mij advies, op basis waarvan ik een macrodoelmatigheidsbesluit over de opleiding neem. Zo wordt beoordeeld of er voldoende arbeidsmarktbehoefte voor deze opleiding is en of er ruimte hiervoor is in het bestaande opleidingsaanbod. Bij ruimte wordt tevens gekeken of het een noodzakelijke aanvulling is op het bestaande opleidingsaanbod en of het past bij het profiel van de instelling.

De herziening van de regeling heeft tot doel om beter te kunnen inspelen op twee beleidsuitgangspunten, welke eerder zijn toegelicht in de beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap. Ten eerste wil ik stimuleren dat vernieuwing van het onderwijs zoveel mogelijk plaatsvindt via het reeds bestaande opleidingsaanbod. Dit kan bijdragen aan het anticiperen op ontwikkelingen om zo opleidingen toekomstgericht te houden, denk aan opleidingen in tekortsectoren en aan het inspelen met het onderwijsaanbod op maatschappelijke transities. Het starten van een gehele nieuwe opleiding, en het doorlopen van de bijbehorende procedures, is daarvoor niet altijd noodzakelijk. Daarnaast vind ik het belangrijk dat meer samenwerking en afstemming plaatsvindt tussen instellingen over de ontwikkeling van het opleidingsaanbod. In de macrodoelmatigheidsbeoordeling is hier op basis van de nieuwe regeling expliciet aandacht voor. Verder zorgt de nieuwe regeling voor meer transparantie en navolgbaarheid in de beoordeling en besluitvorming en voor een betere uitvoerbaarheid voor hoger onderwijs instellingen die aanvragen doen in het kader van deze regeling. Met deze wijzigingen draagt de nieuwe regeling bij aan een doelmatiger en toekomstgericht opleidingsaanbod en meer rust en ruimte in het stelsel.

Daarnaast biedt de regeling ook ruimte om de regio-specifieke situatie en regionale behoefte (inclusief de regionale samenwerking) aan de nieuwe opleiding mee te nemen in de onderbouwing. Die ruimte was er reeds onder de vorige regeling en heb ik behouden in de herziene regeling. Dit is van belang om een dekkend en goed gespreid opleidingsaanbod te kunnen borgen. Hiermee geef ik invulling aan de motie van de leden Krul en Peters (CDA)2 die vraagt om waarborgen in de regeling waardoor er voor jonge mensen in alle regio’s in Nederland voldoende opleidingsaanbod blijft. Met de aanpak voor de vitalisering van opleidingen in krimpregio’s, waarover ik uw Kamer binnenkort nader informeer, heb ik hier ook nadrukkelijk aandacht voor.

Tot slot heeft uw vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek aan mij gedaan om reactie te geven op de brief die zij van Stichting Leido heeft ontvangen over de herziene regeling. Deze reactie zal uw Kamer separaat ontvangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H. Dijkgraaf


X Noot
1

Kamerstuk 31 288, nr. 964.

X Noot
2

Kamerstuk 31 288, nr. 1044.

Naar boven