Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831258-(R1837) nr. 1;A

31 258 (R1837)
Herzien Europees Verdrag inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Chisinau, 6 november 2003 (Trb. 2007, 103) en opzegging van de op 13 december 1968 te Parijs totstandgekomen Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 oktober 2007

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 31 oktober 2007.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Minister van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 30 november 2007.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 6 november 2003 te Chisinau totstandgekomen Herzien Europees Verdrag inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (Trb. 2007, 103) en opzegging van de op 13 december 1968 te Parijs totstandgekomen Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer.

Een toelichtende nota bij dit verdrag en deze opzegging treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor Nederland en Aruba gevraagd.

Aan de Gouverneur van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 30 oktober 2007 over te leggen aan de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Minister van Aruba is van deze overlegging in kennis gesteld.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

TOELICHTENDE NOTA

1. Algemeen

Op 18 juni 2002 werden te Straatsburg de onderhandelingen afgerond over de herziening van de op 13 december 1968 te Parijs totstandgekomen Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (Trb. 1975, 49; hierna te noemen: de Overeenkomst van 1968). Het op 6 november 2003 te Chisinau totstandgekomen Verdrag ter herziening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal transport (Trb. 2007, 103; hierna te noemen: het Verdrag) werd vervolgens te Chisinau in Moldavië opengesteld voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa.

In 1995 hebben de overeenkomstsluitende partijen besloten de Overeenkomst van 1968 in het licht van recente wetenschappelijke bevindingen en praktische ervaringen te actualiseren. Op 18 juni 2002 heeft een Multilateraal Overleg tussen de partijen plaats gehad. Ook de Commissie van de Europese Gemeenschappen, daartoe gemandateerd door de Raad van de Europese Unie1 nam deel aan deze bijeenkomst. Dit overleg heeft geresulteerd in het Verdrag, totstandgekomen op 6 november 2003, ter vervanging van de Overeenkomst van 1968.

Bij het Verdrag is een in het kader van de Raad van Europa opgesteld «explanatory report» gevoegd waarin de achtergrond en de strekking van het Verdrag worden uiteengezet. De Nederlandse vertaling van dit rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de kernbepalingen van het Verdrag en waar nodig op de situatie van het Koninkrijk.

2. Artikelsgewijze toelichting

Het Verdrag is van toepassing op internationaal transport van gewervelde dieren. Onder internationaal transport wordt verstaan het transport van de ene staat naar een andere staat, echter met uitzondering van reizen korter dan 50 kilometer en met uitzondering van verkeer tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen (artikel 1, eerste lid). Dit betekent dat de reikwijdte van het Verdrag voor Nederland beperkt blijft, namelijk tot dierenvervoer rechtstreeks naar een andere lidstaat van de Raad van Europa, niet zijnde een EU-lidstaat.

De kernbepaling van het Verdrag houdt in dat dieren moeten worden vervoerd op een wijze die hun welzijn, waaronder gezondheid, waarborgt (artikel 4, eerste lid). Artikel 9, eerste en tweede lid, bepaalt voorts dat dieren slechts mogen worden getransporteerd indien deze geschikt zijn voor vervoer. Licht zieke of gewonde dieren mogen slechts worden vervoerd indien dat vervoer geen verder leed toevoegt of indien het gebeurt onder medische begeleiding ten behoeve van verdere behandeling.

Het Verdrag is niet van toepassing op vervoer van één enkel dier dat wordt begeleid door degene die ervoor verantwoordelijk is, en evenmin op het vervoer van huisdieren in gezelschap van hun eigenaar. Deze uitzonderingen gelden niet voor de kernbepalingen van de artikelen 4, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, hierboven aangehaald.

De technische protocollen, bedoeld in artikel 33 van het Verdrag, zijn nog niet vastgesteld. De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal namens de Europese Unie de onderhandelingen voeren. De onderhandelingen over die protocollen zijn momenteel in afwachting van het mandaat van de Raad van de Europese Gemeenschappen aan de Commissie. Deze protocollen kunnen beschouwd worden als uitvoeringsverdragen die op grond van artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeven, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die Rijkswet.

Artikel 37, tweede lid, bepaalt dat het Verdrag pas mag worden bekrachtigd als de Overeenkomst van 1968 is of gelijktijdig wordt opgezegd. De bedoeling van het onderliggend verdrag is om de Overeenkomst van 1968 in zijn geheel te vervangen. Aan de goedkeuring door de Staten-Generaal van het Verdrag is dus inherent de goedkeuring van de opzegging van de Overeenkomst van 1968 verbonden.

Het derde lid van artikel 37 bepaalt dat het Verdrag in werking treedt zes maanden na de dag waarop vier staten het Verdrag hebben geratificeerd, aanvaard of goedgekeurd. Inmiddels is aan deze voorwaarde voldaan: het Verdrag is met ingang van 14 maart 2006 in werking getreden.

3. Verhouding tot EG-regelgeving

Op 5 januari 2007 wordt EG-verordening nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens vervoer en daarmee samenhangende activiteiten1 van kracht. Deze verordening is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Europese Gemeenschap en op controles van ambtenaren op partijen dieren die het douanegebied van de gemeenschap binnenkomen of verlaten. In de verordening is bepaald dat officiële dierenartsen van de EU-lidstaten moeten controleren of de vervoerder van dieren die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, heeft aangetoond dat het transport van de plaats van vertrek tot het land van eindbestemming in overeenstemming met het Verdrag is. Hiermee is zekergesteld dat vervoer van dieren van een EU-lidstaat naar een ander land voldoet aan het Verdrag.

4. Verhouding tot nationale regelgeving

EG-verordeningen zijn een rechtstreekse bron van rechten en van plichten binnen de Europese lidstaten. Verordeningen mogen daarom niet worden overgenomen in de nationale regelgeving, maar behoeven slechts uitvoering. Dit heeft tot gevolg dat voormelde EG-verordening nr. 1/2005 niet in de Nederlandse regelgeving wordt overgenomen. De Nederlandse regelgeving bevat met ingang van 5 januari 2007 dan ook geen materiële normen over de bescherming van dieren tijdens vervoer. Wel is in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een basis voor de uitvoering van EG-verordening nr. 1/2005 in de Nederlandse regelgeving opgenomen (in de artikelen 58, 59, 59a en 59b). Op basis daarvan kunnen ter uitvoering van verordening nr. 1/2005 regels worden gesteld in een ministeriële regeling. Deze regels zullen worden opgenomen in de Regeling dierenvervoer 2007, die eveneens op 5 januari 2007 in werking zal treden. Daarmee is zeker gesteld dat bij vervoer van dieren van Nederland naar een ander land, niet zijnde een EU-lidstaat, wordt gecontroleerd of aan de eisen van het Verdrag wordt voldaan.

5. Koninkrijkspositie

De Overeenkomst van 1968 heeft geen medegelding voor de Nederlandse Antillen. De regering van de Nederlandse Antillen heeft aangegeven ook medegelding van dit Verdrag voor haar land niet wenselijk te achten.

De Overeenkomst van 1968 geldt sinds 1 januari 1986 ook voor Aruba (zie Trb. 1986, 187). De regering van Aruba beraadt zich nog over de wenselijkheid van medegelding van het onderhavige Verdrag.

Teneinde het mogelijk te maken dat, wanneer de regering van Aruba medegelding wenselijk acht, die medegelding direct tot stand kan worden gebracht, wordt de goedkeuring van het Verdrag voor Nederland en Aruba gevraagd.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen


XNoot
1

Raad van de Europese Unie COM(2003)631, 13 036/01 AGRILEG 236 van 22 oktober 2001.

Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar gemaakt omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).

XNoot
1

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 (PbEG 2005, L3) inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.