nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 november 2009
Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Justitie, de beleidsvisie
op de resultaten uit het rapport «Aansprakelijkheid in internationaal
verband. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de aansprakelijkheid van de
Nederlandse financiële toezichthouders bezien vanuit de internationale
dimensie».
Het bovengenoemd rapport is samen met een begeleidend schrijven (kamerstuk
31 123, nr. 3) op 2 juli 2009 aan uw Kamer toegezonden. Het rapport
bevat de resultaten van het onderzoek dat in opdracht van het ministerie van
Financiën is uitgevoerd door prof. mr. I. Giesen van het Molengraaff
Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht in samenwerking met
mw. mr. E. de Kezel, prof. mr. C. van Dam en prof. mr. E. du Perron. Het rapport
brengt mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s in kaart voor de financiële
toezichthouders, te weten de Stichting Autoriteit Financiële Markten
(AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), bezien vanuit de internationale
dimensie.
In aansluiting op de brief van 2 juli 2009, waarin de belangrijkste
conclusies uit het rapport genoemd worden, volgt hieronder de beleidsvisie
die afgestemd is met de Minister van Justitie. Waar nodig worden de belangrijkste
conclusies uit het rapport kort herhaald. Voor een uitgebreidere weergave
van de conclusies verwijs ik naar de eerdere brief van 2 juli 2009.
Standpunt en beleidsconsequenties
Ik heb met veel waardering kennis genomen van het rapport, dat een grondige
analyse bevat van de aansprakelijkheidsnormen in de ons omringende landen
(en de staat New York), alsmede van een aantal IPR kwesties.
Ik onderschrijf de conclusies uit het onderzoek, waaruit weliswaar blijkt
dat Nederland als enige van de onderzochte landen geen wettelijke beperking kent van de aansprakelijkheid van de financiële toezichthouders,
maar dat de potentiële extra internationale aansprakelijkheidsrisico’s
zeer beperkt zijn, omdat de Nederlandse rechter in de praktijk zeer terughoudend
is met het aannemen van aansprakelijkheid van financiële toezichthouders.
Denkbaar is wel dat de afwijkende wettelijke situatie in Nederland tot een
onwenselijke aanzuigende werking van aansprakelijkheidsclaims zou kunnen leiden,
maar daarvan is niet gebleken.
In het Rapport Van Dam d.d. 3 april 2006, dat in opdracht van het
Ministerie van Justitie is opgesteld, is geconcludeerd dat nationaal gezien
er geen reden tot zorg bestaat en dat van aansprakelijkheid juist een gezonde
prikkel uitgaat1. Ook concludeerde Van Dam dat
een«redelijk handelend toezichthouder» naar Nederlands recht géén
onaanvaardbaar aansprakelijkheidsrisico loopt. Deze algemene conclusie is
naar mijn mening nog steeds valide en wordt ook onderschreven in het rapport
Giesen. De uitkomsten en kanttekeningen uit het rapport Giesen rechtvaardigen
naar mijn mening dan ook geen ander oordeel.
Ten aanzien van de internationale dimensie wordt in het rapport Giesen
geconcludeerd dat de potentiële extra risico’s beperkt zullen zijn.
Hierbij wordt verwezen naar de eenduidige Nederlandse jurisprudentie met betrekking
tot de aansprakelijkheid van financiële toezichthouders waaruit volgt
dat ten aanzien van de aansprakelijkheid van de financiële toezichthouders
de lat hoog wordt gelegd.2
In het Vie d’Or arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de
bepaling van aansprakelijkheid van belang is of het uitgeoefende toezicht
voldoet aan de eisen die aan een behoorlijk en zorgvuldig toezicht moeten
worden gesteld. Hiermee erkent de Hoge Raad dat de toezichthouder over een
aanzienlijke beleids- en beoordelingsvrijheid beschikt en dat dit een terughoudende
toetsing van de rechter impliceert.
Het feit dat Nederland geen wettelijke beperking van aansprakelijkheid
voor de financiële toezichthouders kent, betekent voorts niet dat Nederland
in strijd handelt met gemaakte internationale afspraken; de in de brief van
2 juli jl. genoemde aanbevelingen van het Basel Committee on Banking
Supervision bevatten een leidraad die door de financiële toezichthouders
zélf is opgesteld en vormt daarmee géén verplichting.
Het aansprakelijkheidsrecht vervult verder belangrijke functies zoals
in de eerste plaats het compenseren van benadeelden die door het onrechtmatig
handelen van anderen schade hebben geleden. Daarnaast vervult het aansprakelijkheidsrecht
een belangrijk preventieve functie doordat het degenen die bepaalde handelingen
verrichten noodzaakt zich daarbij rekenschap geven van de (financiële)
gevolgen van hun handelingen voor derden. Deze functies acht ik van groot
belang ook voor financiële toezichthouders. Daarnaast zou het risico
op precedentwerking kunnen ontstaan, wanneer beperking van aansprakelijkheid
voor financiële toezichthouders wordt toegestaan.
Ten aanzien van de onderzochte IPR kwesties merk ik op dat de onderzoekers
geconstateerd hebben dat toekomstige IPR wetgeving ertoe zou kunnen leiden
dat buitenlands recht op de vraag naar de aansprakelijkheid van de Nederlandse
financiële toezichthouder jegens buitenlandse benadeelden van toepassing
zou kunnen zijn bij rechtszaken met een internationale dimensie.
Het toezicht houden door de financiële toezichthouders moet worden
beschouwd als het uitoefenen van overheidsgezag. De uitoefening van overheidsgezag
is bij uitstek een terrein dat is overgelaten aan de soevereiniteit van de
staat om wiens overheidsgezag het gaat. De situatie dat vreemd recht op de
aansprakelijkheid van de financiële toezichthouders van toepassing zou
worden acht ik daarom niet gelukkig. Temeer doordat de Nederlandse financiële
toezichthouders dan in internationale rechtszaken met verschillende buitenlandse
eisers het risico lopen dat verschillende rechtstelsels ten aanzien van de
verschillende benadeelden in één zaak van toepassing zijn.
De Staatscommissie IPR zal daarom worden verzocht te adviseren over het
voornemen om te bewerkstelligen dat evenals in het huidige recht ook in de
toekomst in zaken als deze het Nederlands recht van toepassing zal zijn. De
Staatscommissie IPR zal daarbij moeten onderzoeken voor welke gevallen een
dergelijke regeling moet gelden en hoe deze het beste kan worden vormgegeven.
Deze problematiek speelt immers ook bij andere toezichthouders die, net als
DNB en de AFM in grensoverschrijdende situaties toezicht houden.
Tenslotte zou ik hierbij willen opmerken dat er momenteel verscheidene
onderzoeken plaatsvinden en zijn aangekondigd, die betrekking hebben op de
financiële sector als geheel en haar toezichthouders in het bijzonder.
Mochten de uitkomsten voor deze onderzoeken nopen tot een heroverweging van
bovenstaande beleidsvisie, dan is dat natuurlijk altijd mogelijk.
Alle relevante aspecten afwegende meen ik echter dat een beperking van
de aansprakelijkheid van Nederlandse financiële toezichthouders niet
noodzakelijk is.
De minister van Financiën,
W. J. Bos