Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531135 nr. 52

31 135 Plan van Scholen

Nr. 52 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2015

Tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 23 april 2015 (Handelingen II 2014/15, nr. 80, item 6) is verzocht om een brief naar aanleiding van de uitzending van het televisieprogramma Zembla van 22 april 2015 over leerlingen die geweigerd worden door scholen en noodgedwongen thuiszitten. Met uw brief van 23 april 2015 zond u mij vervolgens de vragen die de leden van de vaste commissie voor OCW graag in de brief beantwoord zouden zien1. Met deze brief voldoe ik aan uw verzoek.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Hieronder zijn per fractie de aanvullende vragen en antwoorden opgenomen.

Vragen van de leden van de VVD-fractie

  • 1. Wat is de stand van zaken betreffende de uitvoering van de motie van de leden Straus en Ypma over afstandsonderwijs (Kamerstuk 31 135 nr. 45)?

Mijn voornaamste uitgangspunt is en blijft dat ieder kind recht heeft op onderwijs. Daar hoort bij dat ieder kind in principe naar school gaat. In uitzonderlijke situaties kan het gebeuren dat dit (tijdelijk) niet mogelijk is. In die gevallen kan onderwijs thuis tijdelijk worden toegestaan als daarnaast wordt ingezet op een traject gericht op het terugleiden naar school. Ik deel dus de constatering in de motie van de leden Straus en Ypma2 dat thuisonderwijs in alle gevallen een uitzondering moet zijn op de situatie waarin leerlingen naar school gaan. In het notaoverleg van 29 september 2014 over de beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies inzake artikel 23 Grondwet bleek een brede Kamermeerderheid voor het mogelijk maken van maatwerk voor kinderen, wanneer onderwijs op een school (tijdelijk of gedeeltelijk) niet wenselijk of mogelijk is.

Op dit moment vindt een inventarisatie plaats onder welke voorwaarden en voor welke leerlingen onderwijs op een andere locatie dan de school verder mogelijk gemaakt kan worden. Op basis van deze inventarisatie werk ik een aantal scenario’s uit waarover ik u voor de zomer informeer. Naar aanleiding van het gesprek dat ik hierover met uw Kamer zal voeren, zal ik komen tot een definitieve regeling voor onderwijs op een andere locatie dan de school. De uitvoering van de motie van de leden Straus en Ypma over afstandsonderwijs3 en de motie van het lid Ypma over kinderen die niet fulltime op school onderwijs kunnen volgen4 zal ik hierin meenemen.

  • 2. Hoe verhouden zich de uitspraken van de Staatssecretaris in de uitzending van Zembla met (de uitvoering van) deze motie?

Mijn reactie in Zembla is in lijn met de geschetste ontwikkelingen in het antwoord op vraag 1. Zie ook mijn brief over de inventarisatie van onderwijs op een andere locatie dan de school van 27 oktober 2014.5

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

  • 1. Hoe heeft u uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ypma over kinderen die niet fulltime op school onderwijs kunnen volgen (Kamerstuk 34 000-VIII-35) d.d. 6 november 2014?

Zie het antwoord op vraag 1 en 2 van de VVD.

  • 2. Welke informatie verstrekt u aan scholen en ouders over maatwerkoplossingen?

  • 3. Welke informatie verstrekt u aan scholen en ouders over een verdeling van het budget tussen scholen en maatwerkoplossingen buiten school?

In februari 2015 is op www.passendonderwijs.nl een handreiking beschikbaar gesteld: «Alle leerlingen een plek: mogelijkheden voor maatwerk». Daarin worden de verschillende mogelijkheden voor maatwerk beschreven die het huidige stelsel reeds biedt. Ook wordt daarin kort ingegaan op de mogelijkheden die er voor scholen zijn om met onderwijsbekostiging elders een deel van het onderwijsprogramma in te kopen.

  • 4. Aan welke minimale kwaliteitsstandaard moeten particuliere initiatieven voldoen, zodat er meer maatwerkoplossingen mogelijk zijn voor deze kinderen (bijvoorbeeld bekwaamheid leerkrachten en inspectietoezicht)?

In mijn reactie op de inventarisatie naar onderwijs op een andere locatie dan de school zal ook deze vraag worden betrokken.

  • 5. Bent u bereid een experiment te starten zodat kleinschalige initiatieven een kans krijgen om (mits ze voldoen aan inspectietoezicht en minimale kwaliteitseisen ten aanzien van bekwaamheid) af te wijken van de stichtingsnorm?

Naar aanleiding van mijn brief over onderwijs op een andere locatie dan de school en de mogelijkheden die ik daarbij zie, ga ik graag met uw Kamer in gesprek.

  • 6. Hoe kunt u ervoor zorgen dat het oordeel van ouders serieus wordt meegewogen in de oplossing die het samenwerkingsverband bedenkt?

In het stelsel passend onderwijs is geborgd dat de voorkeur van ouders wordt meegewogen bij het realiseren van een passend onderwijsaanbod. Een belangrijk deel hiervan is dat ouders hun kind kunnen aanmelden bij de school van hun voorkeur. De school heeft hierbij de verantwoordelijkheid om na overleg met de ouders de ondersteuningsbehoefte van de leerling vast te stellen.

Daarnaast is de positie van ouders in passend onderwijs geborgd op collectief niveau. Ouders (en leerlingen en onderwijspersoneel) hebben via de ondersteuningsplanraad inspraak op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, waarin de invulling van ondersteuningsvoorzieningen in de regio opgenomen is.

  • 7. Waar kunnen ouders aankloppen als ze zich onvoldoende gehoord voelen of de oplossing niet in het belang vinden van hun kind? Hoe voorkomen we ingewikkelde juridische gevechten en kan er meer vanuit het belang van het kind worden gedacht?

Ouders die te maken hebben met een plaatsingsprobleem van hun kind, kunnen een beroep doen op de onderwijsconsulenten. De inzet van een onderwijsconsulent is (kosteloos) beschikbaar om te bemiddelen en te ondersteunen bij de plaatsing op een school, in overleg met alle betrokkenen. Een overzicht van formele en informele oplossingsrichtingen is ook gegeven op www.geschillenpassendonderwijs.nl. Op www.passendonderwijs.nl is een factsheet beschikbaar gesteld waarin staat welke acties ouders en school kunnen doorlopen als het niet (meteen) lukt om een passende plek te realiseren.

Zie verder het antwoord op vraag 6.

  • 8. Kunt u toelichten hoe het mogelijk is dat kinderen met een IQ van 130 op een school terecht komen voor kinderen met een maximaal IQ van 90?

Niet alleen het IQ van de leerling is leidend bij de bepaling van een passende onderwijsplek voor een leerling. Ook de behoefte aan ondersteuning van de leerling bij het doorlopen van het onderwijsprogramma is hierbij van belang. Vanuit die behoefte kan het zo zijn dat de leerling beter af is op het (v)so waar de meest passende ondersteuning wordt geboden. De school voor (v)so heeft hierbij wel de opdracht om de leerling een onderwijsprogramma te bieden dat past bij het intelligentie- en ontwikkelingsniveau van de leerling.

  • 9. Kan er in plaats van de leerplicht ook een leerrecht komen?

Alle kinderen en jongeren hebben in Nederland recht op onderwijs. De Leerplichtwet 1969 waarborgt dat een leerling ook gebruik maakt van dat recht, tenzij ouders een beroep doen op een van de vrijstellingsgronden in deze wet. Mocht het ondanks dat algemeen geldende recht op onderwijs, niet goed lukken om een passende plek voor een kind te vinden, dan zijn er verschillende wegen voor ouders om alsnog onderwijs voor hun kind te realiseren. Denk aan de inzet van onderwijsconsulenten en de geschillencommissie passend onderwijs.

  • 10. Hoe is het mogelijk dat het aantal kinderen met een vrijstelling leerplicht zo enorm is gestegen? Wat is uw ambitie, binnen hoeveel jaar zou dit gehalveerd moeten zijn?

De afgelopen jaren is het aantal kinderen met een vrijstelling van inschrijving inderdaad toegenomen. De redenen om een beroep te doen op vrijstellingen zijn divers. In de Leerplichtwet 1969 is vastgelegd dat het in bepaalde gevallen acceptabel is dat vrijstelling wordt gegeven van de verplichting tot inschrijving. Daarbij dient opgemerkt te worden dat (alleen) ouders een beroep kunnen doen op een vrijstelling voor hun kind en dat de Leerplichtwet 1969 voorwaarden stelt aan het toekennen van de vrijstelling. Als aan deze voorwaarden is voldaan, geschiedt de toekenning van rechtswege.

Een vrijstelling op grond van medische of psychische ongeschiktheid (Leerplichtwet 1969, artikel 5, onder a) zal voor sommige kinderen de beste oplossing zijn. Ik wil ouders deze mogelijkheid niet ontnemen. Voor deze kinderen past geen kwantitatieve doelstelling voor het terugdringen van aantal vrijstellingen. Echter: deze vrijstelling is enkel bedoeld voor kinderen die helemaal niet naar school kunnen. Mogelijk is er ook een aantal kinderen dat wel mogelijkheden heeft om (gedeeltelijk) naar school te gaan, bijvoorbeeld nu onderwijs niet meer geldt als voorliggende voorziening op zorg. Ik zet mij er voor in dat voor deze kinderen passend onderwijs kan worden gerealiseerd.

Naar aanleiding van de inventarisatie naar onderwijs op een andere locatie kom ik met beleidsscenario's voor situaties waarin het voor jongeren mogelijk is om onderwijs op een andere locatie dan de school te krijgen. Dit kan ertoe leiden dat jongeren die nu een vrijstelling van de leerplicht hebben, die in de toekomst niet meer aanvragen.

Vragen van de leden van de SP-fractie

  • 1. Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla?

De uitzending van Zembla schonk aandacht aan leerlingen die nog op zoek zijn naar een passende plek. Een aantal van deze leerlingen is ook bij het ministerie onder de aandacht gebracht. Vaak gaat het hierbij om leerlingen bij wie er sprake is van een complexe ondersteuningsvraag.

Ik vind het niet wenselijk dat leerlingen thuis zitten zonder uitzicht op plaatsing, of dat er geen passend aanbod wordt gedaan. Samenwerkingsverbanden zijn verantwoordelijk voor het bieden van een dekkend aanbod aan ondersteuningsvoorzieningen in de regio en de inspectie ziet hierop toe. In bijzondere gevallen kan het tijdelijk volgen van onderwijs in de thuissituatie aan de orde zijn, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een leerling met een complexe ondersteuningsvraag die wordt voorbereid op het (opnieuw) instromen in het onderwijs. Deze toeleiding van de leerling naar school geschiedt in overleg met ouders en onder verantwoordelijkheid van de school waar de leerling is ingeschreven.

  • 2. Kunt u een overzicht geven van het specifieke aantal thuiszitters (ook per regio). Hoe is het getal 8000 – zoals in de uitzending genoemd door het Ministerie van OCW – precies opgebouwd?

Ik gaf u bij de leerplichtbrief 2015 de meest recente gegevens over thuiszittende jongeren.6 Aan het eind van het schooljaar waren er in totaal 7798 thuiszittende jongeren. Daarvan waren er 6714 absoluut verzuimers (leer- en kwalificatieplichtigen die niet bij een onderwijsinstelling ingeschreven waren) en 1084 thuiszitters (op een onderwijsinstelling ingeschreven leer- en kwalificatieplichtigen die langer dan 4 weken ongeoorloofd afwezig waren).

In de benchmark van Ingrado die op 19 maart gelanceerd is, zijn de gegevens per gemeente beschikbaar.7

  • 3. Wat is de stand van zaken inzake de «Miep Ziek» contracten (aantallen, specifieke criteria om hiervoor in aanmerking te komen, aantal aanvragen/lengte wachtlijst) en wat is de stand van zaken van de 49 contracten uit 2013?

Voor meer informatie over de invulling van maatwerkconstructies verwijs ik graag naar de antwoorden die ik op vragen van de SP-fractie op 3 juli 2013 naar de Kamer gezonden heb over de invulling van bijzondere maatwerkconstructies.8 Sindsdien zijn er voor ongeveer 15 leerlingen door school en ouders afspraken gemaakt in de vorm van een maatwerkconstructie, van een wachtlijst is daarbij geen sprake. Het huidige totaal aantal maatwerkconstructies is ongeveer 55. Bij mijn beleidsreactie op de inventarisatie naar onderwijs op een andere locatie dan de school worden ook deze constructies betrokken.

  • 4. Wat is het aantal ontheffingen van de gehele of de gedeeltelijke leerplicht?

In het schooljaar 2013–2014 waren er in totaal bijna 13.000 leerlingen met een vrijstelling:

  • vrijstelling op grond van medische of psychische ongeschiktheid: 4.444 kinderen.

  • vrijstelling op grond van richtingsbezwaren: 575 kinderen.

  • vrijstelling op grond van onderwijs in het buitenland: 7.933 kinderen.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal leerlingen met een vrijstelling van het geregeld schoolbezoek (artikel 11 van de Leerplichtwet 1969). Deze gegevens worden niet uitgevraagd bij de gemeenten.

  • 5. Kunt u een overzicht geven van het aantal OPDC’s sinds maart 2015 door DUO geregistreerd en het aantal OPDC’s of vergelijkbare tussenvoorzieningen (regulier onderwijs voor zorgleerlingen) die met sluiting worden bedreigd?

Bij DUO zijn inmiddels 18 opdc’s geregistreerd. Hiermee is het overzicht nog niet compleet. Naar verwachting is er na de zomer een compleet overzicht, aangezien het vanaf 1 augustus verplicht wordt om leerlingen te registreren die onderwijs volgen op een opdc. Onbekend is of en hoeveel opdc’s met sluiting worden bedreigd. Wel is in een aantal gevallen gebleken dat de nieuwe samenwerkingsverbanden het voorzieningenaanbod in hun regio, waaronder een eventueel opdc, tegen het licht houden. Dit kan ertoe leiden dat besloten wordt het opdc in de toekomst anders in te richten.

  • 6. De leden van de SP-fractie vragen u een toelichting te geven op uw uitspraak in de uitzending van Zembla dat: «de regeling thuisonderwijs ook voor autistische kinderen zou kunnen gelden».

Het doel van passend onderwijs is om alle leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte een passende plek op school te bieden. Er kunnen zwaarwegende redenen zijn om een leerling met ernstige medische of psychische problematiek tijdelijk geen onderwijs op school te laten volgen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen de huidige wet- en regelgeving. De Leerplichtwet biedt immers ruimte aan de leerplichtambtenaar om op grond van artikel 11 van de Leerplichtwet 1969 een tijdelijke vrijstelling te verlenen van de verplichting tot geregeld schoolbezoek. Een leerling blijft dan wel ingeschreven op een school. Deze school blijft dus ook verantwoordelijk voor het onderwijs aan die leerling. In overleg met de leerplichtambtenaar en onder verantwoordelijkheid van de school kan dan bekeken worden of de leerling tijdelijk onderwijs thuis kan volgen, waarbij het doel volledige terugkeer naar school is.

  • 7. Krijgen autistische kinderen een recht op thuisonderwijs?

Nee. Het is wenselijk dat er waar mogelijk een passend aanbod op een reguliere of speciale school wordt gedaan. Dit geldt voor alle leerlingen, ongeacht de extra ondersteuningsbehoefte of beperking die zij eventueel hebben. Zie verder het antwoord op vraag 6.

  • 8. Acht u het niet wenselijker dat er speciale scholen (tussenvoorzieningen, OPDC’s) in stand worden gehouden, zodat deze kinderen gewoon naar een reguliere school kunnen?

Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor een dekkend ondersteuningsaanbod. Mocht een regio niet kiezen voor een opdc, dan moet op een andere manier invulling worden gegeven aan een passend aanbod voor leerlingen. Zie ook mijn antwoord op vragen van het lid Siderius inzake de sluiting van speciale school ’t Nyrees in Almelo.9

  • 9. Wat is in uw ogen de verhouding tussen het recht op thuisonderwijs voor autistische kinderen en de sluiting van tussenvoorzieningen?

Het is van belang dat een samenwerkingsverband een geheel aan voorzieningen organiseert dat aansluit bij de behoefte van leerlingen in de regio. Hoe het samenwerkingsverband hieraan invulling geeft, is aan de schoolbesturen in het gebied. Ouders, onderwijspersoneel en leerlingen hebben via de ondersteuningsplanraad inspraak op dit beleid. Zie verder het antwoord op vraag 7 en 8.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 31 135 nr. 45

X Noot
3

Kamerstuk 31 135 nr. 45

X Noot
4

Kamerstuk 34 000-VIII, nr. 35

X Noot
5

Kamerstuk 31 135, nr. 49

X Noot
6

Kamerstuk 26 695, nr. 100

X Noot
8

Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 2750

X Noot
9

Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 2045