31 200 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2008

nr. 128
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 april 2008

Binnen de vaste commissie voor Justitie1 hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de minister van Justitie van 15 november 2007 (31 200 VI, nr. 87) inzake het besluit van 5 november 2007, houdende aanwijzing van de voorwerpen bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912 en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en verschuldigdheid van de vergoeding bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, enkele vragen en opmerkingen voor te leggen. Bij brief van 7 april heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie,

Beuker

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister houdende het Besluit van 5 november 2007 inzake de thuiskopievergoeding. Hoewel de beslissing van de minister deze leden geenszins bevredigt, menen zij, dat met het onderhavige Besluit wel recht wordt gedaan aan de urgentie van de problemen bij Stichting de Thuiskopie. De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over het Besluit en de daarbij behorende nota van toelichting.

In de nota van toelichting lezen deze leden, dat op 31 december 2005 in totaal nog circa € 57 miljoen voor verdeling aan de rechthebbende beschikbaar was. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister aan kan geven welke bedragen eind 2006 en 2007 nog voor verdeling beschikbaar zijn bij Stichting de Thuiskopie. Deze leden ontvangen graag een overzicht van de beschikbare bedragen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het waar is, dat de vigerende wettelijke regeling van het thuiskopiestelsel, Stichting de Thuiskopie en de ingeschakelde verdeelorganisaties de vrijheid geeft om in hun statuten of reglementen te voorzien in een bepaalde bestemming van de onverdeelde gelden. Deze leden vragen of deze regeling niet te veel vrijheid aan Stichting de Thuiskopie geeft. Zij vragen of er geen gevaar bestaat dat deze regeling tot oneigenlijk gebruik van onverdeelde gelden zal leiden.

De leden van de CDA-fractie vragen of ook een overzicht worden kan worden gegeven van de beschikbare bedragen bij de andere auteursrechtelijke beheers- en verdeelorganisaties. Zij vragen of de minister voornemens is om op deze organisaties eenzelfde soort beleid toe te passen.

De leden van de CDA-fractie hebben begrepen dat in afwachting van de uitkomst van lopende rechtszaken over de repartitie van geïnde thuiskopiegelden, nog de nodige gelden voor verdeling zijn gereserveerd. Genoemde leden vragen naar de stand van zaken rondom de betreffende rechtzaken en zij vragen wanneer de minister meer duidelijkheid omtrent de afloop van deze rechtzaken kan geven.

De leden van de CDA-fractie menen, dat Stichting de Thuiskopie zorg dient te dragen voor de verdeling van gelden aan de makers of hun rechtverkrijgenden. Hierbij worden verdeelorganisatie ingeschakeld die vervolgens zorg dragen voor de verdeling van de gelden. Echter, zo stellen deze leden, Stichting de Thuiskopie blijft eindverantwoordelijk. In dat kader vragen zij hoe de verhoudingen zijn tussen Stichting de Thuiskopie en de verdeelorganisaties. De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de verdeelorganisaties ondergeschikt zijn aan Stichting de Thuiskopie en zij vragen of Stichting de Thuiskopie een aanwijzingsbevoegdheid jegens de verdeelorganisaties heeft.

Genoemde leden begrijpen niet waarom het College van Toezicht geen grip op de materie heeft gekregen. Per slot van rekening heeft het College al in 2005 onderzoek verricht en enkele aanbevelingen gedaan. Deze leden vragen of Stichting de Thuiskopie inmiddels conform de aanbevelingen van het College zijn werkwijze heeft gewijzigd. Indien dit niet zo is, vragen zij waarom niet.

De leden van de CDA-fractie begrijpen evenmin waarom men niet in staat is gebleken de geïnde bedragen aan de rechthebbenden te betalen. Het moet, zo menen deze leden, toch duidelijk zijn wie de rechthebbenden zijn. De hoogte van de aan de betalingsplichtige industrie opgelegde bedragen is toch – als het goed is – nauwkeurig afgestemd op de bedragen waar de rechthebbenden recht op hebben, zo namen deze leden aan. Of met andere woorden: het kan toch niet zo zijn dat in de wilde weg bedragen worden opgelegd, zonder dat duidelijk is voor wie die rechten bedoeld zijn, zo menen deze leden. Daarbij merken zij nog op dat, op de beheers- en verdeelorganisaties een inspanningsverplichting zou moeten rusten om ervoor zorg te dragen dat de geïnde gelden ook bij de artiesten terecht komen. Als deze inspanningsverplichting er niet is vragen deze leden aan de minister of hij van mening is, dat de organisaties voldoende moeite hebben gedaan om de rechthebbenden te traceren.

De minister geeft aan dat de komende periode wordt benut om met betrokken partijen in overleg te treden over het thuiskopiestelsel, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Deze leden vragen of de minster aan kan geven welke partijen worden betrokken bij de consultaties en op welke termijn hij tot een nieuw of aangepast stelsel wil komen.

Hoewel genoemde leden begrijpen, dat de minister tot de beslissing moest komen om de onverveelde gelden aan de betalingsplichtige industrie (fabrikanten/importeurs) terug te storten, bevredigt deze oplossing hen geenszins. Deze leden zijn namelijk van mening, dat de geïnde rechten terecht moeten komen bij de rechthebbenden. Zien zij het goed, dat de minster deze opvatting deelt. Een stelsel waarin wel wordt geïnd, maar onvoldoende wordt uitgekeerd, verliest inderdaad zijn legitimatie, beamen de leden van de CDA-fractie. Rechthebbenden mogen niet de dupe worden van problemen waarmee Stichting de Thuiskopie te kampen heeft.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende besluit inzake het laten terugvloeien van geïnde en niet verdeelde gelden door Stichting de Thuiskopie richting de producenten. Deze leden kunnen hier in beginsel mee instemmen. Toch hebben zij nog enkele vragen aan de minister over de positie van Stichting de Thuiskopie.

De leden van de PvdA-fractie willen graag weten of de minister kan bevestigen, dat er brieven zijn verstuurd door Stichting de Thuiskopie naar rechthebbenden waarin staat dat zij hun activiteiten zullen beëindigen als gevolg van de kritiek van de politiek op de transparantie rond de verdeling van geïnde gelden. Deze leden vragen of de minister bedoelde brief met een reactie aan de Kamer wil toezenden. Zij vragen of de minister in deze reactie ook in kan gaan op de consequenties van de inhoud van deze brief op de uitvoering van de Thuiskopieregeling in de toekomst.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister van Justitie van 15 november 2007. Deze leden hebben naar aanleiding van het bij de brief gevoegde Besluit de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de SP-fractie hebben er geen bezwaar tegen, dat de bevriezing van het huidige stelsel wordt verlengd tot 1 januari 2009 teneinde een afdoende afweging te kunnen maken over noodzakelijke aanpassingen.

Deze leden stellen vast, dat er geld over is bij Stichting de Thuiskopie. De minister is, zo merken zij op, van mening dat «eventueel onverdeelde gelden die terugvloeien aan de betalingsplichtige industrie, zo mogelijk tot uitdrukking zouden moeten komen in de wederverkoop- of detailhandel van de thans onder de heffing vallende voorwerpen, en daarmee uiteindelijk ten goede aan de consument». Naar de mening van de leden van de SP-fractie behoort dit overgebleven geld toe aan de artiesten. De leden van de SP-fractie maken bezwaar tegen het voornemen van de minister om het overgebleven geld via de industrie terug te sluizen naar de consument. Deze leden vragen waarom de minister de mening van de industrie negeert, die een voorkeur uitspreekt voor een oplossing waarbij de heffing wordt verlaagd. De leden van de SP-fractie doen de minister de suggestie aan de hand om de bij de Stichting de Thuiskopie overgebleven gelden ten gunste van artiesten te laten komen. Deze leden stellen voor om de gelden te gebruiken als subsidie voor een op te richten fonds voor Nederlandse popmuziek. Zij verwijzen daarbij naar de nota van het SP-lid Gerkens1. Zij vragen of de minister deze suggestie wil onderzoeken en dienaangaande voorstellen wil doen.

De leden van de SP-fractie vragen de minister voorts om mee te delen wanneer er een uitgebreide visie komt op handhaving van de auteurswet in de veranderende digitale omgeving.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister houdende het Besluit van 5 november 2007 inzake aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16 c van de Auteurswet 1912.

De leden van de VVD-fractie kunnen instemmen met het tijdelijk kader dat het Besluit biedt en de drie hierin opgenomen maatregelen. Wel hebben de leden nog enkele vragen naar aanleiding van de nota van toelichting.

Deze leden hebben begrepen, dat inmiddels is gebleken dat Stichting de Thuiskopie als eindverantwoordelijke (ook voor de onder haar ingeschakelde verdeelorganisaties) niet op adequate wijze zorg kan dragen voor een juiste en tijdige verdeling van de gelden en dat niet moet worden uitgesloten dat uiteindelijk niet alle gelden meer verdeeld kunnen worden. Het onderhavig Besluit beoogt deze gelden die in het verleden zijn opgebouwd, ofwel op korte termijn alsnog tot uitkering te doen komen ofwel, bij gebreke daarvan, te laten terugvloeien aan betalingsplichtigen. De leden van de VVD-fractie zijn het hiermee eens en stemmen in met de bijstelling van het wettelijk kader om de vrijheid in de statuten of (verdeel) reglementen enigszins te beperken door te voorzien in een bepaalde bestemming van de onverdeelde gelden.

Deze leden vragen de minister wel om nader inzicht te geven op de wijze waarop deze onverdeelbare gelden uiteindelijk weer aan de betalingsplichtige (industriële) producenten ten goede zullen komen. Zij vragen of de minister aan kan geven op welke wijze de rechthebbende zullen worden getraceerd. De leden van de VVD-fractie vragen of er bij het terugstorten/verdisconteren van de onverdeelbare gelden nog een bepaalde verdeelsleutel wordt gebruikt (hogere terugstorting in geval van hogere bijdrage). Indien dit niet zo is, vragen deze leden waarom niet.

De minister geeft, zo merken zij op, dat hij het onwenselijk acht de industrie te verplichten tot het compenseren van de consument door middel van een lagere prijs. De leden van de VVD-fractie vernemen graag van de minister op welke wijze de consument tegemoet gekomen wordt. Is het bijvoorbeeld voor de individuele consument mogelijk, indien deze persoon kan aantonen een extra bijdrage te hebben betaald voor een thuiskopieheffing op een product van een bedrijf dat ten gevolge van onderhavig besluit geld terug krijgt, om restitutie te vragen, zo vragen deze leden. Indien dit zo is, vragen deze leden op welke wijze dit zal gaan gebeuren. Indien dit niet zo is zijn deze leden van mening, dat de bijdrage op enigerlei wijze moet terugvloeien naar de persoon die hier daadwerkelijk de financiële lasten voor heeft gedragen (consument).

De leden van de VVD-fractie hebben nog een vraag met betrekking tot het vaststellen van het uiteindelijke bedrag aan onverdeelbare gelden. Deze leden lezen in de nota van toelichting dat over dit bedrag (per 31 december 2004 onverdeelbaar) nog overleg gaande is tussen het College van Toezicht en Stichting de Thuiskopie. Zij vragen of de minister aan kan geven waar de hoogte van het bedrag afhankelijk van is. Kan hierover worden onderhandeld? Is er voldoende toezicht op het beheer van de nog onverdeelde gelden, zo vragen deze leden.

Tot slot stellen de leden van de VVD-fractie de vraag of een eventueel in te stellen onderzoek door de Kamer zich wel verdraagt met het nu reeds teruggeven van onverdeelde gelden. Ziet de minister op dat punt belemmeringen, zo vragen deze leden.

II REACTIE VAN DE MINISTER

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties naar aanleiding van het Besluit van 5 november 2007, houdende aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912 (Stb. 435). In reactie hierop merk ik het volgende op.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie menen dat met het Besluit van 5 november 2007 recht wordt gedaan aan de urgentie van de problemen bij Stichting De Thuiskopie en vragen of de minister kan aangeven welke bedragen eind 2006 en 2007 nog voor verdeling beschikbaar zijn bij Stichting De Thuiskopie.

Op zijn vergadering van 8 november 2007 heeft het College van Toezicht, na verificatie door een onafhankelijke accountant, ingestemd met de verantwoording die Stichting De Thuiskopie over de verdeling van de gelden in 2006 heeft afgelegd. Over door het College van Toezicht geverifieerde gegevens over 2007 beschik ik nog niet.

Gebleken is dat er ultimo 2006 nog 43 708 miljoen euro voor verdeling beschikbaar was. Ruim 16 miljoen euro daarvan kan worden toegerekend aan de incassojaren 2005 en 2006, en bevindt zich derhalve nog in het reguliere verdeelproces. De betrokken gelden moeten ingevolge het Besluit van 5 november 2007 uiterlijk eind 2008 (de incasso over het jaar 2005) c.q. eind 2009 (de incasso over 2006) zijn verdeeld, bij gebreke waarvan de onverdeelde gelden in het daaropvolgende kalenderjaar moeten worden verrekend met de incasso in dat jaar. Aan zogenaamde oude onverdeelde gelden, d.w.z. gelden die tot en met 31 december 2004 waren geïnd, was ultimo 2006 nog ruim 27.7 miljoen voor verdeling beschikbaar. Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties hebben zich in 2007, in overleg met het College, nadrukkelijk ingespannen om deze gelden alsnog aan rechthebbenden uit te keren. Bedragen die naar het oordeel van het College per ultimo 2007 echt onverdeelbaar blijken, worden ingevolge het Besluit van 5 november 2007 over een periode van vier jaar verrekend met de toekomstige incasso.

Het College buigt zich momenteel over de financiële verantwoording die Stichting De Thuiskopie inmiddels over 2007 heeft aangeleverd. Over de bevindingen van het College wordt uw Kamer uiteraard nader geïnformeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen verder of de vigerende wettelijke regeling Stichting De Thuiskopie en de verdeelorganisaties de vrijheid geeft om in hun statuten of reglementen te voorzien in een bepaalde bestemming van de onverdeelde gelden. Geeft deze regeling niet te veel vrijheid aan Stichting De Thuiskopie en bestaat, aldus de aan het woord zijnde leden, niet het gevaar dat deze regeling tot oneigenlijk gebruik van onverdeelde gelden zal leiden?

Inderdaad kende onze wettelijke regeling, zoals in de toelichting van het Besluit van 5 november 2007 is aangegeven, geen verplichte bestemming voor onverdeelde gelden. Daarmee ontstond voor Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties de vrijheid om in hun statuten of (verdeel-) reglementen te voorzien in een bepaalde bestemming van de onverdeelde gelden. Daarvan is overigens, zo blijkt uit het onderzoek van het College van Toezicht, op terughoudende wijze gebruik gemaakt, getuige het feit dat er ultimo 2006 in totaal nog ongeveer 44 miljoen euro voor verdeling beschikbaar was. Dat laat onverlet dat een concretisering van het wettelijke kader gewenst is, opdat duidelijk wordt dat er tijdig en correct verdeeld moet worden. Om die reden voorziet het Besluit van 5 november 2007 in een algemene verplichting voor Stichting De Thuiskopie om de thuiskopiegelden binnen drie kalenderjaren na de incasso te verdelen, bij gebreke waarvan verrekening met de toekomstige incasso en aldus de facto restitutie volgt.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie om een overzicht van de beschikbare bedragen bij de andere auteursrechtelijke beheers- en verdeelorganisaties. Is de minister, zo vragen deze leden, voornemens om op deze organisaties eenzelfde soort beleid toe te passen?

Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief aan de Tweede Kamer van 28 maart 2007, heb ik het College van Toezicht verzocht na te gaan of er ook bij Buma, Sena alsmede bij de Stichtingen Leenrecht en Reprorecht sprake is van onverdeelde gelden. Ik ben nog in afwachting van de bevindingen van het College, dat momenteel prioriteit geeft aan het thuiskopiedossier. Mocht blijken dat ook bij die organisaties sprake is van aanzienlijke bedragen aan onverdeelde gelden, dan overweeg ik eenzelfde beleid als ten aanzien van Stichting De Thuiskopie wordt gevoerd.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat, in afwachting van de uitkomst van lopende rechtszaken over de repartitie van geïnde thuiskopiegelden, nog de nodige gelden voor verdeling zijn gereserveerd en vragen hoe het met deze procedures staat alsmede wanneer meer duidelijkheid over de afloop ervan kan worden geven.

Het gaat in casu om twee procedures. Allereerst is er het beroep in cassatie van Stichting De Thuiskopie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 september 2007, waarin het Hof heeft uitgemaakt dat Amerikaanse uitvoerende kunstenaars geen aanspraak kunnen maken op thuiskopiegelden. Een uitspraak van de Hoge Raad wordt niet voor eind 2008 verwacht. Voorts heeft Stichting De Thuiskopie hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2007, waarbij Thuiskopie veroordeeld is tot betaling van 1 miljoen euro aan de verdeelorganisatie IRDA, tenzij Thuiskopie kan aantonen dat het geld inmiddels aan bij IRDA aangesloten artiesten is uitbetaald. Ook de uitkomst van deze procedure, die eventueel nog gevolgd zou kunnen worden door beroep in cassatie, wordt niet in 2008 verwacht.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de verhoudingen tussen de verdeelorganisaties en Stichting De Thuiskopie, gegeven de eindverantwoordelijkheid van Thuiskopie. Zijn de verdeelorganisaties ondergeschikt aan Stichting De Thuiskopie en heeft deze, aldus de aan het woord zijnde leden, een aanwijzingsbevoegdheid jegens de verdeelorganisaties?

De verhoudingen tussen Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties zijn langs privaatrechtelijke weg geregeld via zogenaamde aanwijzingsovereenkomsten, waarmee het College van Toezicht vooraf heeft ingestemd. Daarin is onder meer opgenomen a) dat Thuiskopie de verdeelreglementen van de door haar aangewezen verdeelorganisaties moet goedkeuren, b) dat men jaarlijks aan Thuiskopie via een door een registeraccountant gecertificeerde opgave laat weten welke beheers- en andere kosten bij de verdeling zijn gemaakt, c) dat men jaarlijks voor 1 juli aan Stichting De Thuiskopie op basis van vastgestelde matrices en goedkeurende accountantsverklaringen zal rapporteren over de verdeling van de ontvangen thuiskopiegelden en d) dat men gehouden is om Thuiskopie alle informatie te verstrekken waarom het College van Toezicht mocht verzoeken. De aanwijzingsovereenkomst geldt in beginsel voor drie jaar en kan tussentijds bij niet-naleving eenzijdig door Stichting De Thuiskopie worden ontbonden. Inherent hieraan is dat er, formeel gezien, geen publiekrechtelijke aanwijzingsbevoegdheid bestaat van Thuiskopie jegens de verdeelorganisaties.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom het College van Toezicht geen grip op de materie heeft gekregen, nu er al in 2005 onderzoek is verricht. Heeft Stichting De Thuiskopie, zo vragen deze leden, haar werkwijze inmiddels conform de CvTA-aanbevelingen gewijzigd en, zo niet, waarom niet?

In tegenstelling tot de leden van de CDA-fractie, meen ik niet dat het College van Toezicht geen grip op de materie heeft gekregen. In tegendeel, juist dankzij het gedegen onderzoek van het College van Toezicht, dat zich uitstrekt over de periode 1991–2006 en betrekking heeft op zowel Stichting De Thuiskopie als de gang van zaken bij ruim tien ingeschakelde verdeelorganisaties, is inzichtelijk geworden welke tekortkomingen er in de verdelingsstructuur van het thuiskopiestelsel waren, welke verbeteringen daarom nodig waren en hoe de omvang van de problematiek van de onverdeelde gelden is.

Eind 2005 heeft het College van Toezicht bij wijze van tussenrapportage laten weten op welke tekortkomingen men is gestuit. De Tweede Kamer is hierover door de toenmalige minister van Justitie geïnformeerd bij brief van 31 januari 2006, waarbij deze aangaf dat Stichting De Thuiskopie in de gelegenheid wordt gesteld om orde op zaken te stellen alsmede ervan uit te gaan dat de stichting aan de aanbevelingen van het College van Toezicht gevolg zal geven en de bestaande problemen op de kortst mogelijke termijn zal oplossen (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 113). Bij rapportage van 26 januari 2007 heeft het College van Toezicht aangegeven welke vorderingen Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties in 2006 hadden gemaakt, en tevens als nieuw probleem aandacht gevraagd voor de kwestie van de onverdeelde gelden. Naar het oordeel van het College heeft bij de stichting en haar verdeelorganisaties in de laatste jaren een cultuuromslag plaatsgevonden en zijn belangrijke inspanningen gepleegd en veranderingen doorgevoerd om de situatie, met inbegrip van de controle op de verdeelorganisaties door Stichting De Thuiskopie, te verbeteren.

Bij brief van 28 maart 2007 heb ik u over de bevindingen van het College geïnformeerd (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 79). Ik heb daarbij aangegeven de kwestie van de onverdeelde gelden vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het auteursrecht, waaronder het goede functioneren van het thuiskopiestelsel, zorgelijk te achten, en daarom een samenhangend pakket van maatregelen aangekondigd dat zowel op de korte als op de lange termijn ziet. Deze maatregelen omvatten a) een voorziening voor de afbouw van de onverdeelde gelden en een restitutieregeling om toekomstige reservevorming te voorkomen, b) een bestendiging van het stelsel voor 2008 op het niveau van 2007, waartoe de SONT zelf had besloten, omdat van uitbreiding van het stelsel of tariefverhogingen geen sprake kan zijn zolang de door het College van Toezicht geconstateerde verdeelproblemen niet zijn opgelost, c) aanscherping van de aanwijzing van Stichting De Thuiskopie, d) onderzoek door het College naar eventuele onverdeelde gelden bij andere onder toezicht staande organisaties en e) overleg met alle betrokken partijen over de toekomst van het thuiskopiestelsel.

Al deze aangekondigde maatregelen zijn getroffen of in gang gezet. Het Besluit van 5 november 2007 kent een afbouwregeling voor onverdeelde gelden, voorkomt toekomstige reservevorming en bestendigt het stelsel voor 2008. Het College verricht inmiddels onderzoek bij Buma, Sena alsmede de Stichtingen Leenrecht en Reprorecht naar aldaar eventueel onverdeelde gelden en de aanwijzing van Stichting De Thuiskopie is inmiddels aangescherpt en beperkt tot vijf jaar (Stcrt. 1 juni 2007, nr. 103). Ten slotte is een proces van consultatie gestart met de betrokken partijen over de toekomst van het thuiskopiestelsel (Kamerstukken II 2006/07, Aanhangsel, nr. 2256, blz. 4780).

De leden van de CDA-fractie begrijpen niet waarom men niet in staat is gebleken de geïnde bedragen aan de rechthebbenden te betalen. Het moet toch duidelijk zijn wie dat zijn; het kan toch niet zo zijn dat bedragen worden opgelegd, zonder dat duidelijk is voor wie die rechten bedoeld zijn?

De hoogte van door Stichting De Thuiskopie te innen vergoedingen werd altijd door Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding (SONT) bepaald. Het Besluit van 5 november 2007 heeft deze tarieven voor 2008 bestendigd. De grondslag voor de tariefvaststelling binnen de SONT wordt gevormd door het aantal blanco gegevensdragers dat in het verkeer is gebracht in combinatie met de uitkomsten van onafhankelijk onderzoek naar de mate van privékopiëren door consumenten (het zgn. Veldkamponderzoek, dat in opdracht van de SONT-partijen periodiek wordt verricht). Over het algemeen wordt de hoogte van de heffing aan het begin van een bepaald kalenderjaar vastgesteld.

Pas na afloop van het betreffende kalenderjaar ontstaat, aan de hand van bijvoorbeeld hitoverzichten, radioplaylists en televisie-uitzendingen, enig zicht op de vraag welke rechthebbenden aanspraak zouden kunnen maken op een thuiskopievergoeding. Rechthebbenden kunnen zich daartoe bij Stichting De Thuiskopie melden of bij de verdeelorganisatie waarbij men is aangesloten. Daarnaast wordt door de verdeelorganisaties aan de hand van aftitelingen, programma- en songgegevens e.d. nagegaan welke musici, auteurs en artiesten, in binnen- en buitenland, wellicht voor een thuiskopievergoeding in aanmerking komen. Uit de aard der zaak is dit een complex proces, waarmee de nodige tijd gemoeid kan zijn. Dat laat onverlet dat enige mate van «rough justice» inherent is aan het stelsel omdat bij aanvang van een kalenderjaar niet met zekerheid bekend is wat het kopieergedrag van consumenten is.

De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat op de beheersen verdeelorganisaties een inspanningsverplichting zou moeten rusten om ervoor te zorgen dat de geïnde gelden ook bij de artiesten terecht komen. Mocht dat niet zo zijn, dan vernemen zij graag het oordeel van de minister over de vraag of de organisaties voldoende moeite hebben gedaan om de rechthebbenden te traceren.

De verplichting om tijdig en zo goed mogelijk te verdelen volgt voor Stichting De Thuiskopie uit artikel 2 van de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties. Het College van Toezicht heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de onder toezicht staande organisaties, waaronder Thuiskopie, gehouden zijn om de geïnde vergoedingen op rechtmatige wijze en tijdig aan rechthebbenden te verdelen. In de aanwijzingsovereenkomsten van Stichting De Thuiskopie met haar verdeelorganisaties is een inspanningsverplichting voor die organisaties opgenomen om rechthebbenden zoveel mogelijk te traceren, opdat zij tijdig en overeenkomstig het verdeelreglement van de betrokken organisatie de hun toekomende thuiskopiegelden krijgen. Het is mij bekend dat Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties zich de nodige extra inspanningen getroost hebben om de rechthebbenden, in binnen- en buitenland, zoveel mogelijk te traceren. Ik wil mij een eindoordeel over de resultaten daarvan voorbehouden, totdat ik de rapportage hierover van het College van Toezicht heb ontvangen.

Naar aanleiding van het initiatief om de komende periode te benutten om met de betrokken partijen in overleg te treden over het thuiskopiestelsel vragen de leden van de CDA-fractie welke partijen hierbij betrokken zijn en op welke termijn de minister tot een nieuw of aangepast stelsel wil komen.

Zoals in de brief van 28 maart 2007 is aangegeven, wordt de periode tot 1 januari 2009 benut om ons in overleg met de betrokken partijen te bezinnen op het huidige thuiskopiestelsel. Inmiddels is er door mijn departement en dat van Economische Zaken overleg gevoerd met Stichting De Thuiskopie, de verdeelorganisatie Stichting Naburige Rechten Musici en Acteurs (Norma), de vakbond voor Kunsten, Informatie en Media (FNV Kiem), de Nederlandse Vereniging van Producenten en Importeurs van beeld- en geluiddragers (NVPI), ICT-Office, de branchevereniging van leveranciers van consumentenelektronica (FIAR), Philips en de Stichting Onderhandelingen Blanco Informatiedragers. Ook de voorzitter van de SONT, prof. H. Vonhoff, is geconsulteerd. De Consumentenbond heeft aangegeven haar standpunt in een later stadium te willen bepalen.

In de bijeenkomsten die totnogtoe hebben plaatsgevonden heeft het accent gelegen op een inventarisatie van de voor- en nadelen van het huidige stelsel en mogelijke alternatieven daarvoor, mede gelet op de stand van de techniek en de stelsels die in andere lidstaten van de Europese Unie gelden. Het merendeel van de EU-lidstaten kent een heffingenstelsel, soms alleen geldend voor blanco dragers (Nederland), maar vaak ook apparaten met opslagcapaciteit omvattend (bijv. Duitsland), waarbij de heffing soms een vast bedrag bedraagt, soms direct gerelateerd is aan de opslagcapaciteit en soms wordt uitgedrukt in een percentage van de verkoopprijs (bijv. Griekenland en Polen). In Noorwegen wordt de thuiskopievergoeding gefinancierd uit de algemene middelen1.

Een zorgvuldige inrichting van dit proces van consultatie vergt uit de aard der zaak enige tijd, opdat alle facetten, zoals het kopieergedrag van consumenten, het daardoor ontstane nadeel voor artiesten, de inzet van technische voorzieningen en kopieerbeveiligingen alsmede mededingings-, innovatie- en consumentenaspecten, op adequate wijze aan de orde kunnen komen. Een complicatie is dat enkele partijen met elkaar in een juridisch conflict zijn verwikkeld over de reikwijdte van de Richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij, ter uitvoering waarvan ons stelsel strekt. Bovendien heeft het Amerikaanse bedrijf Imation recent een klacht ingediend bij de Europese Commissie omdat het meent dat ons stelsel van heffingen – dat ook de meeste andere lidstaten in enigerlei vorm kennen – onverenigbaar zou zijn met het vrije verkeer van goederen. Dat is totnogtoe voor de Commissie overigens nog geen aanleiding geweest om een inbreukprocedure tegen Nederland te starten. Wel heeft de Commissie inmiddels besloten een hernieuwde ronde van consultaties te starten over de werking en effecten van de thuiskopiestelsels in de verschillende lidstaten2. Gelet op de inspanningen van Nederland om hernieuwde Europese agendering van de thuiskopieproblematiek wordt dit initiatief uiteraard verwelkomd.

Vanzelfsprekend werk ik met voorrang aan een duurzame oplossing voor de komende jaren, omdat consumenten, rechthebbenden en de industrie niet gebaat zijn bij onzekerheid over de inrichting van het stelsel na 1 januari 2009 (Kamerstukken II 2007–2008, 31 200 VI, nr. 98, blz. 7).

De leden van de CDA-fractie tonen begrip voor het feit dat besloten is om de onverdeelde gelden aan de betalingsplichtige industrie (fabrikanten/importeurs) terug te laten vloeien, maar menen dat de geïnde gelden eigenlijk bij de rechthebbenden terecht moeten komen. Zien zij het goed dat de minister deze opvatting deelt?

Met de leden van de CDA-fractie meen ik dat de geïnde thuiskopiegelden ten goede moeten komen aan degenen voor wie zij bedoeld zijn, te weten de makers van creatieve werken. Incasso veronderstelt immers repartitie. Uitkering aan, bijvoorbeeld, artiesten en musici is en blijft ook de inzet van mijn beleid en dat van het College van Toezicht. Dat laat onverlet dat als gelden echt onverdeelbaar blijken, nadat Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties hun overheadkosten en andere inhoudingen hebben verricht en alle bij de organisaties bekende rechthebbenden hun billijke vergoeding hebben ontvangen, het redelijk en billijk is om deze – naar achteraf blijkt teveel geïnde gelden – te laten terugvloeien aan de betalingsplichtigen, t.w. de producenten en importeurs van voorwerpen die bestemd zijn voor het thuiskopiëren. Zoals de aan het woord zijnde leden terecht opmerken, verliest een stelsel waarin wel wordt geïnd, maar onvoldoende wordt uitgekeerd, immers zijn legitimatie.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie kunnen in beginsel instemmen met restitutie aan de industrie. Deze leden vragen of het juist is dat Stichting De Thuiskopie brieven heeft verstuurd aan rechthebbenden waarin staat dat zij hun activiteiten zullen beëindigen als gevolg van de kritiek van de politiek op de transparantie rond de verdeling van geïnde gelden. Zo ja, wil de minister deze brief met een reactie aan de Kamer toezenden? Kan de minister daarbij, aldus deze leden, ook ingaan op de consequenties hiervan voor de uitvoering van de thuiskopieregeling in de toekomst?

Mij is geen brief van Stichting De Thuiskopie bekend waarin zou worden aangekondigd dat men de incasso- en verdeelactiviteiten zou willen beëindigen als gevolg van kritiek op de verdeling van de geïnde gelden. Wel is het zo dat Thuiskopie geïnteresseerden bij open brief van 30 juli 2007 heeft laten weten dat het bestuur van Stichting De Thuiskopie heeft besloten het Thuiskopiefonds met ingang van 2008 te zullen beëindigen (bijgevoegd1; ook geplaatst op www.thuiskopie.nl). Dit fonds is opgericht bij de totstandkoming van de thuiskopieregeling in 1990, kende subsidies toe aan sociaal-culturele projecten ter bevordering van de audio- en audiovisuele cultuur in Nederland en werd gefinancierd door een 15%- inhouding op de geïnde thuiskopiegelden. Het percentage van 15% is ontleend aan de totstandkomingsgeschiedenis van de thuiskopieregeling (vgl. o.a. Kamerstukken II 1986/1987, 19 870, nrs. 1–2 en Kamerstukken II 1988/89, 20 656, nr. 5).

De opheffing van het Thuiskopiefonds is volgens Stichting De Thuiskopie een uitvloeisel van artikel 4 lid 3 van de herziene aanwijzing van Stichting De Thuiskopie, op grond waarvan de stichting en haar verdeelorganisaties jaarlijks gezamenlijk – en dus niet ieder voor zich – maximaal 15% van het bij Thuiskopie voor verdeling beschikbare netto bedrag mogen inhouden voor sociale en culturele doelen. Stichting De Thuiskopie acht het, omdat de geïnde thuiskopiegelden worden doorbetaald aan organisaties van rechthebbenden, zuiverder en transparanter om eventuele inhoudingen voor de vorming van sociaal-culturele fondsen bij de verdeelorganisaties zelf te laten plaatsvinden.

Als zodanig heeft de opheffing van het Thuiskopiefonds geen specifieke consequenties voor de uitvoering van de thuiskopieregeling. De inning, verdeling en restitutie van onverdeelde gelden, zoals voorzien in het Besluit van 5 november 2007, worden hierdoor niet geraakt. Een gevolg is wel dat het totaal aan inhoudingen op grond van de herziene aanwijzing van Stichting De Thuiskopie wordt gemaximeerd tot 15%, die berust op solidariteitsafdrachten door rechthebbenden. Eventuele fondsvorming zal – binnen dit toegestane kader – voortaan op het niveau van de verdeelorganisaties plaatsvinden. Men heeft hiertoe de bevoegdheid, maar uiteraard niet de verplichting. Het College van Toezicht oefent hierop controle uit via de eindverantwoordelijkheid van Stichting De Thuiskopie.

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben er geen bezwaar tegen dat de bevriezing van het huidige stelsel wordt verlengd tot 1 januari 2009 om een afdoende afweging te kunnen maken over noodzakelijke aanpassingen. Deze leden menen echter dat overschotten toebehoren aan de artiesten en vragen waarom de minister de mening van de industrie negeert, die een voorkeur uitspreekt voor een oplossing waarbij de heffing wordt verlaagd.

Anders dan de leden van de SP-fractie, acht ik het onjuist om onverdeelbare gelden, die zijn overgebleven nadat de rechthebbenden hun vergoedingen hebben ontvangen en de organisaties hun inhoudingen hebben gepleegd, alsnog ten goede te laten komen aan rechthebbenden. Zoals in de toelichting bij het Besluit van 5 november 2007 is aangegeven, moeten uiteindelijk onverdeelbare thuiskopiegelden worden beschouwd als zijnde niet (meer) verschuldigd in de zin van artikel 16c, tweede lid, Auteurswet 1912. Blijven gelden onverdeeld nadat de rechthebbenden de hun toekomende thuiskopieuitkeringen hebben ontvangen, dan kunnen de aanvankelijk geïnde, maar vervolgens onverdeelbaar gebleken gelden in redelijkheid niet meer worden aangemerkt als «billijke» vergoeding voor het thuiskopiëren (artikel 16c lid 2 Auteurswet), hetgeen achteraf de vaststelling wettigt dat deze gelden niet verschuldigd waren. In deze omstandigheden kan voor de afbouw van de eventueel onverdeelde gelden het beste worden aangesloten bij de systematiek van de thuiskopieregeling zelf. Omdat de in artikel 16c Auteurswet genoemde fabrikanten en importeurs sinds de komst van het thuiskopiestelsel in 1991 als betalingsplichtige zijn aangemerkt, ligt het in de rede hen ook aan te merken als begunstigde van de regeling voor de gefaseerde afbouw van onverdeelde gelden. Dat betekent overigens niet dat het kabinet een verlaging van de in het Besluit van 5 november 2007 geregelde thuiskopietarieven op voorhand uitsluit. Daartoe kan met name aanleiding zijn als uiteindelijk mocht blijken dat de naar het oordeel van het College van Toezicht per 31 december 2004 onverdeelbare gelden van substantiële omvang zijn.

Bij uitspraak in kort geding van 8 januari 2008 heeft de President van de Rechtbank Den Haag alle klachten van, onder meer, de verdeelorganisatie Norma alsmede van FNV Kiem en de Nederlandse Toonkunstenaarsbond tegen het Besluit van 5 november 2007 afgewezen. Daartegen is door de betrokken organisaties hoger beroep ingesteld. De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag wordt dit jaar verwacht.

De leden van de SP-fractie suggereren, onder verwijzing naar de nota van het SP-lid Gerkens1, om de bij Stichting De Thuiskopie overgebleven gelden ten gunste van artiesten te laten komen, met het voorstel om de gelden te gebruiken als subsidie voor een op te richten fonds voor Nederlandse popmuziek en vragen of de minister deze suggestie wil onderzoeken en daartoe voorstellen wil doen.

Artikel 16c, tweede lid, Auteurswet bepaalt dat de billijke vergoeding voor het thuiskopiëren is verschuldigd en bedoeld voor de maker of diens rechtverkrijgenden. Voor zover de geïnde gelden niet ten goede kunnen komen aan de betrokken rechthebbenden, zijn deze, aldus het Besluit van 5 november 2007, bovenbillijk geïnd en derhalve onverschuldigd door de betalingsplichtige industrie voldaan. Dat rechtvaardigt ook restitutie via een verrekening met de toekomstige incasso. Artikel 16c, zevende lid, biedt derhalve geen rechtsbasis om te bepalen dat de eventueel onverdeelbare gelden kunnen of moeten dienen als subsidie voor een op te richten Nederlands Popmuziek Fonds, zoals door het lid Gerkens voorgesteld in haar in 2006 ingediende initiatiefnota «Oorstrelend en Hartverwarmend».

De leden van de SP-fractie vragen, ten slotte, wanneer er een uitgebreide visie komt op handhaving van de auteurswet in de veranderende digitale omgeving.

Tijdens het debat over de invoering van nulheffingen op mp3-spelers eind 2006 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken een notitie toegezegd over auteursrecht en innovatie (Handelingen Tweede Kamer, 7 december 2006, 24–1682 e.v.). Deze toezegging is gestand gedaan in de beleidsbrief auteursrecht van 20 december 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 29 838, nr. 6). Daarin is onder meer aangekondigd dat de staatssecretaris van Economische Zaken uw Kamer, in samenwerking met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dit voorjaar een nota over convergentie in de media zal toezenden, dat er onderzoek wordt verricht naar de economische en culturele effecten van digitale piraterij en dat de Tweede Kamer in de eerste helft van 2008 in de toegezegde brief over rechtshandhaving op internet geïnformeerd zal worden over de maatregelen ter bestrijding van piraterij.

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie stemmen in met het tijdelijk kader dat het Besluit van 5 november 2007 biedt en de hierin opgenomen maatregelen, waaronder de bijstelling van het wettelijk kader door te voorzien in een bepaalde bestemming van de onverdeelde gelden. Deze leden vragen om nader inzicht in de wijze waarop deze onverdeelbare gelden uiteindelijk weer aan de betalingsplichtige (industriële) producenten ten goede zullen komen en op welke wijze de rechthebbenden zullen worden getraceerd.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit van 5 november 2007 is het aan het College van Toezicht om, aan de hand van de financiële verantwoording die Stichting De Thuiskopie overeenkomstig door het College vastgestelde matrices moet afleggen, vast te stellen wat het totaal van de tot en met 31 december 2004 geïnde vergoedingen is dat uiteindelijk als onverdeelbaar moet worden beschouwd. Dit totale bedrag wordt, vermeerderd met rente en andere baten, vervolgens over een periode van vier jaar in mindering gebracht op de door de betalingsplichtige industrie verschuldigde heffingen. Het toezicht op de uitvoering van deze regeling berust bij het College van Toezicht. Datzelfde geldt voor onverdeelbaar blijkende gelden die vanaf 2005 zijn geïnd. Om een toekomstige opbouw van reserves aan onverdeelde gelden te voorkomen, bepaalt artikel 2 van het Besluit van 5 november 2007 namelijk dat gelden binnen drie kalenderjaren na de incasso verdeeld moeten worden, bij gebreke waarvan verrekening met de incasso in het daarop volgende jaar plaats vindt. Rechthebbenden worden niet alleen getraceerd via verificatie van hitslijsten, playlists en omroepprogrammagegevens, maar ook via publieke oproepen om zich te melden als (potentieel) rechthebbende op een thuiskopievergoeding, bijvoorbeeld via de website van een verdeelorganisatie.

De leden van de VVD-fractie vragen verder of er bij het terugstorten c.q. verdisconteren van de onverdeelbare gelden nog een bepaalde verdeelsleutel wordt gebruikt (hogere terugstorting in geval van hogere bijdrage) en, zo niet, waarom niet.

Het Besluit van 5 november 2007 kent geen concrete verdeelsleutel voor de verdiscontering met de incasso van eventueel onverdeelde gelden. De reden daarvoor ligt in het feit dat het, gegeven het feit dat de reserves in de periode 1991–2004 zijn geaccumuleerd, moeilijk meer te traceren is welke bedrijven over welke jaren welke bijdrage hebben betaald en hoeveel daarvan vervolgens onverdeeld is gebleven. Daarmee wordt de industrie de vrijheid gelaten om – zoals gesuggereerd door de aan het woord zijnde leden – onderling overeen te komen dat de te verrekenen onverdeelbare bedragen, bijvoorbeeld, worden omgeslagen naar rato van het aandeel van de betrokken fabrikanten en importeurs in de totale incasso gedurende een nader te bepalen referentieperiode. Uiteraard zal dit in overleg met het College van Toezicht moeten geschieden, omdat het College toeziet op de goede uitvoering van het Besluit van 5 november 2007.

De leden van de VVD-fractie vernemen verder graag op welke wijze de consument tegemoet gekomen wordt. Is het bijvoorbeeld voor de individuele consument mogelijk, als deze persoon kan aantonen een extra bijdrage te hebben betaald voor een thuiskopieheffing op een product van een bedrijf dat via het Besluit geld terug krijgt, om restitutie te vragen? Indien dit zo is, aldus de aan het woord zijnde leden, op welke wijze zal dit gaan gebeuren? Zo niet, dan menen deze leden dat de bijdrage op enigerlei wijze moet terugvloeien naar de persoon die hier daadwerkelijk de financiële lasten voor heeft gedragen (consument).

Met de leden van de VVD-fractie meen ik dat de onverdeelde gelden idealiter via een lagere prijs voor blanco dragers ten goede zouden moeten komen aan de consument (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 79). In de praktijk doen zich hier echter de nodige complicaties voor, althans als mocht blijken dat de eventueel onverdeelde bedragen van bescheiden omvang zijn. Alsdan zullen de prijseffecten in een markt waarin alleen al gedurende een halfjaarperiode in 2006 naar schatting ongeveer 180 miljoen blanco cd’s en dvd’s werden verkocht1 verwaarloosbaar zijn. In die omstandigheden zal het doorgaans voor individuele consumenten ook nauwelijks lonen om een onverdeeld percentage van de thuiskopievergoeding terug te vorderen van de detailhandelaar waar men heeft gekocht, nog afgezien van het feit dat veel vorderingen inmiddels verjaard zullen zijn. Het consumentenbelang om een deel van de onverdeelde gelden in de eindprijs van blanco dragers terug te zien, wordt uiteraard groter als mocht blijken dat er naar het oordeel van het College van Toezicht aanzienlijke bedragen onverdeeld zijn gebleven. Daarom, en om consumenten allerlei juridische complicaties te vermijden, heeft het kabinet de mogelijkheid van een tariefverlaging voor dat geval nadrukkelijk opengehouden.

De leden van de VVD-fractie begrijpen uit de toelichting dat over de omvang van de per 31 december 2004 onverdeelbare gelden nog overleg gaande is tussen het College van Toezicht en Stichting De Thuiskopie. Kan de minister, aldus deze leden, aangeven waar de hoogte van het bedrag afhankelijk van is, of hierover kan worden onderhandeld en of er voldoende toezicht is op het beheer van de nog onverdeelde gelden?

Jaarlijks dient Stichting De Thuiskopie op basis van door het College van Toezicht goedgekeurde matrices financiële verantwoording aan het College van Toezicht af te leggen over de incasso en de verdeling van thuiskopiegelden. De eindrapportage van Stichting De Thuiskopie is een synthese van de financiële gegevens die Thuiskopie heeft ontvangen van haar verdeelorganisaties. Het College van Toezicht laat de door Thuiskopie afgelegde financiële verantwoording vervolgens verifiëren door een onafhankelijke, door het College ingeschakelde accountant. Pas als deze met de afgelegde verantwoording kan instemmen, accepteert het College – al dan niet onder voorwaarden – de financiële verantwoording van Stichting De Thuiskopie.

Hieruit volgt dat de hoogte van de eind 2004 naar het oordeel van het College van Toezicht eventueel onverdeelbare gelden geen inzet van onderhandelingen kan zijn, maar een directe afgeleide is van de vraag of er naar het oordeel van het College op verantwoorde wijze door Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties aan rechthebbenden is uitgekeerd. In het verlengde hiervan ziet het College uiteraard ook toe op het verantwoorde beheer van de gelden.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of een eventueel in te stellen onderzoek door de Kamer zich wel verdraagt met het nu reeds teruggeven van onverdeelde gelden. Ziet de minister, aldus deze leden, op dat punt belemmeringen?

Mij is niet aanstonds duidelijk op welk onderzoek de leden van de VVD-fractie concreet doelen, gelet op het zeer uitvoerige onderzoek dat het College van Toezicht sinds 2005 naar de gang van zaken bij Stichting De Thuiskopie en haar verdeelorganisaties heeft verricht. Daar komt bij dat het Besluit van 5 november 2007 op 2 januari 2008 in werking is getreden, zowel voor wat betreft de voor 2008 voorziene bestendiging van het stelsel als ten aanzien van de restitutie van eventueel onverdeelde gelden. Dat zou alleen anders zijn, als de Gerechtshof Den Haag in hoger beroep, in afwijking van de uitspraak in kort geding van de President van de Rechtbank Den Haag van 8 januari 2008, mocht besluiten om de bestendiging van het stelsel te schorsen. Die procedure heeft echter geen betrekking op de restitutieregeling. Daarnaast speelt uiteraard de toekomstige inrichting van het thuiskopiestelsel, waarover ik met de betrokken partijen in overleg ben. Over de uitkomsten daarvan zal ik u nog nader berichten.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Velzen (SP), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Abel (SP), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

XNoot
1

http://www.sp.nl/nieuws/nwsoverz/div/050905_oorstrelend_en_hartveroverend.pdf.

XNoot
1

Bron: International Survey on Private Copying Law & Practice – 18th revision (2007): http://145 222 172.84/assets/File/PDF/International/International_Survey_on_Private_Copying_2007.pdf.

XNoot
2

Vgl. http://ec.europa.eu/internal_market/copyright/levy_reform/index_en.htm.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

http://www.sp.nl/nieuws/nwsoverz/div/050905_oorstrelend_en_hartveroverend.pdf.

XNoot
1

Bron: het door bureau Veldkamp in opdracht van de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoedingen periodiek verrichte onderzoek «Gebruik van opslagmedia» (veertiende meting; november 2006, blz. 2 en 4).

Naar boven