31 200 VIII
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2008

nr. 31*
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 november 2007

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden. Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de commissie

Jaspers

1

Is er naar uw mening sprake van een zwarte handel in concertkaartjes? Op welke wijze kan deze het meest effectief bestreden worden?

De term zwarte handel duidt op illegale transacties. Op internet zijn handelaren actief die concerttickets aanbieden tegen prijzen die hoger zijn dan de oorspronkelijke ticketprijs. Het op die wijze doorverkopen van concerttickets is op zichzelf niet illegaal, zoals door staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken in antwoord op eerdere vragen van lid Gerkens (SP) reeds is toegelicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, nr. 1061).

2

Ziet u in de bestrijding van woekerhandel in concertkaartjes een rol weggelegd voor de overheid? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Het wetsvoorstel Oneerlijke Handelspraktijken, dat nu voorligt in de Tweede Kamer, biedt na aanvaarding mogelijkheden voor de Consumentenautoriteit op te treden indien sprake is van misleidende handelspraktijken. Ik verwijs in dit kader naar de antwoorden van staatssecretaris Heemskerk (Economische Zaken) op vragen van lid Gerkens (SP) over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, nr. 1061).

3

Wat zijn de concrete financiële gevolgen van de afspraak tussen de minister van Justitie en Musicopy voor amateurkoren en -orkesten zoals toegezegd in de brief 12 juli 20071 ?

Vast staat dat de eerder door Musicopy verzonden sommaties waarin ingeval van een inbreuk schadevergoeding werd geëist, zijn opgeschort. Het is niet mogelijk om een exacte en definitieve becijfering van de financiële gevolgen te geven. De Stichting Musicopy biedt amateurkoren en -orkesten nu licenties «Additioneel kopiëren» aan. Alle muziekverenigingen die voor hun additioneel kopiëren een regeling met Musicopy treffen, betalen daarvoor de volgende vergoeding: voor koren € 1,– per lid en € 12,50 per jaar, voor orkesten € 2,– per lid en € 25,– per jaar.

4

Wanneer komt de herziening van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2008 naar de Kamer? Welke bedragen zijn daarmee gemoeid? Wat voor scenario’s zijn er gemaakt?

De Nota van Wijziging van de begroting van OCW zal zo spoedig mogelijk naar de Kamer worden gestuurd na besluitvorming in de ministerraad over de reactie op het rapport Rinnooij Kan over het lerarenbeleid. Ik streef ernaar deze voor begrotingsbehandeling van OCW, welke gepland staat voor 4, 5 en 6 december, aan de Tweede Kamer te sturen, doch ik kan daar pas later deze maand definitief uitsluitsel over geven.

5

Hoeveel extra middelen ten opzichte van 2007 zijn er in 2008 beschikbaar voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten?

In totaal is er verdeeld over verschillende begrotingsartikelen voor VSV in 2008 voor een aantal inpulsen meer beschikbaar dan in 2007. € 26 miljoen vloeit voort uit het Coalitieakkoord (€ 22,1 miljoen regulier en € 3,9 storting naar het gemeentefonds).

Daarnaast zijn er door de toenemende leerlingaantallen extra middelen in het kader van de kwalificatieplicht beschikbaar (€ 76,4 miljoen).

Tenslotte is er met betrekking tot het IBO MBO in 2008 circa € 10 miljoen beschikbaar.

6

Is bij het opstellen van de begroting het rapport Dynamisering van de Commissie Chang betrokken? Zo neen, volgt er nog een reactie vóór de behandeling van de OCW-begroting?

Ja. Er zijn middelen toegevoegd voor de doelen die de Commissie Dynamisering noemt in haar rapport. In de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap, die binnen kort aan uw Kamer wordt aangeboden, ga ik daar nader op in.

7

Wordt de dynamisering van de eerste geldstroom gelijkelijk verdeeld over de alfa-, bèta- en gammadisciplines?

De middelen van de dynamisering eerste geldstroom zullen worden ingezet voor een gefaseerde versterking van de Vernieuwingsimpuls. Deze wordt persoonsgericht ingezet, op basis van de kwaliteit van de onderzoeker. NWO wordt gevraagd een voorstel uit te werken voor de vernieuwde Vernieuwingsimpuls die vanaf 2009 ingaat. Tot dusverre werd van de Vernieuwingsimpuls ongeveer een derde ingezet op alfa- en gammaonderzoek. Dat is een hoger percentage dan in het eerste geldstroom onderzoek.

8

Wat zijn de prestatieafspraken die met de Raad van Bestuur van de publieke omroep over de bereiksdoelen met betrekking tot de programmering voor de multiculturele samenleving zijn opgemaakt voor 2008 en de verdere beleidsperiode? Indien er nog geen afspraken zijn, waarom niet?

Binnenkort sluit ik een prestatieovereenkomst met de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) voor de periode 2008–2010. Deze zijn mede gebaseerd op de uitwerking van de doelstellingen uit het tussentijds concessiebeleidsplan van de publieke omroep in de meerjarenbegroting 2008–2012. Daarom was het niet eerder mogelijk deze te sluiten. Ik verwacht u voor de behandeling van de mediabegroting te kunnen informeren over de inhoud van de overeenkomst. Diversiteit is een onderdeel van de prestatieovereenkomst.

In de Meerjarenbegroting van de publieke omroep is diversiteit een speerpunt, op televisie, radio en internet. De publieke omroep heeft een werkprogramma onder de naam «Kleuren-tv» dat als doel heeft de publieke omroep een betere afspiegeling te laten zijn van de samenleving. Er zijn acties per net.

9

Wat is er met de aanbeveling van de Kamer gedaan om het Commissariaat van de Media meer bevoegdheden te geven in de rapportage van de publieke omroepen over hun multiculturele programmering. Is de rapportage over het diversiteitbeleid van de omroepen verbeterd? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet?

Sinds 2001 bericht de Publieke Omroep (NPO) in de «Rapportage Multiculturele Programmering» aan de minister van OCW over de diversiteit van de programmering. In de prestatieovereenkomst worden eveneens afspraken gemaakt over diversiteit.

Voor de publieke omroep is diversiteit één van zijn speerpunten. In 2007 zijn verdere stappen gezet om de diversiteit van het aanbod goed in kaart te brengen. Dit vooruitlopend op het ontwikkelen van een eenduidigere wijze van rapporteren. Er wordt niet alleen gekeken naar hoeveelheid zendtijd en bestedingen (zoals nu in de Rapportage Multiculturele Programmering) maar er wordt ook op het niveau van programma’s gerapporteerd. Diversiteit speelt ook een rol in de interne werkwijze in Hilversum, bij de individuele prestatieovereenkomsten (IPO’s) met de omroepen en bij het intekenproces voor 2008. Op titelniveau worden afspraken gemaakt over de mate waarin en de wijze waarop het betreffende programma een bijdrage levert aan het diversiteitsbeleid.

Bij de rapportage over 2008 wordt bekeken in hoeverre de inhoudelijke afspraken zijn nagekomen. Dit nieuwe format zal de NPO afstemmen met het Commissariaat voor de Media.

10

In hoeverre worden nieuwe burgerinitiatieven die gebruikmaken van IPTV en/of internet onderdeel van het lokale en regionale omroepbeleid? Is er gezien de nieuwe technische mogelijkheden en ontwikkelingen ook geen noodzaak tot herdefiniëring van «community media»?

In de omroepbrief van 5 oktober 2007 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 14) ga ik onder meer in op de multimediale taak van de publieke omroep. Een «multimediawet» is in voorbereiding. Mogelijkheden om multimediaal te werken worden verruimd, ook voor (lokale en regionale publieke) omroepen. De lokale omroep is een laagdrempelige voorziening die community media kan faciliteren. Dit gebeurt al bij een aantal lokale omroepen via zogenaamde toegangsomroep op «open kanalen». De keuze voor een techniek (zoals IPTV) is aan de omroepen zelf.

11

Waarom wordt in uw brief van 5 oktober 20071 het multicultureel aanbod beperkt tot FunX en MTNL? Waarom wordt hier niet gerefereerd aan de opdracht van de publieke omroep en aan de voorwaardenscheppende activiteiten die noodzakelijk zijn om tot een multicultureel aanbod te komen, zoals publieksparticipatie, woordvoerders vanuit minderheden, diversiteitbeleid van beroepsopleidingen en multimedia initiatieven die onder meer door het Stimuleringsfonds voor de Pers worden ondersteund?

In mijn brief van 5 oktober 2007 geef ik duidelijk aan dat de publieke omroep (landelijk, regionaal en lokaal) alle geledingen binnen het Nederlandse publiek moet aanspreken en bereiken. Dat vraagt ook om de voorwaardenscheppende activiteiten die u noemt.

Deze activiteiten vallen naar mijn mening buiten de context van de brief van 5 oktober. Op dit moment voert TNO een evaluatie uit van het media en minderhedenbeleid in de afgelopen jaren. De resultaten stuur ik begin volgend jaar aan de Tweede Kamer. In deze brief wordt ook ingaan op de genoemde voorwaardenscheppende activiteiten.

12

Komt het aparte budget voor Nederlands drama bovenop de 50 miljoen euro enveloppegelden uit het coalitieakkoord voor 2008?

Nee, het aparte budget voor Nederlands drama is onderdeel van het totale budget voor de landelijke publieke omroep. Binnen de enveloppegelden wordt dit budget apart gereserveerd.

13

Kan een nadere onderbouwing worden gegeven van de 50 miljoen euro enveloppegelden voor «herstel van de programmering» en van de «dekking van de tekorten op hun begroting»?

Door de dalende reclameopbrengsten is het budget van de publieke omroep de laatste jaren onder druk komen te staan. Hierdoor zijn structurele tekorten ontstaan op de begroting van de publieke omroep. Tot 2008 zijn de tekorten opgevangen door het inzetten van reserves en het maken van keuzes in de programmering, zoals meer herhalingen in de zomerperiode. Van het extra geld is € 30 miljoen bestemd ter dekking van de tekorten die voorheen door het inzetten van de reserves werd opgevangen en € 20 miljoen voor het herstel van de programmering.

De Nederlandse Publieke Omroep (NPO) doet in de meerjarenbegroting 2008–2012 een voorstel voor de inzet van het extra geld. In de Mediabegroting die ik in november naar de Tweede Kamer zal sturen, geef ik mijn reactie op de meerjarenbegroting van de NPO.

14

Waarom kan er nog geen streefwaarde voor het bereik van de landelijke publieke omroep worden opgenomen, «vooruitlopend op de nog af te sluiten prestatiecontracten»? Heeft u ter zake niet ook een eigen verantwoordelijkheid? Wat is in bredere zin de inzet voor het maken van prestatieafspraken met de publieke omroep? Wanneer kunnen deze afspraken worden afgerond?

De inzet van het kabinet is dat de publieke omroep zoveel mogelijk mensen bereikt. Daarom kiest het kabinet ook voor een sterke publieke omroep. In de prestatieovereenkomst die ik binnenkort sluit, maak ik vervolgens afspraken over het minimum bereik. Daarbij betrek ik de inschatting van deskundigen van de Publieke Omroep, die dagelijks in een overvol medialandschap grote groepen mensen weten te bereiken. Ik verwacht u voor de behandeling van de mediabegroting te kunnen informeren over de inhoud van de overeenkomst.

15

Wat wordt precies de taak en functie van het Media Educatie Expertisecentrum? Hoe ziet de begroting van dit centrum er uit en hoe vindt de financiële dekking plaats? Welke afrekenbare doelen zijn er voor dit centrum geformuleerd? Waaruit bestaat het «breed netwerk voor media-educatie betrokkenen»? Kunt u aangeven wat wordt verstaan onder «mediawijsheid»?

De taak en functie van het media-educatie en expertisecentrum is om vooral kinderen en jongeren, hun ouders en scholen te ondersteunen in het leren omgaan met de veelheid van media-uitingen. Ook moet het centrum de samenhang en samenwerking versterken tussen bestaande en nieuwe initiatieven op het terrein van mediawijsheid. Onder «mediawijsheid» wordt verstaan de kennis, vaardigheden en mentaliteit waarover burgers moeten beschikken om zich bewust en kritisch en actief te kunnen bewegen in een samenleving waar media alom zijn. Er zijn veel organisaties die al actief zijn op het terrein van media-educatie en mediawijsheid. Zij vormen het brede netwerk dat ik betrek bij de vormgeving van het centrum. Voor het eind van het jaar stuur ik een brief aan de Tweede Kamer over de functie, opzet en inrichting van het media-educatie en expertisecentrum, inclusief begroting. Het centrum wordt gefinancierd uit de mediabegroting.

16

Wat is de betekenis van de streefwaarde van 22 als het gaat om het aantal redactioneel zelfstandige dagbladen? Hoeveel zijn er nu?

Het aantal redactioneel zelfstandige kranten is een indicator voor de diversiteit van de (dagblad)pers. Na de fusie van het Algemeen Dagblad met 7 regionale dagbladen (2005) is het aantal redactioneel zelfstandige kranten gedaald naar 22 (9 landelijke en 13 regionale kranten). Inzet van het beleid is om het aantal op dit peil te houden. OCW kan uiteraard krantenconcerns niet dwingen om marginale of verlieslijdende titels in stand te houden. Wat wel kan is de mogelijkheden verruimen voor krantenconcerns om zich te ontwikkelen tot multimediale ondernemingen (zie de Tijdelijke wet mediaconcentraties, die medio 2007 in werking trad) zodat zij bedrijfseconomisch beter in staat zijn om ook marginale krantentitels op de markt te houden.

Bij de berekening van deze streefwaarde blijven de gratis kranten (inmiddels 4) en de specialistische kranten (eveneens 4) buiten beschouwing.

17

Waarom is de visitatie van de landelijke publieke omroep en de wereld omroep pas afgerond in 2009?

Op grond van artikel 30c van de Mediawet vindt aan het eind van de concessietermijn (2005–2010) de visitatie van de landelijke publieke omroep plaats. Deze is gebaseerd op zelfevaluaties die alle omroepen momenteel opstellen. De visitatiecommissie brengt voor 1 mei 2009 een rapport uit over haar bevindingen.

In mijn reactie op het evaluatie-onderzoek van de Wereldomroep (Kamerstukken, 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 136, Tweede Kamer) heb ik aangekondigd dat de Wereldomroep dezelfde beleidscyclus gaat volgen als de landelijke publieke omroep. Dit betekent dat de Wereldomroep ook vijfjaarlijks een eigen visitatiecommissie in stelt. De eerste visitatiecommissie zal al in 2009 rapport uitbrengen.

Beleidsagenda

18

Wanneer maatschappelijke ontwikkelingen leiden tot nieuwe taken in de school, in hoeverre wordt dan rekening gehouden met de mogelijkheden van de school en wordt hierover overleg gevoerd met het onderwijsveld?

Over nieuwe opdrachten voor scholen wordt vooraf overleg gevoerd met het onderwijsveld. Mede door dit overleg wordt een beeld gekregen van de mogelijkheden van scholen om nieuwe taken uit te voeren en de voorwaarden waaronder dit voor scholen mogelijk is. Verder worden er standaard uitvoering- en handhavingstoetsen uitgevoerd bij nieuwe beleidsvoorstellen.

19

Om de horizontale verantwoording te verankeren komt er een wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur in het primair en voortgezet onderwijs. Maar hoe zit het dan met de bve-sector en het hoger onderwijs?

In november 2007 ontvangt u een brief over goed bestuur in de bve-sector. Deze brief informeert u over onze aandachtspunten en activiteiten op het terrein van goed bestuur in de bve-sector voor de komende periode. Daarbij zal ook worden ingegaan op de horizontale verantwoording in de bve-sector.

In het hoger onderwijs is een wetsvoorstel in voorbereiding voor bekostiging en besturing van hoger onderwijs en onderzoek, aangekondigd in het Coalitieakkoord en onlangs nog eens bevestigd in mijn brief aan de Tweede Kamer van 28 september, kenmerk HO/BS/2007/38 554 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 10). In dit verband is relevant dat in dat wetsvoorstel een wettelijke verplichting tot een raad van toezicht en college van bestuur en een verbetering van de medezeggenschapspositie van personeel en studenten zullen worden voorgesteld.

20

Waaraan wordt concreet gedacht met betrekking tot een transparant bestuur en een intern systeem van onafhankelijk toezicht bij scholen?

In mijn brief van 10 september 2007 aan de TK over Governance in het onderwijs en de nieuwe wijze van onderwijstoezicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 183, nr. 18) heb ik mijn visie uiteengezet op transparant bestuur en de rol van het intern toezicht.

21

Welke concrete maatregelen worden uitgevoerd om de overgangen tussen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs te vergemakkelijken?

De PO- en VO-sector werken samen om goede voorbeelden van overdracht van leerlingen van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs te verzamelen en te verspreiden. Daarnaast willen we scholen in staat stellen betere doorlopende leerlijnen voor rekenen en taal te realiseren. De «Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Rekenen en Taal» ontwikkelt daarvoor referentieniveaus van PO tot HO. Ik zal de overgangen qua niveau niet vergemakkelijken, maar beter op elkaar laten aansluiten. De kwaliteitstandaarden van zowel het PO, VO als het MBO moeten gehandhaafd blijven. Voor het VO en MBO heb ik enkele concrete maatregelen voor ogen: de aanpassing van het Besluit samenwerking vo-mbo (Staatsblad 348, 2007) en de wettelijke verankering van de Assistentenopleiding in het vmbo. Daarnaast buigt de Adviesgroep vmbo zich over een meer regionale programmering in het vmbo. In het kader van VSV worden nog maatregelen getroffen om een warme overdracht te bevorderen.

22

Op welke bewijsvoering is de zinsnede gebaseerd dat het koppelen van onderwijsinhoudelijke vernieuwing aan andere vernieuwingen binnen het mbo het beroepsonderwijs «beter, leuker en doelmatiger» maakt?

Bij competentiegericht beroepsonderwijs is ten eerste sprake van vernieuwing van de inhoud van het onderwijs («wat» er geleerd moet worden), voorvloeiend uit de nieuwe competentiegerichte kwalificatiedossiers, gericht op verbetering van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt. Ten tweede is sprake van vernieuwing van de vormgeving van het onderwijs («hoe» er onderwezen wordt), gericht op verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de gevarieerde populatie deelnemers. Die vormgeving, en dus ook de vernieuwing hiervan, bepaalt de instelling zelf, in samenspraak met deelnemers en leerbedrijven.

Competentiegericht beroepsonderwijs beoogt het mbo «beter, leuker en doelmatiger» te maken: met de vernieuwde inhoud de deelnemers beter toe te rusten voor beroepsuitoefening en met een adequate vormgeving het onderwijs attractiever te maken voor deelnemers, zodat er sprake is van meer gediplomeerde uitstroom en minder voortijdig schoolverlaten en meer doorstroom naar een vervolgopleiding.

Uit de jaarlijkse evaluatie van de voortgang blijkt in welke mate de beoogde resultaten worden gerealiseerd. In de brief aan de Tweede Kamer van 19 oktober 2007 (kenmerk BVE/Stelsel/2007/39 586) heb ik de Kamer nader geïnformeerd over de voortgang en de versterkte aanpak.

In deze brief ben ik specifiek ingegaan op de volgende rapportages:

– Kern van de aanpak mbo 2010 en een nadere uitwerking hiervan in het plan van aanpak mbo 2010;

– Een inspectieonderzoek naar de onderwijskundige kwaliteit van de vernieuwing in het mbo;

– De derde meting van de monitor onder experimentele opleidingen 2007 van Cinop.

23

In hoeverre verhoudt zich het werken met branchecodes voor de bezoldiging van bestuurders met de voorstellen van de Commissie Dijkstal? Kan in een code worden bepaald dat wordt afgeweken van de cao, terwijl de bestuurders gewoon in dienst zijn van de vereniging of stichting? Zo ja, geldt dat ook voor het primair en voortgezet onderwijs? Welke visie uit de Kamer heeft u meegegeven aan de algemene ledenvergadering van de VO-Raad?

In de voorstellen van de Commissie Dijkstal is de beloningscode aangemerkt als één van de normeringsregimes die voor een bepaalde (semi-publieke) sector kan gelden; de andere normeringsregimes betreffen openbaarmaking (cf. de wet op de openbaarmaking publiek gefinancierde topinkomens) en salarismaximum. De Commissie heeft geadviseerd alle onderwijssectoren onder het regime «salarismaximum» te brengen. Dit houdt tevens in dat de normeringsregimes «openbaarmaking» en «beloningscode» van toepassing zijn.

Met de uitwerking voor de verschillende onderwijssectoren ga ik de komende tijd aan de slag. Allereerst verschijnt naar verwachting in december de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Dijkstal. Daarop vooruitlopend kan ik u wel melden dat ik het advies, om bestuurders van onderwijsinstellingen aan het salarismaximum te binden, onderschrijf. De implementatie daarvan in verschillende beloningscodes per sector, eventueel als onderdeel van de branchecode, en de wettelijke verankering van die codes in de onderwijswetten incl. het salarismaximum, volgt z.s.m. daarna. De beloningscode staat in principe los van de afspraken in de cao, waarmee ik behoudens in het PO, geen directe bemoeienis meer heb. Daar waar zaken als een salarisstructuur (en dus een maximum) voor bestuurders zijn geregeld in de cao, ligt het voor de hand daarbij in de beloningscode aan te sluiten.

24

In hoeverre wordt er met de harmonisatie van regelgeving voor kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie alleen beoogd om alle kinderen met een taalachterstand te bereiken of spelen er ook nog andere doelen mee?

De doelen van het harmoniseren van de regelgeving zijn: het tegengaan van segregatie in de kinderopvang/peuterspeelzalen, het verhogen van de kwaliteit en het verbeteren van de aansluiting op het eerste jaar van de basisschool door taalachterstanden te bestrijden in de voorschoolse periode. Het kunnen combineren van arbeid en zorg is en blijft een kerndoelstelling voor overheidsbeleid op dit terrein.

25

Is het nu zaak dat de toezichthouder het management aanspreekt of is dat de taak van de bestuurder?

Tijdens het Algemeen Overleg met de TK op 3 oktober ’07 over mijn brief over Governance en de nieuwe wijze van toezicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 183, nr. 18) is deze vraag aan de orde geweest. Ik heb toen duidelijk gemaakt dat in formele zin door de toezichthouder het bevoegd gezag conform de Wet op het Onderwijstoezicht aangesproken zal worden en dat het de taak van de bestuurder is om het management aan te spreken. Tegelijkertijd zal het ook zo zijn dat bij schoolbezoek de inspecteur uiteraard met degene zal spreken die belast is met de dagelijkse leiding van de school, wat de schoolleiding zal zijn.

26

Van hoeveel combinatiefuncties in onderwijs, buitenschoolse opvang en sport is momenteel sprake? Op welke wijze wordt dit in kaart gebracht?

Er bestaan in de praktijk nog weinig combinatiefuncties zoals bedoeld in de Impuls brede scholen, sport en cultuur. Er bestaat wel een aantal «voorlopers»: duale aanstellingen (werknemers met twee arbeidscontracten), werknemers met een vaste aanstelling in de éne sector en een los contract in de andere sector, werknemers in dienst van een gemeentelijke «pool» die ingezet worden ten behoeve van meer dan één sector, werknemers in het onderwijs met een aantal «taakuren» die ook buiten het onderwijs kunnen worden ingezet.

In overleg met onder andere de VNG zal worden bezien op welke wijze begin 2008 een «nulmeting» kan worden vormgegeven.

27

Op welke wijze zal de gewichtenregeling aangepast gaan worden?

In het algemeen overleg van 20 juni jl. is toegezegd dat ik dit jaar een brief aan de Tweede Kamer zal sturen waarin wordt aangegeven hoe de gewichtenregeling zal worden aangepast. Op dit moment ben ik hierover in overleg met de onderwijsorganisaties.

28

Is het uitgesloten dat onderdelen van de harmonisatie van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie (VVE) al vóór 2010 worden gewijzigd?

Nee, dat is helemaal niet uitgesloten. Het kabinet stelt de komende periode gemeenten financieel in staat om het aanbod van voorschoolse educatie verder uit te breiden zodat het bereik in de voorschoolse periode snel kan worden verhoogd. Dit betekent dat met gemeenten in het kader van het Bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten nadere afspraken gemaakt worden over onder andere uitbreiding van het aanbod van voorschoolse educatie en het doelgroepbereik.

29

Bij welke gemeenten gaat er, naast de vier grote gemeenten, een pilot van start ten aanzien van gemengde scholen? Wat zijn de kenmerken van de inwoners van deze gemeenten op de terreinen van buurtsamenstelling, sociaal-economische status, opleidingsniveau en gezinssamenstelling?

In het kader van de wijkaanpak (40 krachtwijken) wordt bekeken met welke gemeenten – naast de vier grote gemeenten – afspraken gemaakt kunnen worden over een pilot Gemengde Scholen. Deventer en Nijmegen hebben in een eerder stadium al belangstelling getoond voor deze pilot. Zodra bekend is welke gemeenten zullen participeren kan antwoord worden gegeven op de vragen over de kenmerken van de inwoners van deze gemeenten.

30

Waarom wordt naast taal- en rekenonderwijs de canon genoemd als aandachtspunt inzake de kwaliteitsagenda?

Dit is een reactie op het o.a. door de inspectie (Onderwijsverslag) gesignaleerde zorgpunt van de balans tussen kennis en vaardigheid. Een zekere historisch-culturele basiskennis is belangrijk voor alle leerlingen.

31

Wanneer wordt de kwaliteitsagenda voor het VO afgerond en krijgt deze de status van een convenant? Wat is de invloed van de Kamer daarop?

De Kwaliteitsagenda VO 2007–2011 is een vervolg op Koers VO en een nadere concretisering van het Beleidsprogramma en het Coalitieakkoord. Met de Kwaliteitsagenda VO (Koers VO 2007–2011) wordt een gezamenlijke agenda van de overheid en de VO-raad vastgelegd. Over de uitwerking wil ik komende periode overleg voeren met onder andere ouders, leerlingen en leraren.

Ik streef ernaar om in de maand november te komen tot bestuurlijke afspraken met de VO-raad. Zodra dit mogelijk is, zal ik u hierover nader informeren. Daarbij zal ik u tevens melden welke procedure er gevolgd zal worden.

32

Waar wordt nu precies duidelijk welke interventies de inspectie heeft als de verantwoording tekort schiet? Kan worden aangegeven wat de stand van zaken is ten aanzien van het wetsvoorstel?

Over de concrete uitwerking van de interventies vindt op dit moment overleg plaats. Begin december 2007 is de besluitvorming afgerond en is duidelijk waar en op welke wijze de interventiemogelijkheden van de inspectie worden uitgewerkt.

33

Wordt in de experimenten met betrekking tot het mengen van scholen geëxperimenteerd met dwang?

Het is de bedoeling dat de experimenten (pilots) inzicht geven in de instrumenten die een daadwerkelijke bijdrage leveren aan het tegengaan van segregatie in het onderwijs. Naast de in het coalitieakkoord genoemde vaste aanmeldmomenten kunnen op lokaal niveau bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over de verhouding allochtone/autochtone leerlingen per school. Daarbij is geen sprake van dwang, maar deze afspraken kunnen wel zodanige gevolgen hebben voor de schoolkeuze van ouders, dat er meer gemengde scholen ontstaan. In de experimenten zal worden nagegaan op welke wijze – zonder acceptatieplicht en rekening houdend met de vrijheid van schoolkeuze op basis van artikel 23 GW – maatregelen genomen kunnen worden die tot een betere verhouding in de samenstelling van allochtone en autochtone leerlingen kunnen leiden.

34

Kunnen de maatwerkprojecten omtrent vmbo nader toegelicht worden.

Voor leerlingen in de onderbouw is het mogelijk gemaakt binnen de kerndoelen opdrachten zodanig vorm te geven dat dit de leerling aanspreekt op zijn manier van leren. Hiernaast hebben de scholen voor alle leerlingen de ruimte te kiezen uit smalle of brede opleidingen. Vrij vertaald zijn smalle opleidingen de oude afdelingsprogramma’s en brede opleidingen programma’s die zijn samengesteld uit afdelingsprogramma’s binnen een sector (intrasectoraal) of afdelingsprogramma’s uit twee of meer sectoren (intersectoraal). De samenwerking tussen vmbo-mbo en bedrijfsleven speelt hierbij een grote rol. Zij die «met hun handen leren», zullen binnen de praktijkgerichte opdrachten ook praktisch bezig zijn. De scholen kunnen zo – naast de vanaf het 3e leerjaar al bestaande voorzieningen zoals de leerwerktrajecten of het zogenaamde mbo-1 traject binnen het vmbo – zelf maatwerk leveren.

In het pedagogisch-didactisch concept zijn de scholen uiteraard vrij.

35

Kan er een nadere definitie en toelichting worden gegeven op het begrip «menselijke maat». Wat wordt hiermee bedoeld.

Hiermee wordt uitgedrukt dat het vooral gaat om de uitwerking van de schaalgrootte op de mensen binnen de betreffende organisatie. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende zaken:

– De leerling voelt zich gekend (door de leraar, medeleerlingen etc.).

– De leerling en het onderwijsgevend personeel voelen zich veilig.

– Binnen de organisatie ervaren de leraren voldoende invloed op het schoolbeleid.

– Binnen de gemeente/regio hebben ouders en leerlingen voldoende keuzevrijheid. Het onderwijsaanbod is voldoende divers (denominatie, sfeer, omvang etc.).

36

Wanneer is het Actieplan Menselijke Maat te verwachten?

Dit plan zal in voorjaar 2008 aan de Kamer worden aangeboden.

37

Wanneer zal de Kamer worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar mogelijkheden om een fusietoets in te voeren?

De voor- en nadelen van een fusietoets worden op dit moment voor de verschillende onderwijssectoren bezien in het bredere kader van het streven naar een menselijke maat in het onderwijs. Het gaat hier om de vraag wat de mogelijkheden van een fusietoets zijn om die menselijke maat in het onderwijs te stimuleren. Deze afwegingen in verband met de mogelijkheden van een fusietoets worden betrokken in de aanpak met betrekking tot de menselijke maat in het onderwijs, waarover de Kamer uiterlijk voorjaar 2008 wordt geïnformeerd (zie ook vraag 36).

38

Hoe wordt voorkomen dat scholen toch van ouders een bijdrage voor de leermiddelen gaan vragen? Biedt de gedragscode voor schoolkosten daartegen voldoende waarborgen, waar een groot deel van de scholen die code nog niet toepast?

Als vervolg op de wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) zal ook de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) worden aangepast in die zin dat de schoolboeken die voortaan door de scholen om niet ter beschikking van hun leerlingen worden gesteld, worden uitgezonderd. D.w.z. in de WMS wordt opgenomen dat in het kader van de medezeggenschap het aanschaffen van de boeken geen onderwerp van bespreking meer is. Hiermee wordt voorkomen dat scholen geld voor de schoolboeken als bedoeld in de WVO en WEB aan de ouders kunnen vragen.

De gedragscode voor schoolkosten is hiervoor strikt genomen niet het geëigende instrument omdat de gedragscode een aanbeveling is voor scholen om te handelen conform de gedragscode en geen afdwingbare verplichting.

39

Op welke wijze zal de groenpluk aangepakt worden?

In de participatietop van juni jl. heeft het kabinet met de Stichting van de Arbeid afspraken gemaakt over onder meer de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Hierbij is het uitgangspunt gehanteerd dat iedere jongere een startkwalificatie moet behalen, tenzij dat niet binnen de mogelijkheden van die jongere past. Om dit te realiseren, wordt de komende jaren stevig ingezet op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Daarnaast is het van belang dat de jongeren die gestopt zijn met hun opleiding en zijn gaan werken, alsnog een startkwalificatie behalen. In dit kader beveelt de Stichting van de Arbeid de cao-partijen aan cao-afspraken te maken over het bieden van mogelijkheden voor het behalen van de startkwalificatie aan werknemers zonder startkwalificatie, in combinatie met het gebruik van een leerloopbaanadvies.

40

Hoeveel stage- en werkplekken zijn er momenteel en hoeveel zijn er tekort?

Zie antwoord op vraag 150.

41

Wat wordt er precies bedoeld met de verlengde vmbo-trajecten? Wordt hier een pleidooi gehouden voor verticalisering? Het vmbo uit het voortgezet onderwijs halen en bij het mbo aanhaken, of juist omgekeerd?

Op dit moment wordt in een 10-tal projecten door vmbo-scholen en ROC’s gekeken naar de onderlinge opleidingstrajecten en wordt gewerkt aan een betere afstemming van de programma’s.

Hiernaast hebben scholen gevraagd het mogelijk te maken over te gaan tot een geïntegreerd programma vmbo-mbo-2 voor leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. De vmbo-school en het ROC stellen het programma samen op en vast.

Om ook de uitvoerbaarheid te vereenvoudigen, wordt bezien in hoeverre via een project hierbij gekozen kan worden voor een totaal traject aan het vmbo of aan een ROC.

Doel is dat uiteindelijk de leerling de opleiding verlaat met een mbo-2 diploma welke, indien de opleiding via de vmbo-school loopt, een afsluiting inhoudt onder auspiciën van het ROC.

De 10 bestaande projecten zal worden gevraagd of zij bereid zijn mee te doen.

Bezien wordt of deze insteek kan bijdragen aan het verlagen van de voortijdige uitval en het verhogen van het aantal mbo-2 gediplomeerden (startkwalificatie).

42

Hoeveel leerkrachten verlaten jaarlijks het po, vo, bve en het hbo? Wat zijn de verwachtingen voor 2008? Om welke redenen verlaten deze professionals het onderwijs? Hoeveel nieuwe leerkrachten beginnen er jaarlijks in het onderwijs? Wat zijn de verwachtingen voor 2008?

Afgelopen jaar verlieten circa 11 950 leerkrachten het funderend onderwijs en het mbo (cijfers over hbo zijn niet voorradig). De redenen van uitstroom varieren sterk van (pre)pensioen, overlijden, arbeidsongeschiktheid tot een nieuwe baan in een andere sector of het (voltijd) verrichten van zorgtaken. Voor 2008 (en de daarop volgende jaren) wordt een verdere toename verwacht van de uitstroom, met name door de vergrijzing en concurrentie met de werkgevers in de markt. In 2008 is de uitstroom naar verwachting 14 100. De totale instroom van nieuwe leerkrachten (pas-afgestudeerden, docenten die werkzaam waren in de markt en zij-instromers) was afgelopen jaar circa 11 000 fte. De verwachting is dat de instroom het volgend jaar ongeveer 11 600 bedraagt.

43

Kan er een overzicht per wijk worden verstrekt van de hoogte van de uitval in de aandachtswijken. Kan worden aangegeven in welke mate deze uitval hoger is dan het landelijk gemiddelde?

Het voorlopige percentage leerlingen dat vroegtijdig school verlaat in de veertig aandachtswijken (WWI: krachtwijken) is hieronder weergegeven. Het voorlopige landelijke percentage vsv is 2,0%. In de overige wijken is dat voor het voortgezet onderwijs (vo) 1,9% en in de aandachtswijken is dat 3,8%. Voor het vo geldt dat het percentage vsv’ers in de aandachtswijken twee keer zo hoog is als in gewone wijken. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat 7,8% van het totale aantal vo-vsv’ers afkomstig is uit een aandachtswijk. Voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) geldt dat het percentage vsv’ers in de aandachtswijken (14,3%) hoger ligt dan in de andere wijken (9,0%). Gerekend naar het totale aantal mbo-vsv-ers is 9% afkomstig uit een aandachtswijk.

kst-31200-VIII-31-h1-1.gif

44

Klopt het dat brede scholen alleen in de 40 wijken worden gestimuleerd? Wat wordt er dan voor de andere plaatsen gedaan?

Nee, dat klopt niet. De impuls zal in 2008 eerst beschikbaar komen voor de G-31. Hieronder vallen ook de meeste gemeenten met de veertig WWI-wijken. Voor de latere jaren staan middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Definitieve besluitvorming over deze tranches vindt de komende jaren steeds plaats bij voorjaarsnota. Kortheidshalve verwijs ik u ook naar de Beleidsbrief Sport die staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mw. Dr. J. Bussemaker, 15 oktober jl. naar uw Kamer heeft gezonden (kenmerk S/TOP-SP 2806117).

45

Welke maatregelen kunnen de komende jaren verwacht worden met het oog op de inzet op «een leven lang leren»? Is er een plan van aanpak voor «een leven lang leren»?

Recent is besloten dat de projectdirectie Leren & Werken, die in 2005 is opgericht om het leren van volwassenen te bevorderen, blijft bestaan tot 2011. Nog voor de begrotingsbehandeling zal de Tweede Kamer het Plan van Aanpak 2008–2011 van deze directie ontvangen. In dat plan worden voornemens opgenomen op het terrein van: stimuleren van regionale samenwerking tussen partijen die betrokken zijn bij een leven lang leren, het bevorderen van een flexibel en efficiënt opleidingenaanbod en het vergroten van de bekendheid van de mogelijkheden voor scholing bij burgers en werkgevers.

46

Hoeveel onbevoegde leraren staan er voor de klas en wat voor vak geven zij (absoluut en procentueel)? Hoe was dit de afgelopen vijf jaar? Wat is de prognose voor de komende vijf jaar?

• Lessen kunnen onbevoegd verzorgd worden ondanks dat de leraar wel (voor een ander vak) bevoegd is.

• Het aandeel lessen dat gegeven is door onbevoegde leraren is de afgelopen 5 jaar toegenomen (van 10% in 2002/03 naar 10,4% in 2005/06).

• De meeste onbevoegde en onbenoembare lesuren worden gegeven in Wiskunde, Engels, Economie en Nederlands. (ITS,Aandachtsgroepenmonitor 2006)

• Er zijn geen ramingen voor het aandeel onbevoegde/onbenoembare leraren/lesuren. Uiteraard is de verwachting dat met het oplopen van het vervangingsprobleem ook het aandeel onbevoegden zal kunnen oplopen.

• De komende jaren zullen scholen zich, naast de reeds genoemde vakken, vooral moeten inspannen voor leraren Duits, Techniek, Natuurkunde en Scheikunde.

47

Hoeveel procent van het personeel dat werkzaam is aan onderwijsinstellingen (po, vo, bve, hbo) houdt zich bezig met lesgeven en het primaire onderwijsproces? Hoe was dit de afgelopen tien jaar? Wat is de prognose voor de komende vijf jaar?

Zie antwoord op vraag 48.

48

Hoe hoog is het percentage middelen dat gaat naar het primaire proces in het po, vo, bve en hbo? Om hoeveel middelen gaat het?

De minister heeft toegezegd na de zomer (de planning is voor de OCW begrotingsbehandeling) een reactie naar de Tweede Kamer te sturen op bureaucratiebenchmarks die zijn uitgevoerd in het onderwijs. Hierin wordt nader ingegaan op de percentuele samenstelling van de ingezette middelen naar management, onderwijzend personeel, (in)direct ondersteunend personeel, materiaal en huisvesting. In de reactie zal ook nader worden ingegaan op het deel van het onderwijspersoneel dat zich bezighoudt met het primaire onderwijsproces.

Voor alle sectoren geldt dat de instellingen vrij zijn om de middelen al dan niet aan te wenden voor het primaire proces.

49

Hoe verhoudt de ambitie om ruim baan te geven aan ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek zich tot de impuls voor broodnodige valorisatie?

Deze liggen volledig in elkaars verlengde. Grensverleggend onderzoek en goed opgeleide mensen vormen de basis voor daadwerkelijke innovatie. Valorisatie en innovatie zijn alleen gediend met een hoge kwaliteit van onderzoek. Daarom legt dit kabinet, ook bij het benutten van kennis, het primaat bij zuiver en ongebonden wetenschappelijk onderzoek.

50

Kan worden toegelicht wat het model van de graduate schools uit de Verenigde Staten omvat.

Met het model van graduate schools uit de Verenigde Staten doel ik op de drie kenmerken:

• Het werken met gelijke instroommomenten. De meest competitieve graduate schools hebben maar één keer per jaar een aanmeldingsmoment.

• Selectie aan de poort. Promovendi worden geselecteerd op onder andere hun scores op nationale gestandaardiseerde testen (bijvoorbeeld de Graduate Record Examination, GRE), aanbevelingsbrieven, en gesprekken. De beste graduate schools vragen hoge scores.

• Later keuze van een onderwerp en een promotor. In de graduate schools wordt bijvoorbeeld eerst een aantal korte onderzoeksprojecten uitgevoerd. Gaandeweg kiest de promovendus een promotor en gaat een proefschrift schrijven.

51

Op welke wijze kan mogelijk gegarandeerd worden dat er een goede basis komt waarop excellentie in het onderzoek kan steunen?

Een goede basis voor excellentie vormt continuïteit van de financiering van zowel de eerste (universiteiten) als de tweede geldstroom (NWO en KNAW). Daarnaast wil het kabinet de beste onderzoekers de ruimte bieden omdat hierdoor het wetenschappelijk kader voor de toekomst wordt gekweekt.

52

Hoe denkt u te kunnen sturen op het personeelsbeleid met betrekking tot de ruimte voor talent en diversiteit, gelet op het feit dat dit niet tot de directe bevoegdheden van u behoort?

Enerzijds is dat door meer ruimte te geven aan de beste onderzoekers en carrièreperspectieven te bieden aan wie het goed doet. Jonge onderzoekers moeten op een tijdig moment in hun carrière een positie van wetenschappelijke onafhankelijkheid krijgen. Het kabinet doet dit door versterking van het onderzoek via de tweede geldstroomorganisatie (NWO) door het persoonsgericht en in competitie inzetten van middelen. Daarbij wordt speciale aandacht gegeven aan het percentage vrouwen en wordt (via het programma Mozaïek) gestimuleerd dat het aantal allochtonen in de promotiefase toeneemt. Hiermee krijgen jonge mensen de ruimte om zich te ontplooien. Anderzijds is de overheid voortdurend in (bestuurlijke) dialoog met universiteiten, tweede geldstroomorganisaties en organisaties als TNO en GTI’s over (de uitvoering van) het beleid.

53

Welke concrete plannen liggen er om wetenschappelijke ontdekkingen en resultaten beter te gaan vertalen in toepassingen voor bedrijfsleven en samenleving?

Door het vorige kabinet is al stevig ingezet op samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven om valorisatie op basis van onderzoek te bevorderen, bijvoorbeeld in de Bsik-projecten, andere FES-projecten in de biowetenschappen zoals Top Pharma, CTMM, BMM, Parelsnoer, genomics (samen bijna € 700 miljoen FES-subsidie voor een periode van ongeveer vijf jaar), het Technopartnerprogramma en de kennisvouchers MKB. Al langer bestaand zijn de Technologische Topinstituten en het innovatiemodel van NWO/STW. Het resultaat van deze inspanningen is dat ons land het op dit moment wat valorisatie betreft niet slechter doet dan andere Europese landen. Concrete plannen van het kabinet betreffen de volledige invoering van vraagsturing (in 2010) bij TNO en de GTI’s, de vorming van de federatie van de drie technische universiteiten en het stimuleren van praktijkgericht onderzoek in het hoger beroepsonderwijs. Ook wil het kabinet bezien of de kerncompetenties van de hierboven genoemde Technologiestichting STW beter kunnen worden benut en ingezet in de richting van de universiteiten. En tenslotte wil het kabinet dat onderzoekers meer kunnen profiteren van de opbrengsten van hun intellectueel eigendom (zie ook het antwoord op vraag 54).

54

Welke maatregelen worden er getroffen, zodat onderzoekers meer kunnen profiteren van de opbrengsten van de door henzelf gegenereerde intellectuele eigendommen?

Het kabinet (zie ook het antwoord op vraag 53) wil dat onderzoekers meer kunnen profiteren van de opbrengsten van hun intellectueel eigendom. Daarvoor bestaan nu regelingen die van instelling tot instelling verschillen. Het kabinet wil op dit punt meer uniformiteit bereiken. Zij zal daartoe de wenselijkheid en mogelijkheden bezien om de huidige wetgeving op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek en op het gebied van intellectueel eigendom aan te passen. Ook in Europees verband wordt hieraan gewerkt. Aan de Europese Commissie is gevraagd met voorstellen te komen gericht op het verbeteren van het beheer van intellectueel eigendom bij Europese kennisinstellingen.

55

In welke landen buiten Europa speelt niet of in mindere mate het structurele knelpunt van het Europese kennissysteem van het vertalen van wetenschappelijke ontdekkingen en onderzoeksresultaten naar toepassingen binnen het bedrijfsleven? In hoeverre kunnen wij daarvan iets leren?

Nederland is in vergelijking met de meeste andere Europese landen niet slechter of beter. De VS heeft de naam dat de doorstroom van fundamenteel onderzoek naar bedrijvigheid goed loopt. In de VS laat echter een aantal vakgebieden (bijvoorbeeld astronomie en fysica) problemen zien waar het gaat om het bijblijven in fundamenteel onderzoek. De laatste 10 jaar publiceert de VS in totaal minder in de wetenschappelijke literatuur dan de Europese Unie, zelfs als alleen wordt gekeken naar de EU-landen voor de uitbreiding met Oost-Europa. Uit een binnenkort te verschijnen studie van de OECD blijkt dat het beeld van de valorisatie van Europa t.o.v. de VS genuanceerd is. Er bestaan grote verschillen tussen de wetenschappelijke en technologische gebieden. De VS loopt alleen voorop waar het gaat om commercialisering in termen van patenten. Het Verenigd Koninkrijk gaat aan kop waar het gaat om het uitgeven van licenties, openbaar maken van uitvindingen en het aantal start ups. Wel kunnen we hiervan leren. Ik ben van mening dat de onderzoeker moet kunnen profiteren van de commerciële opbrengsten van het intellectuele eigendom op de onderzoeksresultaten. Daarom zal ik de wenselijkheid en mogelijkheden bezien om de huidige wetgeving voor het hoger onderwijs en onderwijs op dit punt aan te passen. In Japan is het onderzoek altijd sterk gericht op toepassingen en innovatie. Ook daar is men zich meer en meer gaan richten op fundamenteel onderzoek. China is nog steeds sterk gericht op toepassingen en innovatie. Desalniettemin nemen ook daar de investeringen in het fundamenteel onderzoek fors toe. De wereldwijde trend is dat de aandacht voor fundamenteel onderzoek sterk toeneemt omdat investeren in ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek een noodzakelijke voorwaarde is voor innovatie. Waar het daarbij op aankomt is dat de besteding van de middelen volstrekt transparant is en de middelen vooral persoongericht en in competitie worden ingezet.

56

Valorisatie is van groot belang voor de toepassing van wetenschap. Hoe gaat u concreet stimuleren dat wetenschap en bedrijfsleven elkaar meer opzoeken?

In de strategische agenda heb ik vermeld ook bij het benutten van kennis, het primaat bij ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek te leggen. Valorisatie is gediend met een hoge kwaliteit van onderzoek. In de komende periode wordt uitgezocht welke rol de technologiestichting STW kan spelen bij de bevordering van de kwaliteit in verschillende delen van het onderzoeksbestel. Verder wordt uitgezocht of NWO/STW een rol kan spelen bij een verdere kwaliteitsbevordering van onderzoek van TNO en de GTI’s en de drie technische universiteiten.

Door het vorige kabinet is stevig ingezet op valorisatie van onderzoek met de Bsik-projecten, andere FES-projecten in de biowetenschappen zoals Top Pharma, CTMM, BMM, Parelsnoer, genomics (samen bijna € 700 miljoen FES-subsidie voor een periode van ongeveer vijf jaar), het TechnoPartnerprogramma voor starters en de kennisvouchers voor het midden- en kleinbedrijf. Verder de succesvolle aanpak van Technologiestichting STW en de maatschappelijke topinstituten (MTI’s) waarin grensverleggende excellente wetenschap wordt samengebracht met kennisvragen van departementen en maatschappelijke sectoren. Ook heeft het vorig kabinet een proces in gang gezet om het onderzoek van TNO en de grote technologische Instituten meer vraaggestuurd te maken en de overheidsbudgetten te koppelen aan maatschappelijke thema’s.

57

Welke rol speelt sociale innovatie in de maatschappelijke innovatieagenda?

Het begrip sociale innovatie wordt meestal in een bepaalde context gebruikt, namelijk innovatie van de arbeidsorganisatie. Doelstelling is het vergroten van de innovatiekracht, de productiviteit en de ontwikkeling van menselijke talenten binnen organisaties. De maatschappelijke innovatieagenda heeft betrekking op maatschappelijke vraagstukken. Inzichten ontleend aan het begrip sociale innovatie kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.

58

Hoeveel in- en doorstroom werknemers zullen (mogelijk) het onderwijs verlaten als gevolg van de vermindering van gesubsidieerde arbeid aan de gemeenten?

Uit het Jaarverslag 2006 van de stichting Participatiefonds voor het onderwijs blijkt dat een verwachte instroomgolf in de werkloosheidsregeling als gevolg van ontslag van voormalig ID-werknemers zich dat jaar niet heeft voorgedaan. Van de ontslagen ex-ID werknemers in 2006 zijn er 137 ingestroomd in het landelijke project «van ID naar werk». Het is onduidelijk of er sprake is van uitstel van een ontslaggolf of het uitblijven daarvan.

Wel is bekend dat gemeenten zelf nieuw beleid hebben vastgesteld ten aanzien van gesubsidieerde arbeid en dat nieuwe afspraken zijn gemaakt met schoolbesturen ten aanzien van subsidies.

59

Wat is het huidige percentage van de taalachterstand?

De taalachterstand wordt vastgesteld aan de hand van het verschil tussen toetsscores op diverse leergebieden van doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen. De verschillen tussen de doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen zijn voor het laatst in 2005 gemeten. Toen was het verschil met 21% ten opzichte van 2002 gereduceerd. De volgende meting vindt plaats in 2008. Deze gegevens zijn eind 2008/begin 2009 beschikbaar.

60

Waarom streeft u er naar om pas in 2011 alle vo scholen en mbo opleidingen te laten voldoen aan de normen voor onderwijstijd?

Ik streef ernaar dat alle vo scholen en mbo opleidingen zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin op zo kort mogelijke termijn voldoende onderwijstijd aanbieden. Het inspectietoezicht op de programmering en realisatie van de onderwijstijd wordt geïntensiveerd en verder verscherpt. Ook wordt in het reguliere toezicht extra aandacht besteed aan het programmeren en realiseren van voldoende onderwijstijd. Daarnaast zijn alle scholen en instellingen (meermaals) per brief verzocht zich in te spannen om te voldoen aan de voorschriften voor onderwijstijd. Uiteindelijk is het immers de sector zelf die moet zorgen dat leerlingen voldoende onderwijstijd krijgen.

61

Betekent de opmerking dat er in 2011 een 100% dekkende infrastructuur van regionale samenwerkingsverbanden is, dat er een structuur van bovenaf wordt opgelegd?

Neen, met deze opmerking wordt niet bedoeld dat er in 2011 een structuur van bovenaf wordt opgelegd. Na een uitvoerige discussie met het onderwijsveld is besloten om niet een geheel nieuwe structuur te ontwikkelen. Het gaat om het verbinden van bestaande voorzieningen en samenwerkingsverbanden, zodat voor alle leerlingen een passend onderwijszorgaanbod kan worden gerealiseerd. Uitgaande van de huidige samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs worden door het onderwijsveld regionale netwerken gevormd. In elk netwerk participeren ook de REC’s van de verschillende clusters.

62

Voor welk percentage zetten scholen de gelden voor leerplus-arrangementen in voor overhead? Voor welk percentage komen de gelden voor leerplus-arrangementen terecht bij havo/vwo-afdelingen van de scholen?

De eerste vraag raakt aan de vraag hoe groot de overhead binnen de diverse onderwijssectoren is. De minister heeft toegezegd na de zomer (de planning is voor de OCW begrotingsbehandeling) een reactie naar de Tweede Kamer te sturen op de bureaucratiebenchmarks die zijn uitgevoerd voor alle vier de onderwijssectoren (po, vo, bve en hbo). Hierin wordt nader ingegaan op de percentuele samenstelling van de ingezette middelen naar management, onderwijzend personeel, (in)direct ondersteunend personeel, materiaal en huisvesting. Voor alle sectoren geldt dat de instellingen vrij zijn om de middelen al dan niet aan te wenden voor het primaire proces.

Van de 94 scholen die voor Leerplus in aanmerking komen hebben 70 scholen een havo- en/of vwo-component. Bij 56 van de 70 scholen met havo/vwo gaat het om brede scholengemeenschappen. Het is aan de scholen om de middelen binnen de school in te zetten daar waar het het hardste nodig is. Er is derhalve niet aan te geven voor welk percentage middelen terechtkomen bij de havo/vwo-afdelingen van de scholen.

63

Kan worden aangegeven hoe – ten aanzien van het terugdringen van voortijdig schoolverlaters – de streefdatum van 2012 zich verhoudt met de streefdatum van de Lissabondoelstellingen in 2010. Welke consequenties heeft dat?

Het kabinet Balkenende IV heeft zich tot doel gesteld om het jaarlijks aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters te reduceren tot 35 000 in 2012. Deze doelstelling is met name gericht op preventie: het voorkomen van nieuwe uitvallers. De doelstelling betreft een halvering t.o.v. de 71 000 in 2002.

De Lissabondoelstelling om de uitval in 2010 tot 8% te reduceren betreft het aandeel 18–24-jarigen zonder startkwalificatie, die geen onderwijs of scholing meer volgen. In 2006 zijn dat er circa 197 000. Dit is indicatief en gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS.

De relatie tussen beide streefdata is het terugdringen van voortijdig schoolverlaten, de ene met name gericht op voorkomen (preventie) en de andere op het moment dat jongeren na hun 18e al uitgevallen zijn (curatief).

De nationale doelstelling gericht op preventie is een vertaling van de Lissabon-doelstelling. Met een meer preventieve aanpak in de leeftijdscategorie 12–23 jaar is de verwachting dat op lange termijn er steeds minder nieuwe uitvallers komen en dus vanzelf de groep 18–24 jaar zonder startkwalificatie afneemt. Of dit al in 2010 te realiseren is, is mede afhankelijk van de uitvoering van de afspraken die in het kader van de participatietop zijn gemaakt en de gezamenlijke inzet hierop samen met SZW en de werkgevers.

64

Kan er een overzicht over de jaren worden gegeven welke bedragen daadwerkelijk overblijven voor de kinderopvang na het aftrekken van de beleidsmaatregelen?

Onderstaande tabel laat een overzicht zien van de voorlopige verdeling van de enveloppe kinderopvang. Voor 2008 en 2009 is een deel beschikbaar voor VVE wat bij artikel 1 Primair onderwijs op de begroting staat. Daarnaast zijn voor VVE via het accres ook middelen aan het Gemeentefonds toegevoegd. Alleen de tranche 2008 staat bij OCW op de begroting. De oploop van de extra middelen voor kinderopvang staan nog gereserveerd bij Financiën.

Bedragen (x €1 mln)20082009201020112012
Enveloppe kinderopvang175375525700700
Nieuw beleid op begroting OCW:     
Voor- en vroegschoolse educatie (artikel 1)53,541,5   
Subsidieregeling kinderopvang55555
Kwaliteit en opleidingen1010101010
Taskforce wachtlijsten2929292929
Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en VVE  30,525,520,5
      
Financiering overschrijding budget Wet kinderopvang6112512512594
      
Naar gemeentefonds16,528,544,356,556,5
      
Restpost Financien 136281449485

Voor de jaren 2009 en verder zal bij de begroting 2009 inzicht worden gegeven in de verdeling van de middelen die bij Financiën op een aanvullende post staan gereserveerd.

65

Wat is de reden dat voor de post «Actief burgerschap en integratie» in het primair onderwijs vanaf 2008 geen geld meer is gereserveerd?

De implementatie van Actief Burgerschap en Sociale Integratie is in februari 2006 van start gegaan. Een aantal van de handreikingen is inmiddels afgerond, enkele activiteiten lopen door in 2008. Dit zijn de «programmering burgerschap» door Teleac/NOT, het versterken van burgerschapscompetenties bij leraren door Hogeschool Windesheim en het project «democratische burgerschapsvorming in de basisschool» door Stichting Eduniek in samenwerking met prof. De Winter van de Universiteit Utrecht. Deze projecten zijn samen begroot op 220 000 euro in het jaar 2008.

66

Welke beleidsmaatregelen zullen worden genomen om vanaf 2009 de kosten voor de Wet kinderopvang structureel naar beneden te brengen?

De te nemen maatregelen om de kosten voor de Wet kinderopvang naar beneden te brengen zullen, naast de huidige ophoging van de werkgeversbijdrage en de inzet van enveloppe middelen, gevonden moeten worden in de regeling zelf ter grootte van € 125 miljoen vanaf 2009. Het kabinet zal met de aanstaande begrotingsvoorbereiding aangeven hoe dit bedrag per 1-1-2009 wordt ingevuld.

67

Van welke tegenvaller in de prestatiebeurs bij de bol is er sprake?

Met ingang van het schooljaar 2005–2006 is de prestatiebeurs voor de leerlingen bol op niveau drie en vier in werking getreden. Begin 2007 zijn voor het eerst realisatiegegevens over een volledig uitvoeringsjaar beschikbaar gekomen (2006). Op grond van deze realisatiegegevens is een herberekening gemaakt van de verwachte uitgaven in de bol.

68

In hoeverre heeft het beleid om de «1 oktobergrens» niet meer te hanteren voor de doorstroom van groep 2 naar groep 3 invloed op de leerprestaties van de kinderen en vooral voor rekenen en taal? In hoeverre stuurt de Onderwijsinspectie hierop door bijvoorbeeld scholen af te rekenen op de rendementscijfers?

De Inspectie beschikt niet over cijfers om de invloed van (het afschaffen van) «1 oktober»-beleid op leerprestaties te kunnen vaststellen. Volgens de Onderwijsinspectie is het in het algemeen zo dat kinderen die doubleren, daardoor niet of nauwelijks betere leerprestaties behalen (Onderwijsverslag 2005–2006: p. 132). Uit onderzoek blijkt dat dit ook geldt als een kind langer «kleutert» d.w.z. een jaar langer in groep 2 zit (Basisschoolmanagement, februari 2005).

De Inspectie rekent scholen niet af op het rendement van groep 1 en 2; zij kijkt wel naar de verblijfsduur van leerlingen in groep 3 tot en met 8. De Inspectie onderzoekt tevens of de school een beredeneerd beleid heeft voor de overgang van groep 2 naar groep 3. Is dat er niet, dan spreekt zij de school daarop aan. Het hanteren van alleen maar een «1 oktobergrens» is niet genoeg; de ontwikkeling van het individuele kind moet centraal staat.

69

Ziet u verschillen in de leerlingenontwikkeling per regio en houdt de bekostigingssystematiek daar rekening mee? Kan een sterke daling van de leerlingenpopulatie in een regio zelfs de continuïteit van scholen bedreigen?

Deze vraag heeft betrekking op de prognose van de leerlingenontwikkeling, die de basis vormt voor de macrobegroting. Voor het opstellen van zo’n macrobegroting zijn verschillen op regionaal niveau niet relevant.

Het is wel zo, om antwoord te geven op de vraag, dat er verschillen kunnen zijn op lokaal en regionaal niveau in de leerlingenontwikkeling. Dit hangt uiteraard vooral af van verschillen in lokale en regionale demografische ontwikkelingen, zoals de bouw van VINEX-lokaties. Een sterke stijging of daling van de leerlingenpopulatie in een bepaalde regio kan verschillend uitpakken, afhankelijk van de onderwijssector, het gedrag van leerlingen en ouders en de schaalgrootte van de onderwijsinstelling.

Het zal niet snel voorkomen dat een sterke daling de continuïteit van een instelling bedreigt: zeker niet bij grotere onderwijsinstellingen. In het geval van relatief kleine basisscholen kan het voorkomen, zeker als te weinig ouders hun leerling op die school willen plaatsen of als in een bepaald plattelandsgebied sprake is van een daling van de bevolking, dat een school uiteindelijk onder de minimumnorm zakt. Deze «opheffingsnorm» is vastgelegd in wet- en regelgeving.

70

Kan de – 6,4 funderend onderwijs in tabel 2 worden toegelicht?

De – € 6,4 miljoen is het saldo van twee boekingen, namelijk – € 25 miljoen en + € 18,6 miljoen.

Zoals ook uit de toelichtingen op blz. 32 onder «funderend onderwijs» blijkt, zijn de aanvragen voor de regeling praktijkgerichte leeromgeving vmbo/pro achtergebleven bij de raming; er was sprake van een onderbenutting van de FES-middelen. Als gevolg hiervan is er een bedrag van € 18,6 miljoen uit 2006 via een kasschuif overgeboekt naar 2007. Vervolgens is dit bedrag verhoogd met het in 2007 niet uitgegeven bedrag tot in totaal € 25 miljoen. Deze € 25 miljoen is overgeboekt naar beleidsterrein primair onderwijs voor de ontwikkeling van de brede scholen (zie ook de plus € 25 miljoen in tabel 2 bij artikel 1). Per saldo dus – € 6,4 miljoen.

Primair onderwijs

71

Op hoeveel basisscholen wordt de citotoets niet door alle leerlingen gemaakt?

Zie vraag 72.

72

Hoe groot is het aandeel leerlingen in het basisonderwijs dat de citotoets niet doet? Hoe groot is het aandeel allochtone leerlingen dat de citotoets niet maakt?

In het schooljaar 2005/2006 nam 81% van de basisscholen de Eindtoets Basisonderwijs van Cito af. Op deze basisscholen nam 1 op de 20 leerlingen uit groep 8 om uiteenlopende redenen niet deel aan deze toets (5,2%).

Uit: Rapport «Eindtoets basisonderwijs 2006» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, bijlage bij 30 183, nr. 13).

De inspectie heeft niet onderzocht hoeveel allochtone leerlingen niet deelnemen aan de eindtoets.

73

Naar welk type middelbaar onderwijs gaan leerlingen die geen citotoets hebben gemaakt? Hoe was dit de afgelopen vijf jaar?

De onderwijsinspectie concludeert in haar rapport «De eindtoets in het basisonderwijs» (oktober 2006) dat op basisscholen waar de eindtoets wordt afgenomen ruim 5% van de leerlingen daaraan niet meedoet. Tweederde van deze groep gaat naar verwachting naar het leerwegondersteunend onderwijs, het praktijkonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs; van de anderen is dat niet bekend.

Met de invoering van het onderwijsnummer in de sector PO zal van alle leerlingen bekend zijn naar welke type voortgezet onderwijs ze gaan.

74

Hoeveel basisscholen hebben een vaste conciërge (absoluut en procentueel)?

Deze informatie wordt niet systematisch verzameld: vooral omdat het aan de basisscholen is om zelf keuzes te maken in de takenverdeling van beheerfuncties zoals conciërges. De kosten voor beheerfuncties zoals conciërges vallen binnen de besteding van hun lumpsumbudget. Bovendien is een belangrijk streven om de administratieve belasting van de scholen beperkt te houden.

75

Hoeveel basisscholen hebben een vaste administratieve medewerker (absoluut en procentueel)?

Deze informatie wordt niet systematisch verzameld: vooral omdat het aan de basisscholen is om zelf keuzes te maken in de takenverdeling van administratieve functies. De kosten voor administratieve functies vallen binnen de besteding van hun lumpsumbudget. Bovendien is een belangrijk streven om de administratieve belasting van de scholen beperkt te houden. Zie ook het antwoord op vraag 74.

76

Op welke wijze is er bij het percentage leerlingen op basisscholen met havo/vwo advies (tabel 1.1) rekening gehouden met de (aangeboren) cognitieve capaciteiten van leerlingen?

Het percentage in de tabel is gebaseerd op PRIMA-onderzoek: hieruit blijkt dat pakweg 4 op de 10 kinderen aan het einde van de basisschool een advies krijgen met de optie van een HAVO of VWO vervolgopleiding. Meestal zal de directeur van een basisschool bij het bepalen van het advies rekening houden met het talent van de leerling, de ontwikkeling die het kind heeft doorgemaakt tijdens de basisschool, de feitelijke scores op bijvoorbeeld een eindtoets en een indruk van de gezinsomstandigheden en de motivatie van het kind om te leren.

77

In hoeverre wordt er bij het onderzoek naar de mogelijkheden voor een absolute maatstaf gebruik gemaakt van de Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau (PPON) gegevens?

Aan de expertgroep Doorlopende leerlijnen Nederlandse taal en rekenen/wiskunde is gevraagd referentieniveaus vast te stellen voor onder meer het basisonderwijs. Deze referentieniveaus beschrijven wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs moeten kennen en kunnen op het gebied van reken- en taalvaardigheid. Bij het vaststellen van de referentieniveaus maakt de expertgroep gebruik van uitkomsten van onderzoek, onder andere de rapportages van PPON.

78

Welke ambitie heeft u in de 40 zogenoemde krachtwijken met betrekking tot het percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo advies?

Er is geen centrale doelstelling ten aanzien van het percentage leerlingen in de krachtwijken dat een havo of vwo advies krijgt. Voor sommige wijken is in de gemeentelijke actieplannen wel een streefpercentage in de doelstellingen genoemd. De Rijksoverheid biedt steun om de voor de prachtwijken gestelde doelen te bereiken.

79

Waarvoor dienen de posten overig in tabel 1.2? Kan toegelicht worden waar deze aan besteed worden?

Het bedrag bij de 1e post overig in tabel 1.2 is vooral bestemd voor rugzakken in het VO.

De andere posten overig zijn bestemd voor relatief kleine projecten ten behoeve van de desbetreffende operationele doelstellingen.

80

Kan concreet worden toegelicht wat er precies ten aanzien van cultuur en school wordt gedaan en op welke wijze het budget wordt besteed?

Het gehele bedrag op de begroting voor primair onderwijs wordt besteed aan de verlenging van de regeling Versterking Cultuureducatie Primair Onderwijs. Het doel van deze regeling is om scholen te stimuleren hun visie op cultuureducatie te formuleren en deze visie te vertalen in culturele activiteiten in samenwerking met de culturele omgeving. Maar OCW doet nog meer, zie voor de overige uitgaven in het kader van Cultuur en School artikel 14 van de begroting.

81

Kan er ten aanzien van de middelden voor passend onderwijs gespecificeerd worden welke middelen er naar Weer samen naar school (wsns), leerlinggebonden financiering (lgf) en overige posten gaan.

In tabel 1.2 staat onder doelstelling «Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen...» € 48 miljoen voor Passend Onderwijs, WSNS en LGF. Hiervan is € 20 miljoen voor Passend Onderwijs, half november wordt een invoeringsplan met een onderbouwing naar de Kamer gestuurd. Van de overige middelen gaat € 6 miljoen naar diverse projecten Weer samen naar School voor flankerend beleid en € 22 miljoen gaat naar Leerling gebonden financiering (bekostiging van REC’s, toezicht op de indicatie en overige projecten).

82

In hoeverre kan worden ingeschat dat de materiële bekostiging voldoende is en kan de afname aan middelen vanaf 2008 worden verklaard.

In 2006 zijn de programma’s van eisen voor de materiële bekostiging van het primair onderwijs geëvalueerd. Er is toen geconcludeerd dat de onderzoeken géén aanleiding gaven om de prijzen te herijken.

De materiële bekostiging voor een school is in belangrijke mate afhankelijk van het aantal leerlingen. De afname van de middelen vanaf 2008 kan enerzijds worden verklaard door de dalende leerlingenaantallen en anderzijds door het aflopen van regelingen die ook in de reeks «materiële instandhouding» zijn opgenomen, zoals de regeling Dagarrangementen en Combinatiefuncties.

83

Op welke wijze wordt de mate van het versterken van de positie van ouders gemeten? Kan een overzicht worden gegeven van de resultaten tot nu toe.

In 2005 is geïnventariseerd wat nodig is om de betrokkenheid tussen ouders en school te versterken. Daartoe zijn diverse voorzieningen getroffen, waaronder aanjagers, methodieken en materialen. Daarmee wordt de intentieverklaring tussen OCW en ouderorganisaties uitgevoerd (TK 30 183, nr. 2).

De onderwijs- en ouderorganisaties hebben op 4 juli jl. een manifest aangeboden aan de beide staatssecretarissen van onderwijs, waarin zij verklaren de ouderbetrokkenheid bij hun achterbannen te willen stimuleren. Zij willen dit najaar het primair en voorgezet onderwijs voorzien van praktische methodieken en materialen. Scholen worden daarmee in staat gesteld ouderbetrokkenheid naar eigen behoefte en inzicht te versterken. De positie van ouders wordt dus versterkt.

Het voornemen bestaat om in 2008 een eerste meting van resultaten uit te voeren, gevolgd door een eindevaluatie in 2010.

84

Welke kwetsbare groepen worden onderscheiden in het kader van versterking van de positie van ouders?

Het gaat om twee groepen kwetsbare ouders: allochtone ouders en laag opgeleide ouders.

85

Geldt het streven om vanaf 2010 alle scholen te bekostigen op basis van het onderwijsnummer voor alle sectoren van het onderwijs? Zullen alle instellingen de verbeteringen in de leerlingenadministraties en de softwaresystemen tijdig op orde kunnen hebben?

In de sector VO is de leerlingtelling waarmee de bekostiging van de instellingen wordt berekend vanaf 1 oktober 2004 gebaseerd op het onderwijsnummer, in de BVE-sector is dat vanaf 1 oktober 2006 het geval. In de sector PO wordt op dit moment gewerkt aan de invoering van het onderwijsnummer. Daartoe moeten de nodige stappen worden gezet, ook door de scholen. Scholen worden hierbij in het schooljaar 2007/08 ondersteund door de besturenorganisaties en AVS, verenigd in de stichting PersoonsGebonden Nummer in het Onderwijs (PGNO). In het schooljaar 2008/09 zal met name de IB-groep een belangrijke rol gaan spelen in het voorbereiden van de scholen op de nieuwe manier van werken. Als deze stappen succesvol zijn afgerond, zal de telling voor bekostiging vanaf 1 oktober 2009 gebaseerd zijn op het onderwijsnummer. Er is op dit moment geen reden om aan te nemen dat de verbeteringen in de leerlingadministraties en de softwaresystemen niet tijdig gereed zullen zijn. De ontwikkelingen zal ik verder nauwgezet monitoren, o.a. door middel van een jaarlijks onderzoek onder een representatieve steekproef van scholen door onderzoeksbureau Regioplan.

86

Op welke wijze(n) zal de bijzondere aandacht voor de positieverbetering van kwetsbare groepen ouders tot uitdrukking komen? Op welke wijze zal hierbij worden recht gedaan aan het gegeven dat het niet altijd de meest mondige ouders betreft?

Het versterken van de positie van kwetsbare ouders gebeurt langs verschillende lijnen:

• Een laagdrempelige informatie- en adviesfunctie: ouders kunnen met al hun vragen over primair en voorgezet onderwijs terecht bij een gratis telefoonnummer (0800–5010) en/of de website van het ouderinformatiepunt 5010 (www.50tien.nl).

• Het project «Platform voor Allochtone Ouders en Onderwijs» (www.paoo.nl) helpt allochtone ouders en scholen met elkaar in contact te komen en versterkt daarmee de positie van allochtone ouders.

• Het project «Eutonos» zorgt voor opleiding en bemiddeling tussen allochtone kandidaat-bestuurders en schoolbesturen.

• Scholen weten via een website (www.ouderbijdeles.nl) materialen te vinden om daarmee groepen kwetsbare ouders te kunnen bedienen.

• Mondige ouders worden ingezet om ook de belangen van minder mondige ouders te behartigen (Eutonos, Platform).

87

Kan een overzicht worden gegeven van kenmerken van leerlingen (cognitieve vermogens, schooladvies, jongens/meisjes, geografische verdeling) die de basisschool verlaten met een taal niveau van groep 6. In hoeverre worden dyslectische kinderen tot deze groep gerekend?

Deze informatie is nu niet beschikbaar. Uit het PRIMA-onderzoek is dit soort informatie wel af te leiden. Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden zou een nadere analyse nodig zijn.

88

Kan een tijdpad worden aangegeven ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe didactische modellen om het leefniveau en rekenniveau te verhogen. Welke instellingen zijn hierbij betrokken?

Kortheidshalve verwijs ik voor de beantwoording van deze vraag naar de kwaliteitsagenda primair onderwijs die naar verwachting nog voor de begrotingsbehandeling aan u zal worden aangeboden. In deze agenda worden de voornemens met betrekking tot de kwaliteitsverbetering van het primair onderwijs in het algemeen en het taal- en rekenonderwijs in het bijzonder inclusief tijdpad opgenomen. Bij de uitvoering zullen alle relevante actoren worden betrokken.

89

Kan een overzicht worden gegeven van resultaten en effecten die het platform Kwaliteit en Innovatie heeft gerealiseerd ten aanzien van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs?

De taalpilots die onder verantwoordelijkheid van het platform worden uitgevoerd, leveren eveneens positieve resultaten op bij leerlingen en leerkrachten. Achterstandsleerlingen leren beter lezen en de leraren geven effectievere instructie en benutten de leertijd beter. De taalpilots bouwen voort op positieve ervaringen in het speciaal basisonderwijs (WSNS+).

Verder heeft het platform ongeveer 625 zogenaamde «breedteprojecten» toegekend aan scholen; deze scholen leren van elkaar op het terrein van taal/lezen/rekenen, omgaan met verschillen, kwaliteitszorg en professionalisering. Tot slot heeft het platform ongeveer 60 zogenaamde «diepteprojecten» toegekend, waarin scholen en experts samenwerken op het terrein van taal/lezen, omgaan met verschillen, opleiden en rijke leeromgeving. Deze projecten worden gemonitord en geëvalueerd. De eerste resultaten zijn positief.

90

Waardoor wordt de forse daling bij indicator 4 (tabel 1.8) bij peildatum 2005/2006 veroorzaakt?

De Inspectie van het Onderwijs constateert in hetOnderwijsverslag 2005–2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, bijlage bij kamerstuk 30 800 VIII, nr. 127, pag. 20) dat de ontwikkeling in kwaliteitszorg van het onderwijs in de periode 2003–2006 traag verloopt. Het percentage basisscholen dat jaarlijks de kwaliteit van de opbrengsten en de onderwijsleerprocessen evalueert, schommelt rond de 40 procent.

In 2003 hebben veel scholen voor hun nieuwe schoolplan tamelijk actief evaluaties uitgevoerd. Die evaluaties zijn twee jaar later niet actueel meer, zeker als de scholen geen nieuwe evaluaties hebben uitgevoerd. Dit verklaart de daling van 2004/2005 ten opzichte van 2005/2006. In 1998 (het eerste schoolplan) en daarna hebben we vergelijkbare ontwikkelingen gezien.

Het verbeteren van de kwaliteitszorg in de klas en op school is één van de doelstellingen van de Kwaliteitsagenda PO. De trage ontwikkeling in de kwaliteitszorg is voor de Inspectie aanleiding om kwaliteitszorg goed in de gaten te houden. Het PO Platform Kwaliteit en Innovatie ondersteunt scholen bij het vormgeven van kwaliteitszorg. Daarnaast start het ministerie van OCW een onderzoek naar risico- en succesfactoren voor kwaliteitszorg op basisscholen.

91

In hoeverre heeft het beleid om de «1 oktobergrens» niet meer te hanteren voor de doorstroom van groep 2 naar groep 3 invloed op de leerprestaties van de kinderen en vooral voor rekenen en taal? In hoeverre stuurt de Onderwijsinspectie hierop door bijvoorbeeld scholen af te rekenen op de rendementscijfers?

Zie het antwoord op vraag 68.

92

Kan er nadere toelichting worden gegeven omtrent de voortgang van het verscherpt toezicht bij de speciaal basisonderwijs.

Het verscherpte toezicht wordt uitgevoerd op twee groepen speciale scholen voor basisonderwijs: de als zeer zwak beoordeelde scholen en risicovolle scholen.

De zeer zwakke scholen worden conform de daarvoor geldende procedure regelmatig gemonitord op voortgang in de kwaliteit van het onderwijs, met na twee jaar (of eerder, op – gegrond – verzoek van de school) een afsluitend onderzoek naar de kwaliteitsverbetering.

De groep zwakke of risicovolle scholen wordt dit schooljaar in zijn geheel bezocht in het kader van een themaonderzoek met als centrale vraag of de kwaliteit van de scholen is verbeterd sinds het periodiek kwaliteitsonderzoek. Dit gebeurt aan de hand van onderzoek naar de ontwikkelingen op twee cruciale indicatoren die betrekking hebben op het ontwikkelingsperspectief. Over de resultaten van het themaonderzoek zal in ieder geval in het Onderwijsverslag worden gerapporteerd.

93

Welk bedrag is specifiek gereserveerd om het proces naar passend onderwijs te realiseren?

In de begroting is aangegeven dat voor de invoering van passend onderwijs in 2008 € 20 miljoen beschikbaar is. Over de investeringen in passend onderwijs in de jaren daarna zal ik u in de brief met het invoeringsplan passend onderwijs informeren. Deze brief kunt u in november tegemoet zien.

94

Kan een overzicht worden gegeven van de budgetten samenwerkingsverbanden in het huidige systeem? Kan een overzicht van de regionale (toekomstige budgetten) worden gegeven?

De bekostiging van de samenwerkingsverbanden WSNS is gebudgetteerd op een vastgesteld percentage zorgleerlingen. Naast middelen voor leerlingen op scholen voor speciaal basisonderwijs krijgen de samenwerkingsverbanden middelen voor leerlingen die extra ondersteuning op de reguliere basisschool nodig hebben. In totaal is hiermee € 365 miljoen gemoeid.

De bekostiging van de samenwerkingsverbanden in het voortgezet onderwijs gebeurt op basis van een ministeriële regeling, waarbij een bedrag per leerling vmbo wordt toegekend voor het regionaal zorgbudget. Het bedrag voor deze samenwerkingsverbanden in het VO is € 41 miljoen.

In de brief van 25 juni 2007 aan uw Kamer (Kamerstukken II, 2006/2007, 27 728, nr. 98) is aangegeven dat de bekostiging van de samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs niet verandert. De bekostiging van leerlingen die met een rugzak in het regulier onderwijs zitten of staan ingeschreven in het (v)so verandert wel. De bekostiging wordt gebudgetteerd op het niveau van voorliggende begroting.

95

Wat is uw ambitie voor de komende jaren ten aanzien van het aantal scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs dat zo doel- en opbrengstgericht is dat ontwikkelingsperspectieven en handelingsplannen wel concreet genoeg zijn en de inspectie wel de opbrengsten kan beoordelen?

In het invoeringsplan passend onderwijs, dat u half november tegemoet kunt zien, wordt uitgebreid ingegaan op de kwaliteitsverbetering van het onderwijs aan leerlingen met een handicap/stoornis. Het doelgerichter maken van het onderwijs door onder meer het invoeren van kerndoelen en leerlijnen in het speciaal onderwijs en (meerjarige) handelings-/ontwikkelplannen maken daar onderdeel van uit. Concreet moet dit ertoe leiden dat zowel het aantal scholen voor speciaal basisonderwijs als het aantal scholen voor voortgezet speciaal onderwijs dat onder intensief toezicht staat van de inspectie wordt teruggebracht tot 12% (was in 2006 50% resp. 60%) (zie ook tabel 1.9).

96

Wat zijn uw plannen op het terrein van onderwijsachterstanden?

U ontvangt dit jaar nog een brief over de voorstellen tot wijziging van de gewichtenregeling. Op het gebied van de voorschoolse educatie is mijn doelstelling om de uitvoeringscondities te verbeteren met het oog op de verhoging van het effect. Daarnaast wil ik het bereik verhogen. Op het gebied van schakelklassen laat ik de resultaten monitoren en zal ik onderzoeken of een wijziging nodig is van het wettelijk kader waardoor gemeenten en scholen bijvoorbeeld meer variatie kunnen aanbrengen in de wijze waarop zij taalachterstanden willen bestrijden (zoals toegezegd in de brief van 15 oktober jl.; Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 313, nr. 39).

97

Kan per gemeente worden aangegeven wat de eerste resultaten en effecten zijn van de schakelklassen?

In de brief van 15 oktober jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 313, nr. 39) is aangegeven dat het ITS in Nijmegen en het SCO-Kohnstamm Instituut in Amsterdam onderzoek hebben verricht naar de leeropbrengsten bij de deelnemende kinderen tijdens de pilotperiode. De resultaten zijn in het onderzoek niet gesplitst naar gemeenten. Het totaalbeeld geeft aanleiding tot voorzichtig optimisme.

98

Welke bedragen krijgen scholen rechtstreeks ten behoeve van vve en in hoeverre zijn deze middelen geoormerkt?

Basisscholen krijgen in de periode 2006–2010 jaarlijks € 60 miljoen voor vroegschoolse educatie. Deze middelen zijn niet geoormerkt. Voor 2008 en 2009 komt hier € 10 miljoen per jaar bij vanuit de enveloppe kinderopvang. Daarnaast kunnen scholen leerkrachten laten bijscholen op VVE-gebied. Dat wordt bekostigd vanuit de € 18 miljoen die vanuit de FES-middelen beschikbaar zijn. De overige middelen gaan naar gemeenten (zie verder staatje bij het antwoord op vraag 289).

99

Kan worden verklaard waarom er in tabel 1.9 uitgegaan wordt van een streefwaarde van 12% in plaats van een lagere streefwaarde?

Zie het antwoord op vraag 95. Het streven is een zeer forse reductie tot stand te brengen in het aantal scholen voor speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs dat onder intensief toezicht staat. Ook in het basisonderwijs staat altijd een bepaald percentage scholen – rond de 5% – onder intensief toezicht. Het is niet realistisch om voor het speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in een relatief korte periode zo’n verandering tot stand te brengen, dat de situatie voor deze beide schooltypen vergelijkbaar wordt met het regulier basisonderwijs.

100

Waarom is het ambitieniveau voor het percentage doelgroepleerlingen van 4 en 5 jaar dat via VVE wordt bereikt tussen 2005 en 2009 zo laag (van 68% naar 70%)? Hoe reëel is de sprong in dit percentage van 70% naar 100% tussen 2007 en 2011? Hoe verhoudt dit zich tot de motie-Hamer c.s.1, waarbij gevraagd wordt om een bereik van 100% in 2010?

We streven ernaar het doelgroepbereik in de voorschoolse en vroegschoolse periode op gelijk streefniveau te houden. De doorgaande lijn tussen het voor- en vroegschoolse deel is immers van groot belang, zo blijkt herhaaldelijk uit wetenschappelijk onderzoek. Daarom is het streefpercentage voor beide vormen van educatie gesteld op 70% op 31 december 2009. Voorschoolse educatie moet in deze periode groeien van 53% naar 70%, vroegschools van 68% naar 70%.

Zowel gemeenten als scholen moeten een behoorlijke inspanning leveren om het bereik in de voor- en vroegschoolse educatie de komende vier jaar fors te verhogen. Het overleg met gemeenten en scholen hierover loopt nog. Er zullen in 2008 en 2009 pilots plaatsvinden in de krachtwijken in de G4 en een aantal gemeenten in Oost-Groningen en Zuid-Limburg. Doel van deze pilots is om versneld de doelgroepkinderen te bereiken en in beeld te brengen wat kritische (succes)factoren zijn. Uit deze pilots zullen lessen worden getrokken over het bereik van doelgroepkinderen in de overige gemeenten in Nederland.

101

Welke bedragen komen er in totaal de komende jaren vanuit FES, de enveloppemiddelen, cultuur, het ministerie van VWS en structurele bijdragen van de gemeenten beschikbaar voor de impuls brede scholen?

Kortheidshalve verwijs ik u naar de tabel op pagina 11 van de Beleidsbrief Sport die staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mw. Dr. J. Bussemaker, 15 oktober jl. naar uw Kamer heeft gezonden. Ten tijde van de beantwoording van deze vraag was er nog geen Kamerstuknummer bekend.

102

Waren de provincie Limburg en/of Movare Onderwijsstichting toezeggingen gedaan inzake de Euregioschool, waarvoor u het subsidieverzoek per brief1 heeft afgewezen? Op welke wijze(n) doet u recht aan de bijzondere positie waarin Limburg zich ook in onderwijskundig opzicht bevindt met zo’n uitgebreid grensgebied?

Met betrekking tot dit subsidieverzoek zijn geen toezeggingen gedaan. Over het subsidieverzoek zijn vanaf eind 2006 diverse gesprekken gevoerd tussen het ministerie van OCW en betrokkenen. Zoals in de brief waarmee het subsidieverzoek wordt afgewezen is aangegeven kwamen de voorstellen in het plan sterk overeen met projecten die al vanuit OCW worden gesubsidieerd (zoals het project LinQ). Het aandeel van deelnemende scholen en instellingen uit de provincie Limburg binnen dergelijke projecten is, ten opzichte van andere regio’s, al hoger dan gemiddeld. Daarmee kan binnen die provincie, met subsidie van OCW, extra worden ingezet op vreemde talenonderwijs en internationalisering.

103

Kan een verklaring worden gegeven voor het feit dat er in 2006 minder aanvragen voor dagarrangementen en combinatiefuncties zijn ingediend?

De belangrijkste reden waarom minder aanvragen ingediend zijn voor de regeling dagarrangementen en combinatiefuncties is dat de regeling gebaseerd is op ESF voorwaarden. De eisen aan de administratie zijn zwaarder dan bij een «gewone» regeling. Dit heeft naar verluid verschillende gemeenten ervan weerhouden om een aanvraag in te dienen.

104

Wat zijn de prognoses ten aanzien van het halen van het aantal brede scholen in 2008 zoals in de streefwaarde vermeld wordt.

Dit najaar verschijnt een nieuw Jaarbericht brede scholen in Nederland. Het Jaarbericht geeft een beeld van de stand van zaken in 2007 en geeft inzage in de ambitie van gemeenten ten aanzien van het aantal nog te realiseren brede scholen. Op basis van de concept gegevens ziet het er naar uit dat het aantal brede scholen sterk is toegenomen ten opzichte van het Jaarbericht brede scholen 2005. In november 2007 is de definitieve versie van het Jaarbericht beschikbaar. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten daarvan.

105

Kan er worden aangegeven hoeveel er precies aan scholing van overblijfmiddelen wordt uitgegeven, hoeveel mensen jaarlijks deelnemen aan dit soort scholing en hoeveel soortgelijke scholing per deelnemer kost.

Per schooljaar is € 3,0 miljoen beschikbaar voor scholing van overblijfmedewerkers. Dit schooljaar volgen 4976 overblijfmedewerkers een vorm van scholing. 339 overblijfmedewerkers volgen een zogenaamde lange cursus, waarvoor € 2000,– per deelnemer beschikbaar is. 4637 overblijfmedewerkers volgen een korte cursus waarvoor € 500,– per deelnemer beschikbaar is. De subsidieregeling scholing overblijfmedewerkers 2007–2010 is gepubliceerd in de Staatscourant van 9 mei 2007, nummer 89.

106

Welke resultaten moeten bij het evaluatieonderzoek naar het convenant sponsoring minimaal blijken te zijn bereikt, wilt u het convenant succesvol noemen?

Om iets over de resultaten van het convenant sponsoring te kunnen zeggen heb ik een onderzoek naar de werking van het convenant laten doen. Dit onderzoek is afgerond en u inmiddels toegezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 20). Mijn reactie op het evaluatieonderzoek kunt u voor het kerstreces tegemoet zien.

Voortgezet onderwijs

107

Waarom is de streefwaarde bij indicator 2 lager dan de laatst gepeilde waarde (tabel 3.1)?

Bij het percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden, komt een lage waarde overeen met een meer gewenste situatie. Hoe minder 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden, hoe beter. Kortom: hoe lager hoe beter.

108

Zal het, gegeven de trend van de afgelopen jaren, zó lastig worden om in 2010 de streefwaarde van 85% van de 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs, dat de streefwaarde neerwaarts moet worden bijgesteld? Voor welke andere landen die zich aan deze Europese afspraak hebben gebonden, geldt eveneens dat het zo lastig gaat worden?

Nederland is er in 6 jaar tijd in geslaagd het percentage te verhogen met 2,8%.

Om in 2010 uit te komen op 85%, zou dat een verhoging met zich meebrengen van 10% in vijf jaar tijd.

Andere landen die moeilijk het gestelde streefpercentage zullen halen, zijn: Denemarken, Roemenië, Italië, Duitsland, Luxemburg, Spanje, Malta en Portugal.

109

Houdt de zesde maatstaf voldoende rekening met verschillen tussen kinderen? Waarom wenst u een absolute maatstaf van de toegevoegde waarde van het onderwijsstelsel te ontwikkelen? Is dat wel mogelijk en doet zo’n maatstaf voldoende recht aan individuele persoonlijkheidskenmerken en onbeïnvloedbare externe factoren die de ontwikkeling van een kind mede bepalen?

Het kwaliteitsaspect opbrengsten houdt rekening met verschillen tussen kinderen.

Ik wil een absolute maatstaf over toegevoegde waarde van het onderwijsstelsel ontwikkelen, althans de mogelijkheid daarvan laten onderzoeken om na te kunnen gaan of er in het onderwijs vooruitgang wordt geboekt.

Bij toegevoegde waarde wordt gelet op verschillen tussen kinderen. Of zo‘n maatstaf voldoende rekening houdt met allerlei bijkomende factoren, moet onderzoek uitwijzen.

110

Kan bij de post onderwijsverzorging en projecten worden aangegeven wat hier nu precies mee gedaan wordt?

Bij de post onderwijsverzorging gaat het om de middelen die ter beschikking worden gesteld op grond van de wet Subsidiering Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA).

De SLOA-instellingen ondersteunen met deze middelen de scholen bij de vormgeving van het onderwijs. Een groot deel van de SLOA-middelen wordt in het kader van de stelselverantwoordelijkheid ingezet voor examens en leerplanontwikkeling (CITO en SLO). De onderwijsondersteunende activiteiten van LPC (APS, CPS en KPC) zijn gerangschikt naar vijf programmalijnen: Onderwijs anders organiseren, School en omgeving, Passend onderwijs/zorg, De docent en Doorlopende leerlijnen.

Jaarlijks dienen deze instellingen subsidieverzoeken in voor hun projecten op basis van de zogenaamde Hoofdlijnenbrief. In deze brief staan de prioriteiten beschreven voor de onderwijsondersteunende activiteiten over twee kalenderjaren, met het accent op het eerste jaar. De Hoofdlijnenbrief met beleidsvoornemens op dit terrein wordt jaarlijks in april naar de Kamer gezonden.

Bij de projecten gaat het onder meer om middelen die worden ingezet voor specifieke projecten die veelal tijdelijk van aard zijn. Hiervoor kunnen subsidieaanvragen worden ingediend. Een paar voorbeelden zijn: subsidies in het kader van veiligheid, kwaliteitszorg, kwaliteitsbeleid, LAKS en examens.

111

Kan worden aangegeven waar de eerdere budgetten voor de experimenten voor maatschappelijke stage in de begrotingsartikelen terug te vinden zijn en in hoeverre het toenmalige budget in de huidige middelen is opgenomen?

Onder de operationele doelstelling «leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit» (zie blz. 58 tabel budgettaire gevolgen van beleid) is onder meer een reeks opgenomen voor het kwaliteitsbeleid van het voortgezet onderwijs.

Hieronder is deze post nader gespecificeerd.

(bedragen x 1 000)200620072008 e.v.
– Maatschappelijke stage8 90513 62913 629
– Project doorlopende leerlijnen   
• Rekenen en Taal 985 
– Impuls inhoudelijke kwaliteit   
• Voortgezet onderwijs  2 730
Totaal8 90514 61416 359

Daarnaast is in dezelfde tabel onder de operationele doelstelling «leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden» onder de reeksmaatschappelijke stage het extra bedrag voor maatschappelijke stage opgenomen dat volgt uit de ambitie hieromtrent in het Coalitieakkoord.

112

Hoe kan de verlaging van het budget Onderwijsverzorging en projecten worden verklaard? Ten koste van welke doelen gaat dit?

Een vergelijking over de jaren heen van het budget voor onderwijsverzorging en projecten laat inderdaad een dalende trend zien. Voornaamste reden hiervoor is de doorwerking van de «taakstelling subsidies» zoals die is opgenomen in het Coalitieakkoord; zie voor een nadere toelichting het algemeen deel van het verdiepingshoofdstuk (blz. 217). Daarnaast zijn er onder meer diverse overboekingen uitgevoerd (zowel in de plus als in de min), waardoor er over de jaren heen een wisselend beeld ontstaat.

113

Kan het verschil tussen de hoogte van programma-uitgaven in tabel 3.2 en 3.3 toegelicht worden?

Het verschil tussen de hoogte van de programma-uitgaven in tabel 3.2 en 3.3 wordt verklaard door het feit, dat in tabel 3.3 de uitvoeringskosten van IBG en CFI niet worden meegenomen.

Als voorbeeld is dit hieronder uitgewerkt voor het jaar 2008.

Totaalbedrag programma-uitgaven tabel 3.2€ 6 017 375.000
Totaalbedrag programma-uitgaven tabel 3.3€ 5 994 108.000
Verschil€    23 267 000
  
Programmakosten uitvoeringsorganisatie IBG€    14 642 000
Programmakosten uitvoeringsorganisatie CFI€     8 625 000
Totaal€    23 267 000

114

In artikel 1 is een aparte post voor veiligheid in school opgenomen. Op welke wijze worden scholen voor het voortgezet onderwijs gestimuleerd en gefinancierd om de veiligheid in scholen te vergroten?

Er zijn structurele middelen beschikbaar voor inzet van leerlingbegeleiders in het VO in het kader van veiligheid. Deze middelen gaan rechtstreeks naar scholen. Daarnaast ontvangen de samenwerkingsverbanden VO middelen voor reboundvoorzieningen voor gedragsmoeilijke leerlingen. Daarnaast subsidieert OCW het Centrum school en veiligheid. Dit centrum informeert en adviseert onderwijsinstellingen, besturen, ouders en leerlingen.

Door het regelmatig laten uitvoeren van een veiligheidsmonitor VO en BVE, houdt OCW zicht op de ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid op scholen. Momenteel worden de resultaten van het veiligheidsbeleid geëvalueerd. Ik informeer uw Kamer hier in november over.

115

Kan er al een toelichting worden gegeven op de uitkomsten van het onderzoek naar de vermogensposities van scholen?

Neen. De uitkomsten van het onderzoek naar de vermogensposities van de scholen worden eind 2007 verwacht.

116

Blijft voor scholen de mogelijkheid bestaan om van ouders een extra bijdrage te vragen om extra schoolboeken te bekostigen?

Nee, na aanvaarding van de wetswijziging van de WVO t.b.v. de invoering van de gratis schoolboeken, krijgt de school de plicht om de schoolboeken (zoals dan gedefinieerd in de WVO) om niet ter beschikking te stellen van de leerlingen.

117

Komen de middelen voor de gratis schoolboeken geheel ten laste van de onderwijsbegroting?

De middelen voor de gratis schoolboeken komen voor een deel ten laste van de onderwijsbegroting. Hieronder een totaaloverzicht ten laste van welke enveloppen de middelen voor gratis schoolboeken zijn gekomen in de ontwerp begroting 2008 OCW.

Nadien is de motie-Van Geel c.s. (31 200, nummer 16) aangenomen, waarmee € 63 miljoen uit de algemene middelen aan het totaal is toegevoegd, opdat volledige invoering van de gratis schoolboeken per 1 augustus 2008 kan worden gerealiseerd.

Enveloppe (bedragen x € 1 miljoen)2008200920102011 e.v.
Onderwijs9011810688
Kinderen, Jeugd en Gezin 595344
Koopkracht 11810688
Totaal90295265220

118

Welke consequenties zijn inmiddels zichtbaar van het verscherpte toezicht- en handhavingsbeleid op de naleving van de onderwijstijd voor de mate waarin scholen onderwijspersoneel toestemming geven om deel te nemen aan nascholing?

Exacte gegevens hierover zijn (nog) niet beschikbaar. Overigens is het de eigen verantwoordelijkheid van de school hierin keuzes te maken.

119

Kan de besteding van de middelen ten behoeve van de kwaliteit van het VO worden gespecificeerd.

De middelen voor 2008 ad € 2 730 000 zijn bestemd voor basisvaardigheden «rekenen en taal». De exacte aanwending van deze middelen wordt begin 2008 bepaald op basis van het advies van de expertgroep rekenen en taal.

120

Wat is de overhead bij de VO-Raad voor het uitvoeren van kwaliteitsprojecten via de VO-Raad? Hoe borgt u dat alle scholen, ook kleine, daarop een reëel beroep op kunnen doen?

De VO-raad heeft de uitvoeringsorganisatie «VO-project» voor de uitvoering van de projecten in het leven geroepen. VO-project kent geen winstoogmerk en stelt de subsidie volledig en direct beschikbaar voor de uitvoering, aan scholen, en/of aan onderzoek. Het deel dat bestemd is voor de werkzaamheden van VO-project zélf, verschilt per project volgens de voorwaarden die daarbij zijn overeengekomen met OCW. In het geval uitvoering van een project grotendeels extern wordt aanbesteed, is de overhead bij VO-project gering tot nihil; wanneer VO-project zelf zorg draagt voor de uitvoering, is dat uiteraard hoger.

De projecten worden sectorbreed ondergebracht en alle scholen binnen het voortgezet onderwijs hebben toegang tot de subsidiegelden. Alle scholen, ook kleine, kunnen projectsubsidie aanvragen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het innovatie-project Durven, Delen, Doen, waarin de aanvragen door een onafhankelijke externe commissie worden beoordeeld.

121

Overweegt u ook een innovatiebox voor het voortgezet onderwijs?

In het verlengde van de innovatiebox voor de beroepskolom sluit ik een soortgelijke box voor de gehele vo-sector niet op voorhand uit. Ook hier een box waarin een structureel budget wordt toegekend en meerjarige thema’s worden benoemd waarover prestatieafspraken worden gemaakt.

Gedacht kan worden aan thema’s als doorontwikkeling vmbo en kwaliteitsimpuls lob (als aanjager van de inzet van de structurele bekostiging lob binnen de materiële bekostiging). Met de VO-raad wordt hierover gesproken in het kader van de kwaliteitsagenda VO.

122

Zullen de referentieniveaus voor rekenen en taal, waarover de Expertgroep Doorlopende leerlijnen Rekenen en Taal adviseert, worden gekoppeld aan onderwijstypen? In hoeverre zal rekening kunnen worden gehouden met dyslexie en dyscalculie?

De referentieniveaus zullen worden gekoppeld aan onderwijstypen. Uiteraard wordt in het onderwijs rekening gehouden met verschillen in aanleg voor taal en rekenen, dat wil zeggen het vermogen om een bepaald niveau te bereiken en de middelen die daarvoor nodig zijn. Maar het principe van een referentieniveau houdt per definitie in, dat dit een niveau is dat in beginsel voor alle leerlingen (van dat schooltype) geldt. Daar moet niet bij voorbaat aan worden afgedaan.

123

Kunt u aangegeven hoeveel eerstelijns voorzieningen er voor havo/vwo momenteel zijn?

Op dit moment zijn er nog geen eerstelijns voorzieningen voor zorgleerlingen die op het havo/vwo zitten.

124

Kunt u toelichten hoe de uitbreiding van de eerstelijns zorgvoorziening naar havo/vwo vorm krijgt? Leidt het relatief geringe beschikbare bedrag niet tot teveel versnippering?

De taken van de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs worden uitgebreid met de zorgstructuur voor havo/vwo-leerlingen. Zij hebben de deskundigheid en ervaring om deze extra zorg te kunnen organiseren. Hiervoor wordt het regionale zorgbudget opgehoogd.

In eerste instantie gaat het om een relatief klein bedrag, maar naar verwachting zullen niet alle havo/vwo scholen vanaf het begin een beroep doen op deze voorzieningen. Het bedrag voor 2008 is aan de begroting van OCW toegevoegd. Vanaf 2009 is de oploop op de aanvullende post van het ministerie van Financiën gereserveerd. Vanaf 2011 gaat het indicatief om een bedrag van structureel € 10 miljoen per jaar.

125

Wordt er niet naar de mening van de leerlingen zelf gevraagd bij het geven van rapportcijfers voor leraren?

De Onderwijsmeter is een enquête onder ouders en volwassen Nederlanders. Leerlingen nemen daar niet aan deel.

Aan leerlingen uit het Voortgezet Onderwijs worden in de scholierenmonitor wel vragen voorgelegd over hun mening aangaande leraren, waaronder de volgende. De antwoordpercentages lopen per kolom van zeer oneens naar zeer eens.

Relatie tussen leerlingen en docenten ← Zeer oneenszeer eens →
De docenten behandelen leerlingen met respect5,97,421,133,931,7
De docenten behandelen leerlingen eerlijk7,710,025,932,224,2
De docenten zijn oprecht geïnteresseerd in leerlingen5,710,233,632,618,0

Bron scholierenmonitor 2007

126

Welk deel van de middelen voor experimenten ten aanzien van signalering en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen is precies bestemd voor het primair onderwijs en welk deel voor het voortgezet onderwijs? Kunt u aangegeven wat de eerste uitkomsten zijn van de experimenten uit 2007. In hoeverre geven deze eerste uitkomsten aanwijzingen dat een structurele bekostiging voor begeleiding van hoogbegaafde leerlingen nodig is?

Dit budget wordt gekoppeld met een budget ten behoeve van experimenten voor efficiency in het onderwijs (zie begroting blz. 60). Zoals aangegeven wordt ten behoeve daarvan eind 2007, begin 2008 een prijsvraag uitgeschreven ten behoeve van experimenten die evidence based materiaal moeten opleveren op het gebied van hoogbegaafden of efficiency in het onderwijs. Op voorhand is niet vastgesteld hoe dit onder het primair en voortgezet onderwijs wordt verdeeld. In het kader van hoogbegaafdheid zal er eind 2007 een onderzoek naar (vroegtijdige) signalering van hoogbegaafde leerlingen starten in het primair onderwijs. De eerste uitkomsten worden eind 2008 verwacht.

127

Hoeveel scholen hebben gebruik gemaakt van de FES-middelen voor inrichting en kleine bouwkundige aanpassingen ten behoeve van de bètavakken op havo/vwo?

Na een beoordelingsprocedure is van 149 scholen de aanvraag gehonoreerd.

128

Wat zijn de prognoses inzake het halen van de Europese doelstellingen betreffende het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs met een bèta/technische opleiding? Kan hierbij worden aangegeven in hoeverre de prognoses verschillen tussen het hbo en wo.

Wat betreft de uitstroomdoelstelling liggen we redelijk op koers met een groei van 7,1% voor het hele hoger onderwijs voor natuur en techniek. Voor het hbo is er een groei in uitstroom in 2006 ten opzichte van 2000 van –1,2% voor techniek. Voor het wo is de groei in 2006 29,5% voor natuur en techniek ten opzichte van 2000. Het is niet mogelijk om te voorspellen of de Europese doelstelling in 2010 zal worden behaald.

129

Hoe verhoudt zich het nog uit te komen advies samenwerking vmbo-mbo en bedrijfsleven met de keuzes in tabel 3.2 om vanaf 2008 geen middelen meer beschikbaar te stellen?

De analyses die in 2007 worden afgerond, betreffen de onderwijsinhoudelijke ruimte binnen de huidige programma’s van de scholen, de mogelijkheid om hierbinnen een regionale inkleuring te geven en de vraag of de samenwerking tussen het vmbo-mbo en bedrijfsleven voldoende tot stand komt.

De financiële ruimte die tot 2007 is geboden, zal vanaf 2008 worden ingezet via de innovatie/prestatiebox VO. Zie hiervoor het antwoord op vraag 121.

130

Op welke wijze operationaliseert u in VBTB-termen1 verder als u stelt dat ook het vmbo in de gelegenheid wordt gesteld om zich verder te ontwikkelen?

Doorontwikkeling van het vmbo is moeilijk in VBTB-termen vast te stellen.

De doorontwikkeling kan per school verschillen van vakinhoudelijke vernieuwingen tot pedagogisch didactische vernieuwingen. Tot nu toe is aan de school de ruimte geboden uit diverse thema’s te kiezen afhankelijk van de prioriteit die de school zelf stelde.

Met de VO-raad zal in het kader van de kwaliteitsagenda VO nader bezien worden welke prestatiedoelen en -afspraken te realiseren zijn. Deze bepalen dan de VBTB-termen.

131

Blijven de middelen voor Loopbaanoriëntatie enbegeleiding (LOB) in de lumpsum?

Ja, de bestaande middelen opgenomen in de materiële bekostiging (BSM) blijven gehandhaafd.

Zie verder ook het antwoord op vraag 121.

132

Kan in een overzicht worden aangegeven hoe de doorstroom is op basis van alle niveaus specifiek en wat daarbij de streefwaarden zijn (tabel 3.8). Kan worden toegelicht waarom de laatste waarde van «vmbo doorstoom totaal» lager is dan de basiswaarde.

De keuzes die leerlingen van de 4 leerwegen maken bij de doorstroom naar het mbo wisselen per jaar.

Een van de redenen is het wel of niet hebben van een leerbaan op het geëigend niveau. Lukt dat niet, dan kiest de leerling tijdelijk voor een bol-opleiding binnen het ROC.

Voorts maken ROC’s ook niet altijd onderscheid tussen bb- of kb-leerlingen of kennen sommige opleidingen in het ROC geen niveau 3.

Nadat het onderwijsnummer in alle sectoren volledig en enkele jaren wordt toegepast, is een beeld te geven zoals door u gevraagd.

De reden dat de laatste waarde lager is dan de basiswaarde (5%) is gelegen in het feit dat minder gediplomeerde leerlingen direct naar een vervolgopleiding zijn gegaan en dat een stijgend aantal leerlingen voor een havo in plaats van mbo-opleiding heeft gekozen.

133

Waarom formuleert u streefwaarden voor de overgang van vmbo naar havo? Waarom kiest u een ruime bandbreedte onder het huidige niveau?

Ook voor de invoering van het vmbo gingen mavo-leerlingen door naar het havo.

Lieten de eerste twee jaren na de invoering vmbo een lagere doorstroom zien, de daaraan volgende jaren gaven een stijging te zien naar het oude niveau (15%).

Veel leerlingen uit de gemengde en theoretische leerweg geven er de voorkeur aan toch eerst het havo te willen proberen. Als dat niet lukt of niet voldoet aan hun eerste indruk, is een overstap naar het mbo nog mogelijk. Het doorstroompercentage van de mavo-leerlingen en leerlingen gemengde leerweg in 2005 naar het havo bedraagt 16,2 %.

Echter in de begroting is het percentage uitgedrukt in een percentage van de totale vmbo-populatie en derhalve lager. Ook de bandbreedte van 5–10% is daarop afgestemd. De doorstroom van gl-leerlingen hierbinnen is moeilijk in te schatten.

Streefcijfer is tenminste het handhaven van het oude niveau mavo naar havo.

134

Hoe verklaart u de terugval in de «vmbo doorstroom totaal» met 5% van peildatum 2005 ten opzichte van 2004?

Zie antwoord op vraag 132.

135

Hoeveel budget is er voor brede scholen vo gereserveerd voor het deel van Nederland dat niet binnen de 40 WWI-wijken valt?

De impuls komt ten goede aan de gemeenten. Het budget van VO wordt, samen met de budgetten van PO, Cultuur en VWS in 2008 eerst verdeeld over de G-31. Voor de latere jaren staan middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Definitieve besluitvorming over deze tranches vindt de komende jaren steeds plaats bij voorjaarsnota. Kortheidshalve verwijs ik u voor de budgetten naar pagina 11 van de Beleidsbrief Sport die staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mw. Dr. J. Bussemaker, 15 oktober jl. naar uw Kamer heeft gezonden (kenmerk S/TOP-SP 2806117).

136

Waarom wordt er bij brede scholen speciale aandacht gegeven aan de 40 WWI-wijken, terwijl dit mogelijk geen recht doet aan de feitelijke behoefte?

Het is het Kabinetsbeleid om de situatie in de 40 WWI-wijken te verbeteren. De impuls zal in 2008 eerst beschikbaar komen voor de G-31. Hierbij horen ook de gemeenten met de veertig WWI-wijken. Gemeenten zijn nu aan zet om brede scholen in hun wijkactieplannen te betrekken en kunnen daarbij in de uitvoering ook profiteren van de Impuls brede scholen, sport en cultuur.

137

Kan worden aangegeven wanneer het onderzoek over de leerpluseffecten naar de Kamer gestuurd zal worden?

Zoals toegezegd, zal de rapportage over de onbedoelde neveneffecten van de verbreding van de Leerplusindicator met havo/vwo begin 2008 aan de Kamer worden gestuurd.

138

Wanneer is de tussentijdse evaluatie van het leerplusarrangement te verwachten?

Zie het antwoord op vraag 137.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

139

Vindt u dat – nu ETV.nl met haar multimediale activiteiten via een lokaal/regionale aanpak vrijwel dekkend is voor Nederland – een bijdrage voor activiteiten van Stichting Expertisecentrum ETV.nl vanuit het rijk niet gewenst is? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet? Van de werkboeken bij Lees en Schrijf! zijn inmiddels zo’n 20 000 werkboeken verstrekt. Garandeert u voldoende middelen voor een herdruk?

De Stichting ETV.nl is een van de uitvoerders van het aanvalsplan laaggeletterdheid 2006–2010 en krijgt op grond daarvan subsidie voor het uitvoeren van het project Lees en Schrijf. Inmiddels zijn middelen beschikbaar gesteld voor het uitvoeren van tweede serie inclusief de daarbij behorende werkboeken. Overigens is hier sprake van cofinanciering van derden. De serie(s) wordt(en) door de lokale/regionale zenders kosteloos uitgezonden. Van een herdruk van het werkboek bij de eerste serie is vooralsnog geen sprake.

140

Betekent de uitleg bij indicator 4 van tabel 4.1 dat er nooit met een streefwaarde is gewerkt?

In de voorgaande begrotingen zijn wel streefwaarden voor deze indicator (werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers, anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding) opgenomen. Deze indicator geeft belangrijke informatie over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. In de loop van de jaren zijn we tot het inzicht gekomen dat de bijdrage die onderwijsinstellingen op dit aspect kunnen leveren afgezet moeten worden tegen de conjuncturele omstandigheden. Vanuit dit perspectief is er in de begroting 2008 geen streefwaarde opgenomen.

141

Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de geringe ambitie (een groei van 48 tot 50%) inzake de tevredenheid van de deelnemers over de beroepspraktijkvormingsplek?

Dit heeft te maken met het feit dat dit percentage over een grote periode (2003–2007) zeer stabiel (48%) is gebleken. Gegeven deze trend, zou een stijging met 2 procent al een goede verbetering zijn.

142

Waarvoor dienen de posten overig in tabel 1.2? Kan toegelicht worden waar deze aan besteed worden?

Het gaat hier om diverse onderwerpen uit het budget specifieke stimulering van bve. Per operationele doelstelling zal ik een aantal grotere onderwerpen voor 2008 noemen die onder de posten overig vallen.

In operationele doelstelling 1 (Toerusting stelsel) zijn middelen opgenomen voor onderzoek, voor het Expertisecentrum Beroepsonderwijs, voor het rente arrangement dat is afgesproken met Flevoland en voor nog te verdelen loon- en prijsbijstelling.

In operationele doelstelling 2 (Kwaliteit en innovatieve instellingen) zijn middelen op genomen die betrekking hebben op de afbouw van innovatieregelingen (deze worden gefaseerd opgenomen in de innovatiebox) en de imagoverbetering van het beroepsonderwijs.

In operationele doelstelling 3 (Toegankelijkheid) zijn middelen opgenomen ter versterking van de positie van de deelnemer, voor een Leven Lang Leren, voor internationale Diploma Waardering, voor Examinering van NT2 en voor de uitvoering van internationale activiteiten.

In operationele doelstelling 4 (Minder schooluitval) zijn middelen opgenomen voor diverse activiteiten in het kader van voortijdig schoolverlaten.

143

Betekent de afname van de cijfers voor de bekostiging van roc’s dat er een afname van mbo leerlingen wordt geprognosticeerd? Geldt dit ook voor de lgf middelen?

De afname van de cijfers voor de bekostiging van roc’s heeft geen relatie met correcties over de komende jaren van de mbo leerlingen of de lgf-middelen, maar wordt na 2008 met name veroorzaakt door de teldatum maatregel uit het coalitieakkoord.

Er wordt voor de komende jaren juist een stijging van het aantal mbo leerlingen verwacht als gevolg van invoering van de kwalificatieplicht. In de referentieraming 2007 is de prognose oplopend van circa 466 000 leerlingen in studiejaar 2006/2007 tot circa 498 000 leerlingen in studiejaar 2011/2012. Ook is de verwachting dat het aantal lgf-geïndiceerde deelnemers verder stijgt.

144

Hoe komt het dat er na 2008 geen FES-middelen voor de innovatiebox worden uitgetrokken? Hoe rijmt u dit met de situatie dat de bve-sector eerst is opgejaagd om samenwerkingsverbanden aan te gaan, die per definitie langdurig moeten zijn om enig effect te kunnen sorteren?

Voor de gehele innovatiebox, inclusief de FES middelen, geldt dat samenwerkingsverbanden gewenst zijn. De middelen afkomstig uit het FES-fonds betreffen altijd incidentele middelen. De FES middelen die in 2007 beschikbaar worden gesteld moeten worden besteed aan de volgende drie doelen:

1. het ontwikkelen van lesmateriaal en examenmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs;

2. het investeren in kennis van docenten over het bedrijfsleven door middel van docentstages;

3. het aanjagen van instroom vanuit zwakkere groepen uit de beroepsbevolking tot 23 jaar in maatwerktrajecten die vooral of geheel in de praktijk worden uitgevoerd.

De onderwijs instellingen moeten in gezamenlijkheid met hun samenwerkingspartners in de regio elk van de afzonderlijke drie doelen in 2008 gerealiseerd hebben.

De 2e tranche van de FES-middelen komt (in 2008) beschikbaar na gebleken positieve evaluatie van de behaalde resultaten met de eerste tranche.

145

Welke activiteiten ontplooit u met de bijna 22 miljoen euro die u in verband met de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten uitgeeft aan Grote Stedenbeleid?

Dit bedrag ontvangen 31 gemeenten jaarlijks in een brede doeluitkering. Met deze gemeenten zijn in het kader van het grote stedenbeleid prestatieafspraken gemaakt over terugleiden (herplaatsen) naar werk of een opleiding van reeds uitgevallen jongeren.

146

De bezuiniging vanwege de teldatum wordt ex ante ingevoerd, terwijl de minister president heeft aangegeven, dat bezien wordt wat het precies gaat opleveren. Waarom deze manier van inboeken?

De realisatie op 1 februari (het tweede telmoment) bepaalt de eventuele bijstelling van het macro budget mbo. Dit zal in de Miljoenennota 2009 worden verwerkt (als gevolg van de bekostigingssystematiek dienen instellingen voorafgaand aan het jaar in kwestie te weten wat de omvang van hun budget is). Wanneer instellingen in staat zijn deelnemers op beide teldata binnen de instelling te houden worden zij gecompenseerd voor de ingeboekte korting.

147

Waarop is de verdeling van 148 miljoen euro voor mbo en 7 miljoen euro voor agrarisch onderwijs gebaseerd? Heeft dit te maken met de leerlingaantallen of verwachte uitvallers op basis van eerdere gegevens?

Met het ministerie van LNV zijn afspraken over de verdeling van de mbo middelen. Zowel in positieve zin als in negatieve zin. Dit wordt gedaan op basis van het aantal leerlingen.

148

In hoeverre doet de ingeboekte korting van 155 miljoen euro op de mbo-bekostiging recht aan de toezegging van de minister-president bij het debat over de regeringsverklaring dat het geen taakstellende bezuiniging betreft? Hoe voorkomt u dat de roc’s mede in het licht van de bekostigingssystematiek wel degelijk zullen moeten bezuinigen zonder dat duidelijk is of de tweede teldatum de beoogde opbrengst zal hebben?

Zie het antwoord bij vraag 146.

149

Kan worden aangegeven hoeveel van de middelen ten behoeve van de kwaliteit examens mbo in 2008 nog naar KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) zullen gaan?

De taakaanwijzing van KCE wordt per 15 november 2007 ingetrokken. Vanaf dat moment wordt ook de subsidierelatie met KCE door OCW afgebouwd. Of en zo ja welke bedragen hiermee in 2008 nog gemoeid zijn is op dit moment nog niet duidelijk. Dit is mede afhankelijk van de financiële afhandeling van het beëindigen van de taakaanwijzing, die met grote spoed haar beslag zal krijgen.

150

Hoeveel stageplaatsen zijn er momenteel en hoeveel zijn er in de toekomst geprognosticeerd? Op welke wijze wordt het aantal plaatsen bepaald/onderzocht?

Voor het MBO worden geen landelijke cijfers bijgehouden van het aantal mensen dat op dit moment stage loopt. Colo geeft regelmatig de Colo-barometer uit, waaruit blijkt welke branches overschotten dan wel tekorten hebben (er zijn geen kwantitatieve gegevens per sector beschikbaar). Dit wordt gebaseerd op 198 branche-regiorapportages; 33 branches rapporteren over de beschikbaarheid van stage- en leerplaatsen in de 6 CWI-regio’s.

Ik streef wel naar een verbetering van de registratie van stages. Zie daarvoor het antwoord op vraag 153.

151

Is de 3 miljoen euro die vanaf 2008 in de onderwijsenveloppe beschikbaar is, het volledige bedrag dat voor de invoering van competentiegericht leren wordt uitgetrokken? Zo neen, waar zijn dan de overige beschikbare middelen ondergebracht?

Nee, dit is niet het volledige bedrag dat voor competentiegericht beroepsonderwijs beschikbaar wordt gesteld uit de onderwijsenvelop. De oploop van deze middelen vanaf 2009 staat gereserveerd op de aanvullende post van het ministerie van Financiën.

Met de tranche 2008 en de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

1. Het ondersteunen van instellingen bij de overgang naar Competentie gericht beroepsonderwijs via het procesmanagement tot en met 2010. Het accent ligt hierbij op inhoud (inclusief examens), personeel en bedrijfsvoering,

2. Extra personele ontwikkelcapaciteit op de instellingen tot en met 2010,

3. Extra personele capaciteit op instellingen om vanaf 2011 deelnemers en het bedrijfsleven structureel op maat te kunnen bedienen.

Jaarlijks wordt bij voorjaarsnota besloten over de uitdeling van de tranches.

Overigens merk ik op dat in aanvulling op de enveloppenmiddelen uit het coalitieakkoord in 2008 nog € 2 miljoen beschikbaar is voor het procesmanagement. Daarnaast kunnen instellingen middelen uit bestaande regelingen, bijvoorbeeld die voor innovatie, mede aanwenden voor competentiegericht beroepsonderwijs.

152

Wat gaat u ondernemen teneinde onderwijspersoneel bij te scholen voor het competentiegericht leren en hoeveel mag dat kosten?

Instellingen zijn verantwoordelijk voor het bijscholen van het onderwijspersoneel. Hiervoor kunnen zij de rijksbijdragemiddelen benutten evenals specifieke additionele middelen voor bijvoorbeeld vernieuwing. Het procesmanagement MBO 2010 ondersteunt de instellingen bij de invoering van competentiegericht beroepsonderwijs, onder andere wat betreft de professionalisering van onderwijspersoneel.

Voor een overzicht van de extra enveloppenmiddelen uit het coalitieakkoord voor competentiegericht onderwijs verwijs ik naar het antwoord op vraag 151.

153

Kunt u uitgesplitst naar niveau een overzicht geven van de aantallen deelnemers die langer dan een maand moeten wachten op een stageplaats?

Gegevens over wachttijden zijn op dit moment niet op landelijk niveau beschikbaar (wel op het niveau van instellingen). Overigens blijkt uit de COLO-barometer dat over het algemeen geen tekort is aan stageplaatsen en leerbanen. Sterker nog: de technische en ambachtelijke sectoren en de handel kampen met tekorten aan leerlingen. Ik wil een betere registratie van de stage. Daarom wordt op dit moment onderzoek uitgevoerd naar de gegevensuitwisseling tussen kenniscentra en scholen via het basisregister onderwijsnummer (BRON). Via BRON zal de informatie van de praktijkovereenkomsten uitgewisseld en gelinkt worden aan www.stagemarkt.nl, de website van de kenniscentra waarin alle erkende leerbedrijven zijn opgenomen die stageplaatsen en leerbanen kunnen aanbieden.

154

Wat is de huidige stand van zaken ten aanzien van de experimentele invoering van competentiegerichte onderwijs en van de kwalificatiedossiers?

Uit de startrapportage van het procesmanagement met de prognosegegevens van instellingen over dit nieuwe studiejaar 2007–2008 blijkt dat het competentiegerichte onderwijs groeit tot naar verwachting ongeveer 275 000 deelnemers (dat is circa de helft van alle deelnemers in het mbo) in ongeveer 4700 experimentele opleidingen bij 82 instellingen. Deze opleidingen zijn gericht op 418 kwalificatiedossiers (dit betreft zowel de eerste generatie als de tweede generatie kwalificatiedossiers).

In het studiejaar 2006–2007 volgden ruim 123 000 deelnemers (dat is circa 25% van het totaal aantal deelnemers in het mbo) bij bijna 2100 experimentele opleidingen. In het studiejaar 2005–2006 waren dat respectievelijk 41 000 deelnemers (8%) bij 790 opleidingen en in het studiejaar 2004–2005 9 600 deelnemers (2%) bij 152 opleidingen.

In de brief aan de Tweede Kamer van 19 oktober 2007 betreffende de «Beleidsreactie op rapporten over competentiegericht beroepsonderwijs in het mbo» ( kenmerk BVE/Stelsel/2007/39 586) heb ik de Kamer nader geïnformeerd over de voortgang en de versterkte aanpak.

155

Hoeveel van het budget voor het verminderen van laaggeletterdheid gaat naar de stichting Lezen en Schrijven?

De Stichting Lezen en Schrijven ontvangt uit het beschikbare bedrag voor laaggeletterdheid € 1,1 miljoen.

156

Hoeveel zou het kosten om gratis openbaar vervoer te regelen voor alle mbo’ers die verder van hun opleiding wonen dan 12 km?

Zie antwoord op vraag 224.

157

Wat is uw ambitie in meerjarenperspectief inzake het verminderen van de 1,5 miljoen mensen in Nederland die moeite hebben met lezen, schrijven of rekenen?

In het aanvalsplan laaggeletterdheid is de ambitie geformuleerd om per 2010 12 500 laaggeletterden te bereiken met een cursus. Het behalen van hogere ambities, zoals vastgelegd in het convenant met sociale partners, zal – afgezien van overeengekomen, gerichte inspanningen onder werkenden en werkzoekenden – vooral ook afhangen van het succes van preventieve maatregelen in het onderwijs en de inzet van alle betrokken partijen (waaronder de sociale partners).

158

In hoeverre is er aangaande de middelen voor lgf rekening gehouden met een mogelijke groei?

Voor het studiejaar 2007/2008 is voor circa 2 200 deelnemers (inclusief het groene onderwijs) een lgf-budget verstrekt. Hiermee is een bedrag gemoeid van circa € 10 miljoen. De verwachting is dat het aantal lgf-indicaties zal stijgen met circa 10 procent per studiejaar. Deze verwachting is gebaseerd op het verschil tussen lgf geïndiceerde deelnemers van de studiejaren 2007/2008 en 2006/2007. Het vorenstaande houdt in dat voor het studiejaar 2008/2009 de raming uitgaat van circa 2 400 deelnemers en voor het studiejaar 2009/2010 van 2700 deelnemers. Deze raming zal worden bijgesteld op basis van de realisaties per studiejaar.

159

Wat wordt precies bedoeld met «Daarom wordt gewerkt aan de invoering van een samenhangende zorgstructuur in het mbo die moet leiden tot een versterking van de zorg voor risicodeelnemers op roc’s en vakinstellingen»?

De ontwikkeling van zorgnetwerken rond de BVE-sector is in volle gang, met hoge prioriteit voor de ontwikkeling van Zorg en Adviesteams (ZAT’s). Deze aanpak, waarbij scholen in samenwerking met andere instanties (zoals jeugdzorg, GGD en maatschappelijk werk) problemen bij jongeren snel signaleren en hulp bieden, is erg succesvol. MBO-instellingen schenken ook veel aandacht aan de ontwikkeling van de interne zorgstructuur, omdat bij het opzetten van samenwerking met externe partners de interne begeleidingsorganisatie aan de orde komt.

Daarnaast zorgt de invoering van het competentiegericht onderwijs ervoor dat de taak en rol van de mentor/coach en de aanvullende begeleidingsactiviteiten punt van aandacht vormen.

160

Kan een overzicht worden gegeven van het huidige aantal voortijdig schoolverlaters ten opzichte van 2006?

Nee. In het voorjaar 2008 rapporteert OCW u over (de ontwikkeling van) het aantal voortijdig schoolverlaters van het schooljaar 2006–2007.

De cijfers worden tevens in het jaarverslag van OCW gepubliceerd.

161

Kan worden toegelicht op welke wijze de implementatie van een landelijk digitaal loket zich verhoudt met de invoering van het onderwijsnummer?

Er wordt een landelijk digitaal loket ingevoerd voor het melden van verzuim en schooluitval. In deze opzet melden scholen en onderwijsinstellingen (VO en BVE) het verzuim van individuele leerlingen en deelnemers aan de IB-Groep (via een digitaal loket, op basis van onderwijsnummer). De IB-Groep geleidt deze informatie vervolgens door naar de juiste gemeente of RMC-functie. Door koppeling (op onderwijsnummer) aan de gegevens die al bij IB-Groep aanwezig zijn over ingeschreven leerlingen en deelnemers kan de te leveren verzuiminformatie beperkt blijven. In 2007/2008 vindt een test van deze opzet plaats in een aantal pilotgemeenten met een aantal scholen en instellingen. Bij gebleken succes wordt de opzet landelijk uitgerold in VO en BVE. Wanneer het onderwijsnummer in het PO is ingevoerd kan dit digitale loket ook daar in gebruik worden genomen.

Technocentra

162

Kan een overzicht worden gegeven van de Technocentra en hun specifieke doelstellingen?

De overkoepelende doelstelling van de technocentra is om meer jongeren te interesseren voor een studie of loopbaan in de bèta-technieksector en personen werkzaam in die sector duurzaam te behouden voor die arbeidsmarkt.

Specifieke doelstellingen van technocentra zijn: kenniscirculatie, gezamenlijke benutting van hoogwaardige en moderne apparatuur en bevordering van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt. Omdat de technocentra zich laten leiden door regionale knelpunten en uitdagingen kan de uitwerking van deze doelstellingen per regio verschillen. Activiteiten t.b.v. kenniscirculatie zijn onder meer het vormen van netwerken en andere samenwerkingsverbanden. Activiteiten t.a.v. de gezamenlijke benutting van apparatuur zijn bijvoorbeeld Praktijkcentrum Zwolle, Skills & Knowledge Centres, ITS Lab Amsterdam. Voorbeelden van activiteiten voor het bevorderen van de goede aansluiting zijn onder meer gericht op evenementen en promotie zoals de week van de techniek.

163

Wanneer vindt de evaluatie plaats van de Technocentra, aangezien deze evaluatie is aangekondigd voor na de zomer van 2007?

De evaluatie Jaarverslagen Technocentra 2006 is op 19 oktober 2007 aan staatssecretaris Van Bijsterveldt aangeboden.

Het evaluatierapport geeft een overall beeld van de door de Technocentra uitgevoerde activiteiten in 2006. Het beeld dat in het evaluatierapport naar voren komt is dat de Technocentra op correcte wijze verantwoording afleggen over de door hen uitgevoerde activiteiten.

164

Hoe ligt de beoogde verhouding van de subsidie in Technocentra wat betreft de verdeling tussen feitelijke uitvoering en overhead?

De technocentra zijn – in omvang kleine (3 tot 4 personen) – intermediaire organisaties die op regionaal niveau binnen de technische sector samenwerking tussen beroepsonderwijs en bedrijven initiëren, organiseren en faciliteren met het oog op het realiseren van voornoemde doelstellingen (zie antwoord op vraag 162). De basissubsidie die technocentra ontvangen is bedoeld voor het financieren van de eigen organisatie en voor het uitvoeren van een aantal basisactiviteiten.

Hoger onderwijs

165

Is er een actuele meting voor 2007 met betrekking tot het percentage hoger opgeleiden?

Nee. De meest actuele meting van het percentage hoger opgeleiden is uit 2005 (CBS Statline 2006). Daaruit blijkt dat het percentage hoger opgeleiden in onze beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar 34,3% bedraagt.

166

Welke beleidsacties worden in de komende jaren genomen om de streefwaarde voor het percentage hoger opgeleiden te halen?

Het kabinet zet hierop drie beleidsacties in:

• het terugdringen van de ongediplomeerde uitval uit het hoger onderwijs;

• het verbeteren van de doorstroom binnen het onderwijs en

• het verhogen van deelname aan «Leven Lang Leren».

De daarbij behorende aanpak zal ik nader toelichten in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid, die binnenkort aan uw Kamer zal worden voorgelegd.

167

Hoe verhouden de streefwaarde van 46% hoger opgeleiden in 2020 (tabel 6.1) en het HOOP 2004 (p. 67), met een percentage van 50% in 2010, zich tot elkaar?

Het gaat hier om twee verschillende streefwaarden.

Het percentage dat wordt genoemd in het HOOP 2004 betreft de ambitie rondom de deelname aan het hoger onderwijs.

De streefwaarde genoemd in de ontwerpbegroting 2008 betreft de ambitie rondom het percentage van hoger opgeleiden, dus van mensen die een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond.

168

Is de huidige meerjarenbegroting reeds gebaseerd op een toename van het aantal studenten zodanig dat de streefwaarde van 46% hoger opgeleiden per 2020 bereikt zal worden? Zo neen, met welk aantal studenten zal de instroom in het hbo en wo dan extra moeten groeien tot 2010 om deze streefwaarde te kunnen bereiken? Hoeveel extra budget is hiervoor benodigd?

De meerjarenraming in de ontwerpbegroting 2008 is gebaseerd op de geraamde autonome groei in het hoger onderwijs. Deze autonome groei leidt tot een deelname aan het hoger onderwijs van 54% (zie Kennis in Kaart 2006, figuur 30). Op basis van deze deelname en rekening houdend met het huidige uitvalpercentage wordt de streefwaarde van 46% hoger opgeleiden echter niet gehaald.

Om die streefwaarde wel te bereiken, is met name de ambitie geformuleerd om de uitval vanaf 2014 met 50% terug te dringen (en met 30% in 2011). Hiervoor zijn extra inspanningen nodig. Deze worden nader toegelicht in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid (zie ook het antwoord op vraag 166). De middelen voor de extra inspanningen worden gedekt uit de enveloppe van het Coalitieakkoord.

Als met de beoogde inspanningen de streefwaarde van 46% wordt bereikt, hoeft de instroom in het hbo en wo in de periode tot 2020 niet extra te groeien. Er wordt hierbij vanuit gegaan dat de oploop van de enveloppemiddelen die vanaf 2009 indicatief op de aanvullende post van het Rijk is gereserveerd jaarlijks bij Kaderbrief/Voorjaarsnota per tranche beschikbaar wordt gesteld voor de financiering van de extra inspanningen.

169

Kan toegelicht worden dat er voor de hogescholen enerzijds extra middelen worden ingezet voor «kwaliteits-verbetering docenten» en «minder uitval en kwaliteitsimpuls» en dat anderzijds de onderwijs-uitgaven per student gelijk blijven (pagina 96)? Betekent dit dat er voor die extra intensiveringen elders door de hogescholen bezuinigd moet worden op de onderwijsuitgaven per student?

Doordat de onderwijsuitgaven per student in de ontwerpbegroting afgerond worden gepresenteerd, is de verhoging die in 2008 plaatsvindt niet zichtbaar. De feitelijke verhoging in 2008 ten opzichte van 2007 bedraagt € 47,00 per student. Met ruim 360 000 hbo-studenten komt dit neer op een verhoging van circa € 17 miljoen. Dit bedrag komt overeen met de enveloppemiddelen uit het Coalitieakkoord voor het hoger onderwijs, verlaagd met de taakstelling subsidies voor deze sector van het onderwijs.

De hogescholen ontvangen extra middelen voor de beoogde intensiveringen en hoeven dus niet elders te bezuinigen.

170

Wat is de reden om E-learning na 2006 niet voort te zetten?

Het beleid rond E-learning in het hoger onderwijs is niet gewijzigd. Wel is de financiering gewijzigd. In de begroting waren tot en met 2006 middelen beschikbaar voor subsidiëring door het ministerie van OCW van de uitvoering van het Nationaal Actieplan E-learning dat SURF heeft opgesteld. Met ingang van 2007 hebben de ho-instellingen mij verzocht om middelen van de voor de instellingen beschikbare lumpsum af te zonderen en deze via SURF in te zetten voor de verdere uitvoering van het actieplan.

171

Waar is de investering met betrekking tot de bekostiging van de nieuwe hbo masteropleidingen van 5 miljoen euro precies voor bedoeld? Is dit voor de bekostiging of de ontwikkeling van nieuwe hbo masters of de bekostiging van bestaande masters?

De bedoelde middelen hebben als doel de ontwikkeling van nieuwe hbo-master opleidingen te stimuleren. Dit zal gebeuren middels een tijdelijke subsidie. Dit zal nader worden toegelicht in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden.

172

Gaan de hbo masters meetellen voor de diplomabekostiging?

Nee. Zie ook het antwoord op vraag 171.

173

Wat is het gevolg als FES-middelen voor béta en techniek ophouden te bestaan?

Het FES is bedoeld voor investeringsprojecten van nationaal belang waarmee beoogd wordt de economische structuur te versterken. Het gaat om een tijdelijke investering. Doelstelling is dat de projecten vanaf 2010 worden ingekaderd in het bestaande beleid van de instellingen.

174

Wat gebeurt er in zijn algemeenheid met de financiering van projecten na afloop van de investeringen vanuit FES-gelden?

Zie het antwoord op vraag 173.

175

Waarvoor is de 311 000 euro bedoeld die is aangemerkt voor Internationalisering Hoger Onderwijs?

De € 311 000 die in tabel 6.2 is opgenomen voor internationalisering in het hoger onderwijs betreft een realisatie voor het jaar 2006 (Jaarverslag en slotwet ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2006; Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 031 VIII, nr. 1). De middelen zijn in dat jaar ingezet voor een project om de instroom te bevorderen van excellente Indonesische en Chinese studenten in technische hbo-opleidingen in Nederland, én voor de programma’s Socrates en Leonardo da Vinci.

176

Waarom lopen de in tabel 6.2 weergegeven ontvangsten drastisch terug?

De ontvangsten in tabel 6.2 zijn in 2006 substantieel hoger dan de jaren daarna omdat in dat jaar de realisaties zijn verwerkt van de verrekeningen die hebben plaatsgevonden op basis van het onderzoek door de Commissie Vervolgonderzoek Rekenschap (Commissie Schutte). Verwerking van de verrekeningen die zijn/worden gerealiseerd in 2007 en volgende jaren vindt plaats bij de slotwetten van die jaren.

177

Waarom stopt de financiering van het budget voor verhoging van de deelname van gehandicapte studenten na 2009?

De extra middelen die voor de uitvoering van het «Plan van Aanpak terugdringing belemmeringen in het hoger onderwijs voor studenten met een functiebeperking» tot en met 2009 beschikbaar zijn gesteld aan de ho-instellingen, moeten ertoe leiden dat de participatie en studieresultaten in termen van vertraging, uitval en inspanning voor de betrokken studenten aanmerkelijke verbeteringen te zien geven. Bedoeling is dat vanaf 2010 de ho-instellingen hun verantwoordelijkheden op dit punt waar (blijven) maken.

In de ontwerpbegroting 2008 (artikel 7) is wel voorzien in voortzetting van de financiële ondersteuning van basisactiviteiten door het Expertisecentrum handicap + studie.

178

Wat is de achtergrond van de drastische afbouw van het budget voor verhoging van de deelname van gehandicapte studenten in 2009 naar 335 000 euro?

De meeste activiteiten uit het «Plan van Aanpak terugdringing belemmeringen in het hoger onderwijs voor studenten met een functiebeperking» worden in 2008 afgerond. In 2009 vindt alleen nog voortzetting plaats van de financiering van de algemene ondersteunende activiteiten door het Expertisecentrum h+s. Zie ook het antwoord op vraag 177.

179

Hoe kan het dat er voor het nieuwe item Alpha en Gamma onderzoek reeds in 2006 en 2007 middelen zijn begroot?

De € 6 miljoen die bij het onderdeel Alfa/Gamma-onderzoek is opgenomen voor de jaren 2006 en 2007 heeft betrekking op de middelen voor de jonge universiteiten (Universiteit van Tilburg, Erasmus Universiteit Rotterdam en Universiteit Maastricht).

Van de middelen die vanaf 2008 uit het Coalitieakkoord beschikbaar zijn gekomen voor Alfa/Gamma-onderzoek zal eveneens een bedrag van € 6 miljoen per jaar structureel worden ingezet voor deze (jonge) universiteiten. Om die reden zijn beide in tabel 6.3 samengevoegd.

180

Waar is de 2 miljoen euro die vanaf 2008 is begroot ten behoeve van de graduate schools precies voor bedoeld?

Met VSNU, NWO en KNAW wil ik in de komende periode een aanpak vorm geven, waarin NWO training grants gaat toekennen aan graduate schools op basis van open competitie. Zo’n training grant omvat een subsidie voor een aantal promovendi. In de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, wordt ook hierop in gegaan.

181

Is de 2 miljoen euro die vanaf 2008 is begroot voldoende budget in geval deze graduate schools nog opgezet moeten worden?

De middelen die zijn begroot, zijn bedoeld voor subsidies voor promovendi in graduate schools (zie het antwoord op vraag 180). In de jaren na 2008 lopen deze middelen op. Deze oploop staat gereserveerd op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën.

182

Kan het verschil in het bedrag voor programma-uitgaven tussen tabel 6.5 en 6.3 toegelicht worden?

Het bedrag voor programma-uitgaven in tabel 6.5 heeft betrekking op het hoger beroepsonderwijs, het bedrag in tabel 6.3 op wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Deze tabellen hebben dus betrekking op verschillende beleidsterreinen, waarmee het verschil is toegelicht.

183

Voor welke disciplines wordt beoogd om hbo-masteropleidingen in te stellen?

De stimuleringsmaatregel is gericht op opleidingen op prioritaire terreinen, zoals Creative industries (als aanvulling op de bekostigde hbo-masters op het gebied van de kunst en bouwkunst), Onderwijs (als aanvulling de bekostigde hbo-masters op het gebied van lerarenopleidingen), Grotestedenproblematiek en plattelandsvernieuwing, Zorg en technologie (als aanvulling op de bekostigde hbo-masters op het gebied van gezondheidszorg), Logistiek en Bouw. In de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, volgt ook hierop een nadere uiteenzetting.

184

Kan het tijdspad en de specifieke taakstelling worden toegelicht ten aanzien van de commissie die zich bezig gaat houden met alfa- en gammaonderzoek?

De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 september 2007 en brengt vóór 1 april 2008 haar eindrapport uit aan de minister. De commissie heeft tot taak het opstellen van een nationaal plan waarin de waarde en positie van de geesteswetenschappen in Nederland, mede in internationaal perspectief, beschreven worden. Daarmee wordt ook een referentiekader geboden voor (bestuurlijke) beslissingen op landelijk, instellings- en facultair niveau ten aanzien van duurzame en hoogwaardige beoefening van de geesteswetenschappen. De commissie houdt hierbij rekening met het beleidsprogramma van het kabinet en de komende strategische agenda voor hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap.

185

Hoe omvangrijk is de doelgroep waarvoor het budget van 5 miljoen euro voor de verhoging van het studierendement van niet-westerse allochtone studenten in de Randstad is bedoeld Welk bedrag is er per student per jaar beschikbaar voor de beoogde investering in kleinschaligheid en meer contacturen en studiebegeleiding voor deze specifieke studenten? Hoeveel extra contacturen of uren studiebegeleiding per student kan de instelling hieruit financieren?

Het studierendement van niet-westerse allochtonen is nog altijd zorgelijk. De OESO wijst hier ook op. Het rendement, dat wil zeggen het percentage studenten dat na 6 jaar een getuigschrift in het hoger onderwijs heeft behaald, van niet-westerse allochtonen is significant lager dan dat van autochtone studenten. In het hbo is dit verschil het grootst: na zes jaar heeft 66% van de autochtone studenten een diploma gehaald en 48% van de niet-westerse allochtone studenten. Dit verschil is bijna 20 procent (CFI, 2006). Gelet op deze achterstand en het feit dat 50–60% van de totale niet-westerse allochtonen studentenpopulatie in de grote steden studeert, is bijzondere aandacht voor het studiesucces van deze groep de komende tijd noodzakelijk.

Omdat de problematiek per stad verschillend is, zullen op basis van plannen van de ho-instellingen nadere afspraken worden gemaakt met als doel te komen tot verbetering van het rendement.

186

Kan toegelicht worden waarom het budget voor kwaliteitsverbetering docenten in tabel 6.2 hoger is dan tabel 6.3?

Het budget voor kwaliteitszorg docenten in tabel 6.2 is hoger dan in tabel 6.3 omdat voor het hbo (tabel 6.2) de middelen zijn verwerkt die bij het Coalitieakkoord beschikbaar zijn gekomen voor het verhogen van de scholingsgraad van docenten.

187

Welke voorstellen zijn er reeds ingediend in het kader van excellentie in onderwijs?

Er zijn nog geen voorstellen ingediend voor de FES-middelen die beschikbaar zijn voor «Excellentie in onderwijs». Zeer onlangs is een vooraankondiging voor een programma gericht op excellentie in het hoger onderwijs aan de instellingen voor hoger onderwijs gezonden. Het doel is om in het studiejaar 2008/2009 van start te gaan met de uitvoering van de voorstellen.

188

Hoe verhoudt zich het voorstel voor het oprichten van graduate schools met de bestaande onderzoeksscholen en graduate schools? In hoeverre zullen deze mogelijk opgeheven gaan worden?

Zie het antwoord op vraag 180.

189

Kan de achtergrond van het ontstaan van het noodfond Libertas worden toegelicht en kan worden aangegeven in hoeverre er samenwerking plaatsvindt met het departement voor ontwikkelingssamenwerking en met het Nuffic?

Het Libertas Noodfonds is een uitwerking van de toezegging die staatsecretaris Rutte deed op 18 april 2006 in de Tweede Kamer. De leden Bakker (D66) en Karimi (GL) vroegen om maatregelen om studenten die in Wit-Rusland het studeren onmogelijk werd gemaakt op politieke gronden te steunen. Timmermans (PvdA) en Joldersma (CDA) meenden dat dit met een zekere flexibiliteit mogelijk gemaakt moest worden (Handelingen 2005–2006, nr. 72, Tweede Kamer, pag. 4531–4533).

Op 19 mei werden schriftelijke vragen gesteld door de leden Winsen en Joldersma (beiden CDA) aan de ministers voor Vreemdelingenzaken en Integratie en van Buitenlandse Zaken over het toelaten van studenten uit Wit-Rusland. Deze vragen werden door de minister voor Buitenlandse Zaken, mede namens de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoord (Kamervragen met antwoord 2005–2006, nr. 2057, Tweede Kamer). De Kamer drong aan op het opnemen van studenten uit Wit-Rusland, die dankzij de politieke situatie hun studie niet konden vervolgen. De onderwijskoepels VSNU en HBO-Raad hadden namens de universiteiten en hogescholen hun uitdrukkelijke medewerking toegezegd om het studenten uit Wit-Rusland, die vanwege politieke activiteiten van hun onderwijsinstelling zijn gestuurd, mogelijk te maken aan een Nederlandse HO-instelling (verder) te studeren (Kamerstuk 2005–2006, 22 452, nr. 26, Tweede Kamer). Dit is vervolgens uitgewerkt in het Libertas Noodfonds.

De Kamer had middels de brieven van de leden Winsen en Joldersma en de mondelinge vragen van de heer Bakker te kennen gegeven enig ongeduld te ervaren. Om soortgelijke situaties sneller het hoofd te kunnen bieden, werd besloten de regeling zo te ontwerpen dat in de toekomst de regeling opengesteld kon worden voor studenten uit andere landen die om politieke redenen niet verder konden studeren. Hiervoor moet de Nederlandse regering wel uitdrukkelijk toestemming verlenen. Dit is tot nu toe alleen in het geval van Zimbabwe gebeurd.

Het departement voor Buitenlandse Zaken werd, zoals uit bovenstaande is op te maken betrokken bij het tot stand komen en uitvoeren van de regeling. De Nuffic voert de regeling uit.

190

Komen de internationale beurzen bovenop de reeds bestaande instellingsbeurzen?

Ja. Er zijn instellingen die beurzen aanbieden uit eigen middelen. De instellingen ontvangen momenteel geen specifiek budget van het ministerie van OCW om zelf beurzenprogramma’s te financieren. Vanaf 1 januari 2009 zal een deel van de rijksbijdrage bestemd zijn voor het ontwikkelen van internationaal beleid, waarmee ook beurzen kunnen worden gefinancierd. Dit staat bekend onder de noemer Kennisbeurzen.

191

Op welke termijn kan een «robuuste» internationale benchmark van kwaliteit in het ho worden voorzien op basis waarvan een kwalitatief oordeel geveld kan worden?

De kwaliteit en beschikbaarheid van internationale benchmarks over kwaliteit van het hoger onderwijs hangt af van allerlei factoren, en is niet eenzijdig vanuit Nederland op te zetten. Om die reden is het niet makkelijk aan te geven wanneer zo’n benchmark er zal zijn. Wel is het zo dat ik, waar dat kan, stimuleer dat initiatieven om kwaliteit internationaal te vergelijken tot stand komen. Zo probeer ik het systeem van studiekeuze-informatie dat wij in Nederland hebben (www.studiekeuze123.nl) ook in andere Europese landen te agenderen. Er loopt een pilot om het Duitse CHE-systeem (dat inhoudelijk erg op studiekeuze123 lijkt) in meer Europese landen ingang te doen vinden (aan die pilot doen Nederland, Duitsland en Vlaanderen mee).

192

Kan worden verklaard op welke wijze de beoogde daling van student/staf ratio zich in het kader van de Sjanghai-ranking verhoudt met de in 6.6.3. doelstelling meer en betere docenten aan te stellen? In hoeverre is deze Sjanghai-ranking een goede indicator?

Meer docenten bij eenzelfde aantal studenten leidt ertoe dat de ratio student/staf daalt.

De Sjanghai ranking is vooral gebaseerd op wetenschappelijke prestaties van instellingen. De student/staf ratio vormt in de ranking slechts een zeer klein onderdeel.

De indicator student/staf ratio wordt voor de binnenlandse monitoring van het beleid gebruikt.

193

Is de indicator student/staf ratio voor de hogescholen inmiddels wel geschoond voor lectoren en docenten die aan kenniskringen deelnemen? Wanneer zal de definitieve waarde van deze indicatoren bekend worden gemaakt?

Het ligt niet in de bedoeling een dergelijke schoning te laten uitvoeren.

194

Welke spanning bestaat er tussen het streven naar hogere participatie en de verlaging van de uitval in het hoger onderwijs? Zijn er voorbeelden bekend van streefwaarden voor uitval en rendement waarin rekening gehouden wordt met deze spanning?

Van een dergelijke spanning lijkt vooralsnog geen sprake te zijn. Als we kijken naar de afgelopen 20 jaar, dan zien we dat de participatie aan het hoger onderwijs toeneemt en dat de uitval uit het hoger onderwijs gelijk blijft. Het is dus niet zo, dat een hogere participatie tot meer uitval leidt. Maar tegelijkertijd is ook duidelijk dat het tot nu toe niet is gelukt om een hogere participatie te combineren met verlaging van de uitval of andere manifestaties van een groter studiesucces onder studenten. Daarom is belangrijk om een integrale aanpak van meer deelname, meer studiesucces en betere kwaliteit uit te werken. Ik zal die aanpak presenteren in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid.

195

Kan worden toegelicht wat de taakstelling (in studentenaantallen en termijn) is voor de 5 miljoen euro budgettering in het kader van ondersteuning allochtone studenten.

Zie het antwoord bij vraag 185.

196

Hoeveel studenten met een handicap studeren momenteel in het hoger onderwijs en wat is bij hen de uitval/het rendement?

Aangezien er geen sluitende registratie van studenten met functiebeperkingen plaatsvindt, kan dit niet exact worden aangegeven. Op grond van onderzoek onder studenten wordt ervan uitgegaan dat 11 à 14% van alle studenten (60 à 75 000) een functiebeperking heeft (lichamelijk, psychisch of dyslexie), en dat meer dan de helft ervan, dus 6 à 8% van alle studenten daarvan belemmeringen ondervindt bij het volgen van onderwijs.

Over de uitval zijn in de Studentenmonitor 2002 slechts beperkte gegevens opgenomen: studenten in de eerste twee jaren van het hoger onderwijs vallen 2,5 x zo vaak uit als studenten zonder handicap. Gezien de validiteit van deze gegevens wordt ernaar gestreefd om via onderzoek naar de effectiviteit van maatregelen, naar de specifieke belemmerende factoren in het traject vo-ho én naar de kosten van ho-instellingen voor aanpassingen, meer betrouwbare gegevens te verkrijgen.

197

Hoe verhouden de basiswaarden voor uitval en rendement zich tot die in de omringende landen?

Voor internationale vergelijking van het rendement van hoger onderwijs is Education at a glance 2007 de meest recente bron. Daarin wordt door de OECD de verhouding tussen de instroom en de gediplomeerde uitstroom gebruikt met een tijdsverschil van de studieduur (voor de meeste opleidingen is dat 4 jaar; voor bèta en techniek 5 jaar; voor medische opleidingen 6 of 7 jaar).

Nederland slaat bij deze indicator met een rendement van 76% in 2005 geen slecht figuur binnen Europa: slechts drie Europese landen scoren hoger: Verenigd Koninkrijk (78%), Griekenland (79%) en Ierland (83%).

Duitsland heeft een rendement van 73 %; België van 74 %; de gemiddelden voor Europa19 (19 leden) en voor de OESO als geheel bedragen 71%.

198

Is er al enig zicht op de specifieke prestatieafspraken die met de HBO-raad en VSNU worden gemaakt rond uitvalvermindering en kwaliteitsverhoging?

Ja. Mijn inzet bij die prestatieafspraken is uitgewerkt in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid. Daarin doe ik een voorstel voor concrete ambities rondom het verminderen van uitval en het verbeteren van onderwijskwaliteit met bijbehorende extra middelen voor de instellingen en indicatoren om de voortgang van de uitvoering van die ambitie te monitoren. Ik heb inmiddels verschillende malen met HBO-raad en VSNU overleg gevoerd over deze strategische agenda en ik concludeer daaruit dat er breed draagvlak is voor de daarin opgenomen onderwerpen, ambities en aanpak, uiteraard met inachtneming van de verschillende invalshoeken van partijen en nuances op onderdelen van de agenda. In het maken van goede prestatieafspraken naar aanleiding van de strategische agenda heb ik dan ook alle vertrouwen.

199

Op welke uitgangsniveau kan het huidige wo-bachelor onderwijs ingeschaald worden? Is dit op dit moment op het gewenste uitgangsniveau zodat een wo-bachelor ook aansluiting vindt op de arbeidsmarkt?

Studierendement van het wetenschappelijk onderwijs (zoals in tabel 6.9 op pagina 101 van de ontwerpbegroting 2008) wordt berekend als het percentage studenten dat na 7 jaar het masterdiploma heeft behaald.

Op termijn leidt de bachelor-master structuur er naar verwachting toe dat bachelor- en master-kwalificaties losser van elkaar komen te staan. De trend dat wo-studenten een master aan een andere universiteit of in het buitenland gaan volgen heeft zich al ingezet en zal naar verwachting nog toenemen. Ik verwacht dat dit ertoe zal leiden dat bacheloropleidingen meer dan nu een duidelijke eindkwalificatie zullen hebben. Het is dan ook zeker denkbaar dat op termijn studenten met een wo-bachelor diploma, net als met een hbo-bachelor, goed op de arbeidsmarkt terecht kunnen.

200

Hoe acht u een verlaging van de uitval met 30% mogelijk als tegelijkertijd de beschikbare onderwijsuitgaven per student (pagina 96) gelijk blijven? Zijn voor een vermindering van de uitval geen extra uitgaven nodig, zoals bijvoorbeeld de kosten van een intensievere studiebegeleiding?

Daarvoor zijn inderdaad extra uitgaven nodig. In deze ontwerpbegroting 2008 en in de Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek- en wetenschapsbeleid worden daarvoor ook nadere voorstellen gedaan.

Bij de beantwoording van vraag 169 is aangegeven dat de extra middelen die bij het Coalitieakkoord beschikbaar zijn gekomen voor het hoger onderwijs (de middelen voor vermindering van de uitval maakt daar deel vanuit) een verhoging tot gevolg hebben gehad in de onderwijsuitgaven per student.

201

In de toelichting bij de indicatoren voor uitval en rendement wordt opgemerkt dat de indicatoren betrekking hebben op het totale rendement binnen het hoger onderwijs. Een deel van het wo-rendement betreft hbo-diploma’s en een deel van het hbo-rendement betreft wo-diploma’s. Hoeveel studenten stappen over gedurende hun bachelor opleiding van hbo naar wo en omgekeerd? Wat is de waarde van de indicatoren indien hiervoor geschoond wordt?

Als wordt geschoond voor bedoeld overstappen, dan zijn de indicatoren als volgt:

Voor het hbo:

– hbo autochtoon: 66%. Daarnaast start 2% in het hbo en behaalt alsnog een wo diploma (ongeveer 1000 studenten);

– hbo niet-westers allochtoon: 47%. Daarnaast start 2% in het hbo en behaalt alsnog een wo diploma (ongeveer 140 studenten).

Voor het wo:

– wo autochtoon: 63%. Daarnaast start 8% in het wo en behaalt alsnog een hbo diploma (ongeveer 1900 studenten);

– wo niet-westers allochtoon: 48%. Daarnaast start 7% in het wo en behaalt alsnog een hbo diploma (ongeveer 180 studenten).

202

Kan worden aangegeven hoeveel vrouwen momenteel deelnemen aan bètastudies?

In totaal nemen 4312 (18,6%) vrouwen deel aan bètastudies in het hoger onderwijs (bron: Platform Bèta Techniek). Van deze 4312 vrouwelijke bètastudenten studeren er 2 036 (25,9%) aan wo-instellingen en 2 076 (14,3%) aan hogescholen.

203

In hoeverre zijn de FES-gelden alleen bedoeld voor techniek? Kan er een overzicht worden gegeven van alle FES-investeringen in de OCW begroting.

Zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 173 zijn FES-middelen bestemd voor investeringsprojecten van nationaal belang waarmee wordt beoogd de economische structuur te versterken.

Van de FES-middelen die zijn genoemd op bladzijde 102 van de ontwerpbegroting 2008 hebben de volgende projecten betrekking op techniek:

• € 20 miljoen (2007–2009) voor de «Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs» te weten:

– bijscholen van pabo-studenten (totaal over drie jaren € 10 miljoen) en

– aanpassen van de fysieke leeromgeving in het voortgezet onderwijs aan de eisen van bèta & techniek onderwijs (totaal over drie jaren € 10 miljoen).

• € 50,3 miljoen (2007 tot en met 2011) voor de drie technische universiteiten voor de oprichting van vijf gezamenlijke toponderzoeksinstituten.

De FES-middelen voor «Ondernemerschap» hebben geen betrekking op techniek. Alle FES-middelen op de OCW-begroting worden in de onderstaande tabel weergegeven:

bedrag x € 1 miljoen
   200720082009201020112012Totaal
TechnocentraKennis TechnocentraImpuls 19989,29,19,19,1  36,6
          
ICT/VOKennis (ICT en onderw)Impuls 200147,847,847,847,8  191,1
OWBKennis, onderz. en inn. (vernieuwingsimpuls)Impuls 200111,911,911,911,9  47,7
          
OWBKennis BsikImpuls 200452,432,852,65,1  142,9
          
PO/VOVMBO/funderend onderwijs OCWImpuls 2005146,9     146,9
POA15 VVE (versnelling)Impuls 20059,422,513,1   45,0
POVVEImpuls 20059,98,1    18,0
CultuurMonumentenImpuls 20052,5     2,5
CultuurArcheologisch bodemonderzoek (Malta)Impuls 20058,0     8,0
OWBGrootschalige researchfaciliteitenImpuls 200530,622,810,23,91,81,871,2
OWBInn.progr. en toponderzoek-GATEImpuls 20052,02,02,02,01,0 9,0
          
OWBA1 ParelsnoerImpuls 200611,87,87,87,8  35,0
OWBA6 ITERImpuls 200615,0     15,0
WOA9 Rendement&excellentieImpuls 2006 10,010,015,015,0 50,0
PO/VO/HBOA10 Investeringsagenda beta&techniekImpuls 200623,024,512,5   60,0
VOA11 Leren door te experimenterenImpuls 20067,512,55,0   25,0
BVEA12 Beroepsonderwijs in bedrijf*Impuls 200684,33,0    87,3
CultuurA13 Beelden voor de toekomstImpuls 200624,523,822,922,021,120,3134,7
WOTransitie samenwerking TU’sImpuls 200610,110,110,110,110,1 50,3
ICT/VOMS&ICTImpuls 20063,82,11,1   7,0
          
OWBGenomicsCoalitieakkoord 12,033,037,041,041,0164,0
   510,6262,8249,1171,690,063,11 347,2

* de 2e tranche van de middelen komt (in 2008) beschikbaar na een evaluatie naar de behaalde resultaten.

204

Aan welke activiteiten denkt u nu u schrijft dat er in het kader van het Deltaplan bèta/techniek meer aandacht nodig is voor de instroom in het hbo?

Het beeld eind 2006 was dat negen hogescholen het heel goed deden, maar negen andere niet, wat het hele resultaat drukte. Het afgelopen jaar heeft het Platform Bèta en techniek een verscherpte strategie in het hbo gevoerd. Met de slecht presterende hogescholen zijn gesprekken gevoerd, gekoppeld aan de inzet van vervolgsubsidies. Deelname aan de tweede tranche is pas mogelijk, wanneer ze de afgesproken prestaties behalen. Met de instellingen zijn nieuwe afspraken gemaakt, waarbij extra is ingezet op:

– allochtonen door middel van een pilot met de hogescholen in het westen van het land (de Randstad);

– de aansluiting tussen voortgezet onderwijs en het hbo (dit gebeurt onder andere door regionale mobiliteitsafspraken voor docenten tussen vo en hbo/wo en

– het opstellen van een benchmark om helder te krijgen waarin succesvolle instellingen zich onderscheiden van hen die nog niet (zo) succesvol zijn.

Resultaten lijken positief:

– Momenteel loopt de audit voor 2007. De inzet van het Platform lijkt als resultaat te hebben gehad dat meer instellingen goed bezig zijn: waren het vorig jaar nog negen instellingen die onderpresteerden, dit jaar zijn dat er volgens de onafhankelijke experts slechts drie.

– De officiële instroomcijfers zijn nog niet bekend, maar de vooraanmeldingscijfers laten voor het eerst in lange tijd weer een forse groei zien in de sector techniek op het hbo, een grotere groei zelfs dan het gehele hbo.

205

Hoeveel lectoren zijn er momenteel in Nederland en hoeveel worden er door de instellingen zelf gefinancierd?

Bij de beantwoording van deze vraag wordt uitgegaan van het aantal lectoraten. Het lectoraat bestaat uit één of meerdere lectoren en een kenniskring. In een kenniskring zijn docenten en externe partners actief. Op dit moment zijn er 321 lectoraten geteld (bron: SKO). Deze lectoraten worden gefinancierd uit subsidiegelden dan wel uit de rijksbijdrage van de hogescholen (vanaf 2007 zijn de middelen voor lectoren en kenniskringen toegevoegd aan de rijksbijdrage).

206

Hoe groot wordt de kans geacht dat de streefwaarde aangaande de raak-regeling gehaald zal gaan worden?

Het halen van de streefwaarde is afhankelijk van de extra financiële middelen die de overheid de komende kabinetsperiode beschikbaar stelt voor RAAK. Bij het vaststellen van de streefwaarde is uitgegaan van een geleidelijk toename van deze financiële middelen (de toename is gereserveerd op de aanvullende post van het ministerie van Financiën; zie bladzijde 90 van de ontwerpbegroting 2008). Gegeven dit voorbehoud is de streefwaarde haalbaar.

Internationaal onderwijsbeleid

207

Kan het verschil in het begrote budget tussen 2009, 2010 en 2011 toegelicht worden?

Ja, het verschil is het gevolg van de invulling van de subsidietaakstelling in het kader van het Coalitieakkoord. Op dit artikel ziet deze taakstelling er als volgt uit: voor het jaar 2008 een verlaging van € 0,2 miljoen, voor het jaar 2009 een verlaging van € 0,4 miljoen en voor de volgende jaren structureel een verlaging van € 0,8 miljoen. Zie hiervoor ook de tabel «Specificatie nieuwe mutaties» uit het verdiepingshoofdstuk op pagina 232 van de begroting 2008.

208

Worden de Internationale School Eindhoven en het United World College in Maastricht uit de internationale uitgaven van OCW gefinancierd? Zo ja, voor welk bedrag? Zo neen, waarom niet?

Ten laste van de begroting van het voortgezet onderwijs wordt een afdeling internationaal voortgezet onderwijs gefinancierd die is verbonden met het Stedelijk College Eindhoven. Deze afdeling duidt zich ook wel aan als International School Eindhoven. In 2006 had deze afdeling 267 leerlingen, waarmee een bekostigingsbedrag is gemoeid van ca. € 1,75 miljoen.

Het UWC in Maastricht is nog in voorbereiding en wordt op dit moment nog niet gefinancierd vanuit OCW.

209

Kan het verschil in budget (tabel 8.3) en het verschil in de participatiegraad tussen po, vo en bve worden toegelicht.

Er bestaat geen direct verband tussen het budget tabel 8.3 Internationale uitgaven OCW (blz. 108) en de deelnamecijfers van de verschillende onderwijsvelden.

Daarvoor zijn er verschillende oorzaken:

1. De Nederlandse onderwijsinstellingen financieren zelf vormen van internationale samenwerking. Deze middelen maken geen deel uit van het in tabel 8.3 gegeven overzicht;

2. Daarnaast kunnen de Nederlandse onderwijsinstellingen ook gebruik maken van middelen die vanuit de Europese programma’s beschikbaar worden gesteld voor internationalisering. Deze Europese middelen zijn geen onderdeel van OCW-begroting.

210

Wat is de score van het percentage mobiele Nederlandse studenten in het buitenland?

Jaarlijks rapporteren de Nuffic, CINOP en het Europees Platform over de internationale mobiliteit in het onderwijs. Zoals gebruikelijk is dit rapport «Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland» over het jaar 2006 in de zomer 2007 aan de de Eerste en Tweede Kamer aangeboden. De gegevens in het rapport hebben betrekking op de uitgaande mobiliteit van onze leerlingen, studenten en jonge werkenden in het kader van mobiliteitsprogramma’s. Volgens opgave in dit rapport bedraagt het aantal Nederlandse studenten in het buitenland (2003/2004):

– 10 250 ingeschrevenen binnen de EU;

– 2 750 ingeschrevenen buiten de EU;

– 5 250 uitwisselingsstudenten.

211

Op welke wijze wordt de zinsnede «Leraren en ander onderwijspersoneel moeten meer zeggenschap krijgen over het beleid van de school» concreet ingevuld?

Meer zeggenschap van leraren over het beleid van de school is een van de manieren om de positie van leraar te verbeteren. De Commissie Rinnooy Kan heeft op 12 september het advies «LeerKracht» uitgebracht over concrete maatregelen om de kwaliteit en positie van de leraar te verbeteren. In november komt het kabinet met een beleidsreactie op dit rapport. In deze beleidsreactie worden de kabinetsmaatregelen gepresenteerd ter verbetering van de kwaliteit en de positie van leraren. Op de precieze inhoud daarvan kan ik nu nog niet vooruitlopen.

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

212

Kan worden toegelicht waaraan de 1% risicogrens is ontleend?

Een arbeidsmarkt is dynamisch, en daar horen openstaande vacatures bij. «Frictievacatures» zijn daarom een natuurlijk verschijnsel op de arbeidsmarkt. Als er echter te veel vacatures openstaan in verhouding tot het aantal werkenden (een hoge «vacature-intensiteit»), wordt het steeds moeilijker om met de zittende personeelsleden het onderwijsproces goed vorm te blijven geven. Een absolute norm daarvoor is er niet. In het verleden bleek echter dat als het lerarentekort boven de één procent komt, het onderwijs in problemen komt. In het primair onderwijs werden toen klassen samengevoegd of kinderen werden naar huis gestuurd. Directeuren stonden vaak voor de klas omdat er geen vervangers waren. Voor management in het onderwijs ligt de norm hoger dan één procent.

213

Rekent u de vakinhoudelijke verenigingen tevens tot de maatschappelijke organisaties waarvan het onderwijs als externe factoren mede afhankelijk is? Hoe houdt u daarmee rekening?

Waar dat opportuun is, wordt bij de beleidsvorming (mede) inbreng gevraagd van de vakinhoudelijke verenigingen. In de Overleggroep Tweede Fase VO werden de afgelopen jaren alle incidentele en meer structurele beleidswijzigingen voor de tweede fase havo/vwo besproken. In die overleggroep zat – naast vertegenwoordigers van besturenorganisaties, schoolleiders en vakbonden – ook de voorzitter van het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO). Een ander voorbeeld is de samenstelling van de vakgroepen van de CEVO, welke vakgroepen zich bezighouden met de constructie van de examens. De docenten in die vakgroepen worden voorgedragen door de vakinhoudelijke verenigingen. Tevens heeft de voorzitter van het Platform VVVO zitting in het bestuur van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL). Via de SBL heeft het Platform VVVO onder meer een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de bekwaamheidseisen van leraren. Die bekwaamheidseisen heeft de minister opgenomen in de Wet op de beroepen in het onderwijs, die per 1 augustus 2006 van kracht is.

214

Welke concrete ontwikkelingen liggen ten grondslag aan de plotselinge stijging van het vacaturepercentage in het vo en bve in 2006?

Het aantal openstaande vacatures op de totale Nederlandse arbeidsmarkt is in de afgelopen jaren fors gestegen: van 90 000 eind september 2003 tot 225 000 eind juni 2007.

Ook in het onderwijs (po, vo en mbo) is het aantal openstaande vacatures in het afgelopen jaar fors gestegen. In deze sectoren is het totaal aantal openstaande vacatures in één jaar tijd bijna verdubbeld van gemiddeld 870 voltijdbanen in het schooljaar 2005–2006 naar ruim 1600 in het schooljaar 2006–2007. Hierbij gaat het om het totaal aantal vacatures voor onderwijsgevenden, management en ondersteunend personeel. Deze stijging van het aantal openstaande vacatures is overigens in lijn met eerdere verwachtingen.

Het hoge aantal vacatures hangt samen met de positieve economische ontwikkeling. Leraren hebben meer mogelijkheden om ook in het bedrijfsleven een baan te vinden. Anderzijds beginnen nu ook de gevolgen van de vergrijzing van het onderwijspersoneel steeds meer zichtbaar te worden. Er is een toenemende groep leraren die het onderwijs definitief verlaat omdat ze met (pré)pensioen gaan.

215

Hoe kan worden verklaard dat ondanks een acceptabel geacht vacaturepercentage van lager dan 1% er zowel in po, vo en bve in 2006 sprake was van lesuitval? Is ziekteverzuim hiervan wellicht de oorzaak? Zo ja, wordt een verlaging hiervan nagestreefd? Kunnen hiervan percentages worden gegeven?

Uit onderzoek1 blijkt dat in het voortgezet onderwijs ruim zes procent van de lessen uitvalt. Daarnaast wordt nog bijna twee procent van de lessen vervangen.

De twee belangrijkste oorzaken van lesuitval zijn (plotselinge) ziekte van een docent en uitval om organisatorische redenen, zoals vergaderingen en werkweken. Lessen vallen niet of nauwelijks uit omdat scholen hun vacatures niet kunnen vervullen.

Dankzij allerlei beleidsmaatregelen is het ziekteverzuim in het onderwijs de afgelopen jaren flink gedaald. In het basisonderwijs van 8,9 procent in 2000 naar 5,8 procent in 2006. In het voortgezet onderwijs daalde het ziekteverzuim in dezelfde periode van 7,9 procent naar 5,0 procent en in het middelbaar beroepsonderwijs van 7,3 procent in 2003 naar 5,8 procent in 20061.

In de begroting zijn over ziekteverzuim geen concrete streefwaarden genoemd (zie tabel 9.4). Wel wordt er naar gestreefd om minimaal de huidige (lage) verzuimcijfers vast te houden.

216

Zijn er ook andere mogelijkheden om het lerarentekort te meten in plaats van de bepaling van het vacaturepercentage? Op welke wijze wordt er rekening gehouden met een bias wanneer scholen geen nieuwe vacature plaatsen maar de zaken intern opvullen?

Het ministerie van OCW laat jaarlijks onderzoek uitvoeren naar de vacatures in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

Op basis van een representatieve steekproef onder een groot aantal scholen worden schattingen gemaakt van het aantal ontstane, vervulde en openstaande vacatures.

In dit onderzoek is een vacature «een arbeidsplaats waarvoor intern (binnen het bestuur) en/of extern (buiten het bestuur) personeel wordt gezocht dat onmiddellijk of zo spoedig mogelijk geplaatst kan worden. Het kan daarbij gaan om een reguliere vacature of een vacature voor vervanging langer dan drie weken».

Wanneer scholen de zaak intern opvullen, zonder dat er geworven wordt voor personeel, wordt dit in het onderzoek wel beschouwd als een ontstane vacature. Maar omdat de vacature intern wordt vervuld, bijvoorbeeld door uitbreiding van de aanstelling van zittend personeel, is er geen sprake van een openstaande vacature.

Indien niet geworven wordt voor (nieuwe) leerkrachten, omdat men structureel lessen laat vervallen, blijkt dat niet uit de vacaturecijfers, maar komt dat naar voren in de cijfers omtrent onderwijstijd.

Een andere mogelijkheid om vacatures te meten zou kunnen zijn om te bekijken hoeveel vacatures via de media gemeld worden. Nadeel van deze methode is dat dit geen representatief beeld geeft van de werkelijkheid. Niet alle scholen adverteren via de media. Zo worden bijvoorbeeld veel vacatures via «mond-op-mond reclame» doorgegeven. Verder staat vaak dezelfde vacature op verschillende plaatsen, zodat het gevaar van dubbeltellingen aanwezig is.

217

In hoeverre geldt de mobiliteitsregeling ook voor niet-bètadocenten?

De mobiliteitsregeling geldt alleen voor universitair docenten in de bètatechniek en bètatechnische docenten uit het voortgezet onderwijs. Deze regeling is mogelijk door een extra bijdrage van € 10 miljoen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) voor het voortgezet en wetenschappelijk bètatechnisch onderwijs.

218

Kan worden verklaard waarom het percentage ziekteverzuim in het speciaal onderwijs hoger is (tabel 9.4)?

Het ziekteverzuimpercentage in het speciaal onderwijs kent door de jaren heen een hoger niveau. De verzuimduur is lager dan gemiddeld, maar de meldingsfrequentie is hoger. Dit kan niet vanuit het ziekteverzuimonderzoek worden verklaard. De achtergrondfactoren die ziekteverzuim (kunnen) bepalen zijn zo divers dat niet eenduidig kan worden vastgesteld welke factoren doorslaggevend zijn.

219

Kan er een voorlopig overzicht worden gegeven van de uitkomsten van de diepte pilot voor de opleidingsschool en de academische school?

Het is te vroeg om nu al vooruit te lopen op de uitkomsten van de diepte pilot. Op basis van een kritische beoordeling van de tussenrapportages van de deelnemers is aan het eind van het eerste pilotjaar besloten dat alle deelnemers hun project mogen voortzetten. De diepte pilot loopt nog door tot eind van dit schooljaar. Op basis van de rapportages van de deelnemende pilots worden volgend jaar conclusies getrokken. Deze zijn eind 2008 beschikbaar. In de tussentijd is informatie over de voortgang van de diepte pilot beschikbaar op www.deopleidingsschool.nl.

220

Welke waarborgen bouwt u in opdat leraren en ander onderwijspersoneel SBL1 niet zien als een zoveelste onderwijsstichting die maar wat roept, maar zich vertegenwoordigd voelen door deze organisatie?

Ik onderschrijf het belang van een organisatie van de beroepsgroep die een stevige basis in de beroepsgroep heeft. De commissie Rinnooy Kan heeft in het advies «LeerKracht» concrete aanbevelingen gedaan om SBL om te vormen tot een vereniging voor en door leraren, waarvan leraren lid kunnen worden. Begin november komt het kabinet met een beleidsreactie op dit rapport. Op de precieze inhoud daarvan kan ik nu nog niet ingaan.

221

Kan worden aangegeven in hoeverre er een relatie/samenwerking is tussen het programma Verbetering Techniek Basisonderwijs (VTB) en de expertgroep doorlopende leerlijnen reken- en taalonderwijs?

Tussen het programma Verbetering Techniek Basisonderwijs (VTB) en de Expertgroep doorlopende leerlijnen reken- en taalonderwijs bestaat een relatie op het gebied van rekenen. Met het oog hierop is de programmaregisseur VTB gevraagd contact op te nemen met de secretaris van de Expertgroep om de ontwikkelingen in beide projecten op elkaar af te stemmen. De programmaregisseur zal dit contact eind oktober 2007 leggen.

222

In hoeverre wordt de tevredenheid van afnemers over de lerarenopleiding meegenomen in de te ontwikkelen indicator?

De prestaties van lerarenopleidingen kunnen op verschillende manieren worden gemeten. De tevredenheid van afnemers is een van de aspecten die wordt verkend bij de ontwikkeling van een indicator.

Studiefinanciering

223

Hoe kan de afname van het verwachte rendement worden verklaard?

De afname van het verwachte rendement heeft zich pas voor gedaan in de afgelopen twee jaren. In eerdere jaren is er juist sprake een stijging geweest.

De oorzaak van de recente afname van het verwachte rendement is niet eenduidig aan te geven, maar hangt waarschijnlijk samen met autonome ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld het aantrekken van de conjunctuur en de arbeidsmarkt.

224

Hoeveel spaart u uit door geen ov-studentenkaart te verstrekken aan mbo-studenten jonger dan 18 jaar?

Voltijds bol-deelnemers van 18 jaar en ouder komen in aanmerking voor studiefinanciering. Daarbij kunnen ze ook een ov-studentenkaart ontvangen. De voltijds bol-deelnemers van 16 en 17 jaar komen niet in aanmerking voor studiefinanciering en dus ook niet voor een ov-studentenkaart. Een beperkt deel van deze groep heeft te maken met hoge reiskosten. De gemiddelde reiskosten voor mbo-deelnemers onder de 18 jaar zijn € 86,– per maand. Ouders die onder de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) vallen, ontvangen een tegemoetkoming in de schoolkosten waarbij ook rekening is gehouden met reiskosten. Daarnaast kunnen minderjarige scholieren, dus ook mbo-deelnemers, gebruik maken van een korting van 34% op abonnementen van het stads- en streekvervoer.

Deelnemers die ver reizen naar de onderwijsinstellingen hebben niet voldoende aan de WTOS. In het verleden is al gebleken dat het een dure en ondoelmatige maatregel is om voor het gehele mbo een «gratis» ov-regeling te realiseren. Het grootste deel van de ontvangers zou deze reisvoorziening niet nodig hebben. «Gratis openbaar vervoer» voor alle deelnemers aan de voltijd bol van 16 en 17 jaar zou circa € 110 miljoen per jaar kosten. Een meer gerichte benadering voor deelnemers die ver van hun onderwijsinstelling wonen ligt dan meer voor de hand. Dit gaat echter gepaard met grote uitvoeringsproblemen. Daarnaast zie ik ook geen financiële mogelijkheden om een eventuele maatregel te financieren.

Ik heb vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de kosten de doorstroom van vmbo naar mbo belemmeren. Uit de Schoolkostenmonitor blijkt dat de hoogte van de reiskosten slechts voor 7% van de ouders een reden is geweest niet voor een bepaalde school te kiezen, maar voor een school dichterbij. Overigens komen deeltijds bol-deelnemers niet in aanmerking voor studiefinanciering en een ov-studentenkaart. Dat geldt ook voor deeltijdstudenten in het hoger onderwijs. Zij worden geacht naast hun opleiding voldoende inkomen te verwerven. Bbl-deelnemers krijgen betaald door het leerbedrijf waar zij werkzaam zijn. Daardoor kunnen zij de reiskosten betalen, of afspraken maken met hun werkgever.

225

Waarom is in tabel 11.3 het bedrag 0 opgenomen voor de jaren 2006–2012 bij het item bijverdiengrens?

Overeenkomstig de begrotingsvoorschriften zijn alle operationele doelstellingen met de bijbehorende instrumenten in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» opgenomen. Met het instrument «bijverdiengrens» gaan geen directe uitgaven gepaard. Om deze reden is bij dit item het bedrag 0 opgenomen.

226

Hoeveel studenten maken gebruik van een volledige (uitwonende) beurs in het ho en in de bol?

In het ho ontvangen ongeveer 340 000 studerenden een basisbeurs (2006). Hiervan ontvangen zo’n 182 000 studeren een uitwonendentoelage (54%). Voorts hebben van de studerenden met een basisbeurs ongeveer 109 000 studerenden een aanvullende beurs. In de bol ontvangen ongeveer 214 000 studerenden een basisbeurs (2006). Hiervan ontvangen zo’n 66 000 studeren een uitwonendentoelage (31%). Voorts hebben van de studerenden met een basisbeurs ongeveer 118 000 studerenden een aanvullende beurs.

227

Is er bij de raming van het aantal studerenden met een aanvullende beurs rekening gehouden met de veranderende samenstelling van de instroom?

Ja, bij de raming van het aantal studerenden met een aanvullende beurs is rekening gehouden met de verwachte groei en samenstelling van het aantal studerenden.

228

Hoe groot is de studieschuld bij de IB-groep per student per opleiding op het moment van afstuderen? Hoe heeft zich dit de afgelopen 5 jaar ontwikkeld? Wat is de prognose voor de komende 5 jaar?

In de afgelopen 5 jaar is de gemiddelde schuld van studerenden, bij de start van het aflossen van hun lening, toegenomen van ongeveer € 6 800 (2003) tot ongeveer € 11 000 (2007). Gezien de stijging van het gebruik van de leenfaciliteit in de afgelopen jaren zal deze gemiddelde schuld in de komende 5 jaar verder toenemen. Er zijn geen gegevens beschikbaar van de gemiddelde schuld per opleiding.

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

229

Is voor alle scholieren in het mbo de financiële toegankelijkheid voor bol-leerlingen onder de 18 voldoende gegarandeerd? Ook voor leerlingen met een relatief grote reisafstand? Kan dit de doorstroom van vmbo naar mbo belemmeren?

Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 224.

230

Kan er per normbedrag worden aangegeven hoeveel vavo-ers dit bedrag krijgen?

Er maken jaarlijks ongeveer 1750 vavo’ers gebruik van de mogelijkheid om een inkomensafhankelijke tegemoetkoming te ontvangen op grond van de WTOS hoofdstuk V. Hiervan ontvangen zo’n 550 vavo’ers de norm voor de categorie «270–540 min.», de overige 1200 de norm voor de categorie «> 540 min.». Binnen deze groepen worden combinaties van toekenningen schoolkosten en onderwijsbijdrage verstrekt. Een leerling kan dus zowel een bijdrage voor de schoolkosten als een onderwijsbijdrage ontvangen.

231

Waarom is de vrijwillige ouderlijke bijdrage niet opgenomen in de monitor?

De gemiddelde vrijwillige ouderbijdrage in het voortgezet onderwijs bedraagt € 59 en is als zodanig opgenomen in de schoolkostenmonitor. Zeven procent van de totale schoolkosten van ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs bestaat uit de vrijwillige ouderbijdrage.

232

Is voor alle scholieren in het mbo de financiële toegankelijkheid voor bol-leerlingen onder de 18 voldoende gegarandeerd? Geldt dit ook voor leerlingen met een relatief grote reisafstand? Kan dit de doorstroom van vmbo naar mbo belemmeren?

Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 224.

233

Hoe is de 58% van de schoolkosten die resteert na de invoering van de gratis schoolboeken samengesteld?

Per 1 augustus 2008 zullen de schoolboeken in het voortgezet onderwijs gratis worden. Schoolboeken waren de kostenpost waaraan ouders het meest betaalden. Schoolboeken betreffen ongeveer 42% van de totale schoolkosten. De resterende schoolkosten van ongeveer 58% bestaan uit:

– Kosten atlas, woordenboeken en rekenmachine (8%);

– Kosten aan ict en ict-benodigheden (7%);

– Door school in rekening gebrachte kosten voor leermiddelen en gereedschappen (7%);

– Kosten van door ouders zelf aangeschafte leermiddelen en gereedschappen (11%);

– Kosten van extra schoolactiviteiten (18%);

– Kosten van vrijwillige ouderbijdrage (7%).

Meer informatie is opgenomen in de schoolkostenmonitor 2006–2007, die als bijlage bij de brief van de schoolkosten aan de Tweede Kamer is toegezonden (TK, 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 142).

Cultuur

234

Is een manier van samenwerken met de departementen Economische Zaken en Financiën niet ook van invloed op de resultaten van het cultuurbeleid?

Deze vraag, algemeen gesteld, kan bevestigend beantwoord worden. Wat de samenwerking cultuur-EZ betreft: het Programma voor de Creatieve Industrie van EZ en OCW komt voort uit de waarneming dat cultuurbeleid en industriepolitiek op onderdelen heel goed samen kunnen optrekken. Met een gemeenschappelijk programma realiseren OCW en EZ zowel economische als cultuurpolitieke doelen. Momenteel is een regiegroep DMA (design, mode en architectuur) in oprichting waarin OCW, EZ en BZ met instellingen in het veld (sectorinstituten, branche- en beroepsorganisaties) gezamenlijk aan plannen gaan werken om de internationale positie van de drie genoemde sectoren te versterken.

Wat de samenwerking cultuur-financiën betreft: deze samenwerking speelt een grote rol in het cultuurbeleid via generieke instrumenten. Ik noem cultureel beleggen, het verlaagde BTW-tarief op boeken en podiumkunsten en fiscale voordelen voor burgers en bedrijven die willen schenken of nalaten aan een culturele instelling of Staat, aan sponsoring willen doen of eigenaar zijn van een rijksmonument.

Specifieke instrumenten zijn de Regeling indemniteit bruiklenen 2005 en het Aankoopfonds in het kader van de Wet tot behoud van cultuurbezit.

235

Waarom gaat het budget voor subsidies Monumentenzorg en Behoud en Beheer na 2007 omlaag en wordt in het geval van Behoud en Beheer zelfs gehalveerd, terwijl u 100 extra monumenten heeft aangewezen en heeft aangekondigd de BRIM1 -regeling te willen verruimen? Op welke subsidies wordt bezuinigd?

De daling van het budget «subsidies Monumentenzorg» ten opzichte van 2007 wordt veroorzaakt doordat in 2007 eenmalig € 1,1 miljoen extra beschikbaar was vanwege een eenmalige bijdrage voor de BRIM-automatisering (€ 1 miljoen) en het project modernisering monumentenstelsel (€ 0,1 miljoen).

Het structurele budget voor monumentenzorg bedraagt zo’n € 69,4 miljoen. In 2006 is incidenteel € 140 miljoen extra beschikbaar gekomen voor het wegwerken van de restauratieachterstand. De suggestie dat het structurele budget gehalveerd zou worden is dus onjuist.

Toevoeging van 101 nieuwe rijksmonumenten aan het huidige bestand van 56 000 rijksmonumenten zal tot een bescheiden extra belasting van het monumentenbudget leiden. Ik acht dat acceptabel om de volgende redenen:

– het grote belang dat verbonden is aan deze voorgenomen aanwijzing: erkenning van de behoudenswaardigheid van belangrijke gebouwen uit de wederopbouwperiode;

– de restauratieachterstand van het huidige bestand die lang niet meer zo urgent is als enige jaren terug;

– het voornemen om het stelsel van de monumentenzorg op termijn te herzien, inclusief het financiële ondersteuningssysteem.

De daling van het budget «behoud en beheer (overig)» ten opzichte van 2007 bedraagt € 1,9 miljoen. In dit budget zijn geen monumentenzorgsubsidies opgenomen.

Het verschil wordt veroorzaakt door twee posten:

– € 0,5 miljoen die in 2007 in het kader van het cultuurconvenant 2005–2008 eenmalig beschikbaar is gesteld voor de samenwerking van het NISA (Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterarcheologie, onderdeel van de RACM) met het Nieuwland Erfgoedcentrum;

– een bedrag van € 1,4 miljoen is geïncorporeerd in een voorstel voor een meerjarenkasschuif 2008 t/m 2012 (Najaarsnota 2007), ten behoeve van het restitutiedossier.

236

Wat is de reden dat het budget voor bibliotheken wordt verlaagd?

Als gevolg van een overheveling naar het Gemeentefonds (BZK) is per 1 januari 2008 het rijksbudget voor bibliotheken verlaagd. Het overgehevelde budget (€ 5,8 miljoen) is bestemd voor de vorming van basisbibliotheken. Gemeenten ontvangen deze bijdrage aan de vorming van basisbibliotheken vanaf 2008 uit het Gemeentefonds.

237

Kan worden aangegeven wat wordt bedoeld met provinciale vernieuwingsplannen onder het kopje bibliotheken?

Met de vernieuwingsplannen geven provincies invulling aan de bibliotheekvernieuwing op provinciaal niveau, binnen de landelijke kaders die daarvoor door de Stuurgroep Bibliotheken zijn gesteld. In deze stuurgroep zijn OCW, IPO, VNG en de Vereniging van Openbare Bibliotheken vertegenwoordigd.

238

Wat is de reden dat er met ingang van 2007 geen budget meer is voor monitoring en evaluatie van bibliotheken?

In de begroting 2006 is voor monitoring en evaluatie een budget opgenomen van € 1,4 miljoen. Dit budget heeft betrekking op de uitgaven van het Procesbureau bibliotheekvernieuwing. Vanaf de begroting 2007 zijn alle uitgaven voor de bibliotheekvernieuwing, inclusief monitoring en evaluatie, als één post opgenomen.

239

Wat is de reden voor de budgetverlaging van het Nationaal Archief in 2008 en volgende jaren ten opzichte van 2007?

Het gaat hier niet om een structurele bezuiniging, maar een eenmalige budgetverhoging van € 9 miljoen euro in 2007. Het budget voor het Nationaal Archief ligt al sinds 2005 – en volgens de meerjarenbegroting tot 2012 – gemiddeld op zo’n € 16 miljoen per jaar. Een uitzondering hierop vormt het jaar 2007: in dit jaar is het budget van het Nationaal Archief eenmalig met € 9 miljoen verhoogd voor de grote digitaliseringsslag waarin het Nationaal Archief zich bevindt. Deze digitaliseringsslag is noodzakelijk, niet alleen vanwege het sterk groeiende aanbod van te beheren digitale en gedigitaliseerde archieven, maar vooral ook om aan de vraag uit de maatschappij naar digitale informatie en de bijbehorende dienstverlening te kunnen voldoen.

240

In het Coalitieakkoord zijn voor cultuur enveloppegelden gereserveerd die oplopen tot indicatief 100 miljoen euro in 2011. Wat wordt bedoeld met «indicatief»?

Met «indicatief» wordt bedoeld dat over deze middelen nog geen finale besluitvorming heeft plaatsgevonden. De enveloppegelden uit het Coalitieakkoord zijn verdeeld in tranches. De eerste tranche, voor 2008, is aan de begroting van OCW toegevoegd. De resterende tranches staan gereserveerd op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën. Over deze tranches heeft wel besluitvorming plaatsgevonden voor wat betreft de bestedingscategorieën (Mooier Nederland, participatie, sterke sector en innovatie), maar nog niet voor wat betreft de precieze bedragen. Definitieve besluitvorming daarover zal de komende jaren steeds plaatsvinden bij Voorjaarsnota, in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2009, 2010 en 2011.

241

Gaan er dit jaar nog middelen naar het TAX-videoclipfonds voor Nederlandse popmuziek? Zo ja, hoeveel?

Voor de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 december 2008 is het totaalbudget voor het TAX-videoclipfonds € 9 ton. Deze € 9 ton wordt door drie partijen met elk een bijdrage van € 3 ton bijeen gebracht: het ministerie van OCW, het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties.

242

Hoe succesvol was het TAX-videoclipfonds het afgelopen jaar? Waaruit bleek dat? Hoe vaak en op welke zenders zijn de videoclips van het TAX-videoclipfonds uitgezonden op televisie? Op wat voor manier hebben de muzikanten hiervan geprofiteerd?

De tijdelijke subsidieregeling TAX-videoclipfonds zal begin 2008 worden geëvalueerd door de beide fondsen die de regeling uitvoeren, Fonds Beeldende Kunsten en Vormgeving en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties. Ik wil dat evaluatiemoment afwachten en niet reeds nu een algemeen oordeel uitspreken over het succes van de regeling. Wel valt te constateren dat er in de media ruime aandacht is besteed aan videoclips die met cofinanciering van het videoclipfonds zijn gerealiseerd. De clips zijn uitgezonden op publieke en commerciële zenders (Nederland 3/3voor12, MTV, TMF) en via internet. Musici die betrokken zijn bij gehonoreerde projecten hebben hiervan geprofiteerd, doordat hun mogelijkheden zijn verruimd om producties onder de aandacht van publiek te brengen.

243

Kan gespecificeerd worden welke «overige subsidies» worden bedoeld bij de taakstelling van 21,2 miljoen euro in verband met de taakstelling profijtbeginsel cultuur?

Een definitief besluit over de invulling van de categorie «overige subsidies» neem ik in het kader van de Voorjaarsnota 2008. Om tot een evenwichtige taakstelling te komen wil ik namelijk ook de adviezen van de commissie Cultuurprofijt bij mijn overwegingen betrekken. Overigens behoort tot deze categorie in ieder geval het Actieplan Cultuurbereik dat immers in 2008 afloopt.

244

Waarom staan in tabel 14.2 en 14.3 verschillende bedragen genoemd ten aanzien van de cultuurnota, behoud en beheer cultureel erfgoed en verbreden inzet cultuur over 2008?

Oorzaak van de verschillen is dat tabel 14.3 niet op dezelfde manier is ingedeeld als tabel 14.2. Hieronder zijn de verschillen uiteengezet. Om tot een cijfermatige aansluiting te kunnen komen tussen de beide tabellen is het nodig ook de onderwerpen Film en Internationaal Cultuurbeleid (HGIS) hierbij te betrekken.

2008 (x € 1 000)Tabel 14.2Tabel 14.3VerschilVerklaring verschil
Cultuurnota 2005–2008435 137455 137– 20 000In tabel 14.2 zijn de Filmstimuleringsmiddelen als apart subkopje verwerkt onder «Bevorderen deelname van de burgers aan kunsten». In tabel 14.3 zijn deze middelen verwerkt onder «Cultuurnota 2005–2008».
Behoud en beheer cultureel erfgoed201 864178 05423 810In tabel 14.2 zijn de middelen voor Beelden voor de toekomst verwerkt onder «Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed». In tabel 14.3 zijn deze middelen verwerkt onder «Verbreden inzet cultuur».
Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)2760276In tabel 14.2 zijn de HGIS-middelen verwerkt onder «Bevorderen deelname van de burgers aan kunsten». In tabel 14.3 zijn ze opgenomen onder «Verbreden inzet cultuur».
Verbreden inzet cultuur72 72196 807– 24 086Zie toelichtingen bij «Behoud en beheer cultureel erfgoed» en «Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)». Samen verklaren deze het verschil bij «Verbreden inzet cultuur».
Film20 000020 000Zie toelichting bij «Cultuurnota 2005–2008».
Controletotaal729 998729 9980 

245

Hoe is de stand van zaken rondom het bestuur en het functioneren van de Filmfonds?

Het per 1 juli 2007 aangestelde interim bestuur draagt zorg voor de voorbereiding van de door mij voorgestane wijziging in de bestuur- en directiestructuur van het fonds; de uitvoering van de nieuwe filmstimuleringsmaatregel; het voorbereiden van de overdracht van een aantal taken aan het op te richten sectorinstituut voor de film en de uitvoering van de reguliere taken van het fonds.

Het interim bestuur heeft deze taken voortvarend opgepakt en zal zijn taken per 1 februari 2008 overdragen aan een definitief bestuur.

246

Bestaat er duidelijkheid of het nieuwe filmstimuleringsbeleid gegarandeerd niet in strijd is met Europese wetgeving?

Voor de uitvoering van het nieuwe filmstimuleringsbeleid is de Suppletieregeling ontworpen en is de Uitvoeringsregelingen lange speelfilm aangepast. Beide regeling zijn ter toetsing voorgelegd aan de Europese Commissie. Met een schrijven van 10 juli 2007 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring verleend aan beide regelingen. Daarmee wordt uitgesproken dat de Nederlandse staatssteun voor beide regelingen geoorloofd is en niet in strijd is met Europese wetgeving.

247

Om wat voor voorstellen gaat het als u spreekt over ontwikkeling van voorstellen voor vergroting van het financiële en maatschappelijke draagvlak van culturele instellingen in samenspraak met de sector? Op welke wijze denkt u tot een «sterke sector» te komen?

In Kunst van Leven heb ik hierover mijn uitgangspunten verwoord. Ik eraan hecht de voorstellen samen met de sector uit te werken. Daarom heb ik de Commissie Cultuurprofijt gevraagd voorstellen te doen op twee onderwerpen: (1) de wijze waarop verbindingen gelegd worden tussen de cultuursector en andere maatschappelijke sectoren; en (2) de mogelijkheden van zakelijke verbeteringen bij cultuurproducerende instellingen.

Een sterke sector is een sector die professioneel opereert (bijvoorbeeld door goed bestuur, een efficiënte inzet van middelen en de benutting van alternatieve financieringsbronnen) en zijn belangenbehartiging goed op orde heeft (goed functionerende brancheorganisaties), en een stevige maatschappelijke verankering heeft (bij publiek, sponsors, particuliere gevers en vriendenverenigingen). Ik ben van mening dat dit primair een verantwoordelijkheid van de sector zelf is. Wel draag ik zelf bij aan een sterke sector, onder meer door het ondersteunen van de nu lopende programma’s gericht op het bevorderen van goed bestuur en het stimuleren van mecenaat. Ik wacht op dit punt verder de voorstellen van de Commissie Cultuurprofijt af.

Op een ander punt kan ik bijdragen door de financiering van een goed functionerende ondersteuningsstructuur, in de vorm van sectorinstituten als onderdeel van de basisinfrastructuur. Dit is in Kunst van Leven uitgewerkt.

248

Wat gaat er veranderen met betrekking tot het aannamebeleid van de conservatoria en de toneelscholen, gezien de investering in de begeleiding en ontwikkeling van (top)talent? Wordt in dit kader ook ingezet op de talentontwikkeling van jongere kinderen? Zo ja, op welke wijze?

Het bieden van ruimte aan talent begint bij de eerste kunstbeoefening. Op talentontwikkeling van kinderen zet ik daarom vooral in op verbetering van samenwerking tussen culturele instellingen en brede scholen. Verbindingen tussen cultuurlessen op school en buitenschoolse kunsteducatie en amateurkunst kunnen ervoor zorgen dat wie op school enthousiast is geworden daar later in zijn leven verder mee gaat.

Om jong talent optimaal tot ontwikkeling te laten komen, ben ik in eerste instantie met instellingen en organisaties die werkzaam zijn in het (voor)opleidingstraject van dans- en muziektalenten, een interactief traject gestart. In 2008 zullen zij met voorstellen komen.

Het aannamebeleid van conservatoria en toneelscholen is de verantwoordelijkheid van deze instellingen zelf.

249

Met welk bedrag zal het structurele subsidiebudget BRIM respectievelijk worden verhoogd in verband met behoud van religieus erfgoed, toegang van groene monumenten en aanwijzing monumenten van de toekomst?

Van het budget voor intensiveringen in cultuur gaat vanaf 2008 structureel € 3 miljoen naar de monumentenzorg. Dit budget is bedoeld voor de uitvoering van het BRIM en voor stortingen in een revolving fund dat bestemd is voor de Antillen.

Over de verder inzet op de monumentenzorg vanaf 2009 beraad ik me nog, waarbij ik de resultaten van de net gestarte evaluatie van het BRIM zal betrekken.

250

Waarom wordt kostbaar monumentengeld ingezet ten behoeve van de herbestemming en exploitatie van beeldbepalende potentiële monumenten in de 40 wijken van de minister van integratie?

In Kunst van leven heb ik aangegeven dat de inrichting van Nederland nadrukkelijk ook weer als culturele opgave moet worden aangepakt. Ik heb daaraan beleidsambities gekoppeld op het gebied van het architectuurbeleid en de monumentenzorg. Dit betekent dat ik de instrumenten en middelen van het architectuur- en monumentenbeleid sterker wil betrekken bij actuele ruimtelijke opgaven. De wijkaanpak is een urgente maatschappelijk opgave, met een complexe samenhang van sociale, culturele, economische en fysiek-ruimtelijke aspecten. Aandacht voor nieuwe en bestaande (historische) architectuur en stedenbouw kan een bijdrage leveren aan de doelen van de wijkaanpak.

251

Met welk bedrag gaat het structurele subsidiebudget BRIM verhoogd worden ten behoeve van de religieuze monumenten? Erkent u dat het subsidieplafond voor groot onderhoud voor veel grotere kerken te laag is vastgesteld? Overweegt u dit subsidieplafond beter te differentiëren naar grootte van de kerken? Zo neen, op welke wijze wilt u tegemoet komen uit de vanuit het veld kenbaar gemaakte bezwaren?

Zie ook mijn antwoord op vraag 249. In het BRIM is overigens voor de hele grote monumenten wel een faciliteit beschikbaar.

Het BRIM wordt nu geëvalueerd. De uitkomsten verwacht ik medio 2008. Verhoging van het structurele subsidiebudget BRIM ten behoeve van religieuze monumenten heeft voor mij prioriteit. Ik ben bereid om te bezien of binnen het BRIM meer differentiatie mogelijk is.

252

Hoe zal de regeling met betrekking tot de archeologische monumenten die wel beschermd, maar niet beheerd worden, eruit komen te zien? Wordt hiertoe ook het budget versterkt?

De mogelijkheden voor de instandhouding van archeologische monumenten worden momenteel onderzocht, waarbij overigens een onderscheid aan de orde is tussen het beheren van archeologische monumenten en het voorkomen van verstoring. Zie ook mijn antwoord op vraag 249 betreffende het budget.

253

Met welk bedrag gaat het structurele subsidiebudget BRIM verhoogd worden ten behoeve van de monumenten uit de wederopbouw?

Zie mijn antwoord op vraag 235 en vraag 249.

254

Is het juist dat nog slechts 60 miljoen euro nodig is om de restauratieachterstand naar een aanvaardbaar niveau terug te schroeven? Is het de intentie van u om dat bedrag deze kabinetsperiode bij elkaar te schrapen? Zo ja, op welke wijze?

Met de € 140 miljoen die nu wordt ingezet zal de restauratieachterstand geleidelijk ingelopen worden, waardoor overbelasting van de markt voorkomen wordt. Er is volgens het PRC-rapport nog € 61 miljoen nodig om de restauratieachterstand eind 2010 op 10% te krijgen. De berekening is te vinden in het rapport uit 2005 van PRC Bouwcentrum inzake de restauratieachterstand (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 65). Bij de nadere voorstellen voor de modernisering van de monumentenzorg zullen de inzichten uit dit rapport worden meegenomen.

255

Waarom is de RRWR (Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand) urgentie ongevoelig, waardoor geld niet effectief besteed wordt en monumenten met pech onnodige schade oplopen of onnodig bouwvallig kunnen raken?

Bij de vaststelling van deze regeling is gekozen voor een juridisch waterdichte regeling. Hiermee wordt voorkomen dat bouwtechnische criteria bij het al dan niet toewijzen van de subsidies voor restauratieachterstanden leiden tot een stroom van bezwaar- en beroepsprocedures. De gedachte hierachter is dat technische urgentie niet te objectiveren is (is een slecht dak erger dan een slechte fundering?).

Overigens zal met toepassing van deze regeling wel degelijk een groot aantal restauraties worden aangepakt die bouwtechnisch urgent zijn. Daarbij zijn budgetten geoormerkt voor categorieën, waarbij de restauratieachterstand het grootst is (molens, orgels en boerderijen).

256

Waarom gelden er steeds wisselende criteria voor de RRWR, waardoor het niet te voorspellen is wanneer een gebouw kans maakt en investeerders of sponsoren afhaken?

De wisselende criteria van de regelingen 2006 en 2007 zorgen ervoor dat steeds nieuwe groepen monumenten in aanmerkingen komen voor subsidie. In 2006 werd voorrang gegeven aan objecten binnen beschermde gezichten of beschermde buitenplaatsen, in 2007 wordt regionale spreiding bevorderd en wordt voorrang gegeven aan objecten, die niet eerder voor subsidiëring in aanmerking kwamen. Tevens is in de huidige regeling rekening gehouden met categorieën, waar de achterstand het meest omvangrijk is.

257

Bestaan er voorfinancieringsmogelijkheden voor eigenaren die afzien van het maken van een RRWR-herstelplan vanwege de grotere inspanning en de onzekerheid?

Het rijk kent hiervoor geen voorfinancieringsmogelijkheden.

Media

258

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de begrote omvang van de fondsen die zijn gebaseerd op de rente op de omroepreserve? Wat is de omvang en hoe wordt het budget verdeeld? Op welke wijze is de omroepreserve in 2007 besteed? Is er in 2007 sprake geweest van een vergroting van de omvang vanwege de rentestijgingen?

De rentebaten op de algemene omroepreserve zijn voor 2007 begroot op € 1,0 miljoen. De renteopbrengsten worden ingezet als subsidies mediabeleid ten behoeve van incidentele activiteiten en tijdelijke projecten. Deze projecten worden jaarlijks beoordeeld. Voor 2007 betreft dit:

• Stimulering Nederlandse audiovisuele sector in Europese context (€ 0,1 miljoen)

• Migranten en media (€ 0,2 miljoen)

• Kwaliteitsbeleid journalistiek, met name in Oost- en Midden-Europa (€ 0,2 miljoen)

• Jeugd en Media (€ 0,15 miljoen)

• eCultuur (€ 0,2 miljoen)

• Toegankelijkheid TV (€ 0,05 miljoen)

• Diverse onderzoeken en projecten (€ 0,1 miljoen)

De projecten die onder deze hoofdposten vallen, zijn nader toegelicht in de mediabegrotingsbrief 2007. Voor 2008 is rekening gehouden met de actuele rente ontwikkeling. De omvang en verdeling van de «subsidies mediabeleid» in 2008 komt aan de orde in de mediabegrotingsbrief 2008.

259

Kan de oploop van middelen voor Nederlands drama, crossmediale ontwikkeling en verbetering bereik onder jeugd worden uitgesplitst per onderwerp en per jaar?

Uitsplitsing per onderwerp en per jaar kan nog niet worden gemaakt. Een groot deel van de maatregelen op het gebied van crossmediale ontwikkelingen en verbetering van bereik onder jeugd kunnen pas ingaan op het moment dat het tweede bedrag van indicatief € 50 miljoen in 2011 daadwerkelijk beschikbaar zijn. Dit geldt ook voor een deel van het extra geld dat voor Nederlands drama bestemd wordt.

260

Kan het verschil worden verklaard tussen verplichtingen en programma-uitgaven?

Het verschil heeft te maken met het moment van het aangaan van verplichtingen. De verplichtingen voor de omroepinstellingen voor 2008 zijn al in 2007 vastgelegd, omdat de Minister volgens de Mediawet voor 1 december van enig jaar vast moet stellen welke bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn. In 2008 wordt vervolgens de raming van de verplichtingen voor 2009 opgenomen. De verplichtingen voor een volgend jaar kunnen afwijken van de uitgaven in het huidige jaar.

261

Hoe hoog is het budget voor programma’s bij de publieke omroep gericht op respectievelijk ontspanning, informatie, educatie en overige?

Het budget van de publieke omroep wordt niet toegekend aan programmacategorieën maar aan omroepinstellingen. Zij zijn verantwoordelijk voor een divers programma-aanbod. De wet stelt wel eisen aan het percentage zendtijd dat wordt besteed aan de programmacategorieën kunst en cultuur, informatie, educatie en verstrooiing. Het CvdM rapporteert elk jaar aan mij over de naleving van deze programmavoorschriften. Uit de rapportage over 2006 blijkt dat de publieke omroep in dat jaar het volgende heeft uitgezonden:

Tabel naleving programmavoorschriften 2006

Wettelijke eisNaleving 2006 (tijdvak 00–24 uur)
Omroepverenigingen 
Informatie/educatie 35%61% informatie/educatie
Cultuur 25% waarvan 12,5% kunst28% cultuur waarvan 10% kunst*
Verstrooiing maximaal 25%10%
NPS 
Cultuur 40% waarvan 20% kunst53% waarvan 25% kunst
Minderheden 20%20%

* Uit dit overzicht blijkt dat de publieke omroep in het tijdvak 00–24 uur niet voldoet aan de voorschriften voor kunst. Op prime time (16–24 uur) is dat wel het geval (13,5%).

262

Hoe hoog is het budget voor de digitale themazenders? Hoe groot zijn de STER-opbrengsten uit de digitale themazenders?

De publieke omroep heeft in de meerjarenbegroting 2008 een budget aangevraagd voor themakanalen televisie van € 12,7 miljoen en themakanalen radio van € 7,1 miljoen. De aanvraag van de publieke omroep komt aan de orde in de mediabegrotingsbrief 2008 die de Tweede Kamer in november ontvangt.

De STER opbrengsten uit de digitale themazenders is nihil. Het uitzenden van reclame op themazenders is nog in een testfase.

263

Hoeveel procent van het budget voor de publieke omroep gaat jaarlijks naar programma’s en hoeveel gaat naar overhead en management? Hoe hoog zijn die bedragen?

Van het totale budget van de publieke omroep werd in 2006 circa 88% besteed aan programmakosten. De indirecte kosten (overhead) waren circa 12% van de totale lasten. Over de periode 2001–2006 zijn de absolute bedragen gedaald en is de procentuele verhouding licht gedaald. De bedragen over deze periode zijn als volgt

(bedragen x € 1 miljoen)

 200120022003200420052006
Totaal directe kosten671,7706,8658,0709,5679,7653,9
Totaal indirecte kosten94,292,995,083,895,090,2

De gecontroleerde gegevens over 2007 zijn nog niet beschikbaar.

264

Hoeveel zendtijd wordt jaarlijks besteed aan Europees nieuws?

De Nederlandse Publieke Omroep rapporteert niet over de onderwerpen die zij in het nieuws behandelen. Europees nieuws maakt hier veelvuldig onderdeel van uit. Het Mediabesluit bevat een opdracht aan NOS RTV om ook te berichten over Nederlandse en Europese parlementaire aangelegenheden. Wijze, aard en aantal keer berichtgeving ligt in het kader van redactionele onafhankelijkheid bij NOS RTV zelf. Los daarvan besteden ook de andere publieke omroepen aandacht aan Europese ontwikkelingen op velerlei gebied. Zo heeft NOS RTV met het programma «Lijn 25» drie maanden lang aandacht besteed aan de Europese verkiezingen. En in het programma «Brusselse Kermis» van de VPRO (11 afleveringen) is aandacht besteed aan de Europese politiek.

265

Hoe groot zijn de inkomsten van de omroepen uit de programmagidsen?

Het netto resultaat uit programmagidsen voor de omroepen samen is in 2006 € 19,9 miljoen. In 2005 was het netto resultaat € 17,3 miljoen.

266

Hoeveel medewerkers van de publieke omroep (inclusief dj’s en presentatoren) hebben een inkomen hoger dan het salaris van de minister president? Kunt u dit uitsplitsen per persoon en per omroep?

In december 2007 zal het ministerie van BZK een «WOPT-rapportage» publiceren. Hierin worden gegevens van instellingen, welke in overwegende mate uit publiek geld worden bekostigd, gepresenteerd. Het betreft een inventarisatie van het aantal functionarissen in 2006 dat een inkomen genoot boven het in de Staatscourant gepubliceerde Gemiddelde belastbare loon ministers over 2006 (Stcrt. 2007, nr. 39) van € 171 000. Op grond van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens worden deze gegevens in de jaarstukken van de instellingen opgenomen en aan BZK gerapporteerd. De omroepinstellingen maken onderdeel uit van deze inventarisatie.

267

Klopt het dat in de begroting staat dat bij de inzet van de extra middelen ook plannen voor een media-expertisecentrum in de vorm van een breed netwerk voor media-educatie betrokken worden en u in uw brief1 van 5 oktober over de Publieke Omroep spreekt over een media-educatie en expertisecentrum? Is er sprake van een netwerk of komt er nu daadwerkelijk een media-educatie en expertisecentrum? Hoe komt dit media-educatie en expertisecentrum er uit te zien?

Ik tref voorbereidingen voor de inrichting van een media-educatie en expertisecentrum. Dit doe ik in overleg met organisaties die zich reeds bezighouden met media-educatie en mediawijsheid. Doel is dat er in 2008 een centrum is om kinderen en jongeren, hun ouders en scholen, te ondersteunen in het leren omgaan met de veelheid van media-uitingen en om de samenhang en samenwerking te versterken tussen initiatieven op het terrein van mediawijsheid. Voor het eind van het jaar stuur ik een brief aan de Tweede Kamer waarin ik functie, opzet en inrichting van het Media-educatie en expertisecentrum uiteenzet.

268

Hoe is de dekking van de publieke en regionale omroep naar aanleiding van de herverdeling van de etherfrequenties? Is er inmiddels sprake van een goede landelijke dekking? Zijn alle klachten opgelost? Zo neen, welke problemen doen zich nog voor? Wanneer kunnen wij een oplossing verwachten?

De staatssecretaris van Economische Zaken Heemskerk heeft in zijn brief van 29 mei jl. (Vergaderjaar 2006–2007, 24 095, nr. 211) de Kamer geïnformeerd over de gevolgen van de herverdeling van de etherfrequenties en de oorzaken en oplossingen voor de ontvangstklachten van de landelijke en regionale publieke omroep. De staatssecretaris heeft op 9 oktober jl. (vergaderjaar 2007–2008 Aanhangsel nr. 220), mede namens de minister van OCW geantwoord op vragen van de leden Van Dijk en Gesthuizen (beiden SP) over de ontvangstproblemen bij de publieke omroep.

In deze brieven staat dat er in sommige delen van ons land klachten kunnen zijn over de ontvangst van de uitzendingen van de publieke omroep via de ether. Om deze problemen op te lossen is EZ afhankelijk van de vrijwillige medewerking van commerciële radiostations. EZ blijft met deze partijen in gesprek over een oplossing en bekijkt nogmaals waar mogelijkheden liggen om de klachten over de ontvangst van de publieke omroepen te verminderen.

269

Hoe is de ontvangst van de digitale televisie in Nederland? Is de ontvangstproblematiek, gezien de diverse klachten na de omschakeling van analoge naar digitale televisie, inmiddels opgelost? Zo neen, in welke gebieden doen de problemen zich nog voor en op welke termijn wordt deze ontvangstproblematiek opgelost?

Na de omschakeling naar digitale ethertelevisie eind 2006 is er inmiddels een dekking bereikt op dakantenne van 98% van Nederland. Dit percentage is vergelijkbaar met de dekkingsgraad van analoge televisie-uitzendingen voor de omschakeling. Er is een beperkt aantal gebieden waar bekend is dat de dekking deels minder goed is, maar dit valt ruim binnen de 2%.

De klachten die er waren na de omschakeling bleken voor een groot deel betrekking te hebben op de onbekendheid bij eindgebruikers dat de dekkingsgarantie voor de publieke omroep zich beperkte tot dakantenne ontvangst.

KPN is nog bezig met het verbeteren van het netwerk zodat in bepaalde gebieden in Nederland indoor-ontvangst mogelijk wordt (bedoeld voor het gehele Digitenne pakket). Met deze aanpassingen mag verwacht worden dat de ontvangst van de publieke omroep zelfs nog verbetert.

270

Kan (in hoofdlijnen) worden aangegeven wat de nieuwe spelregels zullen zijn voor de multimediale taak van de publieke omroep?

In hoofdlijnen ziet de nieuwe totaalsystematiek er als volgt uit:

1. Het onderscheid tussen hoofd- en neventaken bij de publieke omroep verdwijnt uit de Mediawet. Dit betekent dat alle vormen van elektronisch aanbod zullen behoren tot het werkterrein van de publieke omroep, ongeacht de distributiewijze.

2. De publieke omroep doet voortaan elke vijf jaar in zijn beleidsplan een voorstel over de aard en de omvang van zijn activiteiten (nu bepaalt de wet nog op voorhand dat de publieke omroep drie algemene televisiezenders en vijf algemene radiozenders verzorgt). De overheid zal al dan niet goedkeuring verlenen. Tussentijdse bijstelling is mogelijk via de jaarlijkse begroting. Nu bepaalt de wet nog op voorhand dat de publieke omroep drie algemene televisiezenders en vijf algemene radiozenders verzorgt.

Deze systematiek maakt de publieke omroep wendbaarder en zorgt ervoor dat hij adequater kan reageren op technische, programmatische en financiële ontwikkelingen en op het actuele mediagebruik van mensen.

271

Is er al duidelijkheid over de toekomst van radiostation FunX en televisieproducent MTNL?

MTNL en FunX spelen een belangrijke rol bij het verzorgen «multicultureel aanbod» in de Randstad. Eind 2008 lopen de convenanten tussen de vier grote steden en OCW over MTNL en FunX af. Op dit moment voert TNO een evaluatie uit van het beleid op dit terrein. Mede op grond van de uitkomsten daarvan kom ik met voorstellen. Medefinanciering door lokale overheden blijft overigens het uitgangspunt.

272

Wat is de stand van zaken ten aanzien van het opstarten van een netwerk dat zich bezighoudt met mediawijsheid?

Ik tref momenteel voorbereidingen voor de inrichting van een media-educatie en expertisecentrum. Dit doe ik in overleg met organisaties die zich reeds bezighouden met mediawijsheid. Voor het eind van het jaar stuur ik een brief aan de Tweede Kamer sturen waarin de functie, opzet en inrichting van het Media-educatie en expertisecentrum uiteenzet wordt gezet (zie ook vraag 15, 267 en 317).

273

Kan worden aangegeven met welke maatregelen media zullen worden gestimuleerd hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen?

Het kabinet neemt daarvoor de volgende initiatieven:

• Het kabinet stimuleert een gedragscode, geformuleerd en ondertekend door de omroepen zelf. Daarin staan afspraken over wat de omroepen wel en niet willen maken en wanneer ze dat uitzenden, vooral op tijden dat er veel kinderen en jongeren televisie kijken.

• Ik heb de media opgeroepen om te komen met een goede klachtenregeling voor de journalistiek en de mediasector, met als belangrijk onderdeel een media-ombudsman.

• Ik zal onderzoeken of er naar Amerikaans voorbeeld een klachtensysteem moet komen waar ouders terecht kunnen, bijvoorbeeld als zij vinden dat bepaalde programma’s te ver gaan op het gebied van geweld, seks en vloeken.

• Ten slotte tref ik voorbereidingen voor de oprichting van een media-educatie en expertisecentrum waarin ook de verschillende media hun verantwoordelijkheid nemen.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

274

Kunt u puntsgewijs toelichten welke van de 17 aanbevelingen uit het eindrapport van de Commissie Dynamisering «Investeren in Dynamiek» binnen het budget dat u beschikbaar stelt voor onderzoek en wetenschapsbeleid kunnen worden gerealiseerd?

Het rapport van de Commissie Dynamisering kent een groot aantal aanbevelingen die zonder extra investeringen gerealiseerd kunnen worden en maatregelen waarvoor extra investeringen noodzakelijk zijn. Van de maatregelen waarvoor extra investeringen nodig zijn kan een deel worden opgepakt:

– het budget van NWO structureel verhogen: dit wordt gedaan door de overheveling van € 100 miljoen van de 1e naar de 2e geldstroom. Bovendien worden daar de middelen van smart mix aan toegevoegd (maatregel 15a).

– Het inzetten van deze verhoging voor persoonsgericht programma: dit wordt gerealiseerd door de € 150 miljoen in te zetten voor de Vernieuwingsimpuls en het laten vervallen van de 1/3 bijdrage van de universiteiten (maatregel 9a, maatregel 7).

– Inzetten van extra middelen via de universiteiten voor de instandhouding van onderzoek in de bedreigde alfa- en gammadisciplines die van belang zijn voor de kenniseconomie. Dit wordt gerealiseerd door de inzet van extra middelen voor alfa- en gammaonderzoek (maatregel 15b ii en maatregel 3).

275

Hoe hoog is de derde geldstroom? Kunt u dit uitsplitsen per bron en instelling?

De eerste geldstroom (universiteiten) bedraagt € 1,5 miljard (overheid).

De tweede geldstroom (NWO) bedraagt € 0,3 miljard (overheid). De derde geldstroom (contractonderzoek) bedraagt 0,6 miljard (o.a. EU, bedrijven, andere departementen, collectebusfondsen, etc.). Deze bedragen kunnen niet verder worden uitgesplitst naar bron en instelling.

276

Hoeveel bedraagt de totale jaarlijkse bekostiging voor de wo-masteropleidingen?

Op basis het verwachte aantal masterstudenten is circa € 400 miljoen per jaar beschikbaar voor wo-masteropleidingen.

277

Kan worden aangegeven hoe het getal in de basiswaarde zich verhoudt tot de top-5 positie binnen de Europese Unie?

De basiswaarde 0,95 representeert het aantal wetenschappelijke publicaties per jaar in de periode 2000–2003 per onderzoeker werkzaam in de publieke sector in Nederland in de periode 1997–2000. De cijfers zijn op grond van onder meer OESO-gegevens bewerkt door het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies (CWTS). Ten opzichte van het totaal aantal onderzoekers in de publieke sector betekent dit een gemiddelde jaarlijkse productie van één publicatie in een internationaal tijdschrift. Nederland behoorde daarmee in deze periode tot de meest productieve landen binnen de groep referentielanden en binnen de EU tot een (samen met Zweden) gedeelde tweede plaats. Alleen het Verenigd Koninkrijk scoorde beter. Het doel is erop gericht een top-5 positie binnen de EU te handhaven. Nieuwe cijfers zullen worden gepubliceerd in het rapport «Wetenschapsen Technologie-Indicatoren 2007» van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie dat begin 2008 zal verschijnen.

278

Kan met de toelichting op pagina 172 het wegvallen van budgetten voor FES-nanotechnologie, ITER, TNO automotive worden verklaard?

Het betreft drie innovatie- c.q. toponderzoeksprojecten waaraan in aanvulling op de inzet van eigen middelen van de consortia uit de Fes-rondes 2005 en 2006 middelen uit het FES zijn toegekend. In lijn met de voorwaarden voor financiering uit het FES gaat het om een impulsfinanciering voor een beperkte periode.

279

Hoe is de verdeling van het geld dat nu gaat naar BPRC1 /Stichting AAP? Welke partij krijgt hoeveel geld en in welke gevallen is er sprake van overlap? Waarom is er sprake van overlap?

Er is geen sprake van een overlap tussen (activiteiten van) het BPRC en de Stichting AAP. Als gevolg van de invoering van een verbod op dierproeven met mensapen, is de huisvesting, verzorging en behandeling van alle geïnfecteerde chimpansees van het BPRC in 2006 door Stichting AAP overgenomen. Met Stichting AAP is een Convenant gesloten waarbij ondermeer de vergoeding van de kosten is geregeld.

De verdeling van de middelen over BPRC en Stichting AAP is als volgt (bedragen x € 1000):

 2007200820092010
BPRC8 2128 2128 2138 213
AAP3 796  971  971  971

280

Hoeveel projecten waar sprake is van proefdieren worden gesubsidieerd door het ministerie van OCW?

Het ministerie van OCW financiert geen projecten waarbij proefdieren worden gebruikt. Het ministerie financiert de universiteiten en deels het BPRC. Aan deze instellingen vindt onderzoek plaats waarbij proefdieren gebruikt worden. Het ministerie is hiervan niet de opdrachtgever. Deze instellingen zijn autonoom, op grond van de wettelijke regelgeving, in hun onderzoek.

281

Hoeveel geld is er beschikbaar voor het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven?

Het ministerie van OCW draagt € 182 000 per jaar bij aan het ZonMW programma «Dierproeven begrensd II» waarvan het ministerie van VWS penvoerder is. Voor een totaal overzicht van de bijdragen van andere ministeries en maatschappelijke organisaties aan dit programma verwijs ik u naar de minister van VWS.

Het BPRC zet sterk in op de ontwikkeling van alternatieven voor onderzoek met primaten: € 1,2 miljoen (= 21,35% van de exploitatiesubsidie die het BPRC van OCW ontvangt) wordt ingezet voor alternatievenonderzoek.

Binnen de begroting van het Netherlands Genomics Initiative (NGI) dat gedurende de komende jaren € 240 miljoen ontvangt uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES), is voor het Netherlands Toxicogenomics Centre (NTC) vanaf 2008 € 5 miljoen per jaar gereserveerd. Het NTC onderzoek richt zich vooral op het vermijden van de generatie van data via het gebruik van proefdieren door gebruik te maken van «-omics technologieën» bij de beoordeling van de veiligheid van chemische stoffen.

282

Wat is de bijdrage aan proefdieronderzoek naar het effect van roken?

Het ministerie van OCW financiert geen onderzoeksprojecten naar het effect van roken. Zie ook het antwoord op vraag 280.

283

Kan er een nieuw overzicht worden gegeven van tabel 16.2 waarbij de huidige afspraken met de VSNU ten aanzien van de onderzoeksgelden verwerkt zijn.

Zoals aangegeven in mijn brief van 20 september 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 5) leidt het bestuurlijk akkoord dat met de VSNU is gesloten in verband met de uitbreiding van de Vernieuwingsimpuls tot mutaties op de begroting. Deze zullen bij uw Kamer worden ingediend met een Nota van Wijziging. Dit zal binnenkort plaatsvinden. In de Nota van Wijziging zal het bedrag voor grootschalige research infrastructuur in 2008 worden verlaagd met € 2 miljoen. Het bedrag voor de Vernieuwingsimpuls in 2008 zal worden gewijzigd in € 88,6 miljoen (was € 163,6 miljoen).

284

Kan er puntsgewijs een samenvatting van de behaalde effecten van het programma Mozaïek worden gegeven? Kunt u toelichten wat de redenen zijn dit programma na 2008 te beëindigen?

Er zijn geen voornemens om Mozaïek na 2008 af te bouwen. Het programma wordt volgend jaar geëvalueerd en bij een positieve evaluatie zal het programma worden voortgezet. Voor het programma, dat zich richt op jong onderzoekstalent uit minderheidsgroepen (volgens de definitie van de Wet Samen), stellen NWO en het ministerie van OCW jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar, waarmee in de drie afgelopen rondes 66 promotieplaatsen werden gerealiseerd. In november vindt weer een toekenning plaats van 22 plekken. Daarnaast hebben nog eens 11 kandidaten via de universiteit een promotieplaats verkregen. In alle rondes hebben meer vrouwen een aanvraag ingediend en steeg het percentage vrouwen per selectiemoment. Het merendeel van de aanvragen is afkomstig van de universiteiten in de Randstad en de Universiteit Utrecht. De onderzoeksvelden behaviour and society en life sciences zijn in de meerderheid, exact & technology en humanities zijn in de minderheid, maar zijn wel conform de indieningspercentages terug te vinden in de workshopselectie en de honoreringen. Het aantal aanvragen daalde in de afgelopen jaren. Een grotere bekendheid van NWO en de selectiecriteria heeft daaraan mogelijk bijgedragen, terwijl de kwaliteit van de voorstellen minstens gelijk bleef en volgens sommigen zelfs groter werd. Via voortgangsrapportages, maar ook met het organiseren van PhD bijeenkomsten kan NWO de Mozaïek groep goed volgen. Vrijwel alle kandidaten liggen op schema, de eerste promoties worden eind 2008 verwacht.

 RONDE 2004 ingediendRONDE 2005ingediendRONDE 2006 IngediendRONDE 2007ingediend
  %%%%
mannen9046553953444446
vrouwen10454876168565154
Totaal19410014210012110095100

285

Kan worden aangegeven wat de specifieke opdracht voor de evaluatie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zal worden? Wie wordt als voorzitter benoemd van de evaluatiecommissie?

De taakopdracht voor de evaluatie van KNAW en NWO zal in hoofdlijn betrekking hebben op:

– de wijze waarop KNAW en NWO haar wettelijke taken uitvoeren

– welke rol moeten KNAW en NWO vervullen in het Nederlandse wetenschapsbestel van de komende tien tot twintig jaar gegeven de wetenschappelijke, maatschappelijke en internationale eisen die aan de Nederlandse wetenschap worden gesteld.

– de structuur van de organisatie

De voorzitter van de evaluatiecommissie KNAW is mw. Prof. dr. Louise Gunning

De voorzitter van de evaluatiecommissie NWO is Prof. dr. P. van der Vliet

Kinderopvang

286

Is er wetenschappelijk aantoonbaar bewijs dat een hoger opleidingsniveau van medewerkers de kwaliteit van de kinderopvang verbetert?

De opleiding van (pedagogisch) medewerkers is een van de meest gebruikte en meest onderzochte structurele kwaliteitsindicatoren. IJzendoorn, Tavecchio en Riksen-Walraven concluderen in De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang dat in talloze studies is aangetoond dat het opleidingsniveau van leidsters en het gevolgd hebben van speciale cursussen over de ontwikkeling, verzorging en opvoeding van kinderen, de kwaliteit van de leidster-kindinteractie en de ontwikkeling van kinderen op diverse gebieden bevordert.

287

Kan worden aangegeven op welke wijze de indicator «oudertevredenheid kinderopvang» zal worden ingevuld? Op welke terreinen zal de mening van de ouders worden gevraagd? Zal deze indicator zich alleen richten op kinderdagverblijven of ook op buitenschoolse en tussenschoolse opvang? Aan hoeveel ouders wordt gedacht als respondenten?

Met de ontwikkeling van de indicator voor oudertevredenheid wordt in 2008 begonnen, zodat de eerste resultaten in de begroting 2009 gepresenteerd kunnen worden.

288

Wat is de verklaring voor de daling in totale verplichtingen en totale uitgaven voor kinderopvang in 2009 ten opzichte van eerdere en latere jaren?

Vanaf 2009 wordt ter financiering van de overschrijding van het budget kinderopvang binnen de regeling de kosten voor de Wet kinderopvang met € 125 miljoen oplopend tot € 132 miljoen structureel naar beneden bijgesteld. Om die reden laat 2009 een daling van de verplichtingen en uitgaven zien ten opzichte van het jaar 2008. In de jaren tot 2009 staat het budget voor VVE bij het artikel primair onderwijs met een omvang van € 40 miljoen. In de jaren na 2009 wordt dit budget met het oog op de harmonisatie toegevoegd aan het kinderopvangartikel met € 30 miljoen.

289

Kan per onderwerp en per jaar worden gespecificeerd wat de middelen zullen zijn voor respectievelijk VVE, verhoging opleidingsniveau personeel kinderopvang en acties naar aanleiding van de Taskforce wachtlijsten?

Het huidig budget voor voorschoolse educatie bedraagt € 110 miljoen structureel, dat voor vroegschoolse educatie € 60 miljoen structureel. Voorts wordt verwezen naar het antwoord op vraag 64.

290

Is er inmiddels al een streefwaarde vastgesteld voor het percentage van pedagogisch medewerkers met hbo niveau in kinderopvang?

Er is geen streefwaarde vastgesteld voor het percentage van pedagogisch medewerkers met hbo niveau in de kinderopvang. Ik wil een samenhangend pakket van maatregelen gericht op het verhogen van het opleidingsniveau, het verbeteren van de bestaande opleidingen en het investeren in de deskundigheid van het bestaande personeel. Het is aan werkgevers, werknemers, wetenschap en opleidingen om te komen met goede voorstellen ter invulling van dit pakket. Daarover wil ik met de sector afspraken maken in de vorm van een convenant.

291

Kinderdagverblijven scoren op proceskwaliteit in 2005 3,1 op een schaal van 7 punten. Kunt u een waardeoordeel hechten aan deze score in de zin van ruim onvoldoende, onvoldoende, voldoende? Kan ook aangegeven worden wat de score is op de afzonderlijke onderdelen? Is er al iets bekend over de score voor 2007 en is deze beter of slechter?

Het onderzoek naar de proceskwaliteit is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 28-9-2005 aangeboden aan de Tweede Kamer, inclusief een pakket van maatregelen (Kamerstuk 2004–2005, 28 447, nr. 110). Op 7-11-2005 heeft de minister de Tweede Kamer een vervolgbrief gestuurd met een nadere invulling van de maatregelen (Kamerstuk 2005–2006, 28 447, nr. 115).

Op dit moment wordt vervolg aan deze maatregelen gegeven.

De score van 3,1 op een schaal van 7 kan worden gekwalificeerd als middelmatig. Het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) schreef in de conclusie van het onderzoek Kwaliteit van Nederlandse kinderdagverblijven: Trends in kwaliteit in de jaren 1995–2005: «De landelijke kwaliteitspeiling uit 2005 laat zien dat de gemiddelde proceskwaliteit van kinderdagverblijven weliswaar voldoet aan de meest basale criteria, maar tekort schiet als we de individuele ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen in ogenschouw nemen.» De 6 subschalen lieten de volgende gemiddelde scores zien: Ruimte/meubilering: 3.1, Individuele zorg 2.4, Taal: 3.4, Activiteiten: 2.4, Interacties: 4.3 en Programma: 3.9.

Het NCKO voert in de periode najaar 2007 – voorjaar 2008 de vervolgmeting uit. De resultaten daarvan komen naar verwachting najaar 2008 ter beschikking.

292

Waarom liggen de streefwaarden 2009 voor de punten 1 en 2 lager dan de waarden in 2007? Is het waar dat dit opmerkelijk is daar vanwege de nadruk op de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen door de regering de verwachting toch zal zijn dat steeds meer huishoudens gebruik zullen maken van formele kinderopvang.

De indicator geeft aan dat het gebruik van formele kinderopvang tenmínste even hoog moest blijven na inwerkingtreding van de Wet kinderopvang per 1-1-2005. Méér gebruik van kinderopvang is geen doel op zich. Het moet passen binnen de algemene doelstelling «Kinderopvang zorgt ervoor dat ouders beter arbeid en zorg kunnen combineren en draagt er toe bij dat kinderen hun talenten beter kunnen ontwikkelen. Voor de kinderen van 0 tot 4 jaar biedt kinderopvang de mogelijkheid beter toegerust te beginnen aan het primair onderwijs».

Met de invoering van de harmonisering per 1 januari 2010 zal voor dat jaar een nieuwe streefwaarde worden ontwikkeld voor het gebruik kinderopvang. Uit de cijfers blijkt dat het gebruik van kinderopvang toeneemt. De definitieve gegevens over 2006 worden pas eind 2007 verwacht. De cijfers 2005 t/m 2007 zijn onderling niet goed vergelijkbaar. De intensiveringen uit 2005 en 2006 en de invoering van de verplichte werkgeversbijdrage in 2007 zorgden er voor dat huishoudens die gebruik maakten van formele kinderopvang, maar geen kinderopvangtoeslag ontvingen en dus niet bekend waren bij de Belastingdienst, nu wél bekend zijn. Dit geldt met name voor de hoogste inkomensgroepen.

293

Kan worden aangegeven wat de hoogte is van de middelen die bestemd zullen worden voor de harmonisering van kinderopvang en peuterspeelzalen, tevens per jaar?

Zie voor de verdeling van de middelen het antwoord bij vraag 64.

294

Klopt het dat wordt gesteld dat de doelstelling van 100% doelgroepkinderen voor VVE nooit helemaal realiseerbaar is? Waarom wordt dit percentage dan niet bijgesteld?

Op landelijk niveau worden de maatstaf van de gewichtenregeling gebruikt om het aantal doelgroepkinderen vast te stellen (opleidingsniveau van ouders). Op grond van wet- en regelgeving zijn gemeenten vrij in de het vaststellen van de doelgroep. Deze definitie is vaak ruimer. Ik wil met gemeenten in het kader van de uitwerking van het Bestuursakkoord het aantal plaatsen afspreken dat in 2011 bereikt moet zijn.

295

Waarom is er voor gekozen pas in 2011 weer een nieuwe beleidsdoorlichting te laten plaatsvinden voor kinderopvang en VVE? Is het gezien alle recente ontwikkelingen niet beter al eerder zo’n beleidsdoorlichting te laten plaatsvinden?

Recent is het kinderopvangbeleid, als onderdeel van het arbeiden zorgstelsel, doorgelicht en aangeboden aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 982, nr.1 Herdruk).

Juist gezien de geplande harmonisering in 2010, waaronder de voornemens rondom een groter bereik van VVE, is een nieuwe doorlichting pas zinvol als dit nieuwe beleid is ontwikkeld en ingevoerd. Om deze reden is voor 2011 een beleidsdoorlichting op het kinderopvangbeleid gepland.

Emancipatie

296

Kan een specificatie worden gegeven van de verdeling van de middelen over de taskforce Deeltijdplus, kennisinfrastructuur, project tijdenbeleid 7 tot 7 en stimulering (homo)emancipatie, ook per jaar?

Uitgaande van een indicatieve oploop in de enveloppemiddelen voor emancipatie van 2 miljoen in 2008, 4 miljoen in 2009, 8 miljoen in 2010 en 10 miljoen in 2011 is voor de komende jaren totaal ongeveer 66 miljoen beschikbaar voor het emancipatie- en homo-emancipatiebeleid. De eerste tranche voor 2008 is reeds aan de begroting van OCW toegevoegd. De resterende tranches staan op aanvullende post gereserveerd. In het voorjaar 2008, 2009 en 2010 vindt hierover besluitvorming plaats. Indicatief zijn in deze periode beschikbaar voor het homo-emancipatiebeleid in totaal 12 miljoen en voor 7 tot 7 tijdenbeleid in totaal 2,5 miljoen. De definitieve verdeling van de middelen wordt vastgesteld op basis van concrete plannen en afspraken en is dus mede afhankelijk van de elk jaar definitief toegekende bedragen. Voor de Taskforce Deeltijdplus is 5 miljoen gereserveerd op de begroting van SZW. De subsidiebedragen voor de kennisinfrastructuur zijn nog niet vastgesteld.

297

Kunt u specificeren hoe de 8 miljoen euro aan subsidie voor emancipatie wordt verdeeld? Onder welke organisaties wordt dit verdeeld?

Zie antwoord vraag 296.

Voor de kennisinfrastructuur zijn de reserveringen bedoeld voor E-Quality en het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV).

Op welke wijze de overige bedragen zullen worden besteed is nog niet bekend.

298

Wat is de reden voor de verplaatsing van de oploop van de enveloppegelden emancipatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar de aanvullende post bij Financiën? En wat is hiervan het gevolg voor de begroting van OCW met betrekking tot emancipatie?

De oploop van de enveloppe voor 2009 en verder blijft conform de afspraak uit het coalitieakkoord per departement gereserveerd op de aanvullende post van het Rijk. Over de toekenning van de bedragen wordt jaarlijks bij Voorjaarsnota besloten. Zie verder vraag 296 en 297 voor de indicatieve invulling van de oploop van de enveloppegelden voor 2009 en verder. De beleidsambities in de Emancipatienota voor 2008–2011 zijn op deze invulling afgestemd.

299

Zijn de samenwerkingsafspraken met de departementen zoals vermeld reeds gemaakt? Klopt het dat de nog niet verschenen midterm review 2009 als instrument wordt vermeld?

De samenwerkingsafspraken zullen in de loop van 2008 worden gemaakt. Bij de bespreking van de Emancipatienota in het kabinet is afgesproken dat de midterm review in 2010 zal plaatsvinden. De midterm review is als instrument opgenomen omdat onderdeel hiervan is een verkenning per departement naar nieuwe kansen voor het emancipatiebeleid op de departementen.

300

Kan worden aangegeven waaraan gedacht moet worden bij bestuurlijke afspraken met gemeenten over emancipatiebeleid? Wordt bij de streefcijfers ook een onderscheid gemaakt naar grote en kleine gemeenten?

De aard van de bestuurlijke afspraken zijn onderwerp van gesprek met gemeenten. De afspraken hebben betrekking op het realiseren van een nieuwe impuls in het emancipatiebeleid. Deze afspraken zullen gemaakt worden met gemeenten die een hoge ambitie hebben. Er wordt bij de streefcijfers geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine gemeenten.

301

Wat is de reden dat de projecten 1001Kracht en koplopers tijdenbeleid 7 tot 7 pas in 2011 pas bij 25 gemeentes zijn ingevoerd?

Het streven is de bestuurlijke afspraken zo snel mogelijk te maken, zodat de projecten op lokaal niveau ook snel kunnen starten. De ervaring leert evenwel dat een gedegen voorbereiding van bestuurlijke afspraken cruciaal is voor succesvolle uitvoering. Het gaat bovendien om meerdere thema’s per gemeente en in totaal om meer dan 25 gemeenten waarmee gesprekken gevoerd zullen worden. Het streefcijfer voor 2011 dient als een uiterste datum gelezen te worden.

De niet-beleidsartikelen

302

In hoeverre heeft het programma «OCW Verandert!» geleid tot krimp van het ministerie, zoals werd gevraagd in de motie-Kraneveldt/Roefs1 ?

Het programma «OCW Verandert!», dat begin 2006 is gestart, heeft als zodanig niet tot aanpassingen in de getalsterkte van het ministerie geleid. De getalsmatige randvoorwaarden voor het programma zijn begin 2007 met het aantreden van het kabinet Balkenende IV duidelijk geworden in de vorm van de taakstellingopdracht. De precisering daarvan heeft plaatsgevonden in de Nota Vernieuwing Rijksdienst, die medio september 2007 naar de Tweede Kamer is gezonden. De veranderingen binnen het ministerie zullen zich derhalve binnen die randvoorwaarden voltrekken.

303

Wat is het budget voor de voorlichtingscampagne «Jij moet verder leren dan je neus lang is»? Hoe groot is het budget voor andere, vergelijkbare campagnes?

1. Het budget voor deze voorlichtingscampagne bedraagt € 1,5 miljoen.

2. Er zijn geen vergelijkbare campagnes te noemen. In de Jaarevaluatie Postbus 51-campagnes 2006 die aan de Tweede Kamer (Brief van de minister-president d.d. 4 juli 2007, 30 800 III, nr. 15) is toegezonden, wordt aangegeven wat de gemiddelde kosten van campagnes bedragen.

304

Verdwijnen er banen (fte’s) bij de Onderwijsinspectie als gevolg van het verlaagde budget van deze instantie? Zo ja, om hoeveel banen gaat het? Zo neen, op welke wijze gaat de Inspectie de verlaging van de budgetten opvangen?

In het kader van de vernieuwing van de Rijksdienst wordt bij alle rijksinspecties een taakstelling van 20% ingevuld. Voor de Inspectie van het Onderwijs betekent dit een vermindering met circa 90 fte’s.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

305

Kan al wat gezegd worden over de effectiviteit van de maatregelen die in 2007 zijn genomen ten aanzien van het beheer van kunstvoorwerpen door het Rijk naar aanleiding van de onvolkomenheden waarover de Rekenkamer rapporteerde?

De maatregelen hebben ertoe geleid dat de ministeries een deel van de kunstwerken die zij in bruikleen hadden van het Instituut Collectie Nederland (ICN) hebben geretourneerd (in 2007 1300 objecten). Ten aanzien van het beheer van de kunstwerken die nog wél worden geleend is de «Regeling Materieel Beheer Museale Voorwerpen» voorzien van een administratieve organisatie en geïmplementeerd bij de ministeries.

Inmiddels is het informatiesysteem op orde en kan het beheer dus optimaal verlopen. Ik verwacht dat daarmee de onvolkomenheid tot het verleden behoort.

Verdiepingshoofdstuk

306

Op welke subsidies zullen de bezuinigingen genoemd in tabel 5 over de taakstelling subsidies van toepassing zijn? Waarom is van deze bezuiniging nog geen melding gemaakt in het beleidsartikel?

Zoals op pagina 216 staat verwoord is de aanvullende subsidietaakstelling waartoe het kabinet in augustus heeft besloten, vooralsnog centraal geparkeerd op het artikel nominaal en onvoorzien en zal bij 1e suppletoire begroting 2008 worden verdeeld over de verschillende beleidsterreinen. Vanwege het late tijdstip waarop tot deze taakstelling is besloten, is meer tijd benodigd om deze taakstelling met maatregelen in te vullen. Vandaar dat hierover in de beleidsartikelen geen passages zijn terug te vinden. De taakstelling heeft in principe betrekking op alle middelen die onder het begrip subsidie ressorteren. Overigens zijn de bedragen van tabel 6, Rente huisvestingsprojecten abusievelijk in tabel 5, taakstelling subsidies meegenomen. Hieronder de gecorrigeerde tabellen.

Tabel 5: Taakstelling subsidies (x € 1 000)

 200720082009201020112012
Primair onderwijs0– 89– 214– 3 644– 3 424– 3 559
Voortgezet onderwijs0– 2 113– 4 226– 5 235– 5 455– 5 320
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie0– 4 133– 4 517– 4 625– 4 960– 4 690
Hoger beroepsonderwijs0– 2 906– 4 306– 7 238– 7 155– 7 238
Wetenschappelijk onderwijs0– 2 868– 5 655– 10 760– 10 615– 10 760
Internationaal beleid0– 206– 412– 832– 832– 832
Onderzoek en wetenschappen0– 3 354– 12 258– 30 579– 30 472– 30 514
Kinderopvang0– 104– 209– 418– 418– 418
Emancipatie0– 126– 255– 510– 510– 510
Ministerie algemeen0– 105– 215– 423– 423– 423
Nominaal en onvoorzien00– 8 192– 16 386– 32 772– 32 772
Totaal0– 16 004– 40 459– 80 650– 97 036– 97 036

Tabel 6: Rente huisvestingsprojecten op 6,5% (x € 1 000)

 200720082009201020112012
Primair onderwijs0– 2 256– 2 256– 2 256– 2 256– 2 256
Wetenschappelijk onderwijs0– 1 838– 1 838– 1 838– 1 838– 1 838
Cultuur0– 233– 233– 233– 233– 233
Ministerie algemeen0– 28– 28– 28– 28– 28
Totaal0– 4 355– 4 355– 4 355– 4 355– 4 355

307

Kan worden toegelicht wat de maatregel in 3.19 betekent voor de Bapo-regeling (Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen)?

De maatregel heeft geen doorwerking op de Bapo-regeling.

308

Waar wordt de daling van honderden miljoenen euro’s in de ontwerpbegroting 2007 ten opzichte van 2006 door veroorzaakt, met betrekking tot de meerjarenraming-verplichtingen?

In de op blz. 223 opgenomen tabel «opbouw uitgaven beleidsartikel» wordt het verloop zichtbaar gemaakt van de uitgaven per jaar in zowel de oude als de nieuwe begroting in het voortgezet onderwijs.

Aannemende dat de vraag gaat over het dalend verloop van de uitgaven van de oude begroting (= stand ontwerpbegroting 2007), wordt hiervoor onderstaand een verklaring gegeven.

De belangrijkste oorzaken voor deze daling zijn:

– het verloop van de incidentele middelen uit het FESfonds (fonds economische structuurversterking). In 2007 is bij VO € 128 miljoen beschikbaar, in 2008 € 23 miljoen en in 2009 € 5 miljoen;

– daarnaast de doorwerking van het (licht) dalende leerlingenaantal in het voortgezet onderwijs zoals blijkt uit de Referentieraming 2006. Deze heeft als basis gediend voor de ontwerpbegroting 2007.

309

Wat is de achterliggende gedachte bij de negatieve beleidsmatige mutatie voor het kopje cultuur brede school in artikel 14?

Het betreft hier de eerste tranche van de bijdrage vanuit de cultuurbegroting aan de impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur die in samenwerking met de staatssecretaris van VWS is ontwikkeld (zie TK 2006–200730234, nr. 12) en die gericht is op het realiseren van in totaal 2500 combinatiefuncties tussen onderwijs, sport en cultuur.

Voor een meer uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de beleidsbrief Sport, «De kracht van Sport».

310

Kan een specificatie van de taakstelling voor de NOS worden gegeven alsmede een motivatie voor deze taakstelling?

Het kabinet heeft besloten om een efficiency-taakstelling op ZBO’s door te voeren. Hieronder valt ook de NOS/NPO. In de rijksbegroting is de wettelijke rijksbijdrage over de periode 2008–2011 ten opzichte van 2007 verlaagd met de volgende reeks (x € 1 miljoen):

2008: € 0,2

2009: € 0,4

2010: € 0,8

2011: € 1,6

311

Kan een motivatie voor en alsmede een specificatie van de taakstelling subsidies voor kinderopvang worden gegeven?

Deze taakstelling is de doorvertaling van de taakstelling op subsidies die is afgesproken in het Coalitieakkoord. Deze taakstelling is ingevuld door een korting toe te passen op de Subsidieregeling kinderopvang.

312

Wat is de motivatie voor de taakstelling subsidies voor emancipatie mede gezien het belang dat u hecht aan emancipatie? Kan een specificatie worden gegeven voor welke subsidies deze taakstelling geldt?

Het totaal aan ombuigingen uit het Coalitieakkoord omvat onder andere een taakstelling op subsidies. De subsidietaakstelling is door OCW conform de door het kabinet gehanteerde verdeelsleutels naar de diverse artikelen doorvertaald. Zo ook naar artikel 25. De bedragen zijn verdisconteerd in de verdeling van de stimuleringsuitgaven en subsidies. Zie antwoord 296.

313

Hoe verhoudt de meerjarenraming verplichtingen subsidies zich tot de bedragen genoemd bij de budgettaire gevolgen van beleid?

Bij de overheveling van emancipatie van SZW naar OCW is de oorspronkelijke meerjarenraming verplichtingen subsidies vanuit SZW aan de OCW-begroting toegevoegd. Deze meerjarenraming wordt bij 1e suppletore begroting 2008 aangepast aan de bedragen genoemd in de tabel met de budgettaire gevolgen van beleid.

Bijlagen

314

Is het bij het wettelijk voorgeschreven aantal lesuren en de wens dat docenten zich nascholen teneinde hun vakbekwaamheid op peil te houden noodzakelijk dat scholen extra docenten in dienst nemen, opdat de nascholing niet hoeft te leiden tot lesuitval?

Nee. Het is aan de school te bepalen hoe zij het onderwijsprogramma willen inrichten en daartoe de beschikbare middelen willen inzetten. Dat betreft ook de invulling van de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd. In de CAO VO zijn (kaderstellende) afspraken gemaakt over de algemene arbeidsduur, het taakbeleid en scholing (waaronder begrepen het beschikbaar stellen van faciliteiten in tijd of geld). Binnen deze kaders kunnen scholen invulling geven aan de inzet van de beschikbare docenten en de nascholing van het onderwijspersoneel. Indien een school het noodzakelijk acht extra docenten in dienst te nemen opdat de nascholing niet leidt tot lesuitval is dit een beleidskeuze van de school.

315

Wat is inmiddels de stand van zaken bij de uitvoering van de motie-Lambrechts c.s1 ? Wat zijn de ontwikkelingen sinds 16 april 2007?

Momenteel is overleg met het UWC gaande. Dit is nog niet afgerond.

U ontvangt zo spoedig mogelijk bericht.

316

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de ratificatie van het UNESCO verdrag van 1970? Is er al een nader rapport?

Wetsvoorstellen tot goedkeuring en implementatie van het UNESCO-verdrag 1970 worden thans, ieder vergezeld van een nader rapport, naar de Tweede Kamer gestuurd.

317

Wat is de stand van zaken ten aanzien van zowel de brief als het netwerk voor mediawijsheid?

Ik tref voorbereidingen voor de inrichting van een media-educatie en expertisecentrum. Dit doe ik in overleg met organisaties die zich reeds bezighouden met media-educatie en mediawijsheid. Doel is dat er in 2008 een centrum is om kinderen en jongeren, hun ouders en scholen, te ondersteunen in het leren omgaan met de veelheid van media-uitingen en om de samenhang en samenwerking te versterken tussen initiatieven op het terrein van mediawijsheid. Voor het eind van het jaar stuur ik een brief aan de Tweede Kamer sturen waarin ik functie, opzet en inrichting van het Media-educatie en expertisecentrum uiteenzet.

318

Hoe staat het met de regeling voor kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie?

In de begroting is onder de post kinderopvangtoeslag voor 2008 en 2009 inbegrepen een bedrag van € 28,2 miljoen voor kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie. Bij voorjaarsnota 2008 zullen deze bedragen worden overgeboekt naar het Gemeentefonds om de financiering 2007 te continueren in 2008 en 2009.


XNoot
*

* I.v.m. een correctie in de aanhef. Het eerder onder Kamerstuknummer 31 200 VIII, nr. 31 gepubliceerde kamerstuk komt hiermee te vervallen.

XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GL).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Bommel (SP), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Nicolaï (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en van Gent (GL).

XNoot
1

Kamerstuk 30 800 VI, nr. 119.

XNoot
1

Kamerstuk 31 200 VIII, nr. 14.

XNoot
1

Kamerstuk 30 800 VIII, nr. 26.

XNoot
1

Kenmerk PO/KO/07/25628.

XNoot
1

Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording.

XNoot
1

Regioplan, Onderwijstijd en lesuitval in het voortgezet onderwijs 2005–2006.

XNoot
1

Voor het middelbaar beroepsonderwijs is geen ziekteverzuimcijfer bekend over het jaar 2000. Het middelbaar beroepsonderwijs is pas later begonnen met het sectoraal vastleggen van ziekteverzuimcijfers.

XNoot
1

Stichting Beroepskwaliteit Leraren.

XNoot
1

Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten.

XNoot
1

Kamerstuk 31 200 VIII, nr. 14.

XNoot
1

Biomedical Primate Research Centre.

XNoot
1

Kamerstuk 30 300 VIII, nr. 134.

XNoot
1

Kamerstuk 30 800 VIII, nr. 33.

Naar boven