nr. 53
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 april 2008
De vaste commissie voor Economische Zaken1
heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken naar
aanleiding bij brief van 31 maart 2008 (08-EZ-B-09) inzake de concurrentiedruk
op de Nederlandse parkeermarkt.
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 april 2008.
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Kraneveldt-van der Veen
De griffier van de commissie,
Franke
1
Het Platform Nederlandse Detailhandel (PND) claimt
dat er op de parkeermarkt in Nederland sprake is van kartelvorming. Daardoor
zou de concurrentiedruk op de Nederlandse parkeermarkt ernstig worden gehinderd.
Bovendien zouden tussen gemeenten en grote parkeerexploitanten onderlinge
afspraken worden gemaakt. Volgens het PND bestaan er tussen gemeenten en grote
parkeerexploitanten calculatieafspraken, prijsafspraken, hoeveelheidafspraken
en rayonafspraken. Zijn dit soort signalen bij u en bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit
(NMa) bekend?
Op dit moment zijn er bij het Ministerie van Economische Zaken noch bij
de NMa klachten binnengekomen over prijsafspraken tussen gemeenten en parkeerexploitanten.
Wel heeft er op initiatief van de NMa een gesprek plaats gevonden met vertegenwoordigers
van het Platform Detailhandel en de Raad Nederlandse Detailhandel waarin zij
de situatie hebben kunnen toelichten. In dit gesprek heeft de NMa uiteen gezet
aan welke voorwaarden dient te zijn voldaan om vast te kunnen stellen of sprake
is van kartelvorming en welke informatie de NMa dientengevolge nodig zou hebben.
2
Bent u bereid de NMa te verzoeken hiernaar onderzoek
te doen?
Als er klachten of signalen binnenkomen bij de NMa, zal de NMa nagaan
of er aanleiding is om een onderzoek te starten. Hoe concreter de klacht of
het signaal een mogelijke overtreding van de Mededingingswet omschrijft, des
te groter de kans op een dergelijk onderzoek. In het belang van de onderzoeken
doet de NMa geen uitspraken over lopende of op te starten onderzoeken. Niettemin
kan in dit verband worden opgemerkt dat de Mededingingswet in beginsel niet
van toepassing is op overheidsbeleid. Dat geldt ook voor gemeentelijk parkeerbeleid.
De Mededingingswet is van toepassing op het gedrag van ondernemingen. In jurisprudentie
is bepaald dat het gedrag van overheden ook onder de Mededingingswet kan vallen,
dat is echter alleen het geval indien de overheid handelt als onderneming.
Handelingen die de overheid verricht op het gebied van bijvoorbeeld sociaal
beleid, milieubescherming, onderwijs of ruimtelijke ordening zijn vaak niet
aan te merken als een economische activiteit. De Mededingingswet is dan niet
van toepassing. De NMa zal in het geval van een klacht dus eerst onderzoeken
of de handelswijze van gemeenten onder de Mededingingswet valt.
3
Hoe kijkt u aan tegen het verschijnsel dat het aantal
parkeerplaatsen stelselmatig beperkt wordt gehouden door de normen voor het
aantal benodigde parkeerplaatsen te verruimen?
Er zijn momenteel geen concrete gegevens bekend die er op duiden dat stelselmatig
normen worden aangepast waardoor het aantal parkeerplaatsen beperkt wordt
gehouden.
Het CROW heeft richtlijnen voor parkeernormen die een gemeente kan hanteren
bij het vormgeven van het mobiliteits- of parkeerbeleid. Het is een gemeentelijke
bevoegdheid en verantwoordelijkheid deze richtlijnen toe te passen dan wel
eigen normen te hanteren die meer rekening houden met de lokale omstandigheden.
4
Bent u bereid met de gemeenten en bijvoorbeeld de Consumentenbond
en het PND een gesprek aan te gaan over een forse uitbreiding van het
aantal parkeerplaatsen en om afspraken te maken over
het beheersbaar houden van de tarieven?
Zoals ook reeds opgemerkt in het antwoord op vraag 3 is het stellen van
normen voor en het maken van afspraken over het aantal parkeerplaatsen bij
bouwprojecten een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Zij zijn het beste toegerust
om op basis van hun eigen verkeers- en vervoerbeleid, ruimtelijke ordeningsbeleid,
economische beleid en milieubeleid de kaders te bepalen voor het aantal parkeerplaatsen
bij de diverse bouwprojecten. Overleg hierover met projectontwikkelaars en
consumentenorganisaties dient dan ook met de betreffende gemeente plaats te
vinden. Voor de rijksoverheid zie ik in deze geen rol.
5
Op welke wijze kunt u ervoor zorgdragen dat projectontwikkelaars
bij (nieuw-)bouwprojecten voor voldoende parkeergelegenheid zorgen?
Gelet op het antwoord op vraag 4 zie ik hier geen rol voor de rijksoverheid.
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GroenLinks),
Ten Hoopen (CDA), Roland Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), ondervoorzitter,
Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom (PvdA),
Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), voorzitter,
Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van
den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink
(PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD) en Vos (PvdA).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Jan Jacob van Dijk (CDA), Duyvendak
(GroenLinks), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Gennip (CDA), De Rouwe (CDA),
Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boelhouwer (PvdA), Kalma
(PvdA), Weekers (VVD), Van Dam (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée
tot Babberich (CDA), Cramer (ChristenUnie), Atsma (CDA), De Krom (VVD), Madlener
(PVV), Nicolaï (VVD), Blom (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts
(PvdA).