Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831209 nr. 26

31 209
Schoon en zuinig

31 239
Stimulering duurzame energieproductie

nr. 26
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 2008

Hierbij bericht ik u, mede namens de ministers van Economische Zaken, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, over de wijze waarop ik uitwerking wil geven aan de verdere ontwikkeling van windturbineparken op de Noordzee. Tevens wil ik u langs deze weg informeren over het project Ruimtelijk Perspectief Noordzee waarbinnen de ruimtelijke aspecten van de lange termijnontwikkeling van windturbineparken vorm zullen krijgen. Middels deze brief wordt tevens voldaan aan de vraag van het lid Neppérus van 2 april 2008 om een reactie op krantenberichten van dezelfde datum over de hierboven genoemde onderwerpen.

Uitgangspunt voor de ontwikkeling van windturbineparken is het Werkprogramma Schoon en Zuinig en de daarin aangegeven voornemens voor de korte en de langere termijn. Voor de windenergiewinning op de Noordzee sta ik een gecoördineerde aanpak voor van de ruimtelijke aspecten (inclusief de vergunningverlening in het kader van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken-Wbr) en de toekenning van een financiële bijdrage via de stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE).

Het project Ruimtelijk perspectief Noordzee heeft tot doel te komen tot een beleidsmatige verankering van een wenkend, haalbaar en betaalbaar toekomstperspectief voor de diverse gebruiksfuncties van de Noordzee, waaronder de windenergie. De opgave is om het huidige ruimtelijke beleidskader van de Nota Ruimte zodanig aan te passen dat voldoende antwoord wordt geboden op de maatschappelijke vraagstukken die zich in de 21e eeuw aandienen, zoals duurzaam gebruik, klimaatverandering en veiligheid.

Om de ambities van het Kabinet te kunnen realiseren zal de huidige aanpak voor windturbineparken op zee aangepast dienen te worden. Mij staat voor de langere termijn een stelsel voor ogen waarbij specifieke kavels uit de aangewezen windwinningsgebieden stap voor stap (periodiek) worden opengesteld. Daarbij worden marktpartijen in de gelegenheid gesteld voor de opengestelde kavel voorstellen voor oprichting en exploitatie van een windturbinepark in te dienen, inclusief een daaraan gekoppeld verzoek voor toekenning van een bijdrage in het kader van de SDE. Degene aan wie in het kader van de tender de SDE bijdrage zal worden toegekend zal daarna een Wbr vergunning voor het voorgenomen windturbinepark (inclusief inrichtingsMER) moeten aanvragen. De door mij voorgestane aanpak vertoont verwantschap met de destijds voor het Offshore windpark Egmond aan Zee gehanteerde aanpak. De snelheid waarmee deze stap voor stap aanpak zal worden uitgevoerd is onder meer afhankelijk van de mate waarin de kostendaling voor windturbineparken zich in de loop van de tijd ontwikkelt (en de daaraan gekoppelde hoogte van de zogenaamde onrendabele top) en het voor windturbineparken op zee beschikbaar gestelde SDE budget.

Om te komen tot een goede overgang naar het nieuwe stelsel is het noodzakelijk het huidige stelsel zo spoedig mogelijk af te sluiten om daarna zo snel mogelijk te kunnen overgaan op het stapsgewijze gebiedsuitgiftesysteem dat is gekoppeld aan de toekenning van een SDE bijdrage. Omdat er reeds meer dan voldoende initiatieven zijn aangekondigd om, conform de kabinetsdoelstelling voor de korte termijn, de 450 MW te kunnen committeren, heb ik besloten dat tot een nader te bepalen tijdstip geen Wbr vergunningen meer worden verleend voor de oprichting van windturbineparken op zee. In de overgangsperiode, tot de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, geldt daarop als uitzondering dat Wbr vergunningaanvragen voor windturbineparken op zee ingediend voor 28 februari 2009 (met inbegrip van een daarbij behorend milieu effectrapport), waarvan voor 1 april 2008 een schriftelijke melding (ook wel startnotitie genoemd) overeenkomstig artikel 7.12 van de Wet milieubeheer is gedaan, nog wel in behandeling worden genomen.

Als invulling van de ambitie voor de korte termijn (committering 450 MW in deze kabinetsperiode) is een draaiboek in ontwikkeling waarbij wordt uitgegaan van de reeds door de marktpartijen ingediende initiatieven. Voor de toekenning van een SDE bijdrage zal een tenderaanpak worden gevolgd waarbij marktpartijen die in het bezit zijn van een toegekende Wbr vergunning zich voor deze tender kunnen inschrijven. In het draaiboek zal globaal worden aangegeven welke criteria daarbij zullen worden gehanteerd en hoe deze verder zullen worden uitgewerkt. Ook zal het te volgen tijdpad worden aangegeven, zowel ten aanzien van de indiening van de vergunningaanvragen in het kader van de Wbr, als ten aanzien van de inschrijving voor de tender ten behoeve van de toekenning van een financiële bijdrage op grond van de SDE. Een concept voornemen wordt nog met de betrokken partijen besproken. Ik zal u voor de zomer nader informeren over de wijze waarop ik een en ander verder vorm ga geven.

In het Werkprogramma «Schoon en Zuinig» is aangegeven dat voor de langere termijn gestreefd zou moeten worden naar een uitbreiding van het opgesteld vermogen met 500 MW per jaar, waarbij wordt aangegeven dat daarvoor een forse kostendaling nodig is. Voor het ruimtelijke beleid zal ik voor 2020 uitgaan van een opgesteld vermogen aan windturbines in orde grootte van 6000 MW (streefgetal) op zee. Daarbij moet worden onderkend dat de realisering van deze ambitie afhankelijk is van:

• de mate waarin de noodzakelijke kostendaling wordt bereikt;

• de in het kader van de SDE beschikbare gelden voor financiële ondersteuning;

• de investeringsbereidheid van marktpartijen;

• het vinden van een adequate oplossing voor de technische inpassing van windenergie in het elektriciteitsnet.

Het ruimtelijk aanwijzen van gebieden voor windenergiewinning (orde grootte 6000 MW) zal plaatsvinden in het kader van het project Ruimtelijk Perspectief Noordzee. Dit project beoogt een beweging in gang te zetten die leidt tot realisatie van een duurzame ontwikkeling en helderheid te bieden aan gebruikers van de Noordzee. De focus ligt op die gebruiksfuncties en gebieden waar op korte termijn belangrijke ruimtelijke vraagstukken liggen en waarop de Nota Ruimte en het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 onvoldoende antwoord geven. Kernopgave is om in ieder geval ruimte te bieden aan de ontwikkeling van windenergie (6000 MW) en om zorgvuldige afwegingen te maken in relatie tot scheepvaart, mijnbouw, visserij en daarmee samenhangende ecologische kwesties. Deze ontwikkelingen spelen vooral in het zuidelijk deel van de EEZ. Mede naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie wordt waar nodig en mogelijk helderheid geboden over de ontwikkelruimte voor zandwinning, landaanwinning en andere innovatieve projecten op zee. De beleidsmatige verankering van het Ruimtelijk Perspectief Noordzee zal zijn beslag krijgen in de structuurvisie van het Nationaal Waterplan, dat de Nota Ruimte op het punt van Noordzeebeleid zal herzien. In dit kader zal tevens een plan-MER worden opgesteld. Het Nationaal Waterplan zal in 2009 worden vastgesteld. De ambitie is om uiterlijk in 2010 de gebieden voor windenergiewinning definitief aan te wijzen.

Naar aanleiding van de motie-Samsom c.s. van 5 maart 2008 (TK 31 239, nr. 17) zal worden onderzocht of en zo ja onder welke randvoorwaarden, het van rijkswege (laten) aanleggen van een netaansluitpunt op zee in de aangewezen gebieden dient te gebeuren. Dit onderzoek zal naar verwachting eind 2008 zijn afgerond. De resultaten zullen worden betrokken bij de verdere besluitvorming.

De ruimtelijke afweging ten aanzien van (zoek)gebieden voor lange termijn windenergie zal worden vormgegeven in dialoog met belanghebbenden, betrokkenen en kennisinstellingen in het bredere verband van het Ruimtelijk Perspectief Noordzee en in het Nationaal Waterplan worden verankerd. In dit kader worden in afstemming met betrokken partijen ook de contouren van het nieuwe stapsgewijze uitgiftesysteem uitgewerkt. Ik streef ernaar dat het nieuwe stelsel vanaf 2011 van kracht zal zijn.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa