Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831206 nr. 15

31 206
Wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2008)

nr. 15
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 november 2007

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I worden na onderdeel F twee onderdelen ingevoegd, luidende:

FA. Artikel 3 104, onderdeel b, komt te luiden:

b. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;.

FB. Artikel 3 104, onderdeel b, komt te luiden:

b. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en de kindertoeslag op grond van de Wet op het kindgebonden budget;.

2

In artikel I worden na onderdeel G acht onderdelen ingevoegd, luidende:

GA. In artikel 8.2 wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. de kinderkorting (artikel 8.12);.

GB. Artikel 8.2, onderdeel c, vervalt.

GC. In artikel 8.9, eerste lid, wordt «de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting» vervangen door «de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting». Voorts wordt «de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting» vervangen door: de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting.

GD. In artikel 8.9, eerste lid, wordt «de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting» vervangen door «de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting». Voorts wordt «de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting» vervangen door: de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting.

GE. Na artikel 8.11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.12. Kinderkorting

1. De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn partner wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner minder bedraagt dan € 45 309.

2. De kinderkorting bedraagt:

a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner van niet meer dan € 28 978: € 939;

b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 978: € 939, verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke verzamelinkomen en € 28 978.

3. Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5° bedoelde verbonden persoon.

5. Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in dat lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel, met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.

GF. Artikel 8.12 vervalt.

GG. In artikel 9.3, tweede lid, wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. de kinderkorting;.

GH. Artikel 9.3, tweede lid, onderdeel c, vervalt.

3

In artikel I worden na onderdeel I twee onderdelen ingevoegd, luidende:

IA. In artikel 10.1 wordt «8.14» vervangen door: 8.12, 8.14.

IB. In artikel 10.1 wordt «8.12, 8.14» vervangen door: 8.14.

4

In artikel VI wordt na onderdeel 0A een onderdeel ingevoegd, luidende:

00A. Artikel 12b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «een octrooi is verleend» ingevoegd: of een immaterieel activum heeft voortgebracht dat is voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan hem een S&O-verklaring is afgegeven als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (S&O-activum).

2. In het tweede lid wordt na «octrooien» ingevoegd: alsmede op S&O-activa.

3. Aan het vijfde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van de tweede volzin en van het zevende lid, onderdeel b, bedraagt de vermeerdering met de voortbrengingskosten van de S&O-activa ten hoogste € 100 000.

4. Aan het zesde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van de eerste volzin en van het achtste lid, onderdeel b, bedraagt de vermeerdering met het viervoud van het bedrag van de voortbrengingskosten van de S&O-activa ten hoogste € 400 000.

5

In artikel VII, onderdeel D, wordt in het daarin opgenomen artikel 11a, tweede lid, de tweede volzin vervangen door: Een buitenlandse bronheffing wordt daarbij in aanmerking genomen tot een maximum van 15% van de opbrengst waarop zij drukt, en vervolgens verminderd met het bedrag waarvoor niet in Nederland wonende of gevestigde uiteindelijke gerechtigden – anderen dan bedoeld in artikel 10, derde lid – die een belang hebben in de inhoudingsplichtige, bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de bronheffing betrekking heeft, op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting recht zouden hebben op een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting.

6

In artikel IX, onderdeel B, wordt in het daarin opgenomen onderdeel s de laatste volzin vervangen door: De vorige volzin is niet van toepassing indien binnen de aldaar bedoelde termijn de natuurgrond wordt omgezet in cultuurgrond als bedoeld in onderdeel q en als zodanig gedurende de rest van deze termijn bedrijfsmatig geëxploiteerd blijft;.

7

Na artikel XVA wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVB

In de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt aan artikel 8 een lid toegevoegd, luidende:

3. Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.

8

Artikel XVI komt te luiden:

ARTIKEL XVI

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 8 worden vier leden toegevoegd, luidende:

8. De inspecteur kan bepalen dat een ander bedrag aan belastbaar loon in aanmerking wordt genomen dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

9. De inspecteur stelt het belastbare loon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel het belastbare loon, bedoeld in het achtste lid, vast indien een geschil over de hoogte van het belastbare loon bestaat.

10. Indien er grond is voor het vermoeden dat het belastbare loon met toepassing van het negende lid tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur dit herzien. Bij deze herziening is, in afwijking in zoverre van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 16, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

11. Een beschikking op grond van het negende of tiende lid wordt aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

B. Aan het slot van artikel 45, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de Wet op het kindgebonden budget.

9

Artikel XVIII komt te luiden:

ARTIKEL XVIII

Het Belastingplan 2007 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel IV, onderdeel Ca, wordt vervangen door:

Ca. Aan artikel 6 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. In afwijking van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderjaar ten aanzien van een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet niet als inhoudingsplichtige beschouwd degene, tot wie op 1 januari van het kalenderjaar dan wel, indien de dienstbetrekking na die datum is aangegaan, bij het aangaan van de dienstbetrekking, uitsluitend een of meer zodanige directeuren-grootaandeelhouders in dienstbetrekking staan.

B. In artikel XXVII, tiende lid, wordt «1 januari 2008» vervangen door: 1 januari 2009.

10

Artikel XXVB komt te luiden:

ARTIKEL XXVB

De Wet op het kindgebonden budget wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 6a, eerste lid, wordt «maar uiterlijk tot de kalendermaand» vervangen door: maar uiterlijk tot en met de kalendermaand.

B. In artikel 10 wordt «de Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen» vervangen door: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

C. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.

11

Na artikel XXVB worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXVC

De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 31, tweede lid, onderdeel c, wordt «de jonggehandicaptenkorting» vervangen door: de kinderkorting en de jonggehandicaptenkorting.

B. In artikel 31, tweede lid, onderdeel c, wordt »de kinderkorting en de jonggehandicaptenkorting» vervangen door: de jonggehandicaptenkorting.

ARTIKEL XXVD

Artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2008 is slechts van toepassing op S&O-activa voor zover deze na 31 december 2007 tot de bedrijfsmiddelen van de belastingplichtige gaan behoren.

12

Artikel XXVI wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2008, met dien verstande dat artikel XVI, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2006 en artikel I, onderdelen FA, GA, GC, GE, GG en IA, artikel XXVB en artikel XXVC, onderdeel A, terugwerken tot en met 3 november 2007.

2. Het vierde lid wordt vervangen door:

4. In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdelen H en I, artikel IA, artikel II, onderdeel D, en artikel V in werking met ingang van 1 januari 2009.

Toelichting

I. ALGEMEEN

Dividendbelasting

In het wetsvoorstel wordt een afdrachtvermindering voor beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 28 van de Wet Vpb 1969 geïntroduceerd, die inhoudt dat een beleggingsinstelling op de af te dragen dividendbelasting een vermindering kan toepassen. De thans voorgestelde wijziging bewerkstelligt dat een beleggingsinstelling geen recht op afdrachtvermindering voor buitenlandse bronheffing heeft, voor zover buitenlandse aandeelhouders in de beleggingsinstelling tengevolge van verdragstoepassing (dan wel toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk) een beroep kunnen doen op een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. Hiermee wordt voorkomen dat per saldo door de Nederlandse fiscus buitenlandse bronheffing wordt teruggegeven aan buitenlandse aandeelhouders.

Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag een uitspraak gedaan die het mogelijk maakt in beroep te gaan bij de rechter tegen een in te stellen controleonderzoek in het kader van internationale gegevensuitwisseling. Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de bewindsman die destijds het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) heeft verdedigd. De bepalingen van de WIB voorzien in rechtsbescherming pas op het moment dat wordt besloten tot gegevensuitwisseling. Hoewel inmiddels cassatie is ingesteld, betekent de uitspraak dat de gegevensuitwisseling door Nederland in internationaal verband wordt belemmerd. Teneinde aan die situatie en de ermee gepaard gaande onzekerheid zo spoedig mogelijk een eind te maken, wordt voorgesteld uitdrukkelijk in de WIB op te nemen dat tegen de beslissing tot het instellen van het onderzoek als zodanig geen beroep openstaat. De bestaande situatie van voor de uitspraak wordt daarmee bestendigd.

Directeur-grootaandeelhouder

Zoals aangekondigd in mijn brief van 8 november 20071, wordt voorgesteld de inwerkingtreding van het bij het Belastingplan 2007 tot stand gekomen artikel 6, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 uit te stellen tot 1 januari 2009. Ook met betrekking tot het loon van een directeur-grootaandeelhouder van een BV zonder ander personeel blijft in het jaar 2008 derhalve inhoudingsplicht bestaan. De met genoemd artikel 6, zesde lid, samenhangende wijzigingen worden eveneens uitgesteld tot 1 januari 2009.

S&O in octrooibox

In het wetgevingsoverleg van 16 november 2007 heb ik mijn enthousiasme uitgesproken over het amendement van de leden Jules Kortenhorst en Tang over het uitbreiden van de octrooibox met immateriële activa waarvoor geen octrooi is verleend maar die wel zijn voortgekomen uit een S&O-project.2 Deze uitbreiding bevordert succesvolle innovatie en past dus binnen de doelstelling van de octrooibox. De onderhavige wijziging strekt ertoe het voorstel van de indieners over te nemen. Met deze wijziging is een beperkte verzwaring van € 0,15 miljoen van de administratieve lasten bedrijfsleven gemoeid. De budgettaire derving van deze uitbreiding is geraamd op € 70 miljoen per jaar. Voorgesteld wordt deze uitbreiding te financieren door invoering van twee nieuwe en aanvullende verleggingsregelingen in het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Het gaat om verlegging van de belastingschuld bij executieverkopen op last van zekerheidsgerechtigden en bij executieverkopen op last van schuldeisers in het bezit van een executoriale titel. Deze wijziging zal worden opgenomen in het verzamelbesluit tot wijziging van enkele uitvoeringsbesluiten op fiscaal terrein.

II. ONDERDEELSGEWIJS

Onderdelen 1, 2, 3, 8, 10, 11 en 12 (eerste lid)

In de Wet op het kindgebonden budget (Stb. 2007, 418) is opgenomen dat deze wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Om te bewerkstelligen dat aanvragen al in 2007 kunnen worden gedaan en dat voorschotbeschikkingen al vóór 1 januari 2008 aan de betrokkenen kunnen worden verzonden, is de Wet op het kindgebonden budget met ingang van 3 november 2007 in zijn geheel in werking getreden bij koninklijk besluit van 2 november 2007 (Stb. 2007, 420).

Onbedoeld gevolg van de ongedifferentieerde inwerkingtreding met ingang van 3 november 2007 is dat ook de bepalingen in de Wet op het kindgebonden budget betreffende de afschaffing van de kinderkorting in de Wet inkomstenbelasting 2001 en het vervallen van de verwijzing naar de kinderkorting in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, eerder dan beoogd en wenselijk is, in werking zijn getreden. Voorts is verzuimd op te nemen dat de wet alleen geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008. Beide omissies worden in deze nota van wijziging hersteld.

Hiertoe wordt met terugwerkende kracht tot en met 3 november 2007 enerzijds de inwerkingtredingsbepaling van de Wet op het kindgebonden budget in die zin aangepast dat wordt toegevoegd dat de Wet op het kindgebonden budget alleen geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008 en anderzijds wordt de ontijdige inwerkingtreding van de bepalingen omtrent de afschaffing van de kinderkorting de facto ongedaan gemaakt.

Daarnaast wordt in deze nota van wijziging artikel XVI inzake de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) aangepast. De bestaande tekst van artikel XVI, waarin artikel 8 van de Awir wordt uitgebreid met een viertal leden, wordt aangeduid als onderdeel A, maar blijft inhoudelijk ongewijzigd. Daarnaast wordt een onderdeel toegevoegd, waarin artikel 45 van de Awir wordt gewijzigd. In artikel 45 van de Awir is opgenomen dat een beslagverbod geldt voor tegemoetkomingen op grond van de Awir tenzij het betreft een beslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij die betalingsverplichting de oorzaak is van de tegemoetkoming (zie het eerste lid, onderdeel a, van artikel 45 van de Awir). Dit betekent bijvoorbeeld dat indien een huurder zijn huur niet betaalt, beslag gelegd kan worden op zijn huurtoeslag.

Voor het kindgebonden budget geldt dat er niet een specifieke kostenpost te benoemen is waarvoor het kindgebonden budget wordt gegeven. Immers, het kindgebonden budget ziet op eencategorie van kosten, namelijk de kosten voor kinderen. Indien de hierbedoelde bepaling ook van toepassing zou zijn op het kindgebonden budget, dan zou dat betekenen dat vele schuldeisers beslag zouden kunnen leggen op dat kindgebonden budget. Er zijn ten slotte vele kostenposten die verband houden met kinderen. Dit acht het kabinet niet wenselijk. Om die reden wordt in deze bepaling een volzin toegevoegd die ertoe leidt dat de uitzondering opgenomen in onderdeel a niet van toepassing is op het kindgebonden budget. Dit betekent in feite dat er voor kindgebonden budget een algeheel beslagverbod geldt.

Onderdeel 4

Artikel VI, onderdeel 00A (Artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Deze wijziging van artikel 12b strekt ertoe de octrooibox uit te breiden met immateriële activa waarvoor geen octrooi is verleend maar die wel zijn voortgekomen uit een S&O-project. Deze uitbreiding bevordert succesvolle innovatie en past dus binnen de doelstelling van de octrooibox. Om de faciliteit toe te spitsen op het midden- en kleinbedrijf en het budgettaire beslag te beperken is het plafond voor de maximaal onder het boxtarief te brengen voordelen (de boxruimte) bij deze immateriële activa gelimiteerd tot € 400 000 per belastingplichtige per jaar.

Onderdeel 5

Artikel VII (artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting)

In het wetsvoorstel wordt een afdrachtvermindering voor beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 28 van de Wet Vpb 1969 geïntroduceerd. Die afdrachtvermindering houdt in dat een beleggingsinstelling op de af te dragen dividendbelasting een vermindering kan toepassen ter grootte van de Nederlandse dividendbelasting en buitenlandse bronheffing die ten laste van haar is ingehouden. De thans voorgestelde aanvulling bewerkstelligt dat een beleggingsinstelling geen recht op afdrachtvermindering voor buitenlandse bronheffing heeft voor het bedrag waarvoor (middellijke of onmiddellijke) aandeelhouders in de beleggingsinstelling – ter zake van hun belang in de beleggingsinstelling – bij dooruitdeling van de opbrengst waarop de bronheffing betrekking heeft, recht zouden hebben op een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting.

Voorbeeld

Een in de Verenigde Staten van Amerika (VS) gevestigd pensioenfonds is voor 25% aandeelhouder van een in Nederland gevestigde beleggingsinstelling. Op grond van het met de VS gesloten belastingverdrag heeft dat pensioenfonds recht op volledige teruggaaf van de 15% Nederlandse dividendbelasting die wordt ingehouden op door de beleggingsinstelling uitgekeerde dividenden.

Op 15 juni 2009 ontvangt de beleggingsinstelling € 2 000 buitenlands dividend waarop € 300 buitenlandse bronheffing wordt ingehouden. De door de beleggingsinstelling in aanmerking te nemen afdrachtvermindering wordt in dat geval als volgt berekend:

Drukkende buitenlandse bronheffing€ 300
Af: belang dat wordt toegerekend aan aandeelhouder die recht heeft op vermindering tot 0% (25% belang)€  75
Afdrachtvermindering€ 225

Onderdeel 6

Artikel IX, onderdeel B (artikel 15 Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Via deze nota van wijziging wordt een onduidelijkheid in artikel IX, onderdeel B, (betreffende een wijziging in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR)) weggenomen. In de voorgestelde tekst verviel de vrijstelling niet indien gedurende tien jaar na de verkrijging niet langer sprake is van natuurgrond, maar de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel q, WBR wel van toepassing is en blijft. In het geval de verkrijger van natuurgrond zelf de grond omzet in bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond is er geen sprake van een verkrijging in de zin van de WBR en daardoor kan ook de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, WBR niet van toepassing zijn. Bij een letterlijke interpretatie van de aanvankelijk voorgestelde tekst zou de eerder verkregen natuurgrondvrijstelling daarom alsnog komen te vervallen. Het spreekt voor zich dat het niet wenselijk wordt geacht dat bij de omzetting van natuurgrond in cultuurgrond door dezelfde eigenaar alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd is.

Met de nieuwe zin die opgenomen is in artikel 15, eerste lid, onderdeel s, WBR wordt duidelijk gemaakt dat de vrijstelling bij omzetting niet vervalt, ongeacht of er al dan niet een verkrijging plaatsvindt. Zowel bij een omzetting van natuurgrond in bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, als bij de verkoop van in bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond omgezette natuurgrond wordt de belasting niet alsnog verschuldigd. Hierbij geldt uiteraard wel de voorwaarde dat gedurende de resterende jaren van de tienjaarstermijn sprake is en blijft van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond als bedoeld in onderdeel q. Ook indien deze grond later weer omgezet wordt in natuurgrond wordt de belasting niet alsnog verschuldigd.

Onderdeel 7

Artikel XVA (artikel 8 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen)

In artikel 8 van de Wet op de internationale bijstand bij de heffing van belastingen is geregeld dat in het kader van een verzoek om inlichtingen van een buitenlandse belastingdienst aan de Nederlandse overheid, door de Nederlandse belastingdienst bij een in Nederland gevestigd lichaam een onderzoek kan worden ingesteld om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen. Volgens de toenmalige bewindspersoon die het voorstel heeft gedaan dat heeft geleid tot genoemd artikel 8, is het niet de bedoeling dat tegen het voornemen een onderzoek in te stellen, bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens beroep kan worden ingesteld bij de rechter. In de rechtsbescherming van het lichaam waarbij het onderzoek wordt ingesteld, is namelijk op een later tijdstip in het proces voorzien. Als de bij het onderzoek vergaarde inlichtingen verstrekt gaan worden aan de buitenlandse belastingautoriteit, ontvangt het in Nederland gevestigde lichaam namelijk voor zover het om inlichtingen inzake directe belastingen gaat een kennisgeving omtrent die informatie. Tegen deze kennisgeving kan belanghebbende vervolgens bezwaar aantekenen en in beroep gaan.

Het Gerechtshof Den Haag heeft recent een uitspraak gedaan, waardoor reeds een rechtsingang openstaat op het moment dat het onderzoek wordt aangekondigd.1 Deze rechtsingang gaat vooraf aan de bestaande bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen de kennisgeving die de Nederlandse belanghebbenden ontvangen als er inlichtingen aan een buitenlandse autoriteit worden verstrekt. Dit acht ik hoogst ongewenst, omdat deze rechtsingang vooraf de praktijk van de internationale inlichtingenuitwisseling ernstig zal belemmeren. Om stagnatie in de internationale inlichtingenuitwisseling, ook voor de korte termijn, zoveel als mogelijk is te voorkomen, heb ik besloten om, nog voordat de Hoge Raad arrest heeft gewezen, te komen met onderhavige wetswijziging. De wijziging houdt een aanvulling in van de tekst van artikel 8 en bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging dat een onderzoek wordt ingesteld om gegevens te kunnen verstrekken aan een buitenlandse belastingautoriteit, alsmede tegen het onderzoek zelf. En als geen beroep mogelijk is, is ook bezwaar niet mogelijk. Daarmee wordt de tekst van artikel 8 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen ondubbelzinnig in overeenstemming gebracht met de bedoeling van mijn ambtsvoorganger. Dit komt overigens overeen met de nationaalrechtelijke praktijk, waarin ook geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van de inspecteur dat hij inlichtingen wil vergaren door een onderzoek uit te voeren bij de belastingplichtige zelf of bij een derde.

Onderdeel 9

Artikel XVIII (artikel IV, onderdeel Ca, en artikel XXVII, tiende lid, van het Belastingplan 2007)

De in artikel XVIII, onderdeel A, opgenomen wijziging van artikel IV, onderdeel Ca, van het Belastingplan 2007 is gelijk aan de in artikel XVIII van het voorstel van wet opgenomen wijziging van het Belastingplan 2007 en ziet op de invoering van een peildatum voor de toepassing van artikel 6, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Ingevolge de onderhavige nota van wijziging bestaat artikel XVIII nu echter uit twee onderdelen. Dit houdt verband met de omstandigheid dat nog een andere wijziging van het Belastingplan 2007 moest worden aangebracht. De in dat kader in artikel XVIII, onderdeel B, opgenomen wijziging van artikel XXVII, tiende lid, van het Belastingplan 2007 stelt de inwerkingtreding van artikel 6, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 uit tot 1 januari 2009. Dat geldt ook voor de met genoemd artikel 6, zesde lid, samenhangende wijzigingen in artikel 3.81 en in artikel 3.87, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Onderdeel 10

Artikel XXVD (overgangsrecht)

Dit artikel bevat overgangsrecht. De uitbreiding van artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met immateriële activa waarvoor geen octrooi is verleend maar die wel zijn voortgekomen uit een S&O-project, geldt alleen voor S&O-activa die na 31 december 2007 tot de bedrijfsmiddelen van de belastingplichtige gaan behoren.

Onderdeel 12

Artikel XXVI (Inwerkingtreding)

De met de inwerkingtreding van artikel 6, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 verband houdende aanpassingen van de doorbetaaldloonregeling (de invoering van artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964 en de wijziging van artikel 59, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen) worden eveneens uitgesteld tot 1 januari 2009. Voor de praktijk in het jaar 2008 wijzigt er op dit punt niets. Artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en de overgangsregeling in het besluit van 29 januari 2007, nr. CPP2007/72M, Stcrt. 2007, 25, blijven ook met betrekking tot het jaar 2008 van toepassing. Het besluit van 29 januari 2007 wordt binnenkort vervangen door een ander daartoe strekkend besluit.

In artikel I, onderdeel H, is het voorstel opgenomen om artikel 9.3 Wet IB 2001 te laten vervallen. Ingevolge artikel XXVI, vierde lid, treedt dit onderdeel van het wetsvoorstel in werking met ingang van 1 januari 2009. Bij de eerste Nota van wijziging is aan artikel I toegevoegd een onderdeel I, met een wijziging van artikel 9.4 Wet IB 2001, alsmede ingevoegd een artikel IA, met een wijziging van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Deze toevoeging en invoeging houden verband met het vervallen van genoemd artikel 9.3 en dienen derhalve ook met ingang van 1 januari 2009 inwerking te treden.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 10.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 9.

XNoot
1

Uitspraak van 25 september 2007, nummers BK-07/00 382 en BK-07/00 383, LJN: BB4858.