31 250
Beleidsbrief Ontwikkelingssamenwerking

30 234
Toekomstig sportbeleid

nr. 17
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 juni 2008

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 8 februari 2008 inzake de beleidsbrief «Sport en ontwikkeling» (Kamerstuk 31 250/ 30 234, nr. 7).

De minister en de staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 30 mei 2008. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Ormel

De griffier van de commissie,

Van der Kolk-Timmermans

1

Kunt u aangeven hoeveel geld het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uittrekt voor het stimuleren van sport onder Nederlandse jongeren (in Nederland)?

Een groot deel van het sportbudget komt direct of indirect ten goede aan het stimuleren van sport onder Nederlandse jongeren.

Uitgaven van het ministerie van VWS aan die programma’s die volledig ten goede komen aan het stimuleren van sport onder Nederlandse jongeren in de periode 2008 t/m 2011 bedragen:

– Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur EUR 74 miljoen

– Regeling Buurt, Onderwijs en Sport EUR 39 miljoen

– Meedoen allochtone jeugd door sport EUR 44 miljoen

– Excelleren van talent EUR 37 miljoen

Uitgaven van het ministerie van VWS aan programma’s die indirect of voor een (geringer) deel ten goede komen aan het stimuleren van sport onder Nederlandse jongeren in de periode 2008 t/m 2011 bedragen:

– Nationaal Actieplan Sport en Bewegen EUR 67 miljoen

– Sportstimulering gehandicapten EUR 10 miljoen

– Sportiviteit & Respect EUR 11 miljoen

– Vernieuwing lokaal sportaanbod EUR 13 miljoen

– Gekwalificeerd sportkader EUR 10 miljoen

2

Kunt u aangeven wat het zou kosten om in de partnerlanden voor ontwikkelingssamenwerking alle kinderen tussen de 3 en de 16 jaar van een voetbal te voorzien?

Nee, die berekening valt niet te maken, daarvoor zijn er teveel variabelen. Overigens is het niet het doel van het beleid om alle kinderen van een bal te voorzien.

3

Is het u bekend dat er in Mali grote verontwaardiging is ontstaan ten tijde van de Africa Cup of Nations, die daar in 2002 werd gehouden, omdat het land miljoenen in nieuwe stadions investeerde terwijl de ziekenhuizen in erbarmelijke omstandigheden verkeerden? Is het u tevens bekend dat deze stadions momenteel zo goed als niet meer in gebruik zijn, terwijl de Malinese regering nog jaren na dato de schulden moe(s)t afbetalen? Vindt u deze gang van zaken bevorderlijk voor het behalen van de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MDG’s)?

Sport en in het bijzonder voetbal zijn in Mali, zeker onder de jonge bevolking, zeer geliefd. Voor de Malinezen was de African Cup of Nations (ACN) een unieke kans om Afrikaans voetbal van het hoogste niveau direct mee te maken.

De stadions van de ACN 2002 worden nog steeds gebruikt. Zowel voor nationale sportwedstrijden als voor regionale toernooien die vaak in Mali worden gehouden. Daarnaast worden de faciliteiten ook regelmatig gebruikt voor concerten, seminars en opleidingen, onder andere een recent seminar met betrekking tot het gezondheidsprogramma PRODESS.

Tijdens de ACN hebben de ziekenhuizen in Bamako ook extra steun ontvangen om hun zorgniveau te verbeteren. Nederland heeft destijds een vaccinatieprogramma tegen meningitis ondersteund als flankerend beleid bij een dergelijk groot evenement.

4

Op welke wijze zal het budget van 16 miljoen euro voor sport en ontwikkeling worden besteed? Gaat er een vast percentage naar de ambassades? Worden er ook op projectbasis middelen ingezet en/of middelen via het multilaterale kanaal?

Voor de periode 2008 t/m 2011 is het budget van het programma sport en ontwikkeling als volgt opgebouwd:

BZca. EUR 7 miljoen, waarvan het grootste deel via de ambassades
VWSca. EUR 6 miljoen
NCDOca. EUR 3 miljoen

Er worden in dit kader bilaterale programma’s en projecten uitgevoerd; multilaterale activiteiten worden vooralsnog niet overwogen.

5

Kunt u een aantal voorbeelden van organisaties en landen in het Zuiden noemen die Nederland hebben verzocht om een beleid ten aanzien van sport en ontwikkelingssamenwerking?

De volgende organisaties hebben voor zover ons bekend om steun gevraagd: MAYSA Kenya, SCORE Zuidelijk Afrika, Kalusha Foundation Zambia, INJEPS en jeugdorganisaties Burkina Faso, Right to Play regiobureaus in ontwikkelingslanden, diverse sportfederaties in Suriname, straatkinderenorganisatie in Colombia, voetbalfederaties in Zuid Afrika, Senegal, Mozambique en Indonesië, volleybalfederaties in Rwanda en Burundi en noodhulporganisaties actief in het zuiden van Sudan.

Daarnaast hebben ministeries in Suriname, Zuid Afrika, Burkina Faso, Bhutan en Mozambique belangstelling laten blijken.

6

Kunt u toelichten hoe de Tanzaniaanse en Keniaanse voorbeelden stroken met het Nederlandse voornemen juist actief te zullen/willen worden in de steden?

De voorbeelden genoemd in de beleidsnotitie gaan in op de maatschappelijke betekenis van sport in brede zin. De activiteiten zullen zich concentreren op stedelijke gebieden, maar activiteiten in rurale gebieden zijn daarmee niet uitgesloten.

7

Kunt u aangeven hoeveel geld er momenteel al wordt besteed aan programma’s en projecten gericht op sport en ontwikkelingssamenwerking, zoals het «sport en OS» programma van de NCDO, de projecten in het kader van samenwerkingsovereenkomsten sport en het PSO programma «sport en capaciteitsopbouw»?

In 2007 was er sprake van het volgende budget:

– NCDO (BZ)ca. EUR 750 000
– Samenwerkingsovereenkomsten sport (VWS)ca. EUR 350 000
– PSO, Sport en Capaciteitsopbouw (VWS en BZ)ca. EUR 350 000

8

Kunt u aangeven hoeveel geld er momenteel al wordt besteed aan programma’s en projecten gericht op sport en ontwikkelingssamenwerking via stedenbandorganisaties, (sport)opleidingsinstituten en gehandicaptenorganisaties?

In het verleden (tot aan 2006) zijn incidenteel sport- en ontwikkelingssamenwerkingsprojecten ondersteund via stedenbandorganisaties (Haarlem, Rotterdam), sportopleidingsinstituten (sportvrijwilligers voor Score) en gehandicaptenorganisaties (Gehandicaptensport Nederland, voorheen NebasNsg) in een beperkt aantal landen. Momenteel bieden de ministeries van BZ en VWS geen gerichte ondersteuning langs deze kanalen.

Daarnaast wordt sport door verschillende organisaties aangeboden als een onderdeel van bredere ontwikkelingsprogramma’s. Een overzicht van de financiële middelen die hierin omgaan ontbreekt, onder meer omdat het hier vaak particuliere initiatieven betreft.

9

U plaatst een aantal kanttekeningen (aandachtspunten) bij de ontwikkelingen. Zo moet er meer rekening worden gehouden met de lokale omstandigheden, moeten projecten meer aansluiten bij het – vaak nog gebrekkige – beleid van het betrokken land, dorp, kamp of organisatie, en door versnippering van aanbod – een groot aantal organisaties biedt een grote variëteit aan projecten aan – bestaat de kans dat landen primair reageren op langskomend projectaanbod. Hoe moet dit voorkomen worden? Is er een speciale taak voor de NCDO om hier beleid en programma’s voor te maken? Of ligt hier een taak voor de VNG?

Hier ligt een taak voor de ambassades. Zij geven in de reguliere OS-programma’s, rekening houdend met de lokale capaciteiten, vraaggestuurd en met een programmatische aanpak het OS-beleid vorm. Uitvoering van het sport en OS-programma zal in dit bestaande kader worden ingepast, waardoor versnippering en aanbodsturing wordt voorkomen. Dit geldt zowel voor de middelen die aan de ambassades worden gedelegeerd, als voor de activiteiten die via NOC*NSF door Nederlandse organisaties worden uitgevoerd.

Tevens zal er gebruikt gemaakt worden van opgebouwde expertise en bestaande projecten. De conclusies hiervan zijn onder meer verwoord in de brochure «lessons learned» van NCDO en in het evaluatierapport van PSO.

Op dit moment wordt er geen taak voorzien voor de VNG.

10

U geeft aan dat verbetering mogelijk en nodig is met betrekking tot monitoren en meting van resultaten. Maar hoe wordt ervoor gezorgd dat er over 3 jaar resultaten liggen en dat het projectgeld niet is uitgegeven zonder prioriteit te geven aan het zichtbaar maken van resultaten? Bij wie ligt die verantwoordelijkheid, bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, bij de NCDO, of bij de individuele clubs?

De ministeries van BZ en VWS zijn ervoor verantwoordelijk dat de uitvoerende organisaties van de landenprogramma’s voldoende aandacht besteden aan het zichtbaar maken van resultaten. Dat is een voorwaarde voor ondersteuning van een landenprogramma. De opgebouwde expertise bij NCDO en de vereniging PSO wordt ingezet om tot een passend Monitor &Evaluatie-instrument te komen. De expertise van de NCDO wordt ingezet om resultaten in Nederland zichtbaar te maken.

11

Kunt u aangeven op welke manier zowel Nederlandse als internationale organisaties bij hun ondersteuning meer rekening gaan houden met de lokale omstandigheden? Waar moet hier dan concreet aan gedacht worden? Gaan (Nederlandse) sportinstructeurs een speciale opleiding krijgen, bijvoorbeeld op het gebied van antropologie of ontwikkelingssamenwerking?

Er wordt gewerkt op basis van lokale vraag en waar mogelijk met lokale organisaties. Concreet betekent dat aangepaste opleidingen gegeven worden aan lokaal geworven aspirant sportleiders die leiden tot een lokaal en maatschappelijk erkende kwalificatie. Aan de inzet van Nederlandse experts zullen hogere eisen worden gesteld. Afhankelijk van de soort en duur van de inzet vraagt dat om kortere of langere voorbereidingstijd gericht op de lokale situatie.

12

Betekent het feit dat de versterking van de sportsector in ontwikkelingslanden zelf ook als onderdeel van programma’s kan worden meegenomen dat wij de bouw van bijvoorbeeld sportstadions in ontwikkelingslanden gaan financieren? Zo nee, wat wordt er dan mee bedoeld?

Nee, voor de bouw van sportstadions of topsportfaciliteiten wordt geen subsidie verstrekt. Met versterking van de sportsector wordt onder meer gedoeld op institutionele versterking van sportbonden, organisaties en overheden en de ontwikkeling van breedtesport. Indien voor een project kleinschalige buurtaccommodaties moeten worden aangelegd, opgeknapt of aangepast dan kan dat onderdeel vormen van het programma.

13

Hoe wordt gemeten dat de doelstelling van het draagvlak in Nederland voor sport en ontwikkelingssamenwerking wordt vergroot? Wat is het nut van deze doelstelling? Op welke manier wordt hiermee bijgedragen aan het uiteindelijke doel om overheden en organisaties in ontwikkelingslanden zelf in staat te stellen de kracht van sport- en spelprogramma’s optimaal en duurzaam te benutten?

Via het kenniscentrum van NCDO wordt onderzoek gedaan naar draagvlak voor sport en ontwikkelingssamenwerking.

Wij achten het van belang dat de betrokkenheid en inzet van Nederlandse burgers, sporters en sportorganisaties bij het ontwikkelingsvraagstuk wordt gestimuleerd via onder meer dit programma. Dit sluit aan op eerdere, brede consultatieprocessen en afspraken over samenwerking tussen ministeries en maatschappelijke organisaties.

Draagvlakversterking draagt niet direct bij aan het genoemde uiteindelijke doel, maar maarschappelijke steun voor het programma verruimt de mogelijkheden om met dit sport en OS-beleid tot duurzame resultaten te komen.

14

Kunt u aangeven hoe de doelgroepen van het beleid (jongeren, meisjes en vrouwen en gehandicapten) stroken met de bijzondere aandacht die de regering wil schenken aan de capaciteitsversterking van mensen die werkzaam zijn in de sport, organisaties en overheden?

Capaciteitsversterking wordt beoogd door middel van het opleiden van onder meer trainers en coaches voor deze doelgroepen.

15

Aan de hand van welke criteria zal worden beoordeeld of aanvullend zal worden bijgedragen aan sportvoorzieningen om programma’s succesvol te laten zijn?

Zie het antwoord op vraag 12.

Sportvoorzieningen kunnen in beperkte mate worden gefinancierd wanneer:

– deze vallen binnen de doelstellingen van het project;

– de bestaande voorzieningen onvoldoende zijn voor een goede uitvoering van het project;

– deze multifunctioneel zijn en gebruikt kunnen worden door andere organisaties;

– onderhoud en beheer gegarandeerd zijn.

16

Wat doet VWS momenteel al in de sportlanden waar het mee samenwerkt? Hoeveel geld is hiermee gemoeid? Wat zijn de additionele doelstellingen?

In de landen waarmee het ministerie van VWS samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten worden diverse projecten uitgevoerd gericht op het opleiden van trainers en coaches in diverse sporten (voetbal, judo, hockey, volleybal) of specifiek voor gehandicapten. Daarmee was tot 2008 jaarlijks circa EUR 350 000 gemoeid. Additionele doelstellingen voor de toekomst zijn:

– het meer maatschappelijk benutten van sport door een gerichte inzet op bepaalde doelgroepen en thema’s zoals onderwijs, preventie en emancipatie;

– vergroten van bestuurlijke capaciteit;

– vergroten van maatschappelijke betrokkenheid van Nederlandse sportorganisaties.

17

Kunt u aangeven of er in het Keniase voorbeeld ontwikkelingsgeld aan te pas is gekomen?

Ja, dit project is mede gefinancierd door de Nederlandse ambassade in Kenia.

18

Wat was het doel van de publiekscampagne van de NCDO over sport voor mensen met een beperking gericht op de Nederlandse bevolking? Hoe is achterhaald c.q. gemeten of de doelstelling is behaald?

Het doel was tweeledig:

– Aandacht voor gehandicaptensport;

– Aandacht voor ontwikkelingssamenwerking via sport.

De publiekscampagne heeft het volgende bereikt:

– Ruim 2 miljoen Nederlanders zijn bereikt via de radio en tv en via de website (40 000 bezoekers in 2,5 maanden).

– Alle partnerorganisaties hebben in aanvulling op de campagne afzonderlijk aandacht gevraagd voor de positie van gehandicapten en sport in ontwikkelingslanden.

– Diverse persevenementen, ook tijdens de Paralympische Spelen in Athene, en de activiteiten van Lucille Werner als ambassadeur van het programma hebben het thema onder de aandacht gebracht van nationale en internationale politici en beleidsmakers.

19

Het WK voetbal in Zuid-Afrika 2010 wordt als voorbeeld genoemd als zijnde een gelegenheid om de positieve kracht van sport en de kansen die het biedt voor ontwikkeling voor het voetlicht te brengen. Een dergelijk toernooi geeft doorgaans maar een eenmalige impuls voor aandacht voor sport of banen en inkomsten en geen structurele. Aan welke strategie wordt er gedacht om ook na evenementen zoals WK voetbal of Olympische Spelen, aandacht voor sport en ontwikkeling vast te houden?

In Zuid Afrika is dat een belangrijk aandachtspunt. Via de legacy commissie van het organisatiecomité van het WK voetbal 2010 worden allerlei programma’s en projecten geïnitieerd die ook van waarde zijn voor de periode na 2010 en die ook effect hebben buiten de speelsteden van het WK. Bovendien is voortzetting van de ondersteuning van een sport- en ontwikkelingsprogramma in Zuid Afrika ook na het WK voorzien.

Daarnaast wordt ook via het Sport en ontwikkeling landenprogramma de aandacht voor het WK 2010 gebruikt als katalysator voor activiteiten, waarbij specifieke aandacht uitgaat naar capaciteitsopbouw en duurzaamheid.

20

Aan welke waardevolle activiteiten, die onder meer in samenwerking met Nederlandse sportorganisaties zullen worden ontplooid, moet gedacht worden in aanloop naar de WK in Zuid-Afrika?

Momenteel worden de mogelijkheden onderzocht maar daar is nog geen besluit over genomen.

21

Kunt u aangeven wat het extra belang is van de grote voorgestane inzet rondom de WK in Zuid-Afrika, aangezien dit evenement sowieso al een enorme spin-off zal kennen?

De directe spin off van het WK beperkt zich vooral tot de tien speelsteden en is voornamelijk economisch en sportgerelateerd.

De voorgestane inzet beoogt de grote belangstelling die rondom het WK in Zuid-Afrika zal ontstaan aan te grijpen om, via sportactiviteiten, de in het Sport en OS-beleid gestelde ontwikkelingsdoelen te bereiken.

22

Kunt u aangeven wat de FIFA en de sportindustrie momenteel (financieel) bijdragen aan het beleid ten aanzien van sport en ontwikkelingssamenwerking?

In navolging van de internationale afspraken gemaakt op de «Financing for Development» conferentie in Monterry in 2002 besteedt FIFA ten minste 0.7 procent van haar totale inkomsten aan programma’s die in het teken staan van maatschappelijke ontwikkeling door middel van voetbal.

Over de bijdrage van de (internationale) sportindustrie aan sport en ontwikkelingssamenwerking zijn geen harde cijfers bekend.

23

Wat moet concreet worden verstaan onder de versterking van de lokale structuren?

Met de versterking van organisaties als sportclubs, sport-for-all-comité’s en lokale overheden wordt bedoeld dat deze organisaties in staat zijn een duurzaam sportaanbod te organiseren en uit te voeren met behulp van daartoe gekwalificeerde sportleiders en bestuurders.

24

Gaat er in de toekomst OS-geld naar de sportsamenwerkingsovereenkomsten die VWS met enkele landen heeft afgesloten? Op welke wijze wordt er tot op heden (financieel) bijgedragen? Waarom gaat hier extra geld naar toe?

De huidige samenwerkingsovereenkomsten met Zuid Afrika en Suriname zijn tot 2008 door VWS gefinancierd en worden vanaf 2008 onder het programma sport en ontwikkelingssamenwerking gebracht. Extra middelen zijn nodig om tot een substantiële bijdrage te komen aan de in de Sport en OS-beleidsbrief gestelde ontwikkelingsdoelen.

25

Kunt u aangeven of mevrouw Kiplagat zal worden betaald voor haar functie als ambassadeur? Zo ja, om wat voor bedrag gaat het en waar wordt dit uit gefinancierd?

Mevrouw Kiplagat wordt niet betaald voor haar functie als ambassadeur.

26

Kunt u aangeven of de betrokken andere topsporters zullen worden betaald voor hun activiteiten en zo ja, hoeveel en vanuit welke pot?

Andere betrokken sporters worden niet betaald voor hun activiteiten.

27

Kunt u aangeven hoe het feit dat ambassades in partnerlanden worden gestimuleerd om aandacht voor sport te integreren in sectorale programma’s strookt met het feit dat de activiteiten vraaggestuurd (vanuit OS-landen en NGO’s zelf) moeten zijn?

De sectorale benadering is gestoeld op vraagsturing. Dit is ook het uitgangspunt van het beleid ten aanzien van sport en ontwikkeling. Ambassades zullen hun werkwijze derhalve niet veranderen.

28

Op basis van welke criteria kunnen ambassades een beroep doen op de financiële middelen? Om hoeveel ambassades gaat het?

Criteria zijn:

– de kansen van sport en ontwikkelingsprogramma’s in het betreffende land;

– capaciteit op de post;

– ervaring met sport en ontwikkelingsprojecten in het verleden.

Er wordt budget gedelegeerd aan 10 ambassades. Ten einde te voorkomen dat de middelen te veel worden versnipperd worden zij bestemd voor een beperkt aantal landen.

29

Kunt u aangeven wat de meerwaarde is van de EUR 6 miljoen die via de ambassades zal worden besteed aangezien er organisaties voor in aanmerking komen die reeds lokaal actief zijn op het gebied van sport en os?

Ambassades zijn bij uitstek in staat om goede lokale organisaties te identificeren en om te beoordelen in welke mate hun activiteiten aansluiten bij de maatschappelijke behoeften. Lokale organisaties kampen vaak met financiële tekorten die met dit programma kunnen worden ondervangen, waardoor succesvolle initiatieven ten uitvoering kunnen worden gebracht of kunnen worden uitgebreid. Hiermee wordt capaciteitsopbouw gestimuleerd.

Tevens krijgen ambassades een prikkel om de sportdimensie in bestaande sectorprogramma’s te integreren en kunnen ambassades lokale vraag en Nederlandse expertise aan elkaar koppelen.

30

De NCDO faciliteert het Netwerk Sport en OS waarbij NCDO haar coördinerende en aanjagende rol op het terrein van bewustwordingsactiviteiten voortzet. Welke afspraken zijn er in dit kader met de NCDO gemaakt?

Met NCDO worden jaarlijks afspraken gemaakt over de inhoud van het programma sport en ontwikkelingssamenwerking. Dit programma kent diverse componenten:

– Het Netwerk Sport en OS, waar NCDO het secretariaat van voert.

– Communicatie en draagvlakversterking door middel van een nieuwsbrief en het magazine Supporter.

– Deskundigheidsbevordering en betrokkenheid van sport en os-organisaties voor het thema sport en os.

In het kader van de beleidsbrief zijn er specifieke afspraken gemaakt over rapportage van de innovatiegroep, betrokkenheid van het NCDO bij de ontwikkeling van de diverse programma’s in de verschillende landen en bij de monitoring van deze programma’s.

31

Hoeveel bedraagt de huidige financieringsrelatie met de NCDO op het terrein van deskundigheidsbevordering voor sport en OS? Welke activiteiten vallen hieronder?

Sport is een van de programma’s binnen de huidige financieringsrelatie met het NCDO. Voor het programma Sport en OS is circa € 750 000 per jaar beschikbaar gesteld.

De activiteiten die de NCDO ontplooit zijn onder meer het ondersteunen en faciliteren van organisaties in het werkveld van sport en ontwikkelingssamenwerking (netwerkondersteuning), het actief informeren en betrekken van sporters en leden van sportverenigingen, het ontwikkelen en delen van relevante kennis en expertise, zoals een «Internationale toolkit Sport for Development» en masterclasses, en het communiceren van resultaten op het terrein van sport en ontwikkelingssamenwerking.

32

Hoeveel geld zal er worden uitgetrokken voor de activiteiten rond het WK in Zuid-Afrika? Hoe staat dit in verhouding tot de rest van de activiteiten?

Circa EUR 825 000 wordt beschikbaar gesteld voor activiteiten rondom het WK 2010 voor een periode van 3 jaar (2008 t/m 2010). Het totale budget voor het programma sport en ontwikkeling bedraagt EUR 16 miljoen voor de periode 2008 t/m 2011.

33

Hoeveel geld zal er worden uitgetrokken voor activiteiten en opleidingen die in Nederland plaatsvinden c.q. door Nederlanders gedaan worden?

Er is geen specifiek bedrag of aandeel geoormerkt voor activiteiten en opleidingen in Nederland. Afhankelijk van de inhoud van de programma’s kan dit incidenteel wel plaatsvinden. Het heeft echter de voorkeur dat activiteiten en opleidingen in de lokale context in de ontwikkelingslanden plaatsvinden. De inzet van Nederlandse experts in ontwikkelingslanden wordt gefinancierd uit de EUR 6 miljoen die via VWS door Nederlandse organisaties wordt besteed aan programma’s en projecten. Die inzet zal bij de start van de programma’s relatief groot zijn maar afnemen naarmate kennis wordt overgebracht en lokale mensen zijn opgeleid om activiteiten zelfstandig uit te voeren en te begeleiden.

34

Komt de gehele EUR 16 miljoen ten laste van OS? Zo neen, hoeveel komt er van VWS? Kwalificeren sportgerelateerde activiteiten zich als ODA? Zo ja, waar blijkt dit uit?

Het gehele bedrag komt ten laste van het ODA-budget op basis van de in OESO/DAC verband gemaakte afspraken. Van de EUR 16 miljoen zal EUR 6 miljoen op de begroting van VWS komen te staan.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Wilders (PVV), Waalkens (PvdA), Van Baalen (VVD), Çörüz (CDA), Ormel (CDA), Voorzitter, Ferrier (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Irrgang (SP), Knops (CDA), Boekestijn (VVD), Voordewind (CU), Pechtold (D66), ondervoorzitter, Van Gennip (CDA), Ten Broeke (VVD), Peters (GL), Van Raak (SP), Gill’ard (PvdA) en Thieme (PvdD).

Plv. leden: De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), De Roon (PVV), Vermeij (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Omtzigt (CDA), Van Toorenburg (CDA), Kortenhorst (CDA), Van Dijk (SP), Ten Hoopen (CDA), Besselink (PvdA), Leerdam (PvdA), Arib (PvdA), Neppérus (VVD), Lempens (SP), Schermers (CDA), Griffith (VVD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Van Beek (VVD), Vendrik (GL), Gesthuizen (SP), Samsom (PvdA) en Ouwehand (PvdD).

Naar boven