Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831262 nr. 5

31 262
Wijziging van de Warenwet in verband met de opneming van de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang op te leggen en enkele andere wijzigingen

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 10 maart 2008

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave Blz.

I. Algemeen 1

II. Artikelsgewijs 3

I. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het belang van de volksgezondheid en veiligheid vereist een effectief en doelmatig handhavingsinstrumentarium.

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat ondanks het toepassen van bestuursdwang er in 1549 van de gevallen sprake is van minimaal vijfmaal een recidive door hetzelfde bedrijf. De regering stelt echter in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidswetgeving (Kamerstuk 31 122, nr. 3) dat het nalevingsgedrag als gevolg van de bestuurlijke boete in de Warenwet is verbeterd. Kan de regering dat nader verklaren? In ieder geval maken deze cijfers het voor de leden van de CDA-fractie duidelijk dat notoire overtreders ook met andere middelen moeten worden aangepakt. Zij benadelen niet alleen hun collega-bedrijven in economische zin, maar ook het imago van de sector als geheel. De leden van de CDA-fractie zijn daarom overtuigd van de noodzaak om bestuursdwang voor de gehele Warenwet toe te passen. Temeer, omdat daardoor ogenblikkelijk optreden beter mogelijk wordt. Vanzelfsprekend vraagt het toepassen van een dergelijk ingrijpend handhavingsinstrument een zorgvuldige afweging en juridische waarborgen. Kan de regering garanderen dat niet te gemakkelijk naar het instrument van de bestuursdwang wordt gegrepen?

De leden van de CDA-fractie zien tevens de toegevoegde waarde van het uitbreiden van de reikwijdte van de Warenwet tot de exclusieve economische zone in plaats van het continentale plat. Zij achten ook de uitbreiding van het toepassingsbereik een goede zaak, gezien het uitbreiden van het type activiteiten dat losstaat van de mijnbouw. Zij vragen wel of de verzamelterm «civieltechnische werken» niet onnodig beperkend is.

De leden van de CDA-fractie onderkennen de noodzaak om te komen tot een beperking van de mogelijkheid om bij wet gestelde regels bij algemene maatregel van bestuur buiten werking te verklaren. De keuze om deze delegatie te beperken tot de gevallen waarin de bepaling in de Warenwet strijdig is met een internationaal verdrag, heeft de steun van deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven hoe de voorgestelde veranderingen in de Warenwet zich verhouden tot de regelgeving in andere Europese lidstaten en die in de ons omringende landen in het bijzonder.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Warenwet in verband met de opneming van de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang op te leggen en enkele andere wijzigingen.

Deze leden kunnen zich in grote lijnen vinden in deze wijzigingen. Mede omdat deze wijzigingen voortkomen uit een dringende behoefte om adequaat op te treden tegen notoire overtreders van de Warenwet. Hiermee zullen de volksgezondheid en de algemene veiligheid beter geborgd kunnen worden. De voorgestelde wijzigingen van de Warenwet doen bij de leden van de VVD-fractie de volgende vragen rijzen.

Bij de wijziging van de Warenwet dient de consumentveiligheid te worden gewaarborgd zonder een te grote administratieve belasting te leggen op de schouders van de bonafide ondernemers en overheid. Daarbij delen de leden van de VVD-fractie het standpunt dat deze bonafide ondernemers er baat bij hebben dat de praktijken van hun onwelwillende collega’s eerder kunnen worden stopgezet. Een rechterlijke toetsing achteraf kan daar dan ook aan bijdragen. De leden van de VVD-fractie zijn met de regering van mening dat enige tijdwinst niet ten koste mag gaan van een zorgvuldige besluitvorming. Deze leden vinden het daarnaast van belang dat de ondernemer voldoende middelen krijgt om bezwaar te maken tegen een beschikking. Dit geldt zeker indien een beschikking leidt tot de sluiting van de primaire bedrijfsvoering, met grote financiële consequenties voor een ondernemer met mogelijk faillissement tot gevolg. De regering stelt dat een ondernemer dan een bezwaarprocedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht of via de voorzieningenrechter moet starten. De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de regering enig zicht heeft op de extra belasting van de rechterlijke macht die een toetsing achteraf in plaats van vooraf met zich meebrengt. Verhoudt een eventuele extra belasting van de rechterlijke macht zich tot de verwachte winst die wordt geboekt ten aanzien van de borging van de volksgezondheid als gevolg van de voorgestelde wijzigingen? Kunnen beleidsregels ten aanzien van een besluit tot toepassing van bestuursdwang bijdragen aan een adequate toetsing aan de beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het aantal gerechtelijke procedures beperken? Is de regering voornemens om dergelijke beleidsregels op te stellen voor het toepassen van bestuursdwang uit hoofde van de Warenwet?

Artikel 27, eerste lid en artikel 30 van de Warenwet worden aangepast om recht te doen aan de ministeriële verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Gevolg van deze aanpassingen is dat het aanbrengen van een merk van afkeuring op een technisch voortbrengsel geen rechtsgevolg heeft tot het moment dat de minister een besluit heeft genomen. De leden van de VVD-fractie constateren dat daarmee een toezichthoudend ambtenaar niet meer over de mogelijkheid beschikt om een technisch voortbrengsel per direct onbruikbaar te verklaren. De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoeveel tijd er verloren gaat in de nieuwe situatie ten opzichte van de oude voordat een besluit kan worden genomen om een technisch voortbrengsel daadwerkelijk niet meer te mogen laten gebruiken. Daarnaast willen deze leden weten wat het bezwaar is om een toezichthoudend ambtenaar de verantwoordelijkheid voor een dergelijk besluit te laten nemen in plaats van de minister. Verhoudt dit bezwaar zich tot het mogelijk langer voortduren van onveilige situaties ten aanzien van technische voortbrengselen?

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe de voorgestelde wetswijziging borgt dat bij in gebreke blijven van een onderneming continuering van de bedrijfsactiviteiten onder een andere naam of rechtsvorm voorkomen wordt. Dit om te voorkomen dat de ongewenste activiteiten eventueel in hetzelfde pand, door dezelfde mensen kunnen worden doorgezet ondanks een negatieve beschikking. Welke waarborgen worden ingesteld om dit te voorkomen zonder dat er dan weer een nieuwe beschikking voor nodig is?

De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Warenwet in verband met de opneming van de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang op te leggen en enkele andere wijzigingen. Deze leden hebben nog wel een aantal aanvullende vragen.

Gemeld wordt dat sedert de introductie van de bestuurlijke boete in de Warenwet op 1 februari 2001 tot ultimo 2005 1549 bedrijven vijf of meer keren een bestuurlijke boete opgelegd hebben gekregen in verband met de schending van een volksgezondheids- of veiligheidsbelang. Van die bedrijven waren er 465 die in die periode zesmaal en 313 die zelfs zevenmaal een boete kregen opgelegd. De leden van de PVV-fractie zijn geschrokken van deze getallen en zijn van mening dat voor een juiste aanpak voor dit probleem, het van belang is dat er meer inzicht is in de achtergrond van deze bedrijven. In het verlengde daarvan willen deze leden graag meer achtergrondinformatie van deze bedrijven, bijvoorbeeld betreffende de branche waarin ze werkzaam zijn en de grootte van deze bedrijven (van multinationals tot eenmanszaken). Ook willen zij weten of er overeenkomsten zijn tussen bedrijven die vijf of meer keren een bestuurlijke boete opgelegd hebben gekregen. Tevens vragen zij hoeveel bedrijven twee, drie, vier en vijf of meer keer een bestuurlijke boete opgelegd hebben gekregen voor de schending van dezelfde overtreding. Kan de minister hier inzicht in geven?

De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat recidiverende bedrijven hard moeten worden aangepakt: na regelmatig dezelfde regel te hebben overtreden moet het bedrijf worden gesloten. Zo wordt oneerlijke concurrentie voorkomen omdat malafide ondernemers geen kans meer krijgen.

Door de minister de bevoegdheid toe te kennen bestuursdwang toe te passen kan, indien de situatie daar aanleiding toe geeft, ogenblikkelijk worden opgetreden, zo wordt gesteld. Tevens wordt gesteld dat aannemelijk moet zijn dat andere maatregelen zoals de dreiging met een boete, onvoldoende effect zullen hebben om de noodzakelijke maatregelen op korte termijn af te dwingen. Kan hieruit geconcludeerd worden dat bestuursdwang alleen toegepast wordt bij recidive? Indien dit niet het geval is vragen de leden van de PVV-fractie waarom niet. Zij zijn namelijk van mening dat er eerst de mogelijkheid tot verbetering moet zijn en vinden dat deze maatregel alleen opgelegd mag worden bij recidive.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel C

De leden van de CDA-fractie zien de toegevoegde waarde van de mogelijkheid om ook het verhandelen van gevaarlijke levensmiddelen te doen staken om te voorkomen dat later levensmiddelen moeten worden teruggeroepen. Deze leden begrijpen echter niet waarom deze bevoegdheid zich beperkt tot levensmiddelen. Bij andere gevaarlijke waren kunnen de risico’s en gevaren van het in de handel brengen toch ook groot zijn en kan preventie in dat geval dienstig zijn? Vooral omdat het terugroepen van gevaarlijke waren niet voor alle consumenten kenbaar is en veelal veel tijd vergt.

Artikel I, onderdeel E

De leden van de CDA-fractie achten het nemen van een bestuursbesluit ook voorbehouden aan een bestuursorgaan, in dit geval de minister. Deze leden vinden de voorgestelde bepaling wel verwarrend omdat zowel over de minister als over ambtenaren wordt gesproken. Waarom kiest de regering niet alleen voor de minister, die mandaat kan verlenen voor alle genoemde acties inclusief het besluit?

Artikel I, onderdeel G

De leden van de CDA-fractie vragen de regering, in navolging van de Raad van State, nog eens te overwegen om de EG-verordeningen die in het kader van de Warenwet via bestuursdwang kunnen worden gehandhaafd, op te nemen in de bijlage bij het onderhavige wetsvoorstel. Zij zien de noodzaak van de kenbaarheid en transparantie voor burgers en bedrijven bij het toepassen van dit vergaande handhavingsinstrument.

Artikel IV

Is de regering nog steeds van oordeel dat de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel niet ver vooruitloopt op de behandeling van de vierde tranche Algemene wet bestuursrecht en er dus geen nota van wijziging nodig is? De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de brief van 18 januari 2008 (Kamerstuk 31 122/31 262, nr. 6).

De voorzitter van de commissie,

Smeets

Adjunct-griffier van de commissie,

Clemens


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Halsema (GL), Kant (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Heerts (PvdA), Zijlstra (VVD), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Vendrik (GL), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (Verdonk), Dezentjé Hamming (VVD), Atsma (CDA), Van der Ham (D66), Çörüz (CDA), Gill’ard (PvdA), Smilde (CDA), Langkamp (SP), Vermeij (PvdA), Arib (PvdA), Kamp (VVD), Thieme (PvdD), Bosma (PVV), Luijben (SP), Hamer (PvdA), Ortega-Martijn (CU) en De Wit (SP).