Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 mei 2018
Hierbij stuur ik u het eindverslag van de commissie Additionele Innovatie Projecten
(commissie AIP) toe1. De commissie AIP heeft in het kader van het Convenant Kerncentrale Borssele (Stcrt. 2006, nr. 136) toezicht gehouden op de gemaakte afspraken om additionele CO2-besparing te realiseren.
Naast het eindverslag van de commissie AIP heb ik in april 2018 additionele informatie van PZEM en RWE over het investeringsfonds ontvangen.
Convenant Kerncentrale Borssele
In het Borsseleconvenant is overeengekomen dat de kerncentrale in Borssele in bedrijf
kan blijven tot 2034 indien de centrale blijft behoren tot de 25% veiligste watergekoelde
en watergemodereerde vermogensreactoren in de Europese Unie, de Verenigde Staten van
Amerika en Canada en dat de aandeelhouders van de vergunninghouder N.V. EPZ, te weten
PZEM Energy B.V. en Essent Energie B.V. (in 2011 overgenomen door RWE), extra inspanningen
zullen plegen om additionele C02-besparingen te realiseren.
Als invulling van de afspraken over additionele C02-besparing zijn de volgende doelen in het convenant opgenomen, die PZEM en RWE gezamenlijk,
naar rato van hun aandeelhouderschap in EPZ, dienen te verwezenlijken:
-
• € 200 miljoen aan investeringen in additionele innovatieve projecten, die bijdragen
aan een duurzame energiehuishouding in Nederland (artikel 8 van het convenant);
-
• 0,47 Mton aan additionele besparing van CO2 als gevolg van deze additionele innovatieve projecten (artikel 7);
-
• € 50 miljoen aan investeringen in een fonds gericht op de financiering van innovatieve
duurzame projecten (artikel 9).
Initieel waren de te realiseren emissiereductie en het investeringsbedrag gelijkelijk
verdeeld over RWE en PZEM. Door de transactie in 2011, waarin PZEM 70% en RWE 30%
van het aandeel in EPZ verkreeg, is de verplichting navenant gewijzigd. PZEM dient
€ 140 miljoen te investeren en 329 kiloton per jaar aan emissiereductie te realiseren,
RWE € 60 miljoen en 141 kiloton per jaar.
Additionele Innovatieve Projecten
De projecten die door PZEM en RWE zijn ingediend om aan de investeringsverplichting
zoals bedoeld in artikel 8 van het convenant te voldoen, zijn beoordeeld door de daartoe
ingestelde onafhankelijke commissie AIP. De commissie AIP stelt vast of een project
als additioneel innovatief wordt aangemerkt en kent aan dat project de hoeveelheid
vermeden CO2-uitstoot ten opzichte van de reguliere situatie toe.
De commissie AIP heeft in totaal 16 goedkeurende projectverklaringen verstrekt, te
weten 9 aan PZEM, 5 aan RWE en 2 aan PZEM en RWE gezamenlijk. Een groot aantal van
deze beoordeelde projecten is echter niet tot (volledige) realisatie gekomen. In haar
eindverslag schrijft de commissie hierover dat, door het veranderde economische tij
sinds het aangaan van het Convenant, PZEM en RWE terughoudender zijn geworden met
het initiëren van nieuwe projecten en ook de in gang gezette projecten hierdoor niet
of deels niet konden worden gerealiseerd. Daarbij heeft volgens de commissie ook meegespeeld
dat de voorziene basis van een winstgevende exploitatie van de kerncentrale wegviel
door de verslechterde omstandigheden op de elektriciteitsmarkt.
Uit het eindverslag van de commissie blijkt dat gezamenlijke verplichting om € 200 miljoen
te investeren in additionele innovatie projecten ruimschoots gehaald is (realisatie:
€ 312, 1 miljoen), maar dat de gezamenlijke verplichting tot 0,47 Mton aan CO2-vermindering niet is gehaald (realisatie: 0,26 Mton). De commissie plaatst daarbij
de kanttekening dat ze de ombouw van de Amer kolencentrale tot een hybride installatie
– wat op zichzelf tot een additionele CO2-besparing moet leiden van 0,5 Mton – niet heeft kunnen meenemen in haar eindverslag
vanwege de gestelde einddatum van de commissie op 1 juli 2017.
Uit het eindverslag blijkt verder dat op individueel bedrijfsniveau RWE ruimschoots
heeft voldaan aan zowel haar financiële verplichting als aan haar CO2-reductieverplichting, maar dat PZEM noch aan haar financiële verplichting noch aan
haar CO2-reductieverplichting heeft voldaan.
Investeringsfonds voor innovatieve duurzame projecten
In 2007 is het SET-fonds opgericht voor de financiering van innovatieve projecten
die een bijdrage leveren aan een duurzame energiehuishouding. Het fonds omvat twee
deelfondsen (SET I en SET II). Per 31 december 2017 is door PZEM en RWE in totaal
€ 54,9 miljoen toegezegd aan beide fondsen. Daarvan is € 49,0 miljoen reeds geïnvesteerd
door beide fondsen. De grens van € 50 miljoen aan investeringen wordt naar verwachting
dit jaar nog overschreden. Hiermee voldoen Convenantspartijen aan artikel 9 van het
Borssele Convenant.
Tot slot
De convenantspartijen hebben gezamenlijk voldaan aan hun verplichting om € 200 miljoen
te investeren in additionele innovatieve projecten en zullen ook op korte termijn
voldoen aan de afspraak om € 50 miljoen in een fonds te investeren gericht op de financiering
van innovatieve duurzame projecten. Met de realisatie van de ombouw van de Amercentrale
komt ook het CO2-reductiedoel in zicht. Ik heb hierom besloten geen additionele stappen te ondernemen.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes