Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931239 nr. 52

31 239
Stimulering duurzame energieproductie

nr. 52
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 maart 2009

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 3 maart 2009 overleg gevoerd met minister Van der Hoeven van Economische Zaken over:

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 15 december 2008 inzake aanbieding Werkprogramma «Warmte op stoom» (31 209, nr. 67);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 14 januari 2009 inzake Evaluatie Energie-investeringsaftrek (31 492, nr. 8);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 15 januari 2009 inzake Uitvoering SDE 2008 (31 239, nr. 42);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 20 februari 2009 inzake Openstelling van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie voor 2009 (31 239, nr. 43);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 23 februari 2009 inzake Warmtekrachtkoppeling (28 665, nr. 100)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Tichelaar Griffier: Franke

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik heet iedereen welkom bij dit algemeen overleg over diverse energieonderwerpen. Dit algemeen overleg is gepland van 16.00 tot 21.00 uur. Ik heb van een aantal vertegenwoordigers van fracties begrepen dat dit wel heel erg ruim is. Wij zullen kijken of dit algemeen overleg kan worden afgerond zonder een dinerpauze en dus bekort kan worden. Dat zal ik echter pas vaststellen na de eerste termijn van de Kamer en na overleg met de minister. De aanwezigen moeten dus nog even in spanning afwachten wanneer zij huiswaarts keren dan wel klaar zijn.

Ik merk nog op dat voor het CDA niet de heer Hessels aanwezig is, omdat hij een prachtige functie buiten dit huis heeft aanvaard. Ik wens hem daar in ieder geval veel succes bij. Zijn vervanger is de heer Ten Hoopen.

Het woord is allereerst aan de heer Jansen van de SP-fractie.

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Ook ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de heer Hessels te feliciteren. Ik ga ervan uit dat hij zijn standpunten over de privatisering van energiebedrijven met verve zal uitdragen in de provincie Limburg, zodat de verkoop van Essent daar wordt afgeblazen. Jos, ik reken op je!

Ik ga over tot de orde van de dag. Ik had mijn vrouw op het ergste voorbereid, namelijk op het feit dat ik laat thuis zou zijn, maar ik heb er uiteraard geen bezwaar tegen als deze vergadering korter duurt.

Er is vandaag natuurlijk wel een aantal grote onderwerpen aan de orde. Binnenkort verschijnt een artikel in de vakpers met de kop «Dit kabinet heeft de mooiste vergezichten maar de slechtste uitwerking». Dat is een beetje het dilemma waar wij hier keer op keer tegenaan lopen: dat de langetermijndoelen van het kabinet op het gebied van energie er goed uitzien – die hebben dan ook de steun van de SP-fractie – maar dat de invulling ervan een stuk minder goed verloopt. Dan druk ik me nog vriendelijk uit!

Ik begin met het werkprogramma Warmte op stoom. Dat is een titel die heel wat doet verwachten. Je zou zeggen dat er druk op de ketel gezet gaat worden, maar bij lezing blijkt niets minder waar te zijn, en dat terwijl warmtebenutting natuurlijk wel de belangrijkste strategie is om de energie-efficiency in Nederland te verbeteren. Toch lijkt het erop dat binnen de voorwaarden die het kabinet stelt, er de komende jaren maar liefst 14 gigawatt aan grootschalige elektriciteitscentrales bij komt. Die liggen voor het grootste deel aan de kust. Die zullen hun restwarmte lozen op de Noordzee, de Waddenzee en misschien ook nog op wat rivieren en/of in de lucht. Dat is natuurlijk erg droevig, want 14 gigawatt is ongeveer voldoende om de helft van de Nederlandse woningen te kunnen verwarmen. Dat gaat bij ons dus zo de plomp of de lucht in. Dat dit vijftien jaar geleden gebeurde, kun je snappen. Toen was energie immers hartstikke goedkoop. Maar de SP-fractie vindt het in de huidige tijdgeest onbegrijpelijk dat wij dit nog steeds doen. Vervolgens gaan de minister van VROM en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat zelfs ontheffingen uitdelen aan centrales die het rivierwater tot meer dan 25 graden verwarmen. Dat is de Europese norm uit de Kaderrichtlijn Water. Niet erg verstandig!

Waarom leest de SP-fractie in het werkprogramma Warmte op stoom niet hoe de regering de Warmtewet of eventueel de Wet milieubeheer gaat inzetten om de volledige benutting van restwarmte bij nieuwbouwsituaties af te dwingen? Als je dat doet, dan zou bijvoorbeeld een klassieke poederkoolcentrale zijn langste tijd gehad hebben. Dat is een grootschalige voorziening, ver van de bewoonde wereld af. Dan heb je nooit voldoende afnemers in de buurt om die restwarmte nuttig te kunnen inzetten. Daar heb je veel kleinschaliger voorzieningen voor nodig. Hetzelfde geldt in wezen voor kerncentrales, want dat zijn ook grote eenheden waarbij het heel erg lastig is – dat is eigenlijk inherent aan het systeem – om die restwarmte af te zetten. De SP-fractie denkt dat het gebruik van restwarmte een cruciaal element is in het energiebeleid van de komende tien jaar, ook met het oog op de kosteneffectiviteit. Zij begrijpt niet dat het kabinet daar niet met hardere maatregelen op inzet.

Voorzitter. Ik kom te spreken over de SDE. De realisatiecijfers van de SDE over 2008 zijn ronduit dramatisch. Het doel was het vergunnen van 655 megawatt duurzaam vermogen. Op 9 januari 2009, dus na afloop van het begrotingsjaar, was er pas voor 155 megawatt een beschikking afgegeven en bedroeg de verwachte onderuitputting 65%. De minister van Economische Zaken is daar vorig jaar van diverse kanten voor gewaarschuwd. Die waarschuwingen kwamen ondermeer van de SP-fractie, maar zij was daar zeker niet de enige in. Er is toen gevraagd of de langetermijndoelstellingen van het kabinet wel te realiseren zouden zijn met dit raamwerk en de bedragen die daar zijn ingevuld. Dat werd dus betwijfeld. De minister is voluit achter haar aanpak gaan staan. Ik heb destijds gevraagd welke politieke consequenties zouden moeten worden verbonden aan het niet halen van die doelstellingen. De minister zei daarop: ik wacht wel af wat de Kamer dan gaat verzinnen. Ik wil in dit stadium in ieder geval vragen of de minister ook niet van mening is dat 65% onderuitputting in het eerste jaar een dramatisch resultaat is. Wat gaat er nu gebeuren? Als dat dit jaar nog een keer gebeurt, dan lijkt mij dat onderhand ook voor anderen de rapen gaar zullen zijn.

Het budget van 2008 dat niet besteed is, blijft beschikbaar voor 2009. De minister heeft een nieuwe planning geleverd, waarmee ze zegt ultimo 2011 toch het beloofde duurzame vermogen over deze regeerperiode te zullen halen. Is dat realistisch? Is dat creatief rekenen of is dat regelrechte luchtfietserij? Immers, om de nieuwe planning waar te maken, moet bijvoorbeeld in 2009 het vergunde vermogen met een factor 4 omhoog. Dan moet de minister ons nog maar eens uitleggen hoe zij dat voor elkaar krijgt. Dat lijkt ons een hell of a job.

Nu blijkt dat het kabinet voor geen meter opschiet met het realiseren van nieuw vermogen aan duurzame energie, is de vraag opnieuw aan de orde of de financiering van de SDE voldoende robuust is. Vorig jaar tekende zich in deze commissie al een meerderheid af voor financiering op basis van de Duitse Einspeisegesetz. Er is toen gezegd dat de minister daar al naar moest kijken om, als het nodig was, op die manier een tandje bij te kunnen zetten. Ook in het recente advies van het International Energy Agency zit men feitelijk op die lijn: zet een kleine opslag op grijze stroom en betaal daarmee groene stroom. Wat doet de minister met dat advies en is de woordvoerder van de Partij van de Arbeid met ons van mening dat nu wel het moment in zicht is om van de minister boter bij de vis te vragen en zo nodig ook vanuit de Kamer zelf daar initiatief voor te nemen? Hij was vorig jaar degene die de meerderheid wel of niet kon regelen.

Ik kom te spreken over wind op land. Bij de SDE in 2008 is sprake van een groot gat tussen de doelstelling en de realisatie. Ook dat is allemaal voorspeld. De SP-fractie heeft vorig jaar gezegd: je kunt op je klompen aanvoelen dat wind op land, ook al is daar een heel groot SDE-budget voor, niet gaat lukken vanwege verzet van omwonenden en lange procedures. De SP-fractie heeft daarom gezegd dat moest worden ingezet op meer wind op zee. Dat gaat sneller en bovendien kosten die procedures ook geld. Wij hebben twijfel of de rekensom die het kabinet heeft gemaakt naar aanleiding van de vraag of wind op land zo veel goedkoper is dan wind op zee, wel realistisch is. De SP-fractie is van mening dat de bakens snel moeten worden verzet. Er moet meer worden ingezet op wind op zee en minder op wind op land. Er moet sprake zijn van realistische uitgangspunten.

Een tweede punt voor wind op land is dat de wettelijke bescherming van omwonenden verbeterd moet worden. Dat klinkt tegenstrijdig, maar toch is het naar onze mening de enige manier om ervoor te zorgen dat het maatschappelijke verzet terugloopt. Als mensen erop kunnen rekenen dat de wetgever hen op een nette manier beschermt, dan kunnen de procedures voor projecten die aan de aangescherpte criteria voldoen, verkort worden. Dan zouden de mensen die procederen, ook niet al te veel tijd moeten kunnen rekken. Kortom, eerst de wettelijke bescherming verbeteren en daarna kan tempo worden gemaakt.

Ik heb nog een vraag over zonne-energie. Ik begrijp dat een heel groot deel van de in 2008 verleende vergunningen op dit moment nog niet gebruikt is. Daar maakt de pv-wereld zich zorgen over. Holland Solar dringt er bijvoorbeeld op aan om de vergunningtermijn terug te brengen van drie jaar naar zes maanden, zodat men sneller weet of die vergunning echt gebruikt wordt en men zo nodig anderen die vergunning kan verstrekken om in ieder geval toch de doelstelling te halen. De SP-fractie zou het overigens beter vinden als de minister op andere manieren kan regelen dat het percentage gebruikte vergunningen omhoog gaat. De bureaucratie heeft daar veel mee te maken. De minister heeft op dat terrein al het een en ander gedaan, maar wij denken dat op dat terrein nog veel meer kan gebeuren om ervoor te zorgen dat het mensen gemakkelijk wordt gemaakt om die zonnepanelen op het dak te leggen.

De SP-fractie is van mening dat de Energie-investeringsaftrek op zichzelf een goed gebruikte regeling is die zorgt voor continuïteit. Er zit wel een enorme spreiding in het maatschappelijke rendement van de EIA-euro’s. Bij HR++-glas – super isolatieglas – is het rendement 59 megajoule per euro. Bij biomassaverbranding in combinatie met warmtebenutting is het rendement 6569 megajoule per euro. Dat scheelt een factor 100. Dat is verdacht veel, want het uitgangspunt van de EIA was dat alleen innovatieve technieken in aanmerking zouden komen voor die aftrek. Het wil er bij mij niet in dat dat een factor 100 kan uitmaken. Ik hoop dat andere woordvoerders daar ook vragen over stellen. Het principe lijkt dus in de praktijk verdwenen te zijn, waardoor er eigenlijk fiscale subsidie gegeven wordt aan projecten die sowieso onrendabel zijn. Is de minister bereid om de subsidiabele maatregelen van de EIA op korte termijn nog eens tegen het licht te houden, zodat die gelden gericht worden ingezet op innovatieve technieken, en niet op «middle of the road»-technieken?

Ik kom te spreken over de aanpassing van de budgetsystematiek waardoor voorkomen wordt dat in de toekomst in oktober het loket al gesloten moet worden, omdat het geld op is. De minister schrijft in haar brief dat de regeling in de toekomst met uitzondering van de situatie waarin een omvangrijke overschrijding dreigt, niet meer gesloten zal worden. Wat bedoelt zij met deze uitzondering?

De heer Ten Hoopen (CDA): Voorzitter. Er staan heel wat onderwerpen inzake de duurzame energie op de agenda. Het kabinet werkt er hard aan om deze verduurzaming in de energiehuishouding te realiseren. Ik heb waardering voor de inzet om de gestelde doelen uiteindelijk ook te bereiken.

Wat de SDE-regeling betreft, wil ik allereerst complimenten maken. Dat doe ik dit keer niet aan de regering maar aan onze collega Van der Vlies. Hij was immers degene die als eerste doorzag dat de ECN-cijfers voor de subsidiëring van de co-vergisting onvoldoende waren. In zijn Kamerbreed aangenomen motie werd de regering opgeroepen om het subsidiebedrag te verhogen. De minister verwees afgelopen jaar echter naar de volle inschrijfbak en weigerde afdoende navraag te doen bij de meest betrokken banken omtrent de financierbaarheid. Uiteindelijk heeft de heer Van der Vlies volledig gelijk gekregen en gelukkig verbindt de minister daar de juiste conclusies aan. Eind goed al goed, zou je zo zeggen. Maar de belangrijkste vraag is toch wat wij van dit proces moeten leren. In hoeverre houdt de ECN rekening met de financierbaarheid van projecten? Hoeveel schade heeft deze exercitie toegebracht aan het imago van duurzame energie onder de agrariërs, en dus ook aan hun investeringsbereidheid? Hoe kijkt de minister terug op de SDE voor de co-vergisting in 2008?

De minister zet een aantal stappen om de uitvoerbaarheid van de SDE te verbeteren. Een voorbeeld zijn de digitale formulieren voor zonne-energie. Dat is in onze optiek niet genoeg. De CDA-fractie krijgt veel klachten over de administratieve lasten, de complexe procedure, de langzame uitbetaling en de trage besluitvorming door de overheid. Wij krijgen met name veel klachten over de netbeheerders. Wij zouden daarom graag zien dat de minister een overzicht geeft van de knelpunten en dat zij een breed plan van aanpak maakt om deze knelpunten op te lossen. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop. Dit is voor ons een zwaar punt.

Niet alleen de SDE voor co-vergisting in 2008 is zwaar onderbenut, de regeling voor wind op land kent een nog veel kleinere benuttinggraad. Mijn collega sprak hier ook al over. De minister denkt dat dit komt door de trage vergunningverlening en de weerstand vanuit de bevolking. De CDA-fractie kan die gedachtegang wel volgen, maar plaatst dan wel vraagtekens bij de nog hogere doelstellingen voor wind op land voor 2009. Dat is 830 megawatt versus 500 megawatt. Welke concrete aanwijzingen heeft de minister dat het dit jaar wel gaat lukken met wind op land? Wat verwacht zij nu precies van de Rijkscoördinatieregeling? Is dat budget niet beter in te zetten voor andere vormen van opwekking van duurzame energie, zoals zonne-energie?

De SDE-categorieën voor energieproductie middels riool- en afvalwaterzuiveringsinstallaties spannen helemaal de kroon. Geen enkel project werd gehonoreerd. Welke concrete acties zet de minister op om de exploitanten van dergelijke centrales alsnog over de streep te trekken en ervoor te zorgen dat de opwekking van duurzame energie daadwerkelijk gebeurt? Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat deze exploitanten grotendeels overheden zijn. Als dit beeld klopt, dan moet het toch zeker mogelijk zijn om hen ook daadwerkelijk in beweging te krijgen.

Alles bij elkaar genomen, zijn dus vier van de zeven SDE-categorieën zwaar onderbenut, terwijl op de vijfde nog geen enkele positieve beschikking is genomen. Maar er is nog een aantal projecten dat in behandeling is. Alleen de AVI’s en de zon-pv scoren hoog. In totaal is van de 655 megawatt in het SDE-budget slechts 155 megawatt in 2008 toegekend. Het is dus de hoogste tijd voor een intensieve aanpak.

In haar brief over de SDE in 2009 zet de minister een aantal stappen in de goede richting. Zo wordt de procedure vereenvoudigd en worden extra categorieën toegevoegd. De CDA-fractie is vooral blij met de genoemde verhoging van de subsidie voor co-vergisting. De uitbreiding van de toegelaten biomassastromen met vloeibare reststromen, reststromen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, en zeker ook de hernieuwde uitbreiding van de SDE-regeling voor zon-pv zijn goede ontwikkelingen. Ook bedrijven kunnen nu meedoen met deze regeling, wat de potentie gezien het aantal platte daken zeer verhoogt.

Maar wat nu te doen als sommige categorieën ook dit jaar fors achterblijven en enkele andere, zoals zon-pv, juist fors overtekend zijn? De CDA-fractie stelt voor om direct na de zomer een onderbouwde inschatting te maken van de benutting van de diverse categorieën en dan zo nodig de budgetten van de ene naar de andere categorie over te hevelen. Zodoende hoeven particulieren en bedrijven die enthousiast willen investeren in duurzame energie, niet onnodig teleurgesteld te worden. Zo houden wij op een goede manier de vinger aan de pols.

De CDA-fractie heeft vooral grote twijfels of het budget voor wind op land zal worden opgemaakt. Zonne-energie is erg innovatief en biedt met het oog op de toekomst in onze optiek grote kansen. Wat vindt de minister ervan om, als blijkt dat het budget niet opgaat, in de zomer te schuiven van wind op land naar bijvoorbeeld zonne-energie?

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Ik heb nog een vraag over de verschuiving van het budget naar zonne-energie. Wij zien op zichzelf ook wel wat in die flexibiliteit. Maar met name zonne-energie is natuurlijk een heel dure hobby. Ik denk dat je ongeveer 1:20 megawatt kunt reduceren bij wind op land en zon, terwijl het bij wind op zee 1:2 is. Kortom, waarom kiest u speciaal voor zonne-energie, een technische ontwikkeling die nog lang niet economisch rendabel is? Hoe ziet u dan het halen van de totale doelstelling? Die halen we dan in de verste verte niet.

De heer Ten Hoopen (CDA): Het uitgangspunt is het halen van de doelstelling. Verder moet ervoor worden gezorgd dat de subsidiebedragen en de effectiviteit zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. Ik bepleit juist die flexibiliteit en niet star vasthouden aan iets. Als wind op land het niet haalt, dan moet je kijken naar andere vormen waarbij je die doelstelling wel kunt halen. Ik maak hier dus niet zozeer een keuze, maar ik pleit er wel voor dat de vinger aan de pols wordt gehouden, dat de doelstellingen worden gehaald en dat zorgvuldig met het geld wordt omgegaan.

De heer Jansen (SP): Een verschuiving naar wind op zee is voor u dus ook een optie?

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat zullen wij dan wel zien op basis van een onderbouwde inschatting. Dan kunnen wij dat beoordelen.

Voorzitter. Dat brengt mij bij wkk. Al op 16 februari 2006 werd de motie-Hessels breed aangenomen in de Kamer. Daarin werd gevraagd om het meenemen van de warmtekorting in de berekening van de tarieven. Afgelopen jaar was dat weer nodig. In het algemeen overleg van 25 juni zegde de minister toe, nogmaals de warmtekorting onder de loep te nemen. Nu krijgen de wkk-exploitanten wederom nul op het rekest. Als de minister ervan overtuigd is dat wkk’s rendabel kunnen draaien zonder warmtekorting, dan kan de toekenning van de SDE-subsidie voor het dekken van de onrendabel top in onze optiek eigenlijk geen kwaad. Wat is het verschil met de afvalverbranding, waarbij de minister zegt: de SDE heeft voor deze categorieën vooral een functie van een garantie voor het geval de energieprijs gaat dalen? Er is budget, het risico is volgens de minister uiterst klein en wkk behoort tot de meest duurzame vormen van energieproductie. De CDA-fractie ziet graag dat de warmtekorting in de berekeningen wordt betrokken.

Dat brengt mij nog op drie onderwerpen die naar mijn gevoel relatief kort kunnen. Ook in het werkprogramma Warmte op stoom is de regering ambitieus en worden duidelijke doelen gesteld. Wat volgens de sector echter ontbreekt, is een vangnet voor investeerders om risico’s acceptabel te maken. Om de inzet van de restwarmtelevering een impuls te geven, stellen zij een garantieregeling restwarmte voor. Deze garantieregeling dient dan te bestaan uit twee elementen. Er moet ten eerste voor worden gezorgd dat externe financiers tegen aantrekkelijke tarieven financiële middelen beschikbaar stellen. Er moet ten tweede voor worden gezorgd dat de uitvoering van dergelijke complexe projecten kan blijven doorgaan als een van de deelnemende partijen onverhoopt niet kan doorgaan. Met het laatste is het struikelblok voor het slagen van deze restwarmteprojecten dan weggenomen. Hoe kijkt de minister daartegen aan?

Ik wil nog een enkel woord zeggen over de evaluatie van de EIA. Het valt ons op dat de evaluatie neerkomt op de conclusie dat er onvoldoende gegevens zijn om een dergelijke evaluatie uit te voeren. Hoe heeft dat nu zo kunnen komen? Het betreft hier de periode 2001–2005. Mij dunkt dat intussen toch wel voldoende data boven tafel zouden kunnen zijn gekomen. Kan de minister dat nader toelichten?

Ik wil voorts nog een opmerking maken over de MEI-regeling voor aardwarmte die overtekend is. Aardwarmte biedt in onze optiek heel goede kansen. Hoe wil de minister nu verdergaan met deze regeling?

Ik wil ten slotte nog een enkel woord wijden aan de Warmtewet. Collega Samsom en ik hebben deze wet in de Eerste en Tweede Kamer verdedigd. Er is een breed draagvlak voor. De sector heeft echter zorgen over de onzekerheid over de maximumprijs en de redelijke prijs. De CDA-fractie zou dan ook graag zien dat de minister de wet nu snel en loyaal uitvoert. Is zij bereid de Kamer een tijdschema te sturen met betrekking tot de uitvoering van de Warmtewet?

De heer Samsom (PvdA): Voorzitter. Dit is een lang en soms ook heel technisch debat. Het is dus goed om af en toe eens even stil te staan bij waar het nu eigenlijk om gaat. Het gaat om het inwisselen van de huidige lompe, vervuilende en eindige energievoorziening die onze economie nu nog draaiende houdt, voor een schone, slimme en duurzame versie, waar onze kinderen en kleinkinderen ook nog van kunnen genieten. Niets minder dan dat! Wereldwijd gebruiken wij op dit moment 2500 vaten olie per seconde. Tijdens het uitspreken van deze zin zijn er dus 10 000 vaten olie verstookt. Nu zijn dat er al weer 15 000. Die ontzaglijke hoeveelheid energie moeten wij straks dus met duurzame energiebronnen opwekken. Wie die opgave tot zich laat doordringen, wordt het soms koud om het hart.

Hartverwarmend is de wetenschap dat de zon in diezelfde seconde dat wij 2500 vaten opmaken, een energiehoeveelheid ter grootte van 25 miljoen vaten aflevert op aarde. Dus als wij in staat zijn om daar maar een fractie van te grijpen, dan hebben wij voldoende energie om in onze welvaart te voorzien, zonder klimaatverandering, zonder zorgen over oprakende voorraden. Er is dus geen tijd te verliezen. Wij hebben al zo veel tijd verloren, ook of misschien wel juist in Nederland, met een ecotaksvrijstelling die mooi gemaakt was, maar zo lek als een mandje bleek en met een MEP-regeling die door een kabinet met verkeerde prioriteiten om zeep werd geholpen.

Mijn fractie is er alles aan gelegen om de SDE tot een succesvolle regeling uit te bouwen. Het eerste duurzame-energiejaar van dit kabinet is overigens goed begonnen. Er is sprake van 25% groei in 2008. Dan liggen wij dus op koers voor de door velen als onhaalbaar weggehoonde verdubbeling in vier jaar tijd. Rekent u even mee: 25% x 4. Volhouden dus! Ik weet dat dit extra moeilijk wordt in tijden van recessie, maar het is ook extra nodig in tijdig van recessie en het is vooral ook een extra kans in tijden van recessie. Het is een kans om de economie op een ander spoor te zetten en die om te bouwen naar een schone en slimme economie, zodat wij niet straks van deze kredietcrisis rechtstreeks de volgende crisis inwandelen, namelijk de energiecrisis.

Daar moet nog heel veel voor gebeuren. Ondanks dat eerste goede jaar zat en zit de SDE nog vol kinderziektes, zoals de moedeloosmakende bureaucratie bij zonnepanelen, de te lage biovergistingstimulering en de tekortschietende stimulering van windenergie op binnenlandlocaties. Gelukkig heeft het ministerie van EZ zich een lerend ministerie getoond en al een aantal fouten rechtgezet. En wat er nog over is, gaan wij in dit debat aanpakken.

De heer Vendrik (GroenLinks): Die kwaliteit zal de minister van Economische Zaken blijvend nodig hebben, vrees ik. Maar nu de heer Samsom het jaar 2008 uitroept tot een succesvol SDE-jaar, hoe beoordeelt hij dan het feit dat tweederde van het beschikbare budget om allerlei redenen op de plank is blijven liggen? Ik zou zeggen: dat is tweederde van het budget gemiste kansen.

De heer Samsom (PvdA): Het jaar 2008 riep ik uit tot een succesvol duurzame-energiejaar. Die feiten kunt u niet ontkennen en die wil ik ook niet ontkennen. Laten wij nu ook eens blij zijn met wat er wel lukt! Dan gaan we de rest van dit debat weer praten over wat er niet lukt en wat er beter moet, want daar zijn we hier voor. Ik sprak over een succesvol duurzame-energiejaar. Er is sprake van 25% groei in één jaar. Zo simpel ligt het. Maar aan de SDE zelf moet nog erg veel verbeterd worden, willen wij dat tempo volhouden. Dat was de volgende zin die ik uitsprak.

De heer Jansen (SP): De heer Samsom is in discussie met zijn eigen kabinet. Zijn eigen kabinet maakt het eerste jaar een derde waar van wat het beloofd heeft. En dat noemt hij een succes! Ik denk bijna dat wij een verschillend stuk gelezen hebben. Wil hij misschien mijn stuk lenen?

De heer Samsom (PvdA): Misschien kunt u de stukken van het Centraal Bureau voor de Statistiek er even bij pakken. Dan kunt u zien dat de hoeveelheid duurzame energie in één jaar, in 2008, met 25% is gestegen. Die is met 25% gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor.

De heer Jansen (SP): Ten opzichte van de 23ste plaats op de Europese ranglijst, dus 25% extra in de achterhoede. Nou, dat is een enorme prestatie! Gefeliciteerd!

De heer Samsom (PvdA): Appels en peren vergelijken is een sport die de SP beheerst. Als u 25% bij een 23ste plaats wil optellen, komt u bij 27 aardappels. Zo werkt het niet. Een groei van 25% is een groei van 25%. U wilt het graag ontkennen, u zult het ook blijven ontkennen, maar het is gewoon een feit. En om dat feit vol te houden, hebben wij een succesvolle SDE-regeling nodig. En om een succesvolle SDE-regeling te krijgen, zullen wij echt nog een aantal verbeteringen moeten aanbrengen, naast de verbeteringen die minister zelf al heeft aangebracht.

Laten wij het allerbelangrijkste even goed in ogenschouw nemen. Ondanks de fors gestegen kosten voor duurzame energie is de hoeveelheid geplande duurzame energie gelijk gebleven. Daarmee geven wij een heel belangrijk signaal af aan investeerders. Dit kabinet, deze coalitie beschouwt de hoeveelheid megawatt die wij hebben voorgenomen als leidend. Deze coalitie is zo nodig bereid er de mega-euro’s bij te zoeken wanneer het tegenzit. Ik weet dat in duurzame-energieland met grote scepsis naar de financieringssystematiek van de SDE wordt gekeken. Dat is met reden, want het vorige kabinet trok pardoes de stekker eruit. Maar, zeg ik tegen die investeerders, hier zit een ander kabinet, met een ander commitment op het gebied van duurzame energie. Voor het definitieve bewijs daarvoor moeten wij nog wel even wachten op de uitvoering van de motie-Samsom waarin de minister wordt gevraagd om nog dit voorjaar voorstellen te doen om al het benodigde geld tot 2020 te identificeren en vooral te reserveren. Dan kan iedereen echt met een gerust hart gaan investeren.

U hoort, mijnheer Jansen, ik wacht niet op u, ik ben al begonnen. Die motie ligt er. De minister is nu aan zet om haar uit te voeren. Dan hebben wij het geld binnen voor het realiseren van de ambities. Hoe staat het met de uitvoering van die motie?

Ondertussen moeten wij nog heel veel plooien gladstrijken. Ik noem allereerst zonne-energie. Wat heb ik mails gehad van mensen die moedeloos werden van de hoeveelheid rompslomp. Maar de Nederlander is bestand tegen uitzichtloosheid en zoute haring en zet door. Dank daarvoor! Maar inderdaad, wij kunnen het veel beter doen. Onderweg hebben wij gelukkig al wat obstakels opgeruimd, zoals de eis voor een teruglevermeter en dat bizarre formulier. Kunnen wij ook afscheid nemen van de kosten van CertiQ? Laten wij die kosten dan gewoon socialiseren, in de overhead onderbrengen. Die moeten niet per klant in rekening worden gebracht. Dat scheelt heel veel ergernis en bureaucratie. Maar de echte bottleneck zit niet bij de hardwerkende mensen van SenterNovem die werden overspoeld met aanvragen, de echte bottleneck zit bij de netbeheerders. Mensenkinderen, wat een passieve houding! Waar zijn nu die netbeheerders, die proactief hun klanten gaan helpen als zij zonnepanelen willen installeren? Kom op, hier ligt echt een publieke taak voor die netbeheerders. Minister, wilt u zo goed zijn om hen daarop te wijzen? Ik ga ervan uit dat zij eerder naar u dan naar mij luisteren.

Wij kunnen, wat mijn fractie betreft, voor pv ook een uitzondering maken op het iedere keer sluiten van het loket. Als wij nu afspreken dat wij de huidige tarieven voor twee jaar handhaven, kunnen wij dat loket in ieder geval de komende twee jaar openhouden. Laat dat dan de eerste stap zijn naar een volcontinue subsidieregeling voor alle energiebronnen. Bij pv is dat het eenvoudigst te organiseren, maar ook voor die andere categorieën moeten wij de sluitingstijd tussen twee periodes door beperken. Ik begrijp de noodzaak om het loket even dicht te doen, omdat wij op dat moment nieuwe tarieven moeten vaststellen, maar waarom in oktober dicht en pas in april weer open? Zullen wij er nu naar streven dat wij volgend jaar op 1 februari weer opengaan? Dat betekent dat deze Kamer terug moet komen van reces om begin januari de regeling te beoordelen en goed te keuren. Dat heb ik ervoor over. Alles voor een duurzame energievoorziening! Wij staan begin januari voor u klaar.

Ik kom te spreken over de biomassa. Ik kondigde vorig jaar al aan dat ik mijn fout zou toegeven als die twaalf cent inderdaad niet genoeg zou zijn. Nu, hier komt het: ik zat fout. De heer Van der Vlies had het bij het juiste eind. Belangrijker nog dan schuld bekennen is die fout herstellen. En dat doen wij dus. De subsidie gaat niet alleen omhoog, maar er worden ook meer reststromen toegestaan – niet onbelangrijk – en er wordt een warmtetoeslag geïntroduceerd. Het wordt feest in de biovergistingswereld. Eén gevaar lijkt mij echter huizenhoog aanwezig: er zit geen schot in die categorie waar al die bronnen samen op moeten concurreren. Eén grote installatie kan alle subsidie opmaken. Hoe groot is het risico dat de vele kleine vergisters die wij nu net aan de bak proberen te helpen, niet aan de bak komen omdat één grote jongen zich ertussen wurmt? Dat hoor ik graag van de minister.

De minister is daarnaast opeens ook wel heel erg stil over het meestoken van biomassa in grote centrales. Dat is een optie die nu even stilligt in afwachting van bijvoorbeeld de duurzaamheidscriteria, maar dat kan natuurlijk niet zo blijven als wij de ambities willen waarmaken. Krijgen wij bijvoorbeeld in het kader van de uitvoering van de eerdergenoemde motie-Samsom wel zicht op hervatting van deze vorm van duurzame energie? Bij waterkracht – leuk dat die er nu bij zit – zou mijn fractie expliciet ook getijdenenergie willen opnemen in de regeling. Is het daarvoor nodig om een extra categorie toe te voegen of kunnen wij die onderbrengen in een van de bestaande categorieën?

Ik kom te spreken over wind op land. Dat is een specifiek en hardnekkig probleem. Het gemiddelde subsidiebedrag is hoog genoeg, maar de verdeling over de windrijke en de windarme locaties deugt gewoon niet. Daardoor vallen dus te veel projecten af. De spreiding is te groot tussen heel rendabele en onrendabele projecten. Dat wordt ook duidelijk door de enorme onderuitputting van 2008. Wat mijn fractie betreft, ligt daar een andere reden aan ten grondslag waarom het niet zo wil vlotten. Mijn fractie wil dus echt dat dit nu wordt opgelost. Wij hebben daarvoor twee mogelijkheden in de aanbieding. De minister mag kiezen. Ofwel wij creëren een specifieke extra categorie in de EIA-regeling. Voor windarme locaties krijg je een grotere aftrekmogelijkheid van je investering. Dan wordt daarmee de rentabiliteit weer rechtgetrokken. Ofwel, mooier nog, wij nemen in de SDE-berekening een nieuwe formule op voor windsubsidies. Die formule moet dan wel in die AMvB staan. Dat heeft dus wat voeten in de aarde, maar het is niet anders. Wij kunnen ons echt niet veroorloven om binnenlandlocaties te verliezen. Ik ben er dus niet voor, zoals de SP zegt, om het land maar te vergeten en naar zee te gaan. Dat is vooralsnog een ontzettend lange weg. Die 4000 megawatt op land moeten wij halen. Kan de minister een van de twee opties toezeggen of met een derde komen? Dat mag natuurlijk ook.

De heer Ten Hoopen (CDA): Maar als dat uiteindelijk allemaal niet lukt, bent u dan ook zo flexibel om na de zomer eens te kijken naar andere regelingen waarbij de doelen uiteindelijk wel gehaald kunnen worden?

De heer Samsom (PvdA): Ik ben zo flexibel als wat, op alles! Als wij de doelstellingen maar halen! Ik realiseer me dat wind op land op dit moment de meest rendabele vorm van duurzame energie is. Die wil ik dus niet laten liggen. Maar goed, als het echt niet lukt, laat dan de SDE-regeling niet de reden zijn. Wij proberen dit dus nog te verbeteren. Ik hoop dat de minister daarop in wil gaan.

Voorzitter. Er ontbreekt een categorie in het lijstje: alweer de warmtekrachtkoppeling. Dat is geen duurzame vorm van energie, maar wel een efficiënte vorm die wij graag stimuleren als dat nodig is. Aan de berekening van het ECN valt niets af te doen. Er is nu geen onrendabele top. Maar om meer zekerheid te krijgen voor investeerders, kunnen wij naar het voorbeeld van de afvalverbrandingsinstallaties, zoals mijn collega van het CDA al opmerkte, wel een categorie opnemen waarin nu dan geen geld zit, maar die wel een vangnetfunctie biedt. Is de minister daartoe bereid?

Dan komen wij vanzelf op warmtestimulering. Over het algemeen zijn wij zeer te spreken over de algemene teksten in het werkprogramma Warmte op stoom, maar op het moment dat het echt concreet moet worden, moet het ook echt ambitieuzer worden. Ik noem een aantal opties die tot verbetering zouden kunnen leiden. De grote investeringen voor de aanleg van warmtenetten zijn, zeker in deze tijd, niet eenvoudig op te brengen. Een garantieregeling is dus echt nodig. Wil de minister die opstellen, bijvoorbeeld analoog aan die boorregeling voor geothermie die zij heeft bedacht? Of kunnen wij hier ook onze toevlucht nemen tot de EIA? Wij moeten echt boter bij de vis leveren, ook hier. In het Activiteitenbesluit zal een onderzoeksplicht komen naar de levering van restwarmte. Wat mijn fractie betreft, laten wij het daar niet bij. Wij willen graag dat bij gebleken mogelijkheid, na zo’n onderzoek, ook een inspanningsverplichting voor zowel vergunninghouder als gemeente wordt ingevoerd om die restwarmte dan ook te benutten. Dat is één stap intelligenter dan alleen maar een warmtebenuttingplicht, zoals de SP wel eens betoogde, maar het komt al wel in de buurt. Wil de minister deze suggestie overnemen?

Ik heb nog een suggestie over het Besluit aanleg energie-infrastructuur. Daarover hebben wij gesproken bij de Warmtewet. De gemeenten moeten echt de mogelijkheid krijgen om een aansluitplicht af te dwingen. Anders komt er niets van terecht. Over de Warmtewet gesproken, er is dringend behoefte aan het ministeriële besluit over de «Niet Meer Dan Anders»-vaststelling. Wanneer kunnen wij dat zien?

Voorzitter. Ik rond af, acht minuten en 1,2 miljoen vaten olie verder. Dat doe ik niet voordat ik nog één aanvullend verzoek aan de minister heb gedaan. Wij hebben, als de minister althans positief wil ingaan op alle verbeteringen die in dit debat zijn aangedragen, naar onze mening een goede stimuleringsregeling opgetuigd, waarmee wij in normale omstandigheden koers zouden houden richting onze ambities. Maar dit zijn dus geen normale omstandigheden. Banken zitten angstig op hun geld, leveranciers vallen onverwacht uit en projectontwikkelaars zien zelfs de financiering van zeer rendabele projecten omvallen. Ons verzoek aan de minister is dus: word de «Wouter Bos» van de duurzame-energiesector, houd alles scherp in de gaten en grijp onmiddellijk in waar nodig, met garanties, met voorzieningen, desnoods met noodcategorieën in de SDE. Een ministeriële regeling is zo getimmerd. Voor veel van die maatregelen zal zij inderdaad de toestemming van de Kamer nodig hebben. Zij kan zich op voorhand al gesteund weten door mijn fractie. Deze weken wordt heel veel gesproken over wat wij in deze crisistijd allemaal moeten doen of juist moeten laten. Voor mijn fractie staat één ding als een paal boven water: wij komen alleen sterker, slimmer en schoner uit deze crisis als wij de standvastigheid tonen om juist nu in deze periode niet in te binden op onze ambities met betrekking tot duurzame energie, maar juist een tandje bij te schakelen.

De heer Zijlstra (VVD): De heer Samsom roept de minister op om de «Wouter Bos» op dit gebied te worden. Ik neem toch niet aan dat hij daarmee ook oproept om net zoals de heer Bos eerst alle waarschuwingen tijdenlang te negeren en pas op het moment dat het misgaat, in te grijpen? Ik neem aan dat hij wil dat deze minister iets eerder ingrijpt dan de minister van Financiën.

De heer Samsom (PvdA): Ik wil vooral dat zij ingrijpt als dat nodig is. Dat heeft de minister van Financiën tot nu toe gedaan en dat gaat deze minister ook doen. Daar reken ik op.

De heer Jansen (SP): Ik heb de heer Samsom in mijn eerste termijn gevraagd of hij het inmiddels tijd vindt om de financiering nog wat robuuster te maken.

De heer Samsom (PvdA): Daar heb ik al antwoord op gegeven. Die tijd was, wat mij betreft, al verstreken. Toen heb ik een motie ingediend waarin daarom wordt gevraagd. Die motie is aangenomen – dank voor uw stem voor die motie – en de minister is nu gehouden aan de uitvoering van die motie. In die motie vraagt de Kamer als geheel aan de minister om de benodigde bedragen tot 2020 te identificeren en met voorstellen te komen voor de reservering daarvan, zodat wij langjarige zekerheid kunnen bieden. Daar ging het om en daar gaat het om. Die motie zal deze minister nu gaan uitvoeren.

De heer Jansen (SP): Ik kan mij die motie herinneren, maar dat was niet een financiering op basis van het Einspeisegesetz. Ik begrijp dat de heer Samsom het voldoende vindt en dat de Duitse optie voorlopig van de baan is.

De heer Samsom (PvdA): Het doel is in dit geval het belangrijkst. Wij moeten ruim van tevoren voldoende financiering klaarleggen, zodat er investeringszekerheid ontstaat. Voor u is kennelijk het middel het dogma. Dat kan. Maar voor ons is het doel het belangrijkst.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Schepping (ChristenUnie): Voorzitter. Duurzame energie raakt steeds meer in. Dat is goed nieuws, want hoe sneller duurzaam de boventoon gaat voeren, des te eerder zijn we minder afhankelijk van fossiele brandstoffen. Daarmee pakken wij vervuilende uitstoot pas echt goed aan. Als ik de stukken lees die op de agenda staan en mijn ervaringen uit verschillende werkbezoeken meeneem, dan zie ik legio originele duurzame initiatieven. Vandaag staat de vraag centraal: hoe laten wij al die goede initiatieven succesvol van de grond komen?

Uit een representatieve steekproef onder 270 Nederlandse duurzame-energiebedrijven blijkt 75% van deze bedrijven het vertrouwen in het duurzame-energiebeleid van het kabinet kwijt te zijn. Als belangrijkste oorzaak van de terugloop in omzet zien de respondenten een enorme waslijst van gedetailleerde knelpunten, vrijwel alle gerelateerd aan financiering, garantieverstrekking, stroperige vergunningverlening, een overmatige bureaucratie en niet realistische eisen en stimuleringsregelingen. Dat zijn knelpunten die niet in de weg mogen staan. De ChristenUnie ziet ook voor de minister een belangrijke rol weggelegd om die knelpunten mede weg te nemen.

Heel veel dingen die ik nu ga noemen, hebben collega’s ook al genoemd. Ik ga ze toch noemen, omdat het goed is als de minister de knopen kan tellen en kan merken dat heel veel wensen en aanvullingen van de verschillende Kamerfracties overeenkomen. De ChristenUnie onderstreept de visie in het werkprogramma Warmte op stoom, in het bijzonder de maatregelen van kennisontwikkeling en -deling, het verbeteren van marktcondities en het bevorderen van samenwerking. Hoewel met het aanvalsplan een goede weg wordt ingeslagen, zijn er nog wel kritische opmerkingen te maken. Het papier klopt, maar nu moet de praktijk op orde worden gebracht. Een reële kostenberekening is van groot belang. De maximale looptijd van groenfinanciering is nu tien jaar, terwijl een warmtenetwerk wordt berekend op dertig jaar. Dat biedt niet genoeg zekerheid.

Voor restwarmte is in het aanvalsplan relatief weinig ruimte, en dat is een gemiste kans. Het is bijvoorbeeld van groot belang om warmte een financiële marktwaarde mee te geven op basis van de bijdrage aan de CO2-emissiereductiedoelen. Bij duurzame warmte kan marktwaarde op basis van de bijdrage aan de duurzaamheidsdoelen van Nederland toegevoegd worden. Hoe kijkt de minister aan tegen een vorm van voorfinanciering of garantieregeling voor restwarmteprojecten? Ik merk nog wel op dat het gebruik van restwarmte uit afvalverbranding natuurlijk geen concurrentie met de recycling mag opleveren.

Daarnaast is voor lagere overheden vrijheid van instrumentarium gewenst om meer te kunnen sturen richting warmtehergebruik. Veel gemeentebesturen willen graag vooruit met warmtenetwerken. Maar geef die gemeenten ook de gelegenheid om hiermee aan de slag te gaan! Vanuit de bouwverordening kunnen enkele extra voorwaarden meegenomen worden op het punt van aansluiting op een collectief warmte- of koudenet. Rond het onderwerp concessieverlening is echter nog veel niet goed geregeld. Ook de discussie wie verantwoordelijk is voor de benodigde infrastructuur komt keer op keer terug. Voor provincies en gemeenten is een belangrijke rol weggelegd door in hun ruimtelijke beleid warmteleverende en -vragende bedrijven dicht bij elkaar te plannen. Daarnaast ligt er ook een uitdaging voor bedrijven en woningcorporaties. Lokale, meer verplichtende samenwerking tussen al deze partijen is nodig. Ik denk even aan het voorbeeld van een aluminiumbedrijf dat warmte wilde leveren aan zijn buurman, het zwembad, en aan een paar daarachter gelegen flatgebouwen. Helaas torpedeerde de woningcorporatie het plan, want zij was eigenlijk wel heel tevreden met haar eigen gasketel. Tot slot is het prima dat het gebruik van warmtepompen nog meer wordt gestimuleerd, maar wel kan een warmtepomp duurder uitpakken door het capaciteitstarief. En dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Ik hoor graag een reactie van de minister op dit punt.

Wij moeten de SDE-regeling natuurlijk bekijken vanuit de oorspronkelijke doelstellingen: het bieden van een kans voor duurzame technologieën door een level playing field te creëren en commerciële en grootschalige marktintroductie van duurzame initiatieven mogelijk te maken. Het kernprobleem bij de 2008-regeling is echter het achterblijven van de realisatie van initiatieven. Dat is erg jammer, want de wil is er klaarblijkelijk wel. Hoe wil de minister dit gaan aanpakken in 2009? Ik ben blij dat verschillende signalen die de Kamer vorig jaar heeft geuit, zijn meegenomen in de nieuwe SDE-regeling. Mijn fractie is wel bezorgd dat ongewijzigd beleid van herhaald ontmoedigen van investeren in met name industriële wkk grote negatieve gevolgen zal hebben. Het ontmoedigingsbeleid kan leiden tot meer brandstofafhankelijkheid, meer emissies van CO2 en fijnstof, slechtere energie-efficiency en een hinderpaal bij de uitvoering van MJA- en duurzaamheidsconvenanten waarin investeringen in wkk een grote rol spelen. Wordt nu daadwerkelijk een level playing field gecreëerd voor de wkk? Blijft wkk echt rendabel genoeg om op te boksen tegen vervuilende energieproducenten? Verschillende collega’s hebben het genoemd; ook ik wil graag de zekerheid die de SDE biedt voor de wkk. Ik heb begrepen dat dit zonder kosten kan. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister.

Ik wil voorts nog een opmerking maken over biogas. Het vergisten van vaste, agrarische reststoffen levert prima resultaten op. Ik was bij de opening van een installatie in Zeewolde, waar de Polderwijk wordt verwarmd. Het was op de dag dat Rusland de gaskraan dichtdraaide en daar werd een gaskraan opengedraaid. Het speelt een belangrijke rol bij het streven om ons minder afhankelijk te maken van aardgas. Mijn vraag is wel of de kleine biomassaprojecten een eerlijke kans krijgen in de regeling. Op dit terrein is ook een langetermijnvisie van de minister op biogas belangrijk.

De ChristenUnie ziet graag veel aandacht voor zon-pv. In de nieuwe SDE is een extra stimulans om het bedrijfsleven aan de zonne-energie te krijgen. Een belangrijke belemmering is met name dat de uitvoering over een groot aantal partijen is verdeeld. Naast de leverancier en SenterNovem zijn er ook CertiQ, de netbeheerder – die ik met nadruk wil noemen – en de financiers. Dan is het goed als het proces vanuitéén partij voortvarend en integraal aangepakt wordt. Ook wijzen de in het proces noodzakelijke betrokkenen nog wel eens de verantwoordelijkheid buiten hun directe werkgebied af, waardoor mensen teleurgesteld afhaken. Kan het voor woningbouwverenigingen mogelijk worden om subsidie aan te vragen? Nu moet iedere afzonderlijke bewoner subsidie aanvragen. Misschien is het beter om dit wat grootschaliger aan te pakken.

Ik ga nog kort in op windenergie. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de onderzochte projecten met wind op land niet zal worden gerealiseerd met de nieuwe SDE, terwijl de inzet juist is om windenergie op land te verdubbelen. Ziet de minister iets in een gedifferentieerde regeling met onderscheid voor locaties voor de kust en op het land?

Tot slot is het ook goed dat waterkracht is toegevoegd aan SDE. Opwekking van energie door gebruik te maken van vrije getijdenstroming is een mooie manier van duurzame-energieopwekking die typisch bij Nederland past. Nederland is een land van water met een sterke maritieme en offshore industrie. Het is tevens een zeer milieuvriendelijke vorm van energieopwekking met een minimale impact op natuur en omgeving. Ik heb begrepen dat de SDE-regeling geen ruimte biedt voor energie uit getijdenstromingen. Is dit niet een gemiste kans?

Veel reacties over de SDE-regeling luiden positief. Ik ben blij om die te horen. Maar problemen zouden kunnen blijken uit de medio maart te publiceren details. Dit is des te meer van belang nu de tender vanaf 1 april gaat werken en de voorbereidingstijd voor geïnteresseerde bedrijven daarmee behoorlijk kort wordt. Een ander potentieel probleem zou kunnen ontstaan als gevolg van de keuze om meerdere SDE-categorieën onder één subsidieplafond te laten vallen. Dit zou kunnen betekenen dat een enkel zeer groot project, bijvoorbeeld een groot windmolenpark, ten koste gaat van vele kleinere initiatieven, wat de continuïteit van deze categorie wellicht in gevaar zou kunnen brengen. Een aantal MEP-gerelateerde contracten loopt af en de geformuleerde doelstellingen voor 2010 en 2020 maken een spoedige beslissing nodig. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Het Nederlandse duurzame-energiebeleid is ambitieus. De realisatie van die ambities kan en moet beter. Dat is een korte maar krachtige samenvatting van het recente rapport van het Internationaal Energieagentschap. Twee aanbevelingen van dit agentschap wil ik voor het voetlicht brengen. Het agentschap geeft aan dat een stabieler stimuleringsbeleid voor de lange termijn nodig is om het investeringsklimaat voor het bedrijfsleven te verbeteren. Trekt de minister uit deze aanbeveling haar les en zo ja, welke? Kan de SDE-regeling toegesneden worden op een stabieler stimuleringsbeleid dat is gericht op de langere termijn?

Een andere interessante aanbeveling is het versnellen van de besluitvorming over de eventuele komst van een nieuwe kerncentrale. Ik ken de desbetreffende documenten en de coalitieafspraak, maar wat is de stand van zaken en kan dit proces op de een of andere manier worden versneld?

Het jaar 2008 was voor de SDE-regeling duidelijk een startjaar. Wind op land kende een onderuitputting. Dat is jammer. Biomassa moest het helaas doen met niet in alle opzichten realistische basisbedragen. Mijn fractie hoopt uiteraard dat de regeling voor 2009 meer zoden aan de dijk zet. Ik onderstreep graag de opmerking van enkele collega’s dat wij ondanks de kredietcrisis, met alle consequenties daarvan, nu moeten doorzetten. Misschien moeten wij het juist omdraaien: juist omwille van de kredietcrisis moet de duurzaamheid toenemen.

Mijn fractie waardeert het uiteraard positief dat het basisbedrag voor co-vergisting van mest naar boven is bijgesteld. Ook de beloning voor de benutting van restwarmte is positief. Agrarische ondernemers staan daar klaar voor.

Ik ga nu terugkijken. Ik ben er erkentelijk voor dat enkele collega’s zich hebben geëxcuseerd voor hun houding van vorig jaar: aanvankelijke steun en later terugkrabbelen. Ik trap niet na, maar ik stel wel vast dat het jammer is dat wij daardoor voor een belangrijke activiteit een jaar verloren hebben zien gaan. Laten wij proberen om dat jaar in te halen. Wel zijn er voor 18,7 megawatt positieve beschikkingen afgegeven over de contracten van het afgelopen jaar. Worden die nu allemaal benut? In lijn met wat ik vorig jaar heb gezegd, krijg ik signalen dat dit niet het geval is. Ik hoop dat het anders is. Kan de minister daarin inzicht geven? Als er alsnog geld op de plank blijft liggen, is de minister dan voornemens om het vrijkomende budget opnieuw binnen deze regeling en deze categorieën in te zetten? Die vraag stelde ik vorig jaar ook, maar ik herhaal die vraag in het licht van de huidige situatie.

Het is dus prima dat de minister deze beslissingen heeft genomen, maar haar collega van VROM lijkt roet in het eten te gaan gooien. De minister van VROM heeft in het ontwerpbesluit over de emissie-eisen voor middelgrote stookinstallaties de emissie-eisen immers aangescherpt. Verschillende bedrijven die werken met kleinschalige biomassaverbrandingsinstallaties, waaronder de Grontmij, Arcade en Cogas, leggen daar in een gezamenlijke zienswijze de vinger op. Ze stellen vast dat de emissie-eisen voor NOx en fijnstof zowel technisch als economisch verre van haalbaar zijn. Daarom stellen ze projecten met en investeringen in deze vorm van duurzame energieproductie opnieuw ter discussie. Dat zou opnieuw vertraging opleveren; dat moeten wij niet hebben. Vandaar mijn vraag aan de minister hoe zij hiermee omgaat en of zij daar beleidsmatig op wil reageren. In het werkprogramma Warmte op stoom wordt het voorbeeld genoemd van het project van de houtketel in Beetsterzwaag, ook bekend van de ovale tafel van de heer Wijffels, de smederij en smeltkroes van de coalitie. Het gaat nu echter om een houtketel; dat moet niet verward worden. Ook daarop krijg ik graag een serieuze reactie, want wij moeten er nu niet weer een slag overheen krijgen van strengere normen die technisch en economisch niet haalbaar zijn volgens de organisaties die dit in een gezamenlijke zienswijze hebben aangereikt.

Een nieuwe ontwikkeling is de pure mestvergisting, vergisting van alleen mest. Die was tot nu toe buiten beeld, omdat de kostprijs te hoog was. Recente initiatieven brengen deze categorie echter in beeld. Door hergebruik van restwarmte kan op een hogere temperatuur vergist worden en wordt de procedure versneld, waardoor zij binnen bereik komt. Deze initiatieven verdienen steun. Ik vraag de minister of zij bereid is om de SDE-regeling voor 2009 in te richten op deze kleinschalige pure mestvergisting, zoals het in de branche heet. Als dat niet meer kan, waarvoor ik begrip zou hebben, zou dat in elk geval moeten gelden voor de SDE-regeling.

Collega Samsom sprak al over de toegevoegde categorie grootschalige verbranding. Grote verbrandingsinstallaties kunnen de ruimte opslorpen, waardoor kleinschalige projecten het nakijken kunnen hebben. Dat moet niet gebeuren. Hoe kan dat worden voorkomen?

Mijn fractie zet vraagtekens bij het basisbedrag voor de productie van biogas. De minister schakelt dat gelijk met elektriciteitsopwekking. Mijns inziens is dat niet geheel terecht. Mij wordt gemeld dat opwaardering van biogas tot groen gas met aardgaskwaliteit efficiënter is dan decentrale elektriciteitsopwekking. Kan de minister aangeven of de extra investeringen die hiervoor nodig zijn, verdisconteerd worden in het subsidiebedrag? Zo niet, is zij daartoe dan alsnog bereid?

Mijn fractie vindt het positief dat waterkracht in de SDE-regeling wordt opgenomen. In het ECN-advies wordt ook ingegaan op getijdenenergie. Valt getijdenenergie onder het basisbedrag van 12,5 cent of negeert de minister deze vorm van duurzame energie? Dat laatste zou Nederland vreemd zijn.

Ook ik betreur dat wkk nog niet is opgenomen. De warmtekorting blijkt in de praktijk belangrijk te zijn voor verkoop van de wkk-warmte. Waarom heeft de minister ondanks een harde toezegging uiteindelijk geweigerd om de warmtekorting te laten meenemen in de rentabiliteitsberekeningen van het ECN? Graag hoor ik van haar wat haar verwachtingen zijn ten aanzien van het aantal nieuw te realiseren wkk-installaties. Ik verzoek haar om wkk op te nemen in de SDE-regeling, maar net als bij de AVI’s en de zuiveringsinstallaties nog zonder subsidie. Als er bijgesprongen moet worden vanwege dalende energieprijzen, kan die regeling dan effectief operationeel worden gemaakt.

Mijn fractie is blij met het werkprogramma Warmte op stoom. In Nederland blijft nog veel duurzame warmte onbenut. Het werkprogramma biedt perspectief om daar iets aan te doen. Mijn fractie heeft daarover nog wel enkele vragen. Voor de benutting van restwarmte op grotere schaal is een goede infrastructuur in de vorm van een warmtedistributienet nodig. Investeringen in die netten komen echter niet in aanmerking voor de EIA. Is de minister bereid om de grootschalige warmtedistributienetten op te nemen in de energielijst voor de EIA, zoals ook voor de kleinschalige warmtenetten is gebeurd? Dat zou een positieve impuls zijn voor collectieve warmteprojecten. Die projecten zijn financieel risicovol door lage rendementen, lange afschrijvingstermijnen en onzekerheden, zoals het wegvallen van een betrokken partij, vertraging of onzekerheid over de aansluiting in de bestaande bouw. Een garantie in het geval van een mislukte proefboring is onvoldoende. Is de minister bereid om een bredere garantiestelling in het leven te helpen roepen voor leningen ten behoeve van investeringen in warmtenetten?

De heer Zijlstra (VVD): Voorzitter. Vandaag is er de jaarlijkse subsidiebonanza in de energiesector. De miljarden vliegen weer over tafel. Onze lijn is bekend: wij vinden dat de SDE meer op innovatie en minder op exploitatie gericht zou moeten zijn. Desondanks geven wij links en rechts enkele suggesties over de door de minister gekozen lijn, ook al weet ik dat ik die lijn op dit moment niet omgekeerd krijg.

In het werkprogramma Warmte op stoom stond een grappige zinsnede, namelijk dat de CO2-reductie bereikt kan worden door het behalen van de 30%-doelstelling uit de meerjarenraming van de industriële processen. Dat vind ik altijd mooie zinnen: je kunt je doelstelling bereiken door je doelstelling te bereiken. Maar hoe dan? Die vraag blijft juist onderbelicht. Ik hoor vanuit de industrie alleen het geluid dat 30% volledig bezijden de realiteit is. De industrie wil zich committeren aan 10%, maar 30% gaat volgens haar niet lukken. Hoe kan de minister dan zo’n zin opnemen? Of is dit een voorbeeld van mooi opschrijven en dan wegduiken? Hoe gaat de minister dit realiseren? Als zij daar geen reële opties voor ziet en hiervoor niet de steun heeft van de industrie, hoe gaat zij dit dan bijstellen? Welke consequenties heeft dit voor de andere doelstellingen voor 2020?

Er worden terecht warme woorden gesproken over het hergebruik van warmte en stoom, maar ook op dit punt is er iets verbazingwekkends. Dat hergebruik wordt bijvoorbeeld toegepast in Noord-Groningen, bij het stoomnetwerk Oosterhorn. Daar moet een AVI gebouwd worden. De bijliggende gemeenten en de Eemshaven willen dat koppelen aan een netwerk waarvan de industrie gebruikmaakt. Alles wat wij willen realiseren, wil men daar dus neerzetten, maar toch is daar om de een of andere reden geen steun voor te krijgen van het ministerie van VROM, vanuit de Waddenbijdrage. Hoe is het mogelijk dat de minister in een werkprogramma aangeeft dat zij dit soort zaken wil realiseren en dat een ministerie dat ook met Schoon en Zuinig bezig is, zo’n bijdrage blokkeert elke keer dat er gevraagd wordt om een bijdrage uit het Waddenfonds, dat ook hiervoor gebruikt zou moeten kunnen worden? Kan de minister daarop ingaan? Het kabinet zou toch één lijn moeten volgen, zeker op het punt van een van de beroemde pijlers?

Wij vinden het goed dat de minister probeert om een uniforme meetlat voor milieuprestaties te krijgen, want milieuprestaties moeten inderdaad meetbaar worden. Daarbij wordt aangegeven dat er vooral wordt gekeken naar de CO2-reductie. Wat de VVD betreft, zou de minister vooral moeten kijken naar energiebesparing. Zoals bekend zien wij energieschaarste op dit moment als hoofdprobleem. Daar los je automatisch ook het CO2-probleem mee op. Dat is onze volgorde. Het lijkt ons verstandig dat het kabinet niet alleen naar CO2 kijkt, maar vooral naar energiebesparing. Dan heb je ook meteen een afname van de CO2 te pakken.

De fractie van de ChristenUnie gaf het al aan: geef gemeenten de ruimte voor warmte/koudeprojecten en netwerken. In het stuk staat het prachtige voorbeeld in Veenendaal. Voor de consument is er een voordeel van 15%. Dat moet toch iedereen willen? Als de consument er beter van wordt, als het milieu er beter van wordt en als alles dus «plus» is, kan het probleem alleen zitten in regels en bureaucratie. Hoe kunnen wij dat zo snel mogelijk oplossen?

Ook de garantieregeling voor boringen is heel goed. Dat is een wens van de Kamer en het is prima dat de minister dat doet. Het rijtje voorwaarden is echter vrij uitgebreid, inclusief een eigen risico van 15%, een premie van 7% en een maximumuitkering. Dat kan allemaal realistisch zijn, maar ik verzoek de minister wel om nog eens goed te bekijken of dat echt realistisch is. Ik wil immers geen garantieregeling die vervolgens niet gebruikt wordt.

Het is altijd grappig om te zien dat wij miljarden steken in de energie-investeringsaftrek, maar vervolgens niet in staat zijn om te berekenen of dat effect heeft gehad. Dat doet het ergste vrezen.

De SDE is de hoofdmoot. Er is gemiddeld een onderuitputting van 65%. Bij Wind op land is er een onderuitputting van 80%. De minister constateert op de tweede pagina van de brief dat de doelstellingen ondanks die onderuitputting bereikt worden. Hoe kan dat? We lopen enorm achter, er is twee derde niet gehaald en toch gaan we de doelstellingen halen. De oorspronkelijke calculatie van subsidies was dus veel te hoog, want we kunnen toe met een derde van de subsidies en liggen toch nog op koers. Hoe zit dat? Dat lijkt mij een tegenstrijdigheid.

Op het punt van de biomassavergisting is het duidelijk misgegaan. De door ons gesteunde motie van de heer Van der Vlies is uitgekomen. Het is goed dat dit bijgesteld wordt; daarvoor hulde!

Dan het budget. Heb ik in bijlage 2 van de brief van 20 februari goed gelezen dat het budget met 1,7 mld. is toegenomen, terwijl de doelstelling hetzelfde is gebleven? Er staat immers dat we ongeveer 3000 megawatt aan vermogen gaan neerzetten. Dat was in 2008 aan de Kamer gemeld en dat is nog steeds de prognose, maar de geactualiseerde totale geraamde kosten nemen ten opzichte van de in 2008 aan de Kamer gemelde totale geraamde kosten toe van 4,9 mld. naar 6,6 mld. Zie ik het fout of klopt mijn constatering dat wij, om hetzelfde te bereiken, in één jaar tijd 1,7 mld. meer moeten uitgeven? Hoe zit dat? Daarvoor krijg ik graag een verklaring.

Voor Wind op zee komt er één tender, waarbij in één keer 450 megawatt wordt weggezet. Wat de VVD-fractie betreft, is wind niet de hoofdmoot van de ontwikkeling, maar als de minister heel veel wind op zee wil realiseren, waarom maakt zij dan geen meters? Meerdere partijen zijn allerlei projecten aan het opzetten, maken allerlei kosten en zetten allerlei stappen vooruit, maar wij kiezen straks één project en de rest gaat feitelijk in de prullenbak. Dat is een enorme verspilling. Onderweg veranderen we bovendien de voorwaarden, want toen men de gebieden mocht kiezen, werden de kosten van het stopcontact aan het project toegewezen. Inmiddels wordt er gesocialiseerd. De randvoorwaarden zijn dus een beetje gewijzigd. Als de minister meters wil maken en naar 6000 megawatt toe wil en als men toch al bezig is met het ontwikkelen van allerlei zaken, is het dan niet verstandiger om nu niet één project aan te wijzen voor 450 megawatt op zee, maar om te bekijken of wij kunnen hergebruiken? Hoewel ik niet zo’n voorstander van Wind op zee ben, zou ik dit verspilling vinden. Dat vindt de VVD helemaal zonde. Als de minister toch bezig is, laat haar dat dan efficiënt doen.

De situatie inzake de wkk vind ik erg jammer; laat ik het maar zo neutraal zeggen. Het is een zeer efficiënte bron van besparing en duurzame energie, want wkk draait wel degelijk mee in het percentage «duurzaam» in 2020. Gelet op de kostenefficiency van wkk, begrijp ik niet waarom de minister er niet op z’n minst voor zorgt dat de wkk van dezelfde regeling gebruikmaakt als de AVI’s, AWZI’s, de rioolreinigingen et cetera. Die regeling houdt in: nu geen subsidie, maar vooral een garantie voor het geval dat fluctuaties optreden in de energieprijs. Daarnaast heeft de Kamer middels de breed gesteunde motie-Hessels duidelijk uitgesproken dat de warmtekorting in 2009 weer zou moeten worden toegekend. Dat heeft de minister op 25 juni 2008 ook toegezegd. Ik snap het principiële punt dat je een korting niet gaat subsidiëren, maar we moeten ook een beetje praktisch zijn. Het is toch niet heel gek dat een onderneming die voor dezelfde prijs moet kiezen tussen extern warmte inkopen bij een wkk-installatie en zelf warmte opwekken, kiest voor zekerheid in het bedrijfsproces en dus zelf warmte gaat opwekken? Het is bedrijfstechnisch vrij logisch dat je dan een bepaalde korting probeert te krijgen van de wkk-warmteleverancier en dat je in berekeningen rekening houdt met die korting. Waarom heeft de minister de wens van de Kamer feitelijk naast zich neergelegd? Dat willen wij wel eens uitgediept krijgen, want ik raak het overzicht een beetje kwijt. Wat zijn de werkelijke argumenten en wat is erbij gehaald? Ik roep de minister ertoe op om al die elementen voor de Kamer inzichtelijk te maken, zodat de Kamer goed kan doorgronden waar sprake is van reële protesten en waar niet. Ik vind het doodzonde als wij duizenden megawatts aan potentieel en ook bestaand wkk-vermogen – daar gaat het werkelijk over – kwijtraken omdat wij hier «penny wise, pound foolish» aan de gang zijn. Dat wil de VVD graag voorkomen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb al heel vaak gezegd dat de fractie van GroenLinks met smart wacht op een revolutie in onze energiepolitiek. We moeten met grote, grote, grote snelheid van een oude, vieze en grote energievoorziening naar een nieuwe, schone en slimme energievoorziening. Dat is een ongelooflijk ingewikkeld en lastig proces en wij hebben buitengewoon veel haast. Uitputting van fossiele brandstoffen, klimaatverandering en geopolitieke instabiliteit staan nu heel dichtbij onze voordeur. Er is dus geen tijd te verliezen. Mijn verbazing was dus groot toen ik de laatste gegevens van de minister las over de benutting van de SDE in 2008. Ik begrijp niet waarom twee derde van het budget dat in 2008 beschikbaar was voor duurzame energie ongebruikt op de plank is blijven liggen. Dat budget was, afgezet tegen het belang van deze kwestie, al geen supergroot bedrag. Ik moet constateren dat er iets heel erg fout is gegaan. Ik vraag de minister nog steeds om tekst en uitleg, want een briefje van nauwelijks een A4’tje om uit te leggen waarom een kleine 0,5 mld. voor duurzame energie op de plank is blijven liggen, kan natuurlijk niet.

In veel debatten over de actuele economische recessie heeft mijn fractie ervoor gepleit om van de gelegenheid gebruik te maken voor een Green Deal. Om daar één punt uit te pikken: ik heb de door de heer Samsom voor een deel terecht bewierookte minister van Financiën, de heer Bos, al sinds oktober bij herhaling gevraagd om namens het kabinet te bezien of er een garantieregeling moet komen voor projecten met duurzame energie. Ik heb daarover nog niets gehoord. Bij het laatste debat over de crisisbestrijding heb ik daar nog een keer naar gevraagd. Toen kwam nog een keer de toezegging dat het kabinet daarnaar zou kijken. Die kwestie lijkt aan belang te winnen. Ik vraag het hier maar aan de minister van Economische Zaken, want een van de problemen waarmee projecten met duurzame energie in toenemende mate lijken te kampen, is dat deze projecten in het bijzonder behoefte hebben aan lang geld van banken en dat banken dat lange geld niet hebben of niet willen uitlenen, omdat zij bang zijn voor alle risico’s die zich op de korte termijn in hun bedrijf gaan voordoen. Er zit veel ruis in verhalen over wel of geen kredietverlening door banken, maar laten we ervan uitgaan dat we, gelet op het belang van de zaak, elke ruis serieus nemen. Dit heeft ook een relatie met wat er bij pensioenfondsen gebeurt. Kortom, zo houden wij elkaar bezig. Stilstand is het resultaat. De impasse kan alleen worden doorbroken als het kabinet met name voor de grotere regeling een regeling optuigt die verwant is aan de interbancaire garantieregeling waarvoor de minister van Financiën in het najaar terecht 200 mld. uittrok. Dat betekent dus een garantieregeling voor groene en duurzame energieprojecten. Ik wil echt op zeer korte termijn uitsluitsel, want ik denk dat dit een heel verstandige regeling is. Ik druk dat in dit geval de minister van Economische Zaken op het hart. Laat het niet zo zijn dat in deze tijden van recessie alle particuliere initiatieven op weg naar duurzame energievoorziening op de een of andere manier stranden in de bureaucratie of in het moeizame verkeer op weg naar voldoende funding. Ik wil dus graag snel duidelijkheid van het kabinet over deze door ons gewenste garantieregeling.

Dat geldt natuurlijk ook voor de continuïteit van nieuwe projecten ten behoeve van snelle verduurzaming. De internationale ranglijstjes geven aan dat Nederland op dat punt rond een bijna beschamende zevenentwintigste plaats schommelt. Nederland verdient veel beter. We kunnen dus alle initiatieven uit de markt gebruiken. Daarom pleit mijn fractie al tijden voor een feed-intarief, zodat de funding van duurzame energie-initiatieven echt duurzaam, vast en zeker is geregeld. Het kabinet weigert nog steeds om op dat punt met voorstellen te komen. Ik vraag het gewoon opnieuw: minister, bereidt u een dergelijke regeling voor?

Dan een aantal specifieke duurzame-energieopties, allereerst Wind op land. Op dat punt is er veel aan de hand. Met name in 2008 blijkt het aan alle kanten te stokken: lagere overheden, bureaucratie; het is allemaal lastig en ingewikkeld. Is het een optie dat de minister van Economische Zaken een soort hulpteam in het leven roept? Ik hoor vaak van lokale partijgenoten dat door lagere overheden in aanleg interessante locaties worden uitgekozen, maar dat het op een gegeven moment in bestuurlijke zin fout gaat. Er wordt niet altijd even handig geopereerd, alternatieve locaties worden niet op tijd gezocht en er is bestuurlijk geknoei met de provincies. Op dat punt moet er een doorbraak komen. Hoe belangrijk het ook is, het volstaat niet om hier met elkaar af te spreken dat de bestaande doelstellingen voor 4000 megawatt wind op land gehandhaafd worden en om vervolgens langs de zijlijn te gaan zitten bekijken hoe het gaat. Wind op land is nodig, is goedkoop en is een ingewikkelde optie. Het is dus het overwegen waard dat de minister een soort rapid reaction force van een paar slimme, handige, leuke jongens en meisjes op pad stuurt om de helpende hand toe te steken daar waar het bestuurlijk vastloopt en de boel dreigt te verzanden. Ik vraag de minister van Economische Zaken om daarop te reageren.

De heer Jansen (SP): Zo’n nieuwe Veronica-reclame is altijd leuk, maar ik heb in mijn termijn voorgesteld om ook iets te doen aan de rechtsbescherming van omwonenden. Het moet netjes geregeld worden, zodat mensen er zeker van zijn dat zij, als er een molen komt, daar geen last van hebben. Vindt ook de fractie van GroenLinks het een goede zaak om dat netjes te regelen, zodat we vervolgens de resterende projecten in tempo kunnen uitvoeren?

De heer Vendrik (GroenLinks): De bescherming van de belangen van bewoners moet altijd netjes geregeld worden. Dat is punt één. Punt twee is echter dat dit, anders dan de heer Jansen leek te suggereren in zijn bijdrage, geen vertraging hoeft op te leveren en mag opleveren. Slimme bestuurders moeten een beetje handig weten te opereren. Daar zie ik het in de praktijk nogal eens fout gaan bij Wind op land. In eerste instantie neemt men bijvoorbeeld bezwaren van bewoners tegen een bepaalde locatie niet voldoende serieus. Vervolgens lopen de emoties van de bewoners tot grote hoogte op en krijg je de geest bijna niet meer in de fles. Dan is het project bijna kapot. Dan moet je niet doorduwen, want dat betekent alleen maar dat je met een gebrek aan draagvlak bij bewoners dat soort projecten gaat realiseren. Daarom doe ik de minister van Economische Zaken de suggestie om bestuurders te helpen. Als een gemeente er niet uitkomt met haar bewoners, moet er bijvoorbeeld snel worden ingegrepen met de betreffende gemeente en de betreffende provincie om te kijken naar alternatieve locaties. Je moet niet door roeien en ruiten gaan. Daar zouden een intermediërende rol, een helpende hand en een slimme blik van hogerhand ontzettend kunnen helpen. Ik wil de bestaande praktijk doorbreken waarin de provincie vervolgens zegt: dat is het probleem van de betreffende gemeente, die zich heeft gecommitteerd en een locatie heeft aangewezen. Vervolgens gebeurt er niets, omdat de partijen definitief tegenover elkaar komen te staan. Dan moet juist, door wie dan ook, een doorbraak gerealiseerd worden om te bekijken of het wel of niet op die locatie kan. Valt er iets te doen met de klachten van de bewoners of niet? Misschien moet er worden gekeken naar een alternatieve locatie. Het kan in dit land niet zo zijn dat wij die 4000 megawatt niet kunnen plaatsen. Dat kan ik mij niet voorstellen. Zoveel ruimte heeft dit land nog wel. Het vraagt alleen flexibiliteit, inzet en snel handelen. Je moet ervoor zorgen dat je een beetje flexibel bent. En neem die bezwaren van bewoners gewoon serieus. Zorg ervoor dat die bezwaren vanaf het begin onderdeel zijn van het bestuurlijk proces.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik hoef alleen een heel kort antwoord van de heer Vendrik. De minister wil met een rijkscoördinatieregeling komen. Ik krijg de indruk dat de heer Vendrik in de lucht fietst en de weerstand onder de bevolking niet onderkent. Daar ligt immers een groot probleem. Als dat na de zomer zou blijken, is de heer Vendrik dan bereid om, hoewel ook Wind op land er natuurlijk moet komen, te kijken naar een efficiëntere inzet? Dat zou bijvoorbeeld zonne-energie kunnen zijn. Is de heer Vendrik bereid om die flexibiliteit in te brengen of blijft hij in zijn dogma hangen?

De heer Vendrik (GroenLinks): Het zijn echt fantasieën van de heer Ten Hoopen dat we het met zo’n regeling allemaal wel gaan redden, het vervolgens waarschijnlijk niet redden en dan moeten constateren dat we Wind op land moeten opgeven. Daar ben ik niet aan toe. Vanwege de aard van de zaak en het politieke profiel van mijn partij zitten mijn lokale partijgenoten hier bovenop en willen, als het even kan, besturen helpen om de opties voor Wind op land te realiseren. Ik hoor van hen dat dit bestuurlijk soms heel onhandig wordt aangepakt. Daar zou iets aan moeten gebeuren. Dit betekent niet dat ik nu al sta te roepen dat die 4000 megawatt niet gaat lukken, dat wij het dus maar moeten opgeven en dat wij op onze handen gaan zitten. Daar ben ik nog lang niet aan toe. Ik gaf het belang van de zaak al aan: we hebben Wind op land nodig, net als Wind op zee, schone biomassa, zon-pv en alle andere opties. Ik ga niet kiezen. Het mag de bewoners van dit land duidelijk gemaakt worden hoe belangrijk de bijdrage van Wind op land aan een schone, duurzame energievoorziening is. Dat wil echter niet zeggen dat je moet doorgaan als bewoners en bestuur keihard tegenover elkaar komen te staan en als er eigenlijk geen bestuurlijke oplossing meer te vinden is. Dat moet je zien te voorkomen. Dat vraagt een slimme aanpak en meer samenwerking. Volgens mij valt daar nog een wereld te winnen. Die rijksregeling van de minister wacht ik graag af, maar ik denk dat het erop aankomt dat er slimmer en sneller geopereerd wordt, ook tussen de bestuurslagen. Op dat punt is nog een wereld te winnen voor Wind op land. Dat voorstel heb ik de minister gedaan en ik vraag haar reactie daarop.

Bij Wind op zee zie ik in de stukken over de SDE in 2009 en latere jaren dat dit kabinet niet verder komt dan het committeren van 450 megawatt in deze kabinetsperiode. Die ruimte zou minimaal verdubbeld moeten worden, al was het maar in het kader van de Green Deal. Het initiatief ligt er; denk aan Zeekracht. Er zijn tientallen particuliere initiatieven voor Wind op zee. Waarom is die ruimte er niet? We hebben een doelstelling van meer dan 6000 megawatt. In deze kabinetsperiode van vier jaar doen we niet eens 10% van wat op termijn nodig is voor onze doelstellingen voor 2020. Ik vraag van het kabinet een veel grotere inzet, plus een spoedwet voor Wind op zee en een publiek gefinancierd stopcontact op zee, want de betreffende passage in de brief van de minister van 22 februari stelde mij nog niet helemaal gerust. De mogelijkheid van gesocialiseerde kosten van een stopcontact op zee wordt daar opengehouden, maar dat wordt weer niet toegezegd. Dat moet nu langzamerhand geregeld zijn. Daarover krijg ik graag een toezegging.

Ik steun het pleidooi van de heer Samsom voor getijdenenergie, die onderdeel moet zijn van de subsidies voor waterkracht.

Over de biomassa wil ik nadere tekst en uitleg van de minister. Wij zeuren immers al maanden over hoe dit dossier zich verhoudt tot het debat over de Cramercriteria voor schone biomassa. Daar blijf ik het spoor bijster raken: waar in het kabinet landt dit dossier en wanneer stelt het kabinet de criteria definitief vast, zodat zij van toepassing worden op de SDE-regeling?

De wkk emmert al jaren. Er is al jaren sprake van een groot meningsverschil tussen enerzijds het departement en het ECN, met alle respect en waardering voor de berekeningen door het ECN, en anderzijds het veld. Wij moeten constateren dat dit kabinet zelf het belang van wkk heeft onderlijnd, bijvoorbeeld in Schoon en Zuinig, maar tegelijkertijd net als in het verleden niet gaat subsidiëren. Ik wil bekijken of we een stap verder kunnen zetten. Ik stel mijn collega’s daarom voor – dat doe ik desgewenst per motie; de heer Zijlstra hintte daar ook al op – om de Algemene Rekenkamer om een second opinion te vragen. Dan kunnen we de berekeningen die vanuit het veld tot ons komen en de daarvan zeer afwijkende berekeningen door het ECN, waarop het departement zich baseert, naast elkaar leggen. Dan vindt een goede hoor- en wederhoorprocedure plaats over de juistheid of validiteit van de berekeningen, de aannames enzovoort. Als wij de mening van de Algemene Rekenkamer daarover geven, kunnen we misschien een stap vooruit zetten, want dit wordt langzamerhand een beetje uitzichtloos.

Antwoord van de minister

De voorzitter: De heer Van der Vlies heeft een wetsoverleg, dat in de plenaire zaal om 19.00 uur begint. U weet nu dus waarom hij straks weggaat.

Minister Van der Hoeven: Voorzitter. Ik maak eerst een paar algemene opmerkingen. Dan ga ik in op de SDE-regeling, op wat wij willen bereiken in 2009 en op de belangrijkste veranderingen. Vervolgens loop ik de categorieën na: biomassa, zon, Wind op land, Wind op zee, de afvalverbranding, de wkk, het werkprogramma Warmte op stoom en de EIA. Daarmee denk ik alle opmerkingen van de Kamer gegroepeerd te hebben. Ik hoop ze allemaal in een keer te kunnen beantwoorden. Ik ga mijn best doen.

Het is een beetje opmerkelijk dat dit AO stond aangekondigd als een AO over allerlei energieonderwerpen. Daarover moest ik een beetje grinniken, want ik denk dat dit een van de belangrijkste AO’s is als het gaat om de instrumenten die het kabinet inzet om de duurzame energie in deze kabinetsperiode en daarna een forse stimulans te geven. Dat is nogal wat. Daarbij gaat het om de SDE, met zo’n 6,6 mld. tot en met 2011. Wij willen in 2011 3000 megawatt extra gecommitteerd hebben. Het gaat ook om de EIA. Daarvoor hebben wij van 2009 tot en met 2011 466 mln. gereserveerd. Dan kom ik op het werkprogramma Warmte op stoom, waarbij het gaat om een besparing en verduurzaming van warmtelevering. De acties die wij in gang zetten, zijn goed voor een besparing ter grootte van het elektriciteitsgebruik van 1,4 miljoen huishoudens. Dat is nogal wat. Dat soort inspanningen levert een forse bijdrage aan de doelstellingen, zoals het verminderen van de CO2-uitstoot, maar ook het vergroten van duurzame energieopwekking en het besparen van energie.

Ik ben het eens met de opmerking dat de huidige economische tijden het niet gemakkelijk maken om de doelstellingen te bereiken. Daar kunnen wij wel doekjes om winden, maar dat is nu eenmaal zo. Je ziet dat bedrijven minder investeringsruimte hebben. Je ziet dat ze worden geconfronteerd met strengere kredietvoorwaarden. Overigens heb ik aanstaande vrijdag een gesprek met de banken over de manier waarop de kredietvoorwaarden worden gehanteerd. Je ziet ook dat het onzekere tijden zijn. Dat betekent dat je ten aanzien van de duurzaamheidsdoelstellingen koersvast moet zijn. De uitdagingen zijn nog steeds even urgent en blijven urgent. Ik weet niet wie van de woordvoerders het zei, maar wanneer de economische crisis is afgelopen, zijn die energiecrisis en klimaatcrisis er inderdaad nog steeds. Laten wij onszelf op dat punt niets wijs maken. Het gaat er nu om dat de investeringen in duurzame energie eraan moeten bijdragen dat wij sterker uit de crisis komen dan wij op dit moment ervoor staan.

Mede tegen de heer Samsom zeg ik daarom: ja, je moet de gevolgen van de economische crisis inderdaad heel zorgvuldig in de gaten houden. Je moet ook ingrijpen waar dat nodig is. Ik kan daar op dit moment niet op vooruitlopen, maar ik ben het er zeer mee eens dat de vinger aan de pols gehouden moet worden. Een voorbeeld: in oktober hebben we de borgstellingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf verruimd. De verruimde groeifaciliteit, met garanties die oplopen tot 50 mln., gaat op 6 maart van start. Die regelingen staan uiteraard ook open voor groene bedrijven. Zo hoort het ook. Ik houd ook wat dat betreft de vinger zeer zeker aan de pols en ik bezie of de banken op dit punt hun taken waarmaken. Die taken omvatten nu eenmaal ook de kredietverstrekking.

Dan kom ik op de SDE-regeling en de doelstellingen. Begin april gaat de regeling van start. We hebben voor 2009 budget voor ongeveer 1000 megawatt aan duurzame energie. Dat gaat om 1,7 mld., exclusief Wind op zee, waar ik later op terugkom. Hoewel het realiseren van deze megawatts ertoe leidt dat de doelstelling voor de hele kabinetsperiode duurder is geworden dan de raming van vorig jaar, denk ik dat we de doelstelling wel kunnen halen. De belangrijkste oorzaken zijn: wijzigingen in de basisbedragen en een andere verdeling over de categorieën, zodat die meer in lijn zijn met de beschikbare initiatieven in de markt. Het is immers belangrijk om aan te sluiten bij wat in de markt kan.

Het geld gaat naar een hoeveelheid Wind op land waarmee meer dan 500 000 huishoudens elektriciteit kunnen krijgen. Ik kom daar straks op terug. Het budget is voldoende om de plannen te ondersteunen voor de 26 co-vergisters waarvan volgens de markt sprake is. De heer Van der Vlies had vorig jaar dus gelijk. Dat is erkend door zijn collega’s en ook ik erken dat. Het budget voorziet in de realisatie van ongeveer 10 000 systemen voor zonne-energie; dat is afhankelijk van de grootte van de systemen die worden gemeld. Dat is dus nogal wat. Voor Wind op zee start de tender voor 450 megawatt. Ik begrijp het ongeduld van de heer Vendrik, die vindt dat er meer moet worden gedaan aan Wind op zee, maar wij hebben afgesproken dat wij in deze kabinetsperiode die 450 megawatt zouden realiseren. Tegelijkertijd bereiden wij de procedures voor de volgende tender voor, maar die voeren wij niet in deze kabinetsperiode uit.

Ik vind het ook belangrijk dat de SDE-regeling, hoe je het ook wendt of keert, een behoorlijke impuls geeft aan onze economie. De 1000 megawatt gaat niet alleen gepaard met 1,7 mld. publieke investeringen, maar ook met 1,5 mld. private investeringen. Dat is dus nogal wat.

Ik ben het met de Kamer eens dat men met name in tijden van economische tegenspoed behoefte heeft aan een betrouwbare overheid. Dan heb je niet alleen eigen vermogen nodig, maar ook vreemd vermogen van banken en andere partijen. Zonder vreemd vermogen lukt het gewoon niet. De SDE biedt 15 jaar zekerheid voor investeerders in duurzame energie. Tegelijkertijd kunnen wij investeerders en ondernemers een extra steun in de rug geven. Ik noemde al de verruimde borgstellingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf en de groeifaciliteit voor grotere bedrijven.

Zoals bekend is het kabinet ook bezig met extra maatregelen in het kader van de kredietcrisis. Daarbij kijk ik uitdrukkelijk ook naar maatregelen waardoor ondernemers ruimte houden om te investeren in innovatie en duurzame energie, maar ik kan daar verder nog niets over zeggen. Dan gaan de Kamerleden immers aan mij vragen hoe dat precies zit en dan moet ik zeggen dat ik daar nog mee kom, want daar komt het kabinet in totaliteit mee. Als in het licht van de kredietcrisis toch nog additionele problemen opduiken, moet ik – zoals de heer Samsom zei – naar bevind van zaken handelen. Dat weet ik op dit moment namelijk nog niet. We gaan met de SDE in ieder geval zo snel mogelijk van start. De definitieve regelingen worden in de tweede helft van maart gepubliceerd. Dat betekent dat de SDE 2009 in april van start kan gaan.

Er zijn inderdaad enkele wijzigingen ten opzichte van 2008. Ik heb een aantal dingen ongewijzigd gelaten, namelijk de categorie-indeling en de criteria voor de toekenning van subsidie, zoals kosteneffectiviteit, innovativiteit, toekomstperspectief en het structurele karakter van de bijdrage aan de verduurzaming van onze energiehuishouding. Ik heb echter ook gekeken naar de bestaande initiatieven en mogelijkheden. Op basis van de MarktMonitor van SenterNovem hebben wij de potentiële projecten zo goed mogelijk in kaart gebracht om te voorkomen dat verschillende categorieën in de loop van het jaar sterk worden «overschreven» of onbenut blijven.

Er zijn enkele verbeteringen doorgevoerd. Het nuttig gebruik van warmte wordt extra beloond: hoe meer restwarmte wordt gebruikt, hoe hoger het basisbedrag. Op die manier heb je een warmtestaffel. Met die warmtestaffel kun je een aanzienlijke bonus krijgen. Ook voor zonne-energie worden enkele verbeteringen doorgevoerd, allereerst elektronische indiening. Het moet inderdaad echt sneller gaan. Ik hoop dat het elektronisch indienen ertoe leidt dat er één loket is voor particulieren, dat het sneller gaat en dat de kans op het maken van fouten bij technische vragen een stuk afneemt. Er komt ook een stimulering voor grootschalige installaties, want ook op dat punt moet lerend implementeren van zon-pv door de sector op gang komen. Daarbij denk ik aan stations, gemeentehuizen of bedrijfsgebouwen.

Bij biomassa hebben we naar de innovatieagenda gekeken. In 2020 willen we 8% tot 12% van het aardgas vervangen hebben door groen gas. De SDE-regeling zet dat idee om in concrete actie. Daarom zijn de doelstellingen op dit punt in de SDE-regeling verdrievoudigd. In de motie-Jansen van een tijdje geleden werd gevraagd om uitbreiding van de biomassa met vloeibare reststromen en reststromen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie. Dat hebben wij ook gedaan, want dat is een goed punt. Ik heb al aangegeven dat er ook een verbetering tot stand is gekomen ten aanzien van de investeringen in de co-vergisters voor biomassa. Ik ga niet verder in op de toenmalige problemen. Ik heb al aangegeven dat de heer Van der Vlies gewoon gelijk had.

De heer Jansen (SP): De minister is inmiddels bezig met de diverse categorieën binnen de SDE.

Minister Van der Hoeven: Nee, daar kom ik nog op.

De heer Jansen (SP): O, sorry. Er liggen volgens mij nog twee cruciale algemene vragen. Hoe verklaart de minister het debacle in 2008, met twee derde onderbezetting?

Minister Van der Hoeven: Daar kom ik nog op.

De heer Jansen (SP): Er is ook nog het punt van de door de heer Zijlstra genoemde kostenstijging van 4,6 mld. naar 6,1 mld., althans in die orde van grootte. Waar komt die kostenstijging vandaan?

Minister Van der Hoeven: Volgens mij heb ik die vraag beantwoord. Het gaat met name om hogere basisbedragen. Je moet je op een gegeven moment ook realiseren wat haalbaar is. Er werd gevraagd welke les ik heb geleerd uit de co-vergistingsproblematiek van vorig jaar. Er is ook sprake van 0,7 mld. kostenstijging door verschuiving naar duurdere categorieën. Ik hoop overigens dat dit op de langere termijn de effectievere categorieën blijken te zijn, maar dat zal uit de evaluatie moeten blijken.

De heer Jansen (SP): Het zou goed zijn als wij die 1,7 mld. nog wat beter gespecificeerd krijgen, want het is natuurlijk een groot bedrag.

Minister Van der Hoeven: Dat is goed. Ik zal u in de loop van mijn verhaal sowieso een aantal dingen toezeggen. Ik denk dat het verstandig is om daar een verzamelbrief van te maken, zodat u dat allemaal op papier hebt.

De heer Zijlstra (VVD): Als het inderdaad om 1,7 mld. gaat, wil ook ik die aanvullende informatie.

Minister Van der Hoeven: Natuurlijk.

De heer Zijlstra (VVD): Als er bij de aanleg van een gemiddelde spoorlijn 1,7 mld. bij komt, staat dat op de voorpagina van elke krant. Ik vind het op dit gebied verdacht rustig. Er komt in één jaar 1,7 mld. bij. Dat vind ik echt te gek voor woorden. Ik zie die brief dus tegemoet. Ik krijg die brief ook graag snel, want dit gaat wel ergens over.

Minister Van der Hoeven: Het gaat natuurlijk niet over één jaar. Het gaat over de totaliteit van een aantal jaren. Dan kom je op een cumulatief bedrag van 1,7 mld., maar ik heb al aangegeven dat ik dat nog een keer voor u op papier zet. Dat gaat niet alleen naar de heer Jansen, maar naar de Kamer.

De heer Zijlstra (VVD): Bij zo’n spoorlijn gaat het ook niet over één jaar, maar over een investering voor meerdere jaren.

De voorzitter: De minister heeft toegezegd dat u een brief krijgt over verschillende onderwerpen.

Minister Van der Hoeven: Ja, daar kom ik nog op terug.

De voorzitter: Die brief gaat naar de gehele Kamer. Daar hoort tot op heden ook de heer Zijlstra bij.

De heer Vendrik (GroenLinks): Misschien is ook dit een kwestie voor die brief, maar heb ik het goed begrepen dat die tabel gaat over de geraamde kosten die samenhangen met de hoeveelheden megawatt aan te committeren duurzame energieprojecten? Het gaat strikt genomen dus om verplichtingen die in deze kabinetsperiode worden aangegaan. De financiering daarvan en de bijbehorende kasstromen liggen echter voor een behoorlijk deel voorbij de periode tot 2011. Als dat zo is – dat vermoed ik – zie ik dat graag in lijn gebracht met het terechte verzoek van de heer Samsom aan de minister om in beeld te brengen wat er na 2011 precies beschikbaar is. Daar lijkt de minister een voorschot op te nemen. Ik ga er namelijk van uit dat de kasstromen tot 2011 niet gewijzigd zijn ten opzichte van het oorspronkelijke beeld.

Minister Van der Hoeven: Dat is inderdaad niet de bedoeling, maar er zijn natuurlijk wel bepaalde overschrijdingen. Zoals ik zojuist al zei, gaan wij ook naar duurdere categorieën en hogere basisbedragen. Ik heb echter aangegeven dat ik met één brief kom waarin ik een aantal elementen opneem. Dit is het eerste element, maar er komen straks nog een paar elementen.

De categorie «waterkracht» is nieuw. Nederland is plat, maar je kunt toch een aantal dingen doen. Het is goed dat wij die kansen grijpen. Er is op termijn een potentieel van ongeveer 100 tot 200 megawatt. Voor 2009 mikken wij op een groei van 20 megawatt. De getijdenenergie zit daarbij. Ook nieuwe initiatieven die werken met getijdenstromingen, zoals bij de Deltawerken in Zeeland of bij de Afsluitdijk, komen daarvoor dus in aanmerking.

De heer Samsom (PvdA): Gelet op de ECN-berekeningen daarover, is de getijdenenergie met name bij de Deltawerken iets duurder dan de categorie van 12,5 cent. Gaan wij weer aanlopen tegen, in dit geval, een «biomassavergistertje»? Of bent u ervan overtuigd dat de getijdenstroom -de «vrije stromingsenergie», zoals die zo mooi wordt genoemd – echt past in de categorie van 12,5 cent?

Minister Van der Hoeven: Ik heb begrepen dat het past. Daarbij wordt wel een onderscheid gemaakt op basis van de valhoogte van het water, of dat nou in een rivier is of in een getijdenproject. Een valhoogte die groter is dan 5 meter, krijgt het lagere basisbedrag. Dat zijn in de praktijk met name de rivierprojecten, vooral in de Maas. Een valhoogte die kleiner is dan 5 meter, krijgt het hogere basisbedrag. Dat zijn in de praktijk zowel rivierprojecten als getijdenprojecten. Dit is nieuw en wij hebben er dus nog geen ervaring mee opgedaan. Laten wij dus even bekijken hoe dit gaat uitpakken. Ik heb begrepen dat waterkracht in het algemeen een redelijk kosteneffectieve optie is. Ik stel dus voor dat wij dat gaan doen.

De openstellingstermijn voor de categorieën wordt verlengd. De termijn voor de SDE 2009 sluit eind oktober. Voor de komende jaren, dus vanaf 2010, wil ik komen tot een regime van een jaarlijkse openstelling van tien maanden. Je sluit dan twee maanden om strategisch gedrag te voorkomen. Dat sluit aan bij de vragen daarover, maar ik denk dat ik wel naar een andere periode toe ga dan in het voorstel van de heer Samsom. Ik denk namelijk dat het beter is om de SDE 2010 op de eerste werkdag van januari open te stellen. Dat betekent dat het gesprek met de Kamer voor de kerstvakantie van dit jaar zou moeten plaatsvinden. Dan hoeft de Kamer ook niet terug te komen tijdens het reces.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb een vraag over het vorige punt. De minister stelt in haar brief voor energie uit waterkracht een tarief voor van tussen 7,5 cent en 12,5 cent per kilowattuur. Vanuit de sector wordt juist gezegd dat de innovatieve vorm van waterkracht, de getijdenstroomenergie, eigenlijk een hoger tarief verdient. Dat tarief ligt ongeveer drie keer hoger dan het door de minister in haar brief voorgestelde tarief. Dat gat moet nog wel even gedicht worden. Ik vraag daarop een reactie van de minister. Hoe kan zij hard maken dat de innovatieve vormen van waterkracht wel degelijk uit de voorgestelde regeling kunnen putten?

Minister Van der Hoeven: Niet alle vormen zullen op dit moment onder de regeling vallen. Wij hebben een aantal zaken met betrekking tot getijdenenergie en waterkracht opengesteld. Het moet natuurlijk wel ergens toe leiden. Het heeft weinig zin als het niet de megawatts oplevert die wij graag willen hebben. Dat is altijd het dilemma waar je voor staat. Vandaar dat we nu voor deze optie hebben gekozen. Volgens de informatie die ik heb, zou deze optie haalbaar moeten zijn, maar ik sluit zeker niet uit dat we in de toekomst ook andere opties gaan subsidiëren.

De heer Ten Hoopen vroeg of wij aan de hand van de uitvoering nog kunnen schuiven tussen de categorieën. Dat gaat niet. Als de regeling zo lang mogelijk moet openstaan – op dat punt kom ik de Kamer tegemoet – kan ik niet in de regeling gaan schuiven. Dat lukt mij niet, want dan verander ik halverwege het spel de spelregels. Het is of het een of het ander. Daar kan ik niets aan doen. Als ik de regeling lang openstel, kan men een aanvraag indienen tot het laatste moment. Als ik de regeling korter openstel, heb ik een schuifmogelijkheid. Allebei is echter niet mogelijk. Dat lukt mij niet. De niet benutte gelden blijven overigens, zoals eerder afgesproken, bestemd voor de SDE-regeling. Dat heb ik al vaker gezegd. Je maakt elk jaar keuzes op basis van de meest recente inzichten over de kosten en het potentieel. De keuze voor het ene jaar kan dus anders uitvallen dan voor het andere jaar. Je moet dus niet nu al iets oormerken. Als er dit jaar, net als vorig jaar, geld overblijft van Wind op land, moet je niet oormerken dat het alleen voor Wind op land gebruikt mag worden. Je moet steeds bekijken wat de goede keuzes zijn.

De onderuitputting van 65% in 2008 vind ik helemaal niet leuk. Ik vind die onderuitputting helemaal niets. We hebben met elkaar een regeling bedacht, maar je ziet dat het op een aantal punten niet lukt. Ik heb in de brief de redenen aangegeven. Die lagen voor Wind op land niet binnen de SDE-regeling, maar bij de vergunningverlening. Bij de biomassa ging het om de hoogte van de tarieven. De vergunningverleningproblematiek zal ik actief aanpakken. Ik kom straks terug op de vraag die de heer Vendrik daarover heeft gesteld. De tarieven zijn aangepast. Ik verwacht dan ook dat de realisatie er in het jaar 2009 aanmerkelijk beter uit zal zien.

De motie-Samsom is het tweede punt dat in die brief aan de orde zal komen. Op dit moment wordt het onderzoek naar de desbetreffende kosten afgerond. Ik stel voor dat ik de uitkomst daarvan voor Pasen aan de Kamer doe toekomen en dat ik daarbij alle toezeggingen meeneem die ik in dit overleg doe, zodat alles in één brief naar de Kamer komt.

De heer Jansen (SP): Over die 65% onderuitputting zegt de minister: dat vind ik niet leuk. Dat lijkt mij het understatement van de dag.

Minister Van der Hoeven: Wat moet ik dan zeggen? «Ik vind het vreselijk.» Wilt u het nog ernstiger hebben: «ik vind het dramatisch», «ik vind het helemaal niks», noemt u maar op.

De heer Jansen (SP): Laten wij het even simpel houden. Je stelt een doel van 100 en je haalt 33. Een onderwijzeres wil bij wijze van spreken het liefst dat haar leerlingen een 10 halen en dan halen zij een 3,3.

Minister Van der Hoeven: Dat is toch vreselijk?

De heer Jansen (SP): Dat is niet best, nietwaar?

Minister Van der Hoeven: Inderdaad.

De heer Jansen (SP): Daar zijn wij het dan over eens. Vorig jaar heb ik gezegd dat er voorspeld werd dat u de doelstellingen in de verste verte niet ging halen. Overigens was ik niet de enige; anderen hebben daar ook voor gewaarschuwd. Toen heb ik gevraagd: welke politieke conclusie verbindt u eraan als u die niet haalt? U hebt nu gezegd: ik vind dat niet leuk. Daar hebben wij kennis van genomen. U hebt een aantal verbeteringen aangekondigd. Dat is ook mooi. Hoe hoog legt u echter de lat voor 2009?

Minister Van der Hoeven: Dat heb ik aangegeven.

De heer Jansen (SP): 100%?

Minister Van der Hoeven: Ik heb aangegeven wat wij gaan realiseren; wij mikken op die 1000 megawatt. Wat wilt u dan van mij?

De heer Jansen (SP): Ik wil onderhand weten wat wij kunnen verwachten voor komend jaar. Is het dan wederom «niet leuk» of hebben wij dan echt een probleem?

Minister Van der Hoeven: Laten wij het simpel stellen. Wij hebben doelstellingen met elkaar afgesproken. Daar is budget voor en daar worden regelingen voor gemaakt. Dan blijkt dat bepaalde dingen in de regeling niet goed zijn. Die regeling is, wat dat betreft, verbeterd. Als er in de loop van het jaar nog meer verbeteringen mogelijk blijken te zijn, gaan wij die uiteraard aanbrengen, want wij willen die resultaten halen. Tegelijkertijd liggen een aantal oorzaken buiten de regeling. Die hebben te maken met de vergunningsproblematiek. Die gaan wij aanpakken. U vraagt mij: welke politieke consequentie trekt u daaruit? Ik verbeter de regeling en ik zorg dat ik mijn doelstellingen haal. Als u dat niet genoeg vindt, dan moet u iets anders van mij vragen.

De heer Jansen (SP): Als u het komend jaar die 1000 megawatt realiseert, dan krijgt u mijn complimenten. Zo zijn wij dan ook wel weer. Als u volgend jaar weer met een 4 op het rapport thuiskomt, dan zult u moeten toegeven dat u «blijft zitten». Dit gaat namelijk de verkeerde kant op.

Minister Van der Hoeven: Ik was wel van plan te blijven zitten.

De heer Jansen (SP): Dat mag je in het onderwijs maar één jaar doen. Daarna ga je van school af.

Minister Van der Hoeven: Als iets niet klopt of niet uitpakt zoals je het wilt hebben, dan moet je het veranderen. Die eerlijkheid betracht ik en ik verander dat ook. Ik wil dat de marktpartijen de verbeteringen oppakken. Daarvoor zal ik deze natuurlijk achter de vodden zitten. Als blijkt dat er op bepaalde punten nog meer verbeteringen mogelijk zijn of als er nieuwe dingen naar boven komen, in dit geval bijvoorbeeld waterkracht of getijdenenergie, dan moet je die uitvoeren. Het gaat namelijk niet om de vraag welke middelen je inzet. Het gaat erom dat je je doelstellingen haalt. Die middelen moeten aan een aantal criteria van duurzaamheid voldoen. Dat is waar. Je moet echter nooit je ogen dichtdoen voor nieuwe mogelijkheden. Daarom moet je op een gegeven ogenblik ook je eigen ongelijk kunnen erkennen en de bakens verzetten, zodat je ze wel kunt halen. Zo simpel is dat. Hoewel, zo simpel is het natuurlijk niet, maar dat is wel mijn doelstelling.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Vendrik wil interrumperen. Ik laat interrupties toe, maar dat heeft altijd consequenties voor de spreektijd in tweede termijn.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dank u voorzitter.

Dit gaat mij allemaal net iets te gemakkelijk. Het kabinet draagt duurzame energie een warm hart toe. In het eerste jaar dat de minister de volle politieke verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van het beleid gaat het voor driekwart fout wat de belangrijkste regeling op dat terrein betreft. Dat vereist nadere uitleg over de vraag wat er in 2008 is gebeurd. Dat is echt iets anders dan een briefje van nauwelijks een kantje. Dat vereist meer uitleg in dit debat over de vraag wat precies wordt veranderd. Het gaat om een uitleg waaraan de Kamer de zekerheid kan ontlenen dat het jaar 2009 geen herhaling wordt van het jaar 2008.

Minister Van der Hoeven: Ik wil niet vervelend doen. Als u er behoefte aan hebt dat ik alles ga oplepelen wat ik in de brief heb geschreven, dan wil ik dat graag doen. Ik heb echter aangegeven wat ik ga veranderen en waarom. Ik heb aangegeven dat op deze manier de langetermijndoelstellingen, zoals ik die zie, met de SDE zonder meer zijn te realiseren. Ik heb gewezen op de tabel met de realiseerbare vermogens. Dat zijn nog altijd de vermogens die het kabinet vorig jaar aan de Kamer heeft gemeld. Voor de doelstellingen op de langere termijn zullen ook volgende kabinetten inspanningen moeten leveren. Zoals ik heb aangegeven, voer ik de motie-Samsom op dit moment uit. Op het resultaat van die uitvoering van die motie-Samsom kom ik terug. Dan gaat het over de budgetten die daar verder voor nodig zijn op de lange termijn. Wat wilt u nog meer van mij horen?

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat heb ik net aangegeven. Ik wil ook op mijn beurt niet vervelend doen, maar ik heb twee keer gezegd dat het hart van het duurzame-energiebeleid voor twee derde op de plank is blijven liggen in het eerste jaar dat u volle politieke verantwoordelijkheid draagt. Dan krijg ik een briefje van nauwelijks een kantje met tekst en uitleg over de vraag wat er in dat belangrijke jaar is gebeurd. Dat vind ik zwaar onvoldoende. Ik vraag meer duiding. Wat is er in 2008 fout gegaan? Die vraag komt niet uit het niets vallen. Die komt voort uit wat in 2008 is gerealiseerd, maar ook uit de talloze klachten van marktpartijen over de wijze waarop de uitvoering van het duurzame-energiebeleid in Nederland stokt, hapert, moeilijk op gang komt en niet vloeiend en gemakkelijk is, maar moeilijk, traag en bureaucratisch. Dit is het eerste jaar dat u verantwoordelijkheid draagt voor het beleid van de duurzame energie. Dat vraagt iets meer uitleg over wat er in dat jaar fout is gegaan, over de verbinding tussen die twee jaren en over de beleidsconclusies voor de komende jaren.

Minister Van der Hoeven: U mag rustig nog meer vragen; ik schrijf het nog eens een keertje op. Het gaat echter om de lessen die ik eruit heb getrokken en de verbeteringen die ik doorvoer. Dat heb ik u laten weten. Daar hebt u het niet over. Daar bent u niet in geïnteresseerd. Dat vind ik een beetje jammer, want ik zie die problemen ook. Natuurlijk heb ik de problemen met Wind op land, de co-vergisters en biogassen gezien. Daarom heb ik die verbeteringen in de nieuwe regeling doorgevoerd. Dat zijn de lessen die ik leer en blijf leren. Dan kunt u wel meer woorden gewijd willen hebben aan de vraag waarom het fout is – meer woorden eraan wijden kan zeker – maar dat zal niet leiden tot andere verbeteringen dan die ik op dit moment heb doorgevoerd. Ik heb immers mijn lessen eruit getrokken.

De heer Zijlstra (VVD): Ik hoef op zichzelf niet nog een uitgebreidere brief te krijgen en ik ben blij dat u verbeteringen aanbrengt, maar het beleid is wel redelijk verkeerd gegaan het afgelopen jaar. Ik wil voor de toekomst helder stellen dat het consequenties moet hebben voor het beleid als u stelt verbeteringen door te voeren. Als wij over een jaar moeten constateren dat ook die verbeteringen geen effect hebben, dan hebt u een probleem. Hoewel een woordvoerder van een van de coalitiepartijen een wanhopige poging deed om er toch nog een succesverhaal van te maken, gaf de ChristenUnie duidelijk aan dat er heel veel dingen niet goed zijn gegaan. Dat kan niet over een jaar nog een keer het verhaal zijn. Dat wil ik u meegeven, zeker omdat wij zomaar even 1,7 mld. extra gaan uitgeven – dat floept er zo tussendoor – terwijl het beleid niet van de grond komt. Dan is het te gemakkelijk als wij het nu zo afdoen. U mag voor de toekomst iets meer commitment tonen, in die zin dat volgend jaar wat u betreft geen vergelijkbare cijfers aan de orde kunnen zijn. Ik kan u alvast zeggen: als dat wel zo is, hebt u met ons een probleem.

Minister Van der Hoeven: Ik denk niet dat het een probleem is dat ik met u een probleem heb, maar als wij de doelstellingen niet halen, hebben wij samen een probleem. Dan moet je echter wel bekijken waarin de oorzaken liggen. Die heb ik geprobeerd op te sporen. Dat heb ik geformuleerd bij de verbeteringen. Ik ga er dus van uit dat de markt deze verbeteringen oppakt en daar zijn voordeel mee doet. Een van de noodzakelijke verbeteringen heeft te maken met procedures. Dat ben ik met u eens. Die heeft inderdaad te maken met de problemen met de zon-pv en de traagheid van afhandeling. Dat is waar, dat heb ik erkend en dat ga ik verbeteren. Nu kunt u twee dingen doen. Enerzijds kunt u zeggen: ik geloof u niet. Als dat zo is, dan hoor ik dat graag. Anderzijds kunt u zeggen: oké, wij gaan samen die kant uit en wij stralen uit naar de marktpartijen dat het wel de bedoeling is dat ze gebruikmaken van die regeling. Ik zal natuurlijk monitoren op welke manier dat gebruik loopt. Ik heb daar toch een even groot belang bij als u?

De heer Zijlstra (VVD): Er worden echter bepaalde keuzes gemaakt en u moet nog antwoorden op vragen over wkk. Die wacht ik nog even af.

Minister Van der Hoeven: Daar kom ik inderdaad nog op.

De heer Zijlstra (VVD): De keuze die u maakt, zoals die uit de stukken blijkt, kan een grote invloed hebben op doelstellingen in de toekomst.

Minister Van der Hoeven: Daar kom ik nog op.

De heer Zijlstra (VVD): Laat ik dus even afwachten wat u daarop zegt.

Minister Van der Hoeven: Dat lijkt mij handig.

De heer Zijlstra (VVD): Het gaat om keuzen die van invloed zijn op onze toekomstige politieke afwegingen.

Minister Van der Hoeven: Ik heb pas twee punten genoemd die aan de orde komen in de brief die ik de Kamer voor Pasen ga schrijven.

De heer Zijlstra (VVD): Er is ook heel veel misgegaan.

Minister Van der Hoeven: Zo kunnen wij wel verdergaan.

De heer Van der Vlies (SGP): De vergunningverlening is ook een knelpunt, zo hoor ik de minister telkenmale zeggen. Dat is terecht, want dat kom je natuurlijk in de praktijk van het leven tegen. Zij zegt: daar gaan wij achterheen.

Minister Van der Hoeven: Daar kom ik op terug.

De heer Van der Vlies (SGP): O, daar komt u op terug. Dan wachten wij dat af.

Minister Van der Hoeven: Dit was eigenlijk pas mijn tweede hoofdstukje. Ik heb er nog een heleboel.

De heer Jansen vroeg: is de financiering wel robuust genoeg? Bij het ontwerp van de SDE hebben wij bekeken wat men in het buitenland doet. Ik heb de Kamer vorig jaar een brief gestuurd over de verschillende stimuleringssystemen. Op de vraag of er voldoende geld beschikbaar is, kom ik terug bij de uitvoering van de motie-Samsom. Dat zal voor Pasen zijn. Ik behandel nog een aantal onderwerpen: biomassa, zon-pv, windenergie, AVI’s, wkk, EIA en het werkprogramma Warmte op stoom. Maar eerst kom ik op biomassa. Ik blijf bij mijn voornemen om voor alle biomassastromen een duurzaamheidscertificaat verplicht te stellen. De toepassing daarvan zou in 2010 geregeld moeten zijn. Dat betekent dat wij in 2009 die zaak afhandelen, zodat die kan worden meegenomen in 2010. Verder hebben wij vier biomassacategorieën voor elektriciteitsopwekking benoemd en twee voor gasopwekking. Die vier en die twee categorieën worden in twee budgetten ondergebracht: één voor elektriciteit uit biomassa en één voor gas uit biomassa. Daar zit een vermogensrange in. Dat is ook logisch, omdat de verschillende categorieën verschillende basisbedragen hebben. Als er veel wordt geïnvesteerd in categorieën met een hoog basisbedrag, dan is het budget eerder uitgeput en kan er minder megawatt worden gecommitteerd. Voor gasproductie op basis van biomassa hanteren wij, net als vorig jaar, basisbedragen die in termen van vermeden energie – zoals dat heet -gelijk zijn aan de basisbedragen voor elektriciteitsopwekking. Daardoor wijken de bedragen af van de bedragen die door het ECN zijn geadviseerd, net als vorig jaar.

Over co-vergisting heb ik het gehad. Daarover hoef ik verder niet meer te spreken. De heer Ten Hoopen vroeg: in hoeverre houdt het ECN rekening met de «financierbaarheid» van projecten? Men gaat uit van de verschillende categorieën normaal rendement op eigen en vreemd vermogen. Bij het rendement op vreemd vermogen gaat het om 6% of 5% indien de categorie in aanmerking komt voor een groenbeleggenregeling. Er is geen rekening gehouden met de recente berichten over de financieringsbereidheid van banken. Dat is iets anders. De SDE is ook niet het instrument om een gebrek aan financieringsbereidheid op te lossen. Aanstaande vrijdag spreek ik sowieso met banken over financieringsbereidheid en kredietbereidheid. Ik betrek dit punt daar expliciet bij.

De heer Ten Hoopen (CDA): Misschien kunt u ons achteraf over dat gesprek informeren, want dat is bepalend voor de vraag of die zaken daadwerkelijk van de grond komen. Verder krijg ik berichten binnen dat onduidelijkheid bestaat over het gegeven dat reststromen vanuit de agro-industrie eveneens vallen onder de categorie van de voedings- en genotsmiddelenindustrie en dus zonder mest kunnen worden vergist. Heb ik het op dit punt bij het rechte eind?

Minister Van der Hoeven: Dat zoek ik even na.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik stel het op prijs dat wij dat vandaag helder krijgen, want dat is wel van belang.

Minister Van der Hoeven: En anders wordt het helder gemaakt.

De heer Ten Hoopen (CDA): En anders wordt het helder gemaakt. Ik dank u.

De heer Vendrik (GroenLinks): Gaat de minister nog meer zeggen over het duurzaamheidscertificaat dat zij aan biomassa gaat verbinden?

Minister Van der Hoeven: Nee.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dan heb ik twee vragen. Wanneer komt het kabinet met een voorstel daartoe? Ik begrijp uit de toelichting van de minister dat daarbij criteria worden ontwikkeld die in 2010 aan de subsidiëring van biomassa worden toegevoegd. Zijn dit in principe dezelfde criteria als de criteria die bijvoorbeeld in Europa worden uitonderhandeld voor de toepassing van biomassa als bijmengverplichting voor het wegtransport?

Minister Van der Hoeven: Als je gaat spreken over duurzaamheidscertificaten, moet je in Europa niet een eigen koers gaan varen. Je weet echter niet hoe hard een en ander gaat lopen in Europa. Daar vindt immers ook overleg plaats met relevante partijen. U hebt mij gevraagd om dat ook in Nederland te regelen. Dat betekent dat het overleg met partijen in 2009 verdergaat. Ik houd uiteraard rekening met wat in Europa gebeurt.

De heer Vendrik (GroenLinks): Horen wij daarover voor de zomer van u?

Minister Van der Hoeven: Natuurlijk hoort u daarvan, maar ik weet niet of dat voor de zomer is. Als die certificaten in 2010 worden toegepast binnen de SDE-regeling, spreken wij er in ieder geval over aan het eind van dit jaar. Dan praten wij immers hierover, net zoals nu, maar dan gaat het over de regeling van 2010.

Er werd gevraagd of de SDE-regeling openstaat voor de grootschalige bij- en meestook. Daarbij ging het over de toezegging om in januari daarover zekerheid te krijgen. Ik heb afgelopen vrijdag een verslag gekregen van de gesprekken die met de energiebedrijven zijn gevoerd. Daarin is door een meerderheid van de energiebedrijven met een gas- of kolencentrale verzocht om de SDE daarvoor open te stellen en om meerjarige afspraken te maken over een groeipad en de beschikbaarheid van het budget. Dat is het derde punt dat ik betrek bij de brief die ik voor Pasen aan de Kamer doe toekomen, namelijk het aandeel grootschalige bij- en meestook van biomassa. Ook daar kom ik op terug.

Dan kom ik op het gevaar dat de grote bioprojecten het grootste deel van het geld binnenslepen en de vraag waarom er geen geoormerkt budget is voor de kleinere projecten. Grote projecten hebben vaak economische schaalvoordelen en zijn daardoor vaak iets goedkoper. Dat komt de effectiviteit van de SDE ten goede. Kleinere projecten zijn ook noodzakelijk. Je moet immers alle mogelijke biomassastromen gebruiken om de doelstellingen te halen. Het is wel zo dat wie het eerst komt, het eerst maalt. Er waren vorig jaar al veel plannen voor co-vergisters. Die zijn toen teruggetrokken. Ik denk dat die plannen op de plank liggen. Dus tegen wie het aangaat zeg ik: schiet een beetje op met indienen na 1 april.

Mevrouw Wiegman had het over de langetermijnvisie op gas. Je kunt met behulp van biomassa zowel elektriciteit als warmte en gas maken. Dat is allemaal belangrijk. Het aandeel voor het totale SDE-budget dat is gereserveerd voor de gasproductie, is in 2009 groter dan in 2008. Ik ben dan ook uitgegaan van de indicaties van de markt. Wij werken op dit moment aan een innovatieprogramma Nieuw gas. Samen met de Nederlandse Gasunie wordt gewerkt aan de certificering van biogas. Dit is duidelijk in ontwikkeling en ik ben ervan overtuigd dat het een groeimarkt is.

Of de SDE in 2009 of 2010 ook wordt opengesteld voor 100% mestvergisters, zo vroeg de heer Van der Vlies. Het antwoord is: ja. Dat gebeurt per 2009. Dat waren mijn opmerkingen over de biomassa.

Dat brengt mij op zonne-energie. Er is opnieuw budget beschikbaar voor kleinschalige zon-pv-systemen. Die scoren nog niet zo hoog op kosteneffectiviteit, maar wel op innovativiteit en toekomstperspectief. De aanvragen daarvoor kwamen vorig jaar echter enorm snel binnen. Dat geeft aan dat burgers de aankoop van een zon-pv-systeem belangrijk vinden om zelf iets aan duurzaamheid te kunnen doen. Ook dit jaar wordt voor 20 megawatt opengesteld. Het gaat om zo’n 10 000 systemen, afhankelijk van de grootte van de systemen. In de totale kabinetsperiode tot 2011 moet een realisatie van 93 megawatt mogelijk zijn. Er zijn verbeteringen aangebracht in de regeling. Die is sneller en eenvoudiger geworden vanwege het elektronisch aanvragen. Er zit inderdaad een probleem bij de netbeheerders. Wij zijn dan ook bezig met zowel de netbeheerders als de energiebedrijven om de procedures voor de bemetering en de aansluiting op de meterkast te stroomlijnen. De kosten om leidingen door te trekken naar de meterkast, bedragen ongeveer € 600. Die zitten nu ook in het subsidiebedrag. De kosten voor de groencertificaten, die € 30 per jaar bedragen, komen te vervallen. Vanwege dit alles, in combinatie met verbetering van de voorlichting over de aanvraagprocedures, kunnen wij 2009 wat zonne-energie betreft hoopvol tegemoet zien.

De heer Samsom vroeg als eerste expliciet om de netbeheerders erop aan te spreken om vooral de zon-pv-aansluitprocedures te vereenvoudigen. Hij heeft gelijk. Het overleg met de netbeheerders wordt opgestart, vooral over dit punt. Hij vroeg ook naar de aanvraagkosten voor de groencertificaten. Daar heb ik al antwoord op gegeven; dat is geregeld.

Mevrouw Wiegman vroeg: kan de uitvoering van de SDE voor zonne-energie in één hand worden gelegd? Dat is echt lastig, want er zijn te veel verschillende specialisten bij betrokken die elk hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de netbeheerders. De coördinatie en de uitvoering kunnen echter aanzienlijk worden verbeterd. Een aantal zaken heb ik al genoemd. Overigens kunnen de zonnepanelen voortaan ook op woonboten en schuurtjes worden geïnstalleerd. De afstemming van de activiteiten van SenterNovem, CertiQ en de netbeheerders wordt verbeterd. Wij gaan met de netbeheerders om de tafel zitten om daarover afspraken te maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben blij om te horen dat met de netbeheerders nadere afspraken worden gemaakt. Zijn er enige verwachtingen wat op dat gebied realistisch is? Kunnen wij daarvan al direct zeggen dat 2009 voor blijde verassingen gaat zorgen of gaat het om langdurige processen waarvan wij nog maar moeten zien waar wij volgend jaar staan? Welke resultaten kunnen wij verwachten?

Minister Van der Hoeven: Nee, dit geldt voor 2009, net zoals de woningcorporaties subsidie voor zonne-energie kunnen aanvragen. Dat kan op grond van het gewijzigde Besluit SDE, dat binnenkort in werking treedt. Nu kunnen de corporaties namens 250 individuele huurders of eigenaren in één aanvraag subsidie aanvragen. Ik denk dat wij op die manier de regeling een stuk stroomlijnen in vergelijking met het afgelopen jaar.

De heer Jansen (SP): Ik had ook twee vragen gesteld over zon-pv. Mijn eerste vraag ging over de suggestie van Holland Solar om de vergunningtermijn terug te brengen, zodat er sneller duidelijkheid is over de vraag of de vergunning wordt gebruikt. Het bedrijf constateert dat er maar een heel klein percentage wordt gebruikt. Mijn tweede vraag is eigenlijk meer een suggestie: hoe gaat u het percentage gebruikte vergunningen verhogen? Ik denk dat dit impliciet kan door de bureaucratie aan te pakken. Waar legt u de lat? Welk percentage gebruikte vergunningen wilt u volgend jaar zien? Is dat 50%, 85% of 90%? Wat hebt u in uw hoofd daarover?

Minister Van der Hoeven: Ik wil zeker bekijken of de tijd dat iemand een vergunning op de plank kan laten liggen, kan worden teruggebracht. Dat is in feite de achtergrond van uw vraag. Het kan immers niet zo zijn dat beschikkingen worden afgegeven voor iets wat niet wordt gerealiseerd. Je moet bekijken hoe je dat kunt verbeteren. Dat kan bijvoorbeeld door de termijn te verkorten. Enerzijds zullen mensen dat in veel gevallen niet leuk vinden, omdat zij dan sneller moeten handelen. Anderzijds kan iemand anders ermee worden geholpen als je sneller moet handelen en je handelt niet. Het is dus alleszins de moeite waard om te bekijken hoe wij dat gaan communiceren. Dat moet namelijk helder gebeuren, zodat mensen niet het idee hebben: wij hebben de vergunning nu en wij zien wel wanneer wij die gaan gebruiken. Dat is in feite wat u wilt.

De heer Samsom (PvdA): Ik ben al blij met de toezeggingen van de minister. Bij dezen vraag ik aan de heer Jansen om wel op te letten, want ik zie de hoeveelheid e-mails alweer binnenkomen van mensen die na een jaar besluiten om toch die investering te doen en dan ineens erachter komen dat de vergunning is verlopen. Dan is het een betere oplossing, die u ook daarbij kunt bekijken, om alleen subsidie toe te kennen bij getekende offertes. Hierbij vraagt een verkoper van een zonnepaneel aan een klant: u tekent deze offerte met als ontbindende voorwaarde dat u subsidie krijgt, maar als u die krijgt, bent u gebonden aan de koop. Dat is een interessant alternatief. Misschien zijn er nog combinaties mogelijk. Ik snap het probleem. De oplossing die nu is gekozen, is goed voor de handelaren, want zij hebben meer zekerheid en snel zekerheid over de vraag of zij verkopen. Je moet echter uitkijken dat je niet nog meer teleurstelling creëert.

Minister Van der Hoeven: Ik snap best dat u dat zegt. Dat is namelijk de keerzijde van de medaille. Laten wij dit punt maar opnemen in het rijtje van de punten die in de brief moeten worden uitgewerkt. Het zijn twee voorstellen die misschien combineerbaar zijn, maar ze moeten niet leiden tot teleurstellingen en dus tot lagere percentages, zo zeg ik tegen de heer Jansen. Dan doe ik mijzelf immers tekort.

De heer Jansen (SP): Ik heb percentages over 2008 gehoord van 20; slechts 20% van de vergunningen is echt gebruikt tot nu toe. Dat is dramatisch laag. Ik kan mij voorstellen dat u zegt: volgend jaar moet dat minstens 75% worden. Dan weten wij een beetje welke richting u met uw «anti-bureaucratiepakket» opgaat. Op dat punt wil ik duidelijkheid hebben. Hoe hoog legt u de lat?

Minister Van der Hoeven: In de eerste plaats kan ik die 20% niet bevestigen. Ik weet niet of het gaat om 20%. Dat zal ik bekijken. In de tweede plaats kan het hebben van een vergunning en het niet gebruiken ervan ook andere redenen hebben. Dat kunnen redenen zijn waarom mensen zeggen: wij willen dat op dit moment nog niet doen. De heer Samsom zei het daarnet ook: zorg ervoor dat je niet nieuwe teleurstellingen inboekt. Natuurlijk heb ik het liefst dat die vergunningen zo snel mogelijk worden benut en dat die panelen zo snel mogelijk worden gekocht en aangelegd. Als je mensen echter de ruimte laat om daarvoor de tijd te nemen, dan moet je dat zo laten. Anders moet je iets aan die tijd doen. Daar heb ik een antwoord op gegeven. In combinatie met de opmerking van de heer Samsom, kom ik daarop terug, waarbij ik bekijk of je op die manier aan een hoger realisatiepercentage per jaar komt. Dat is namelijk wat wij allen willen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb begin dit jaar begrepen van de minister van VROM dat zij ook met een regeling komt voor zon-pv. Hoe verhoudt zich dat tot het plan voor zon-pv in SDE 2009?

Minister Van der Hoeven: Ik ben overvraagd.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dan gaan wij het aan de minister van VROM vragen.

Minister Van der Hoeven: Doet u dat maar. Ik weet het namelijk echt niet. Ik zou dat overigens raar vinden, want wij hebben de SDE-regeling, inclusief zaken rond zon-pv, in het leven geroepen om duurzame energie te stimuleren. Daar ben ik ook nieuwsgierig naar.

Bij Wind op land zit je inderdaad met ruimtelijke inpassingsproblemen. Wij hebben problemen rondom de medeoverheden en de natuur- en milieuorganisaties. Wij hebben afspraken gemaakt en convenanten gesloten. Sinds 1 maart hebben wij de rijkscoördinatieregeling tot onze beschikking. Ik ben het eens met de opmerking van de heer Vendrik. Hij had het over «windteams» of iets dergelijks. Je moet een soort teams hebben die zich op het gebied van de bestuurlijke coördinatie in een vroeg stadium bezighouden met voorlichting en communicatie om ervoor te zorgen dat iedereen weet wat er komt en dat je op het juiste moment kunt ingrijpen, mocht er iets stokken. Ik zal dat oppakken; ik vind dat een goede suggestie.

De heer Ten Hoopen vroeg of de nog hogere doelstelling van Wind op land gehaald gaat worden. Wij hebben potentieelschattingen laten maken voor de verschillende duurzame-energieopties, waaronder Wind op land. Die zijn gemaakt met behulp van de projectenmonitor van SenterNovem. Daarmee wordt eigenlijk systematisch detailinformatie verzameld over concrete, potentiële duurzame-energieprojecten in Nederland. Dat gebeurt door het bundelen en structureren van bestaande informatiestromen. Dan gaat het om de vergunningenmonitor, de rapportage Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW-rapportage), de «EIA-thermometer», enzovoort. Dat getal van 830 megawatt aan nieuwe SDE-beschikkingen is echt de maximale som van de vermogens van de in 2009 verwachte projecten van uiteenlopende grootte. Van belang voor de schatting is de aanname dat twee echt grote projecten in 2009 vergunningen krijgen. Dan heb ik het over de Noordoostpolder en het Zuidlobproject in Flevoland. Dat is echter niet zeker. Dat weet de Kamer net zo goed als ik. Opgeteld vertegenwoordigen die twee projecten een vermogen van 580 megawatt. Als deze projecten in 2009 geen vergunning krijgen, dan valt het verwachte maximale vermogen terug naar circa 250 megawatt. Ik noem dat om aan te geven dat de problematiek behoorlijk groot is. Ik vind dat wij die projecten samen moeten realiseren. Ik weet dat Flevoland daar ook zo over denkt. Ik hoop ook dat er support vanuit de Kamer is om ervoor te zorgen dat die gerealiseerd worden.

De heer Samsom (PvdA): Ik ben blij dat u ze noemt, want ik wist niet of dat kon, maar het gaat dus om die twee projecten. Bij dezen is het «windteam» samengesteld: mevrouw Van der Hoeven en mevrouw Cramer. Dat is het windteam voor deze twee projecten. Het is de «make or break» voor het halen van de doelstellingen. U kunt met de heer Vendrik allerlei ander klein grut langsgaan – dat is ook nuttig en moeten wij zeker niet nalaten – maar het gaat om deze twee projecten: de Noordoostpolderdijk en het Flevolandproject. Ik kijk hierbij ook naar mijn linkerburen, onder wie de heren Van der Vlies en Zijlstra. Zij zijn heel belangrijk om de Noordoostpolderdijk te kunnen realiseren. De steun van de Kamer in volle omvang is belangrijk. Ik wil op dat punt echt uw commitment, waarbij u niet iemand anders vraagt om dat voor u te regelen, zoals een goedwillende, hardwerkende ambtenaar. U moet gewoon zelf zeggen: ik maak mij verantwoordelijk voor het realiseren van die vergunningen voor de Noordoostpolderdijk en Flevoland in 2009.

Minister Van der Hoeven: Mevrouw Cramer en ik hebben daar nog niet zo lang geleden over gesproken. Dit zijn de twee projecten die wij graag verwezenlijkt zien. Los daarvan is de suggestie van de heer Vendrik zeer waardevol voor allerlei kleinere projecten. Dan kun je er immers in een vroeg stadium voor zorgen dat de zaak niet bestuurlijk vastloopt.

De heer Van der Vlies (SGP): De heer Samsom knikte even heel vriendelijk naar zijn linkerburen. Ik begrijp dat heel goed. Ik ben nog in afwachting van antwoorden op schriftelijke vragen die ik heb gesteld. Die gingen juist over dat bestuurlijke punt of probleem dat in de Noordoostpolder iets wordt beoogd waarbij niet alle bestuurlijke eenheden – laat ik het zo maar samenvatten – van meet af aan betrokken geraken. Dan krijg je verzetshoudingen in de zin van: wat gebeurt hier, hoe gaat het met mijn contour en hoe zit het met de belangen van mijn burgers? Daarom denk ik dat de suggestie van die hulpteams van collega Vendrik, die wordt overgenomen door de minister, zou kunnen helpen. Dan is dat misschien wel een van de eerste missies.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat lijkt mij ook een goede zaak. Wanneer verwacht de minister dat de vergunning voor deze twee grote projecten er kan komen? Is dat voor of na de zomer? Daarmee kom ik terug op mijn eerste suggestie. Het kan immers goed zijn dat wij direct na de zomer een onderbouwde inschatting maken of het nog wel zinnig is om deze gelden te blijven reserveren voor Wind op zee.

De heer Jansen (SP): Ook ik wil meer zekerheid over de vraag hoe de tijdschaal bij de rijksprojectenprocedure eruit ziet. Bij mijn weten is het enige verschil dat je tegenstribbelende gemeenten omzeilt. Er is echter nog steeds een beroepsgang mogelijk. Wat is daarbij de normale beroepsgang? Dat er verzet tegen zal worden aangetekend, staat voor mij namelijk vast. Wat is het moment waarop een onherroepelijke vergunning verleend kan zijn?

Minister Van der Hoeven: Ik moet nog antwoorden geven op de schriftelijke vragen van de heer Van der Vlies. Het is misschien niet onverstandig als ik uw vraag ook schriftelijk beantwoord samen met die van de heer Van der Vlies. Het heeft immers een relatie met elkaar. Dan hebben wij die meteen goed in één stuk staan.

De heer Ten Hoopen zei dat de vergunning voor 1 augustus moet zijn verleend en dat dan het budget maar weg moet zijn. Dat vind ik echt geen goed idee. Dat gaat zo niet. Ik verleen die vergunning namelijk niet. Die wordt door anderen verleend. De heer Jansen maakt niet voor niets de opmerking over mogelijke beroepsgang en dat soort zaken.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat hoort u mij niet zeggen. Ik heb gezegd: laat ons eens bekijken hoe wij er na de zomer voor staan. Dan kunnen wij een onderbouwde inschatting maken en heb je een nieuw wegingsmoment. Ik ben nog niet toe aan «wat», maar ik heb er alleen een suggestie voor gedaan. Ik kan mij voorstellen dat u op dat moment bekijkt hoe wij samen de doelstellingen kunnen bereiken.

Minister Van der Hoeven: Het is het een of het ander. Of wij laten de regeling zolang mogelijk open, zoals u het wilt. Daar ben ik u in tegemoetgekomen. Of wij sluiten de regeling eerder en gaan dan het budget herverdelen. Je kunt echter niet het een en het ander doen. Dan ga je tijdens het spel de spelregels veranderen. Dat was ik niet van plan. Dus als ik uw voorstel volg, dan sluit ik de regeling per 1 augustus. Ik meen niet dat dit de bedoeling is van de Kamer.

De heer Ten Hoopen (CDA): Maar dan zijn de feiten veranderd. Als de feiten veranderen, is het de vraag of je de doelstellingen haalt.

Minister Van der Hoeven: U weet niet of de feiten dan zijn veranderd. Het gaat om iets anders, namelijk: of je stelt de regeling langer open en dan moet je daar nu helderheid over geven – je stelt haar tot die en die datum open – of je doet dat niet. Ik heb voorgesteld om een langere openstellingsdatum te hanteren. Als u dat niet wilt, moet u mij dat zeggen. Ik heb echter de indruk gekregen dat de Kamer de langere openstellingsdatum wel wil. Dan kan ik u dus echt niet tegemoetkomen op dit punt.

Dan kom ik op de vraag van de heer Jansen om bewoners te beschermen tegen milieu-effecten van windenergie op land, waardoor het tempo wordt gestimuleerd. Mijn antwoord is: ik dacht het niet. Ik denk dat bewoners heel goed weten welke rechten zij hebben en welke waarborgen er zijn. Die waarborgen zijn prima. Die hoeven echt niet verder te worden uitgebreid. Hoe je het ook wendt of keert; er zijn altijd mensen en partijen die vanuit een lokaal of persoonlijk belang tegen windmolens blijven. Dat los je echt niet op met een betere bescherming. De communicatie, voorlichting en de inzet van de rijkscoördinatieregeling kunnen wel beter. Daar heb ik het al over gehad. Daar zie ik wel wat in, maar ik zie niets in het nog verder aanscherpen van de bescherming.

De heer Jansen (SP): U zegt: nog verder aanscherpen. De minister van VROM heeft vorig jaar toegegeven dat zij al zes jaar talmt met het aanpassen van de regels voor de geluidsnormen voor grote windmolens. Zes jaar wordt niet voldaan aan de eisen die zouden moeten worden gesteld. Dat lijkt mij een elementaire kwestie. Verder heeft Nederland, in tegenstelling tot Duitsland en Frankrijk, geen goede regels voor vrijwaringszones rond de bebouwde kom. Als u op die twee punten de mensen meer zekerheid biedt, dan ontstaat maatschappelijk draagvlak, waar het uiteindelijk om draait, en moet men niet te hard gaan zeuren in de gebieden waar die windmolens wel mogen staan. Ik voorspel dat u niet door dat verzet heen komt, ook niet met de rijksprojectenprocedure. Als er massaal verzet is, loopt u tegen de muur. Dan kunnen wij met z’n allen zeggen: er moeten windmolens komen, maar die komen er dan echt niet.

De heer Vendrik (GroenLinks): Het is prettig om te horen dat de minister positief reageert op het door mij bepleite «rapid reaction force»-team, dat wordt uitgerust met militaire tenues, geweren, enzovoorts. Het is daarbij van belang dat de minister bij de rijkscoördinatieregeling ook een aantal plannetjes-B heeft voor locaties die mogelijk gevoelig gaan liggen, zodat die doelstelling overeind blijft. Verder is de kwestie van de radar een «oud-zeerpunt» bij Wind op land. Wanneer is dat opgelost? Het zeurt maar door, zo hoor ik uit verschillende regio’s. Volgens mij is daar een collega van de minister bij betrokken.

Minister Van der Hoeven: Twee collega’s.

De heer Vendrik (GroenLinks): Twee collega’s dus. Ik meen in ieder geval één partijgenoot

Minister Van der Hoeven: Ook een partijgenoot.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat is dus heel dichtbij. Gaat dat lukken voor de zomer?

Minister Van der Hoeven: Ik geef u een dooddoener als antwoord: de onderhandelingen en de gesprekken lopen nog. Ik kan u daar op dit moment geen uitsluitsel over geven. Als ik dat zou kunnen, zou ik het graag doen, maar ik kan het niet. Het overleg loopt nog.

Dat brengt mij tot de afvalgerelateerde opties. Ik heb voor de afvalgerelateerde categorie de basisbedragen uit het ECN-advies overgenomen. De energieopwekking is bij deze opties niet de core business. De efficiënte installaties wordt de mogelijkheid geboden om een meerjarige beschikking aan te vragen. Die geeft iets meer zekerheid voor de toekomst. Ik hoop dat ook bij deze opties de energieproductie met een zo hoog mogelijk rendement kan worden gestimuleerd, want dat komt de productie van duurzame energie ten goede.

De heer Ten Hoopen vroeg naar concrete acties. De categorie RWZI, AWZI en stortgas is een interessante, omdat het een relatief rendabele optie is voor hernieuwbare energie. In 2008 zijn twee projecten gesubsidieerd. Beide projecten zijn gestart door dezelfde partij. Ik heb SenterNovem gevraagd om actiever op zoek te gaan naar initiatiefnemers die zoiets willen doen. Er is opnieuw budget vrijgemaakt voor deze categorie, zowel voor elektriciteitsopwekking als voor biogasproductie.

Over de wkk heb ik de Kamer vorige week een brief gezonden. Ik heb ook heel goed naar de Kamer geluisterd. Ik kan alleen een wijziging van beleid rechtvaardigen als er sprake is van een drastische verslechtering. Wij moeten immers geen geld weggooien. Ik heb ook goed naar de Kamer geluisterd. Ik weet dat zich vooral bij de categorie grote industriële wkk een aantal problemen dreigen voor te doen, vooral omdat daarbij de rentabiliteit zakt onder de 15%. Ik zie aan de bevestigende reacties van de woordvoerders dat het hierover gaat. Dat is het vijfde punt dat in de brief wordt opgenomen. Ik ben bereid om te bekijken of wij à la de AVI een soort vangnetregeling kunnen creëren die dan wel aan condities wordt gebonden. Wij gaan namelijk geen geld weggeven als het niet nodig is. Ook daar kom ik op terug. Overigens heb ik in 2007 niet voor niets een KEMA-review laten doen op de cijfers. Daar was ook de sector bij betrokken. Ik zuig deze zaken dus echt niet uit mijn duim.

Dat betekent dus wel dat ik het voorstel over de warmtekorting niet ga uitvoeren. De discussie over de warmtekorting richt zich op situaties waarin de wkk-exploitant een lager tarief wil aanbieden dan bij een normale ketel. Daar moeten wij niet voor betalen, want het geven van een warmtekorting is een zaak van de betreffende partijen zelf. Bij bestaande wkk is het voorstelbaarder om een warmtekorting toe te passen dan bij nieuwe wkk, omdat warmtekorting daarbij in de contracten zit. Ik heb dat laten bekijken. Op basis van de ECN-analyses blijf ik bij mijn eerdere standpunt over die warmtekorting. Op het vangnet kom ik terug in de brief die de Kamer voor april krijgt.

De heer Zijlstra (VVD): Het nut van zo’n vangnet hangt heel erg af van de vraag of je zo’n warmtekorting er bijvoorbeeld inbrengt. Dat heeft immers een groot effect op de rentabiliteit.

Minister Van der Hoeven: Nee, nee.

De heer Zijlstra (VVD): Zo’n warmtekorting heeft wel degelijk invloed. Afhankelijk van de vraag of je een warmtekorting erin opneemt of niet heeft het vangnet een heel andere functie. Wij zullen gaarne een motie tekenen waarin wordt verzocht om een vergelijking door de Algemene Rekenkamer. Wij komen dus nooit een slag verder. Als de wkk dan aan het eind van de rit het kind van de rekening is, dan zijn waarschijnlijk ook uw doelstellingen het kind van de rekening. Dat geef ik u dan weer mee.

Minister Van der Hoeven: Als u wilt regelen dat de Algemene Rekenkamer daar een vergelijking van maakt, moet u dat zelf doen. Ik zal dat niet doen, want ik heb daartoe geen reden. Ik twijfel niet aan de cijfers en aan de second opinion die ik van KEMA heb gekregen. Nogmaals: als een wkk-exploitant een lager tarief wil aanbieden, dan moeten wij, u en ik, daar niet voor betalen. Dat is wat u voorstelt. Dat bij de bestaande wkk een warmtekorting in de contracten zit, kan wel zo zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat dit moet worden betaald uit subsidiegeld. Dat is mijn bezwaar. Zo’n vangnet zal ik echter zeker bekijken. Je geeft geen goed prijssignaal af als je rekent met een warmtekorting. Dat wordt ook door het ECN gesteld. Die kortingen geven een verkeerd prijssignaal af. Dat betekent namelijk dat de overheid bereid is om de korting te betalen die door de exploitant wordt gegeven. Dat moet u toch niet willen? Er is vaak helemaal geen sprake van een warmteafnemer waaraan een warmtekorting kan worden gegeven. De wkk-exploitant maakt de warmte voor zichzelf. Dus dat kun je toch niet maken?

De voorzitter: Ik zie dat u wilt interrumperen, mijnheer Zijlstra, maar ik wijs u erop dat een interruptie meestal eindigt met een vraag. Ik betrap u erop dat u meestal iets constateert, de minister waarschuwt en dan overgaat tot de orde van de dag. Ik wil u verzoeken een vraag te stellen en anders uw interruptie te bewaren voor uw tweede termijn.

De heer Zijlstra (VVD): Minister, mijn vraag aan u is de volgende. Ik deel uw mening dat je niet onnodig subsidie moet verstrekken. Dat zal van de VVD niet anders worden verwacht. Vindt u echter niet dat er een prijsvoordeel moet zijn als afnemers van warmte in de praktijk – bedrijfsmatig terecht– zeggen dat zij een extra risico nemen door warmte extern te betrekken? Vindt u niet dat dit een reële marktconditie is bij de hele warmtesituatie en dat je de hele warmteopzet buiten de deur zet als je die reële marktconditie negeert, wat u feitelijk doet? U kunt toch niet menen dat dit de uitkomst moet zijn? Het verzoek van de VVD aan u is: kunt u niet eens goed bekijken of dat soort verdringingseffecten niet optreedt als u de breed door de Kamer gevraagde warmtekorting niet opneemt? Overigens zullen wij dat ook via de Algemene Rekenkamer vragen. De VVD is er namelijk bang voor dat dit wel eens kan gebeuren. Dan ziet u de wkk-capaciteit niet toenemen, maar afnemen. Dan moet u nog veel meer windmolens op zee gaan bouwen en dat kost een hoop meer.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik snap de redenering van de minister over de warmtekorting wel. Dat is een korting die in de markt al dan niet tot stand komt. De vraag is wie daar precies voordeel van heeft. Ik snap dus de aarzeling. Wkk is geen duurzame energie; het is een optie in de transitie, die wel heel belangrijk is. Is het hierbij niet logischer om even een andere bril op te zetten door de CO2-reductiewinst te bekijken die kan worden geboekt met een verdere verdieping van de inzet van wkk in de energievoorziening in Nederland? Dan valt de vergelijking misschien anders uit. Wil de minister het ook op die manier bekijken?

Minister Van der Hoeven: Ik wil het op verschillende manieren bekijken. Dat heb ik in het verleden gedaan en zo ben ik tot mijn beoordeling gekomen. In de categorie grote industriële wkk doet zich een probleem voor. Daar zit een verslechtering in, die te maken heeft met de rentabiliteit. In zulke gevallen, dus als zich een probleem voordoet, wil ik de vangnetconstructie bekijken. Dan los je immers een probleem op, maar waarom moet de overheid een warmtekorting subsidiëren? Wat is daar de reden voor? Waarom moet je een subsidie geven op een prijsmechanisme dat tot stand komt op de markt? Dat is wat u eigenlijk stiekem aan mij vraagt. Ik vind dat wij dat niet moeten doen. Ik heb echt geen argumenten om dat wel te doen.

De heer Jansen (SP): Van de SP-fractie hoeft u dat ook niet te doen als u aangeeft wat de markt op eigen houtje gaat realiseren door de enorme, fantastische rendementen die het ECN voorspiegelt. Dan staat iedereen namelijk drie man dik in de rij om dit te gaan doen. Hoeveel honderden megawatts verwacht u volgend jaar in de sectoren klein, midden en groot op basis van deze rendementen? Zonder een cent subsidie is de totale milieuwinst hiervan minstens in dezelfde orde van grootte als de vele duizenden megawatt windenergie, die u gaat subsidiëren. Als dat niet wordt gehaald, wil ik u daarop kunnen afrekenen. Zo liggen de zaken namelijk wel; u kiest ervoor om geen subsidie te geven en geen vangnet te regelen, omdat u zegt: de markt kan het wel. Als het dan niet gebeurt, dan hebben wij echt een probleem, want dit gaat om een winst – dat zeggen anderen ook – in dezelfde orde van grootte als de winst door windenergie.

Minister Van der Hoeven: Ik ben het echt niet eens met de achterliggende vooronderstelling van waaruit de heer Jansen spreekt. Op dit moment is sprake van een toename van het aantal wkk’s in de glastuinbouw. Wij moeten ons niets laten wijsmaken, want dit aantal groeit nog steeds. Problemen moeten worden opgelost, maar je moet geen geld uitgeven aan punten waarbij geen problemen zijn. Ik zal in de toegezegde brief op een aantal punten van wkk nader ingaan, maar ik zal ook aangeven onder welke condities een vangnetconstructie mogelijk is. Daarvoor geldt immers: je moet niet iets gaan subsidiëren, wanneer dat niet nodig is. Dit veroorzaakt immers meteen een enorme precedentwerking naar allerlei andere opties toe, en dat moet je niet doen.

Ik kom te spreken over de EIA. SEO Economisch Onderzoek heeft onderzoek gedaan naar de EIA. Het bureau heeft geconstateerd dat de EIA een aanzienlijke bijdrage aan de doelstellingen voor energiebesparing en duurzame energie heeft geleverd in de periode 2001 tot 2005. Er is voor 4,5 mld. aan investeringen in energiebesparing en duurzame energieopwekking ondersteund. Het ging daarbij om zo’n 2300 warmtepompen, 28 mln. stuks energiezuinige verlichting, 6000 energieschermen in glastuinbouwkassen, en 1400 kleine wkk’s. Er is ook geconstateerd dat de EIA lage uitvoeringskosten en administratieve lasten kent. Dat is allemaal mooi.

Er is ruimte voor verbeteringen. Deze verbeteringen zijn voor een deel doorgevoerd, en wij nemen de overige aanbevelingen ook over. De monitoring van de marktontwikkeling van de bedrijfsmiddelen wordt verbeterd en gestandaardiseerd. Bij de volgende evaluatie kan de techniekontwikkeling als gevolg van de EIA beter in kaart worden gebracht. Tevens wordt de budgetsystematiek aangepast. Vanaf dit jaar wordt ook meerjarig naar de uitputting van de EIA gekeken, opdat onderuitputting in een later jaar ook gebruikt kan worden voor eventuele budgetoverschrijdingen in latere jaren. Wij willen vroegtijdige sluiting van de EIA voorkomen, omdat dit voor veel mensen eigenlijk heel irritant over komt. Op die manier proberen wij te zorgen voor meer zekerheid en stabiliteit met betrekking tot het investeringsklimaat voor ondernemers.

De heren Ten Hoopen, Zijlstra en Vendrik hebben gevraagd: hoe komt het dat er nu onvoldoende gegevens zijn? Ik heb in mijn brief geschreven dat een deel van de aanbevelingen uit de evaluatie is overgenomen en dat door SenterNovem en de Belastingdienst wordt gekeken naar de digitalisering van de aanvragen. Als dat is afgerond, kun je gemakkelijker gegevens eruit halen ten behoeve van de evaluatie.

De heer Jansen heeft gevraagd waarom er zo’n grote spreiding in gerealiseerde besparing van energie per euro budget was. Het is gewoon een breed generiek instrument. Dit kan dus heel breed worden toegepast. De energielijst die daarbij hoort, wordt jaarlijks vernieuwd. Er zijn verschillende categorieën. Bij een investering in energiebesparing in de gebouwde omgeving geldt een andere terugverdientijd dan bij een investering in de industrie. Per categorie is een onder- en bovengrens. Voor de gebouwde omgeving geldt een ondergrens van 0,2 Nm3 per geïnvesteerde euro. Voor de categorie industriële processen ligt deze grens hoger. Energiebesparing is in alle categorieën nodig. Je kunt dus niet zeggen dat die ondergrenzen zomaar met elkaar vergeleken moeten worden. Ik ben het wel met de heer Jansen eens dat de verschillen groot zijn. Ik hoop dat ik bij de volgende evaluatie een beter antwoord kan geven over de oorzaak daarvan.

De heer Vendrik (GroenLinks): Bij de uitvoering van de EIA neemt de minister de meeste aanbevelingen in het rapport over. In het rapport staan ook een paar pittige conclusies over de samenloop van verwante regelingen, zoals de Wet milieubeheer, het CO2-reductieplan, en de MEP, die tegenwoordig SDE heet. Waar landen die pittige conclusies bij het kabinet?

Minister Van der Hoeven: Een aantal van de aanbevelingen is door mij overgenomen. Die heb ik samen met de staatssecretaris De Jager doorgevoerd. De overige aanbevelingen neem ik over. Dit betekent dat op een aantal punten aanpassingen nodig zullen zijn.

De heer Samsom (PvdA): Ik heb een vraag die indirect over de EIA gaat, maar die eigenlijk bij wind op land hoort. Ik heb gevraagd om een verdere differentiatie in de subsidieverlening voor wind op land. Een van de mogelijkheden die ik daarbij aanbood, was een sterkere inzet van EIA voor windmolens op windarme locaties, of binnenlandlocaties, om het wat eufemistischer uit te drukken. Dit is een belangrijk punt bij de realisatie van de 830 MW, want dat zijn de overige parken buiten die andere twee.

Minister Van der Hoeven: Het probleem is dat de EIA een generiek instrument is. Het past niet binnen de doelstellingen van de EIA om correcties aan te brengen voor lokale componenten als windsterkte, heuvels of bomen. Die oplossingsrichting ligt daarom eigenlijk niet voor de hand. Ik ben wel bereid om het komend jaar met de sector te bekijken of het mogelijk is om met hetzelfde budget meer megawatt te realiseren. Je hebt het dan bijvoorbeeld over eventuele alternatieven om de differentiatie tussen windrijk en windarm op een andere manier aan te brengen dan met de huidige vollasturensystematiek. Dat is mogelijk met een nieuwe formule voor de berekening van de windsubsidies. Ik moet hier echter naar kijken, omdat het uitgangspunt natuurlijk blijft dat de SDE-regeling stabiel en kosteneffectief moet zijn.

De heer Samsom (PvdA): Dat vergt wel enig werk, maar er is vast al heel veel gedaan.

Minister Van der Hoeven: Dit heb ik inderdaad niet klaar voor Pasen.

De heer Samsom (PvdA): Ik wilde net vragen of u dit voor Pasen af kon hebben. Mijn veronderstelling is volgens mij juist. Als wij dat gaan doen, dan vereist dat een verandering van de AMvB zelf. Dat is een forse ingreep die veel tijd en bemoeienis van de Kamer vraagt. Dat is altijd leuk, maar ook bloedlink met mensen als Halbe Zijlstra in de commissie. Ik hoor hem al snuiven. U weet dat wij hier ernstig aan hechten. Als u april niet haalt, dan moet u proberen dat voor de zomer rond te krijgen. Bij de eventuele conclusie dat zo’n oplossing effectief, haalbaar en uitvoerbaar is, kunnen wij deze oplossing dan ook nog invoeren.

Minister Van der Hoeven: Ik zeg toe dat ik zal kijken wat ik voor april kan doen. Ik geef het aan als het niet lukt.

Voorzitter. Ik kom te spreken over het werkprogramma Warmte op stoom. Wat mij betreft is dit een eerste stap waarmee het warmtebeleid een bijdrage kan gaan leveren aan de verduurzaming. Als het uiteindelijk allemaal lukt – als bijvoorbeeld aardwarmte succesvol is – dan zijn in 2020 zo’n 100 projecten klaar. Een project staat bijvoorbeeld voor circa 3000 huizen. Bij de glastuinbouw is het potentieel van energie- en gasbesparing door aardwarmte zo’n 10% van het totaal. Dat is nogal wat. Vanuit de subsidieregeling Duurzame warmte gaan wij 55 000 zonneboilers plaatsen. Dat is ook een heleboel.

In deze kabinetsperiode wordt aan de verduurzaming van warmte plusminus 400 mln. aan publieke investeringen gedaan. Ik ga ervan uit dat dit ook leidt tot extra private investeringen, omdat warmtenetwerken moeten worden aangelegd, zonneboilers gekocht en nieuwe technologieën en producten ontwikkeld. Ik denk dat dit echt als een vliegwiel gaat werken. Hoe doe je dat? Het gaat over samenwerken, over marktcondities en inderdaad ook over het delen van kennis. Wij hebben veel samenwerking gezocht met stakeholders, want de warmte is eigenlijk ook een onderdeel van de sectorakkoorden met zowel bedrijven als andere overheden.

In de huidige sectorconvenanten zijn ook warmtemaatregelen opgenomen. Er zijn gewoon veel kansen. Het is nieuw. Het is eigenlijk jammer dat warmte lang buiten beeld is geweest bij de verduurzaming. Niet al het bestaande beleid helpt daarom mee aan de verduurzaming van warmte en koude. Wij werken ook aan aanpassing van beleid, zoals het gebruik van de ondergrond voor warmte-koudeopslag, de vergunningverlening voor aardwarmte, of het gebruik van de reststromen voor energieopwekking. Een aantal initiatieven is gestart en een aantal is in voorbereiding. Met dit programma maken wij een flinke start met het verduurzamen van het gebruik en de productie van warmte.

De heer Ten Hoopen heeft gevraagd hoe het zit met onze Warmtewet. Bij het daadwerkelijk in werking treden van de lagere regelgeving moet je denken aan een termijn van één jaar, want in het wetsvoorstel wordt voorzien in een stevige voorhangprocedure, in inspraak van belanghebbenden. Mijn streven is om de AMvB na de zomer aan de Kamer voor te leggen, nadat de Raad van State hiernaar heeft gekeken. Voordat de AMvB in het Staatsblad wordt gepubliceerd, moet alles nog verwerkt worden. Je bent dus al snel een jaar kwijt.

De heer Samsom heeft gevraagd naar de NMDA-tarieven. Ik heb al aangegeven hoeveel tijd er nodig is voor het werk dat nog moet gebeuren. Het duurt nog even. De Kamer is zelf betrokken bij de versnelling van het traject wanneer de AMvB bij haar ligt. Het is dan aan de Kamer om op een gegeven ogenblik met de voorhangprocedure om te gaan. Aan mij zal dat niet liggen. Die wet hebben wij aangenomen, dus wij moeten dit gewoon gaan doen.

De heer Samsom heeft verder gevraagd om een inspanningsverplichting voor zowel vergunninghouder als gemeente om de restwarmte te benutten. Wij hebben het dan over de Wet milieubeheer, en die valt onder de bevoegdheid van minister Cramer. Ik vind dit wel een logische vervolgstap op de onderzoeksplicht en de ambities die met de bedrijven, gemeenten en provincies zijn afgesproken in de verschillende convenanten. Ik zal dit met haar bespreken. In de Wet milieubeheer wordt het bevoegd gezag al de mogelijkheid gegeven om de vergunningvoorschriften te verbinden aan de emissie van warmte en restwarmte. Er wordt dus eigenlijk voorgeschreven dat het bevoegd gezag in de milieuvergunning aandacht moet geven aan de emissie van restwarmte en de wijze waarop die emissie kan en moet worden voorkomen. De vraag van de heer Samsom is een logisch vervolg op hetgeen ik heb aangegeven. Ik bespreek dat met mijn collega.

De warmtescans die wij gaan doen, zijn behulpzaam voor bedrijven, namelijk bij de mogelijkheden voor benutting van hun restwarmte en de warmtekaarten. Dat is handig voor de provincies en de gemeenten, omdat dan zichtbaar wordt waar interessante locaties zijn.

De heer Samsom wenste ook nog dat een aansluitverplichting in de BAEI wordt opgenomen voor bedrijven die zich in een warmteleveringsgebied bevinden. Twee zaken spelen hierbij een rol. In de gemeentelijke bouwverordening is het nu al mogelijk om eisen te stellen in het kader van de aansluiting op een warmtenet. Het betreft ook bouwwerken; het zijn dus ook bedrijfspanden. De bouwregelgeving gaat over de energie voor ruimteverwarming en warm tapwater, maar niet over de energie voor de bedrijfsprocessen. Daar heb je de Wet milieubeheer voor nodig, en daar heb ik zojuist een aantal opmerkingen over gemaakt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik dank de minister voor de toezeggingen op dit terrein. Tegelijkertijd laat de minister zien dat het best ingewikkeld is vanwege de rol van de Wet milieubeheer en de sectorconvenanten. Wij hebben het zojuist over windteams gehad. Is het een idee om op het gebied van warmte met een soort warmteteams te gaan werken in de overleggen met het IPO en de VNG? Daarmee is in een keer vanuit VROM en EZ duidelijk wat de mogelijkheden zijn, waarop moet worden ingezet, juist om dit soort processen verder te stimuleren en daar vaart in te maken.

Minister Van der Hoeven: Ik moet in elk geval een aantal zaken met mijn collega bespreken. Het is verstandig dat wij dan ook bekijken op welke manier wij de communicatie en de voorlichting hierover een extra impuls kunnen geven.

Voorzitter. De heer Jansen heeft gevraagd waarom het lozen van restwarmte door kolen- of kerncentrales niet wordt verboden. Een aantal bedrijven kan de restwarmte niet zinvol benutten, omdat de temperatuur te laag is, de afstand te groot is of de levering niet op het juiste moment is. Hierbij is maatwerk benodigd, want een generieke maatregel raakt veel bedrijven die niets met hun warmte kunnen. De door ons gekozen aanpak helpt in elk geval bedrijven om die restwarmte juist wel nuttig te gebruiken. Daarbij is in de Warmtewet een mogelijkheid opgenomen tot een verbod van of een heffing op het lozen van restwarmte. Wij volgen met de aanpak van de warmtekaart en de pilotprojecten die aansluiten op de convenanten met de industrie, een vrijwillige aanpak. Als dat niet werkt, dan hebben wij nog altijd het artikel in de Warmtewet achter de hand. Het is te vroeg om nu al met verplichtende maatregelen te komen.

De heer Jansen (SP): Accepteert de minister dat bijvoorbeeld de nieuwe kolencentrale van RWE of die van EON ongeveer 700 MW van het elektrisch vermogen van 1000 MW thermisch gaan lozen op de Noordzee of de Waddenzee? Dat gaat namelijk gebeuren.

Minister Van der Hoeven: Nee. Dat hebt u mij niet horen zeggen. U hebt mij twee dingen horen zeggen. Bij pilotprojecten die aansluiten op de convenanten met de industrie maken wij afspraken over een vrijwillige aanpak. Lukt dat niet, dan hebben wij het artikel in de Warmtewet achter de hand. Natuurlijk wil ik graag dat die restwarmte wordt benut; dat is het uiteindelijke doel.

De heer Jansen (SP): Zeker. Dat is ons aller doel. Maar ik wil in dit geval concreet van de minister weten hoe hoog de lat komt te liggen voor de grootschalige elektriciteitscentrales aan de kust, omdat wij namelijk het alternatief wkk hebben. Wkk heeft een totaal energetisch rendement van pak ’m beet 80 à 85%, wat 25% hoger is dan de STEG-eenheden aan de kust. Dit is het alternatief! U kunt de grootschalige vormen van elektriciteitsopwekking verbieden als niets met de restwarmte wordt gedaan.

Minister Van der Hoeven: Deze discussie heb ik vaker met de heer Jansen gevoerd. Hij wil gewoon een wettelijke verplichting hebben dat bedrijven iets met de restwarmte moeten doen. Per bedrijf verschilt de situatie, en wij zijn op dit moment bezig om met pilotprojecten die aansluiten op de convenanten met de industrie, tot afspraken te komen. Als dat niet lukt, dan hebben wij het artikel in de Warmtewet achter de hand. Concreter kan ik er op dit moment niet over zijn.

Voorzitter. Mevrouw Wiegman heeft gevraagd of vanuit de bouwverordening extra voorwaarden kunnen worden meegenomen op het punt van aansluiting op een collectief warmte- of koudenet. Dat is mogelijk. Dat geldt met name voor nieuwbouw of bij ingrijpende herstructurering, maar de voorwaarde is wel dat een gebouw binnen een bepaalde afstand van een al bestaand warmtenet ligt. Een aantal gemeenten doet dit ook al.

Mevrouw Wiegman heeft verder een vraag gesteld in het kader van de warmtepomp en het capaciteitstarief. Ik heb sowieso over de problemen die er nog waren met betrekking tot het capaciteitstarief en de overgangsregeling, vandaag een consensus bereikt met mijn collega’s van Financiën. Daarover kan de Kamer deze week de brief tegemoet zien.

De heer Van der Vlies heeft gevraagd of de nieuwe Bems-normen de mooie ambities voor biowarmte niet eigenlijk helemaal onmogelijk maken. Ik ken de zorg van het bedrijfsleven over de haalbaarheid van de emissie-eisen. Deze zijn ook bij mijn collega bekend. Op dit moment wordt door mevrouw Cramer samen met ECN en SenterNovem onderzocht of die zorg terecht is en of de argumenten voor die zorg een wijziging van de emissie-eisen rechtvaardigen. Het stellen van scherpe eisen is natuurlijk wel nodig in verband met de EU-grenswaarden voor luchtkwaliteit, ons eigen derogatieverzoek en de Nederlandse taakstelling in het kader van de NEC-richtlijn. Wij kunnen niet het ene probleem oplossen en daarmee het andere creëren. Het gaat nu om het vinden van een balans tussen de klimaatdoelen en de doelen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Op dit moment is mijn collega daarmee bezig. Daarbij worden de vraagpunten van de heer Van der Vlies ook bij betrokken.

Ik kom te spreken over de garantieregeling voor restwarmteprojecten. Ik ben het met de heer Jansen eens dat wij moeten voorkomen dat warmte wordt verspild. Het is echt niet zo simpel als door hem wordt voorgesteld. Op dit moment is in de EIA al steun voor warmtenetten mogelijk. In de jaren 2007 en 2008 is er voor zo’n 100 mln. gemeld aan investeringen in warmteprojecten in brede zin. Wij hebben gezegd dat wij samen met betrokken partijen het beleid verder gaan ontwikkelen. De warmtenetten zijn immers bijna altijd een publiek-private samenwerking.

Er komt in elk geval een investeringsregeling in het kader van het Unieke Kansen Programma. Daar zit in totaal circa 40 mln. in, die te benutten is in 2009 en 2010. Er is opgemerkt dat er een aantal knelpunten is. Ik weet dat die er zijn, want ook een warmtenet heeft risico’s. Deze zijn echter wel te beïnvloeden door het consortium dat het net bouwt, en de risico’s horen ook bij het ondernemersrisico. Ik voel dus weinig voor een algemene garantieregeling, omdat deze alleen kan worden ingesteld als het een duidelijk afgebakend en niet verzekerbaar risico betreft. De groeifaciliteit of de grotere garantieregeling voor de kredieten, ter waarde van ongeveer 50 mln. per keer, staan uiteraard ook voor deze consortia open. Ik wil graag van de sector horen welke knelpunten zij niet zelf kunnen beïnvloeden, want daar gaat het om: niet beïnvloedbare knelpunten.

Garanties zijn niet gratis. Ik moet een budget achter de hand houden om de risico’s af te dekken. Dat moet ik doen voor de gehele looptijd, en ik kan daarom dat budget niet voor iets anders kan gebruiken. De garantieregeling voor kredieten die er zijn, kunnen uiteraard ook door deze projecten worden benut. Van de sector hoor ik graag waar de knelpunten liggen die zij niet kunnen beïnvloeden, die niet verzekerbaar zijn en die niet duidelijk afgebakend zijn.

Ik heb toegezegd dat ik in de brief die ik de Kamer voor Pasen stuur in ieder geval inga op de 1,7 mld. extra. Ik geef verder aan hoe ik de uitvoering van de motie-Samsom verder heb uitgewerkt. Voorts ga ik in op het aandeel grootschalige bij- en meestook, voornamelijk van biomassa, en op de vergunningstermijnen in het kader van zon-pv. Ook kom ik terug op het vangnet voor de wkk.

De voorzitter: U hebt ook nog een andere toezegging gedaan. De heer Samsom wilde iets voor april in het kader van windenergie, en dat was wel of niet mogelijk. U zult in uw brief aangeven wat u voor dan wel na 1 april kunt doen.

Minister Van der Hoeven: Dat klopt. Het ging met name over de tariefdifferentiatie.

Voorzitter. Ik zie dat ik een tweetal vragen nog niet heb beantwoord.

De heer Vendrik heeft de vraag gesteld of de subsidie voor zon-pv vanuit VROM wordt gegeven. Dit is niet het geval. Er wordt wel bekeken of binnen bestemmingsplannen belemmeringen zijn voor zon-pv. Die moeten worden verminderd. Dat kan heel goed samengaan met de SDE-regeling.

De heer Ten Hoopen heeft gevraagd of de reststromen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie ook onder de SDE vallen. Ja. Die kunnen namelijk ook zonder mest worden vergist, en dan zijn ze subsidiabel onder de SDE. Bij vergisting met mest is dat niet het geval.

Nadere gedachtewisseling

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Allereerst een mea culpa in de richting van de minister, omdat ik haar niet heb bedankt voor het overnemen van het idee van de SP om de vloeibare reststromen in de SDE op te nemen. Neemt zij eens een keer iets over, ben ik daar niet erkentelijk voor, maar nu ben ik dat alsnog.

Over twee zaken overweeg ik een motie in te dienen, maar ik hoop dat dit niet nodig is, omdat het best redelijke verzoeken zijn. In de brief van 20 februari wordt in een tabel aangegeven wat voor de SDE de verwachte realisaties zijn van de verschillende categorieën. Ik vind het logisch als de minister daarin nog drie doelstellingen opneemt: wkk-klein, -middel engroot. Daar komt geen subsidie aan te pas, hooguit eventueel dat vangnet in de toekomst. Wij weten dan in elk geval wat op dat punt de target is. Dat lijkt mij goed, omdat het om heel veel megawatt gaat. In deze tabel staan immers ook kleine aantallen megawatt.

Ik zou graag de toezegging krijgen dat de minister in de AMvB bij de Warmtewet, die rond de zomer komt, een stok achter de deur regelt met betrekking tot de lozing van restwarmte. Daarmee krijgen wij zekerheid over de wijze waarop de minister dat gaat invullen. Mij lijkt dat dit bij de AMvB moet zijn, maar ik weet niet of dat dit in de AMvB zelf hoeft te staan. Ik dacht van wel, maar de indieners weten dat beter. Het beleid op dat punt moet duidelijk worden.

Een vraag over de EIA is niet beantwoord. Ik heb gevraagd wat ik moet verstaan onder de uitzonderingsbepaling. De minister schrijft namelijk dat de regeling in de toekomst, met uitzondering van de situatie waarin omvangrijke overschrijding dreigt, niet meer gesloten zal worden. Wat moet ik daar precies bij denken?

De heer Ten Hoopen (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar uitgebreide antwoord en de verstrekte informatie. Ik heb nog wel twee punten.

In de eerste plaats zeg ik tegen de minister: nu doorpakken om de resultaten te behalen. De minister heeft over de netwerken gezegd dat de toekomst hoopvol is. Ik hoop dat hetzelfde geldt voor de grote windparken. Misschien is een misverstand in onze discussie ontstaan. Ik heb niet gezegd dat wij in het lopende jaar moeten ingrijpen in het proces. Ik heb alleen gezegd dat wij na de zomer eens moeten bekijken waar wij staan. Dan moet het toch mogelijk zijn om na een jaar gewoon te ontschotten. Het gaat er toch om, te kijken dat wij niet aan het proces van een jaar komen? Ik ga ervan uit dat hierbij sprake is van een misverstand.

In de tweede plaats heeft de minister een tijdpad aangegeven met betrekking tot de Warmtewet na de zomer. «Na de zomer» kan natuurlijk ook over vijf jaar zijn. Ik wil de minister uitnodigen of stimuleren om voor de zomer met de AMvB te komen, opdat wij er het tempo in houden en dat een en ander op korte termijn geregeld kan worden.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Zijlstra wil interrumperen, maar ik sta geen interrupties meer toe.

De heer Samsom (PvdA): Voorzitter. Om in de analogie van eerste termijn te blijven: wij zijn inmiddels 22 miljoen vaten olie verder. Dat is tweemaal het stadion De Kuip vol met olie in de afgelopen tweeënhalf uur.

Er is ook wel wat gebeurd, want zelden heb ik vijftien vragen in een eerste termijn gesteld die alle vijftien naar tevredenheid zijn beantwoord. Ik ben er bijna een beetje teleurgesteld over, want wat moet ik nu nog? Inmiddels heb ik al wel de eerste mails binnen van mensen die boos zijn, omdat zij nog wel de kosten van CertiQ moeten betalen, maar degenen die straks een zonnepaneel aanschaffen, niet. Ik zal de minister niet vragen, dat ook nog op te lossen. Ik zal de mails vriendelijk beantwoorden.

Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer Ten Hoopen. Het zijn weer een paar verloren maanden als wij pas na de zomer duidelijkheid krijgen over de NMDA-prijs waarmee investeerders kunnen gaan rekenen. Ik heb altijd begrepen dat – het wordt altijd wat aangedikt richting Kamerleden – voor een aantal investeerders sprake is van urgentie om te weten waar zij aan toe zijn. Ik hoop dat er nog iets mogelijk is tussen een «geslagen» AMvB en een daaraan voorafgaand proces waarin meer duidelijkheid ontstaat over wat per gigajoule warmte precies wordt gevraagd. Hoe sneller dat kan, hoe beter het is. Ik doe met de minister mee om Urk ervan te overtuigen dat de Noordoostpolder echt een heel goed windproject is dat er snel moet komen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Heel veel dank voor zo veel antwoorden en toezeggingen. Ik heb druk krullen gezet bij de beantwoorde vragen.

Het is goed dat de minister heel duidelijk de resultaten en de doelen voor ogen houdt. Ik denk en hoop dat daarmee het vertrouwen van de duurzame sector weer massaal wordt teruggewonnen en dat 2009 het jaar wordt van het bieden van zekerheden.

In het antwoord op de vraag in hoeverre een inspanningsverplichting op gebied van warmte kan plaatsvinden, heeft de minister gezegd dat zij zal kijken naar extra voorlichting op het gebied van warmte en naar de afstemming met VROM. Ik hoop dat die punten kunnen worden meegenomen in de brief die de Kamer voor Pasen krijgt.

Ik kom te spreken over de garantieregeling. De minister heeft een uitnodiging aan de sector gedaan: kom nog maar eens even bij mij langs om te vertellen wat nu precies die knelpunten zijn. Ik denk dat dit het belangrijkste is. In het kader van het level playing field gaat het mij om de vraag in hoeverre je voor de toekomst, juist met het oog op zekerheden, meer kunt gaan werken met warmte en ook financiële marktwaarden kunt meegeven. Dit geldt ook voor een bijdrage aan de CO2-emissiereductiedoelen. Op die manier moet het ook zichtbaarder worden en kan ook die langetermijnzekerheid worden gegeven.

De heer Zijlstra (VVD): Voorzitter. Een aantal van mijn vragen is niet beantwoord. Hoe zit het met het stoomnetwerk in industriegebied Oosterhorn in Noord-Groningen en de Waddenfondsbijdragen, en waarom gaat het ene departement er wel voor en het andere kennelijk niet? Hoe zit het met de invulling van de efficiencyverbetering van 30% voor industriële processen, want de industrie schijnt die niet zo graag te willen? Wil de minister energiebesparing als belangrijk element bij het vaststellen van de meetlat in het kader van warmte meenemen, en niet alleen focussen op CO2?

Er zijn veel antwoorden gegeven. Wij gingen van «Vendriks Angels» naar subsidie voor windarme locaties. Dan denk ik bij mijzelf: je gaat locaties die kennelijk niet zo geschikt zijn voor windmolens, subsidiëren. De minister ging hier redelijk in mee, maar zij was bij de warmtekorting opeens niet zo meegaand.

Het was heel jammer dat ik de heer Ten Hoopen zo-even niet mocht interrumperen. Ik ben namelijk heel benieuwd wat het CDA gaat doen met ons verzoek om de wkk-subsidiëring en de warmtekorting nog eens goed door te rekenen. Als blijkt dat de minister gelijk heeft, dan zullen wij ons hierover niet meer laten horen. Als blijkt dat de minister ongelijk heeft, dan nemen wij hierbij een enorm risico met het de hoeveelheid duurzame energie en de milieuwinst die wij kunnen boeken. De VVD wil dat risico niet nemen.

Tot slot. Ik vind het toch een beetje gek. Wij hebben in het afgelopen jaar twee derde van het geld niet uitgegeven. De minister beweert doodleuk dat wij de doelstellingen allemaal gaan halen. Tegelijkertijd moet ook nog even 1,7 mld. extra worden uitgegeven, want anders gaat het kennelijk niet lukken. Ik zie hier allerlei heel gekke dingen samenkomen, maar het een kan niet met het ander samengaan. Ik verwacht niet dat de minister hier nu wel een antwoord op gaat geven. Zij heeft dit de eerste keer keurig ontdoken, en zal dit zo meteen ook wel doen. Maar de VVD vindt het echt te bizar voor woorden dat dergelijke overschrijdingen en passant voorbijkomen. Wij verzoeken de minister of het kabinet eindelijk een keer voor wat meer cijfers en controleerbaarheid inzake de 2020-doelstellingen wil zorgen. Wij moeten iedere keer tot 2010 wachten, maar gezien deze overschrijding wil de VVD van het kabinet horen dat wij elk halfjaar een update krijgen van de voortgang en de financiële stand van zaken. Als in één jaar tijd sprake is van een uitloop van 1,7 mld., dan is de Betuweroute echt peanuts vergeleken met de 2020-doelstellingen!

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Mijn ongeduld is nog niet over, maar dat zal voorlopig ook nog wel even blijven als het gaat om de verduurzaming van onze energievoorziening. Het is fijn dat de minister het land een hand toesteekt bij wind op land.

Ik geef de minister in overweging dat het prettig zou zijn om met name bij gemeenten en provincies waarin mijn partijgenoten nogal eens tegen ingewikkelde bestuurlijke kwesties rondom wind op land aanlopen, misschien nog eens even uit te venten wat zij voor hen kan betekenen. Het gaat bepaald niet alleen om de vergunningen voor 2009, want die zijn binnen of niet binnen. Het gaat juist om de jaren daarna. Die investering begint nu, en daar zit het grote belang als wij echt wind op land succesvol willen uitrollen. Misschien kan de minister mijn partijgenoten en die van de heer Samsom in het land helpen. Dan gaan wij samen naar Urk. Alhoewel, de heer Samsom gaat naar Urk. Ik niet.

Het antwoord van de minister op de vraag over de garantieregeling voor duurzame-energieprojecten heb ik eigenlijk niet goed verstaan. Mag ik ervan uitgaan dat het kabinet bij het crisispakket, en niet later dan dat, specifiek antwoord geeft op de vraag die ik nu echt zes keer heb gesteld, ook aan de minister van Financiën? Het betreft de vraag of een specifieke garantieregeling een uitkomst is voor duurzame-energieprojecten in het bijzonder. Deze projecten hebben behoefte aan lang geld en aan een langetermijncommitment van banken om kapitaal in de betreffende projecten te steken, omdat deze projecten in bijzondere mate in problemen komen door de huidige kredietverlening. Deze garantiestelling mag dus niet samenvallen met een mkb- of borgstellingsregeling. Volgens mij is dit nodig. Het zou ook passen bij de algemene lijn die de minister zojuist heeft uitgesproken: zij doet wat nodig is om deze projecten overeind te houden.

De heer Jansen heeft gesproken over de kolencentrales. Waarom kunnen wij geen deal sluiten? Ik begrijp best dat de minister de verplichte benutting van restwarmte niet in een keer gaat regelen. Dan gaan wij even met haar mee. Het zou in dit land verboden moeten zijn dat je überhaupt nog een centrale op fossiele brandstoffen durft neer te zetten! Als het kabinet hier al de ruimte voor wil bieden – hoe kan dat in hemelsnaam – en misschien wel vier, vijf kolencentrales in Nederland wil neerzetten, dan gaat het toch minstens verplichten dat die restwarmte daar optimaal wordt benut? Zo zou je eigenlijk ook moeten verplichten dat zij de CO2 onmiddellijk onder de grond opslaan en dat zij daar zelf de kosten voor dragen. Is dat ook al te veel gevraagd voor deze minister? Dan begrijp ik niet meer waarom wij met verduurzaming bezig zijn.

Over de wkk zal ik een motie indienen. Volgens mij verdient wkk een net wat uitgebreidere behandeling dan in dit debat. Het is goed om een contra-expertise aan te vragen bij de Algemene Rekenkamer. Wij zullen dan het debat hervatten. Het zou een snel en kort onderzoek moeten zijn dat parallel loopt aan de brief van de minister, met de mogelijkheid van de garantieregeling. Daarmee opent zij zelf ook al een belangrijke deur. Als wkk in de problemen komt, dan is er toch nog wat ruimte. Op weg naar een echt duurzame energievoorziening hebben wij de energiebesparing uit hoofde van wkk gewoon keihard nodig. Dat mag niet ter discussie komen te staan.

De meer moderne vorm van getijdenenergie is niet goed geregeld, want daarvoor zijn de subsidiebedragen te laag. Op dat punt overweeg ik echt een motie in te dienen. Het gaat niet om gloeiend veel geld, maar wel om innovatie. De hele sector staat er klaar voor. Laten wij dat nou mogelijk maken.

De voorzitter: Ik maak nog een opmerking tegen de heer Vendrik. Hij zegt een motie in voorbereiding te hebben over wkk. Die motie wordt in een VAO ingediend. Ik wijs hem er echter op dat een verzoek tot een onderzoek van de Rekenkamer, een second opinion of hoe je het ook wilt formuleren, thuishoort bij de commissie. De Kamer bereidt dan zo’n verzoek aan de Rekenkamer voor. Het is dus niet zinvol om de motie te richten aan het kabinet. In eerste termijn heeft de minister hier heel zinnige dingen over gezegd. Wil de heer Vendrik daar rekening mee houden, want dan kan hij dat desnoods in de procedurevergadering van aanstaande dinsdag inbrengen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Als oud-lid van de commissie voor de Rijksuitgaven ken ik de procedure. De motie is dan ook niet aan de minister gericht. Zij gaat er niet over en hoeft er ook geen oordeel over uit te spreken. De motie is uiteraard gericht aan alle belangrijke collega’s en aan u, voorzitter.

De heer Samsom (PvdA): GroenLinks overweegt nu een motie waarmee wordt ingegrepen op de tekst van de regeling. Ik wil dit VAO deze week hebben, en deze week stemmen over de moties, want deze regeling moet in het belang van duurzame energie op 1 april van kracht worden, hoe zij er ook uit gaat zien, met of zonder getijdenenergie. Op 1 april moeten wij weer beginnen. Als de heer Vendrik wil voorkomen dat dit langer duurt, dan gaan wij deze week dit VAO houden en ook deze week stemmen. Anders wordt het te laat.

De heer Vendrik (GroenLinks): Bij duurzame energie kan het mij niet snel genoeg, maar dat is mijn punt niet. De minister komt eind maart met een brief waarin zij nader ingaat op de optie om voor wkk een vorm van garantie te overwegen. Zo hebben wij het net begrepen.

De heer Samsom (PvdA): Ik had het over getijdenenergie. Als u daarover een motie wilt indienen, die nu in deze regeling zou moeten worden verwerkt, dan gaan wij dat bij wijze van spreken nu doen en dan gaan wij er deze week over stemmen. Anders is het te laat.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat klopt.

Minister Van der Hoeven: Voorzitter. Ik steun uw procedurele opmerking. De toezeggingen die ik heb gedaan en waarop ik in de brief terugkom, beïnvloeden de regeling niet. Dat is het verschil. Als de Kamer iets wil doen wat de regeling beïnvloedt, dan moet ik vragen, dat met spoed te doen, omdat wij anders de regeling niet per 1 april kunnen openstellen.

De heer Jansen heeft een vraag gesteld over de tabel op bladzijde 20. Ik kan dit niet doen, omdat ik geen instrumenten heb voor wkk. Ik kan wel in kaart brengen wat er speelt, maar ik heb geen subsidie-instrument voor wkk. Ik kan dus ook niet aan doelstellingen op het punt van wkk worden gehouden, omdat ik geen enkel instrument ter beschikking heb om wkk te stimuleren. Wij kunnen wel zeggen: wat is er gaande; op welke manier wordt rondom wkk gedacht; wat zijn de verwachtingen van de marktpartijen, maar niet van mij. Dit is het enige wat ik kan toezeggen. Ik kan de tabel niet gaan uitbreiden.

Ik kom te spreken over de AMvB bij de Warmtewet. Ik wil deze AMvB ook zo snel mogelijk, maar het is technisch gezien behoorlijk ingewikkeld. Wij hebben met de indieners afgesproken dat de AMvB goed met betrokkenen wordt doorgesproken. De Kamer weet dat er verschillende belangen zijn, en het kost echt even tijd om deze te verenigen. Wij moeten natuurlijk geen concept-AMvB hebben die door de Raad van State wordt teruggestuurd met de opmerking dat hij niet klopt. Het lukt mij echt niet om dit voor de zomer te doen, maar ik ben het wel met de Kamer eens dat dit zo snel mogelijk moet.

De NMDA-prijs kan niet eerder worden ingevoerd dan de AMvB, want daarin wordt bepaald op welke wijze de NMDA-prijs wordt bepaald. Je kunt dat niet omdraaien.

De heer Ten Hoopen heeft opgemerkt dat hij niet in het proces wil ingrijpen. Dat begrijp ik. Hij zegt echter wel dat hij wil ontschotten, waarmee hij mij vraagt om de spelregels na de zomer eigenlijk te herzien. Dit is echt niet mogelijk! Of wij handhaven de langere openstellingstermijnen, of wij doen het niet. Ik kan daarin niet verder tegemoetkomen.

De heer Jansen heeft een vraag gesteld over de uitzonderingsbepaling. In principe wordt de EIA vanwege de nieuwe budgetsystematiek niet meer gesloten. Het is de bedoeling dat deze doorloopt. Als er sprake is van een overtekening van meer dan 50%, dan zal ik haar wel moeten sluiten. Je hebt dan over een aanzienlijk iets wat al voor eventuele onderuitputting is gecorrigeerd. Die kwalificering heb ik dan gekwantificeerd.

De heer Samsom kan de personen die hem hebben gemaild, echt geruststellen. De CertiQ-kosten worden met terugwerkende kracht afgeschaft. Ik zou zeggen: maak ze blij!

Mevrouw Wiegman heeft een vraag gesteld over de garantieregeling van de restwarmte. Ik heb aangegeven op welke manier ik dit ga doen. Ik kom niet met een garantieregeling voor restwarmteprojecten. Men kan wel gebruikmaken van de bestaande regelingen. Ik wil graag weten waar nu echt die niet beïnvloedbare knelpunten liggen. Dat is het punt. Het zijn ondernemers. Een warmtenet heeft risico’s, en die zijn echt allemaal te beïnvloeden door het consortium dat een net bouwt. Ik hoor graag of er sprake is van niet beïnvloedbare knelpunten. Dat is de toezegging die ik heb gedaan.

De heer Zijlstra heeft een opmerking gemaakt over het belangrijker maken van energiebesparing dan CO2-reductie. Er is veel onduidelijkheid over de prestaties van de verschillende technieken: zonneboilers, warmtepompen, en collectieve systemen. Dit maakt een afweging lastig en veroorzaakt ook verwarring in de markt over welke techniek nu eigenlijk duurzamer is. Met behulp van de uniforme maatlat kunnen warmte-opties worden vergeleken, zoals op energieprestaties. Het is dus alleen een methode om deze energieprestaties te berekenen. Het geeft geen indicatie of energiebesparing of CO2-reductie belangrijker is. Dat lukt mij niet. Ik vind wel dat energiebesparing belangrijk is, maar CO2-reductie is dat ook. Je slaat twee vliegen in een klap als je met energiebesparing CO2-reductie kunt bereiken.

De heer Zijlstra (VVD): In het stuk staat: vooral CO2. Daar sloeg ik op aan. Het lijkt mij dat je beide moet doen.

Minister Van der Hoeven: Beide zijn inderdaad aan de orde.

Verder heeft de heer Zijlstra een vraag gesteld in het kader van de stoomprojecten in industriegebied Oosterhorn. Eigenlijk vraagt hij: hoe staat het met de goedkeuring van de steunmaatregelen vanuit het Waddenfonds? Dit is bij de Europese Commissie gemeld. Zij heeft die melding in drie delen gesplitst en apart behandeld. Een onderdeel is goedgekeurd. De commissie heeft opmerkingen gemaakt. De twee andere onderdelen worden opnieuw bij de commissie gemeld. Het zal enkele maanden duren, voordat de commissie die steun hopelijk goedkeurt. Daarin zit het probleem op dit moment.

Ik kom te spreken over de efficiencyverbetering van 30%. Wij hebben met de industrie een aantal meerjarenafspraken gemaakt waarin dit is opgenomen. Daarom staat het er op deze wijze in vermeld.

De heer Vendrik heeft gevraagd om een specifieke regeling voor duurzame-energieprojecten. Ik ben dat niet van plan. Wij hebben een aantal garantieregelingen die ook openstaan voor de duurzame energie-projecten. Ik heb ook aangegeven dat ik graag hoor en zie waar zich eventuele knelpunten voordoen, opdat ik waar nodig actie kan ondernemen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Het laatste begrijp ik niet. De minister zegt dat zij het niet gaat doen, maar gaat nog wel onderzoeken of er sprake is van knelpunten.

Minister Van der Hoeven: Dat heb ik niet gezegd. Ik heb aangegeven dat ik geen aparte garantieregeling voor duurzame-energieprojecten ga instellen. Er zijn garantieregelingen die 6 maart opengaan, waaronder de garantieregeling voor grote projecten, die geldt voor kredieten ter waarde van maximaal 50 mln. Die staan ook open voor iedere ondernemer, dus ook voor de duurzame-energieprojecten. Ik heb eerder aangegeven dat ik in de loop van het jaar, zolang de kredietcrisis duurt, uiteraard in de gaten blijf houden of zich specifieke problemen zullen voordoen. Op dit moment heb ik daar geen enkel signaal voor. Ik hoop dat wij met de generieke kredietgaranties die wij nu hebben afgekondigd, de problemen kunnen aanpakken. Daar ga ik van uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tichelaar

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Franke


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Vos (PvdA), De Rouwe (CDA) en Elias (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Jan Jacob van Dijk (CDA), Sap (GroenLinks), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Blom (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boelhouwer (PvdA), Kalma (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Atsma (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Madlener (PVV), Van Dam (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA), Uitslag (CDA) en Weekers (VVD).