Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831266 nr. 2

31 266
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de medezeggenschapsstructuur in de educatie en het beroepsonderwijs in overeenstemming te brengen met de kenmerken en omstandigheden van deze onderwijssector en in dat verband de medezeggenschap van personeel en deelnemers in deze onderwijssector te versterken door middel van invoering van een gedeelde medezeggenschapsstructuur;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «en 9.1.4» ingevoegd: , alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen,.

2. In het tweede lid wordt na «en 9.1.4» ingevoegd: , alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen,.

B

Aan artikel 2.6 wordt onder vernummering van het tweede lid tot derde lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van de Wet medezeggenschap op scholen zijn de bepalingen inzake de medezeggenschap bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden en deze wet van toepassing op scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid.

C

Artikel 4.1.3 komt te luiden:

Artikel 4.1.3. Professioneel statuut

Met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel, wordt door of namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut vastgesteld.

D

Na hoofdstuk 8 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 8A. MEDEZEGGENSCHAP VAN DEELNEMERS

TITEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 8a.1.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. deelnemersraad: de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.1.2, eerste lid;

b. reglement: het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 8a.3.1, eerste lid;

c. commissie: de landelijke geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 8a.4.1,eerste lid.

Artikel 8a.1.2. Deelnemersraad

1. Aan elke instelling is een deelnemersraad verbonden. De deelnemersraad behartigt de belangen van de deelnemers in de instelling.

2. De deelnemersraad bestaat uit een oneven aantal leden die uit en door de deelnemers worden gekozen.

3. De verkiezing van de leden van de deelnemersraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.

4. Alle deelnemers die bij de instelling zijn ingeschreven, zijn kiesgerechtigd voor de deelnemersraad en kunnen zich daarvoor verkiesbaar stellen.

5. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden, voormalige leden en kandidaatleden van de deelnemersraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap of vroegere lidmaatschap daarvan, dan wel hun kandidatuur voor dat lidmaatschap, worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de instelling.

6. De deelnemersraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de deelnemersraad in rechte.

Artikel 8a.1.3. Ouderraad

1. Indien ouders van deelnemers van een regionaal opleidingencentrum daarom verzoeken, stelt het bevoegd gezag een ouderraad in.Indien van de eerste volzin gebruik wordt gemaakt, legt het bevoegd gezag de bevoegdheden van de ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut, na overleg met de ouders die het verzoek hebben ingediend. Op een ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, is artikel 8a.1.2, met uitzondering van het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

2. Aan een agrarisch opleidingscentrum en aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, is een ouderraad verbonden. Een ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, behartigt in het bijzonder de belangen van de deelnemers in de leeftijd tot 18 jaar.

3. Indien een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een regionaal opleidingencentrum verenigt tot een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormt het in de Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen deel van de medezeggenschapsraad van die school voor voortgezet onderwijs de eerste ouderraad van de scholengemeenschap. Indien een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een agrarisch opleidingscentrum verenigt tot een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormen de ouderraad van het agrarisch opleidingscentrum, bedoeld in het tweede lid, en het in de Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen deel van de medezeggenschapsraad van die school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs gezamenlijk de eerste ouderraad van de scholengemeenschap.

4. Het bevoegd gezag legt de bevoegdheden van een ouderraad als bedoeld in het tweede of derde lid, vast in het medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op een ouderraad als bedoeld in het tweede of derde lid. Op een ouderraad als bedoeld in het tweede of derde lid, is titel 4 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8a.1.4. Zorgplicht medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut

1. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat binnen de instelling een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van deelnemers plaats kan vinden waarbij ten minste wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. de verkiezingen zijn zodanig geregeld dat deze kunnen leiden tot een deelnemersraad of, in voorkomende gevallen, een ouderraad die een representatieve vertegenwoordiging van deelnemers of ouders vormt;

b. de medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.

2. Het bevoegd gezag legt de inrichting van de medezeggenschap telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast in een medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op de ondernemingsraad.

TITEL 2. BEVOEGDHEDEN VAN DE DEELNEMERSRAAD

Artikel 8a.2.1. Algemene bevoegdheden

1. Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de deelnemersraad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het bevoegd gezag of de deelnemersraad. De besprekingen worden namens het bevoegd gezag gevoerd door een lid van de centrale directie of het college van bestuur.

2. De deelnemersraad is bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden, de instelling betreffende. Hij is bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken, alsmede het bevoegd gezag te verplichten daarover een standpunt in te nemen en bekend te maken.

3. Het bevoegd gezag verstrekt de deelnemersraad desgevraagd tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

4. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de voorzieningen die de deelnemersraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

5. De deelnemersraad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de instelling betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen.

Artikel 8a.2.2 Bijzondere bevoegdheden: instemming en advies

1. De deelnemersraad heeft de volgende bijzondere bevoegdheden:

a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het derde lid;

b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het vierde lid.

2. De bijzondere bevoegdheden zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de instelling reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift.

3. De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:

a. het medezeggenschapsstatuut;

b. het deelnemersstatuut en de huisregels voor deelnemers;

c. de beroeps- en klachtenregelingen voor deelnemers;

d. de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouder- of deelnemerbijdrage, alsmede de wijze waarop deze bijdrage tussen deelnemer en bevoegd gezag wordt overeengekomen;

e. de wijze waarop informatie wordt gegeven over de inhoud, planning en organisatie van het onderwijs en de examens;

f. de besteding van stagefondsen;

g. de model-onderwijsovereenkomst;

h. de model-praktijkovereenkomst;

i. het beleid met betrekking tot toelating, schorsing en verwijdering van deelnemers;

j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van deelnemers en in dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van deelnemers;

k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers betreffen;

l. het reglement voor de deelnemersraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid.

4. De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:

a. de gevolgen voor deelnemers van besluiten van het bevoegd gezag over inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;

b. verandering van de grondslag van de instelling;

c. werkomstandigheden en voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling;

d. het beleid met betrekking tot intake- en assessmentprocedures;

e. de rol van deelnemers bij de interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie.

5. In het reglement kunnen andere, nader te omschrijven onderwerpen worden opgenomen ten aanzien waarvan een van de bijzondere bevoegdheden aan de deelnemersraad wordt toegekend.

TITEL 3. REGLEMENT DEELNEMERSRAAD

Artikel 8a.3.1. Reglement deelnemersraad

1. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften in dit hoofdstuk, voor een periode van telkens vijf jaar een reglement voor de deelnemersraad vast. Het reglement kan tussentijds worden gewijzigd.

2. In het reglement worden in ieder geval regels gesteld omtrent:

a. het aantal leden van de deelnemersraad;

b. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de deelnemersraad;

c. de zittingsduur van de leden van de deelnemersraad;

d. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de deelnemersraad hun uit het lidmaatschap van de deelnemersraad voortvloeiende verplichtingen nakomen;

e. de voorstellen van de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.2.1, tweede lid, waarover het bevoegd gezag een standpunt inneemt, en de termijnen daarvoor;

f. het verschaffen van informatie door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad;

g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming moet worden besloten, en de termijnen binnen welke advies moet worden uitgebracht;

h. het toekennen van eventuele andere bevoegdheden aan de deelnemersraad.

3. Het bevoegd gezag legt het reglement, alsmede elke wijziging ervan, als voorstel aan de deelnemersraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de deelnemersraad heeft verworven.

TITEL 4. GESCHILLENREGELING EN PROCESBEVOEGDHEID

Artikel 8a.4.1. Landelijke geschillencommissie medezeggenschap

1. Er is een landelijke geschillencommissie medezeggenschap, waarbij elke instelling is aangesloten. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.

2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.

3. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de gezamenlijke bevoegde gezagsorganen van de instellingen en een lid en een plaatsvervangend lid op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de deelnemersraden van de instellingen. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.

4. Indien sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, voor zover het betreft het ontbreken van de vereiste instemming van de ondernemingsraad met het medezeggenschapsstatuut, wordt voor de duur van behandeling van dat geschil een lid benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van de instellingen.

5. De leden en de plaatsvervangende leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad van een instelling.

Artikel 8a.4.2. Competentie commissie

De commissie neemt kennis van de volgende geschillen:

a. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, niet de vereiste instemming heeft verworven;

b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie van hoofdstuk 8a dan wel het reglement;

c. op verzoek van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, advies door de deelnemersraad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de instelling ernstig worden geschaad.

Artikel 8a.4.3. Bevoegdheden en procedure commissie

1. Voor zover aan een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel de deelnemersraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel door de deelnemersraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie.

2. Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, geschiedt dit onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt de commissie de deelnemersraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen. Indien de deelnemersraad een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.

3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de deelnemersraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag of de deelnemersraad te kennen geeft daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van zowel het bevoegd gezag als de deelnemersraad, stelt zij vast, indien het betreft een geschil als bedoeld in:

a. artikel 8a.4.2, onderdeel a: of de deelnemersraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen;

b. artikel 8a.4.2, onderdeel b: welke interpretatie aan dit hoofdstuk of het reglement moet worden gegeven;

c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en of het besluit al dan niet in stand kan blijven.

4. Voor zover de commissie van oordeel is dat het voorstel van het bevoegd gezag niet in redelijkheid tot stand is gekomen, geeft zij aan hoe het voorstel moet worden gewijzigd.

5. Onverminderd artikel 8a.4.4 is een vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de deelnemersraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuw besluit.

6. Indien de ondernemingsraad ten aanzien van een voorstel van het bevoegd gezag tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsstatuut zijn instemming heeft onthouden, zijn de artikelen 27, vierde tot en met zesde lid, en 36 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevoegdheden van de bedrijfscommissie, bedoeld in het genoemde artikel 36, worden uitgeoefend door de commissie.

Artikel 8a.4.4. Procesbevoegdheid deelnemersraad

1. De deelnemersraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de deelnemersraad, voortvloeiend uit hoofdstuk 8a. Tegen een uitspraak van de commissie op grond van artikel 8a.4.3 staat beroep open.

2. Een vordering of beroep als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.

3. Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand nadat het bevoegd gezag of de deelnemersraad van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.

4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de commissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.

5. Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.

6. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

7. In dit artikel wordt onder «uitspraak» verstaan: een vaststelling of oordeel van de commissie als bedoeld in artikel 8a.4.3.

TITEL 5. AFWIJKINGEN

Artikel 8a.5.1. Afwijkingen in verband met eigen aard

1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de instelling ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het reglement een aan de deelnemersraad toekomend instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht. In afwijking van artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel l, juncto artikel 8a.3.1 stelt het bevoegd gezag het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat het hierover advies heeft ontvangen van de deelnemersraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven aan de eerste volzin indien een meerderheid van twee derden van de deelnemers dat ondersteunt.

2. De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een meerderheid van twee derden van de deelnemers.

3. Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de afwijking en de ondersteuning ervan.

ARTIKEL II

Aan artikel 53 van de Wet op de ondernemingsraden wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

3. Hoofdstuk VII B is niet van toepassing op openbare instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

ARTIKEL III

De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 wordt ingetrokken.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 juni 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Kamerstukken II 2005/06, 30 599, nr. 2) tot wet is verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 1.1.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «en 9.1.2» ingevoegd: , alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen,.

2. In het tweede lid wordt na «en 9.1.7» ingevoegd: , alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen,.

B

Artikel I, onderdeel D, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 8a.2.1, eerste lid, vervalt de zinsnede «de centrale directie of».

2. Aan artikel 8a.2.2 wordt een lid toegevoegd, luidend:

6. De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 9.1.4, vijfde lid.

3. Na artikel 8a.4.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 8a.4.5. Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht

Deze titel is van overeenkomstige toepassing op het advies, bedoeld in artikel 8a.2.2, zesde lid.

C

In artikel I wordt na onderdeel D een nieuw onderdeel ingevoegd, luidend:

E

Artikel 9.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt na de eerste volzin een nieuwe volzin ingevoegd, luidend: De leden van de raad van toezicht hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

2. Een lid wordt toegevoegd, luidend:

6. De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de ondernemingsraad invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de raad van toezicht van de desbetreffende instelling. De bedoelde regeling houdt ten minste in dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld om

a. aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen, bedoeld in het vijfde lid, en

b. een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht.

Artikel 8a.4.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De tweede en derde volzin zijn niet van toepassing voor zover de ondernemingsraad schriftelijk aan de raad van toezicht te kennen heeft gegeven van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik te willen maken.

ARTIKEL V

1. De aan een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs bestaande medezeggenschapsraad houdt op te bestaan op de datum waarop het bevoegd gezag voor de instelling waaraan de medezeggenschapsraad is verbonden, of mede voor die instelling, een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden heeft ingesteld, doch uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van deze wet. Tot de datum waarop de bestaande medezeggenschapsraad voor een instelling ophoudt te bestaan, blijft op die instelling van toepassing de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.

2. Met ingang van de datum waarop de bestaande medezeggenschapsraad voor een instelling ophoudt te bestaan, houden eveneens op te bestaan de voor die instelling ingestelde geledingenraden en deelraden en de mede voor die instelling ingestelde gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en gemeenschappelijke geledingenraden.

3. Met ingang van de in het eerste en tweede lid bedoelde datum, is de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend na inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.

ARTIKEL VI

1. Met ingang van de datum waarop het bevoegd gezag van een instelling toepassing heeft gegeven aan artikel V, eerste lid, eerste volzin, wordt het deel van de voordien bestaande medezeggenschapsraad dat uit en door de deelnemers is gekozen dan wel de desbetreffende geledingenraad aangemerkt als deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.1.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

2. Binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, legt het bevoegd gezag een reglement voor de raad als voorstel voor aan de deelnemersraad. Deze termijn kan met instemming van de deelnemersraad worden verlengd. Artikel 8a.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs is van toepassing.

3. Binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, legt het bevoegd gezag een medezeggenschapsstatuut als voorstel voor aan de deelnemersraad en de ondernemingsraad. Deze termijn kan met instemming van de deelnemersraad en de ondernemingsraad worden verlengd. De artikelen 8a.1.4, tweede lid, tweede volzin, en 8a.2.2, derde lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs zijn van toepassing.

ARTIKEL VII

1. Indien de medezeggenschapsraad van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs een voorstel inzake een aangelegenheid, de instelling betreffende, aan het bevoegd gezag heeft gedaan, blijft op dit voorstel en op de reactie van het bevoegd gezag dienaangaande van toepassing de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 zoals die luidde op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.

2. Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, de medezeggenschapsraad of het betrokken deel van de medezeggenschapsraad heeft verzocht om advies of instemming inzake een door het bevoegd gezag te nemen besluit, blijft op dit verzoek om advies of instemming en op het te nemen besluit en de daarop betrekking hebbende rechtsmiddelen van toepassing de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 zoals die luidde op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.

3. Op geschillen of procedures inzake de toepassing van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 die aanhangig zijn gemaakt voor de datum waarop de medezeggenschapsraad van een instelling als bedoeld in het eerste lid krachtens artikel V, tweede lid, ophoudt te bestaan, blijft van toepassing de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 zoals die luidde op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.

4. Met ingang van de datum waarop de bestaande medezeggenschapsraad voor een instelling als bedoeld in het eerste lid krachtens artikel V, tweede lid, ophoudt te bestaan, worden de onderscheiden belangen als volgt behartigd:

a. de belangen van de medezeggenschapsraad worden behartigd door de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging die voor die instelling of mede voor die instelling is ingesteld, en de aan die instelling verbonden deelnemersraad gezamenlijk;

b. de belangen van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen dan wel de desbetreffende geledingenraad, worden behartigd door de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging die voor die instelling of mede voor die instelling is ingesteld;

c. de belangen van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de deelnemers is gekozen dan wel de desbetreffende geledingenraad, worden behartigd door de aan die instelling verbonden deelnemersraad.

ARTIKEL VIII

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de artikelen 8a.2.2, zesde lid, en 9.1.4, zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,