31 116
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige in strafzaken)

nr. 8
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 april 2008

Artikel I van het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Onderdeel E wordt als volgt gewijzigd:

1

De aanhef komt te luiden:

Na artikel 150 (nieuw) worden drie artikelen 150a, 150b en 150c ingevoegd die luiden:

2

Artikel 150a, derde lid, komt te luiden:

3. De verdachte kan naar aanleiding van de uitslag binnen twee weken na kennisgeving daarvan om een tegenonderzoek verzoeken. Hij geeft daarbij aan om welke redenen hij het doen verrichten van een tegenonderzoek aangewezen acht. Hij geeft voorts aan welke deskundige het onderzoek, dat gelijkwaardig moet zijn aan het eerste onderzoek, zou moeten uitvoeren.

3

Na artikel 150b wordt artikel 150c ingevoegd dat luidt:

Artikel 150c

1. Indien de officier van justitie op grond van artikel 150a, derde lid, of de rechter-commissaris op grond van artikel 150b, derde lid, een tegenonderzoek gelast, verleent hij daartoe opdracht aan een deskundige. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de verdachte.

2. De deskundige die het tegenonderzoek verricht, wordt in staat gesteld dit uit te voeren; hij verkrijgt daartoe toegang tot het onderzoeksmateriaal en de desbetreffende gegevens uit het eerste onderzoek.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het onderzoek bedoeld in het eerste lid.

Toelichting

Op grond van het voorgestelde artikel 150a, derde lid, Wetboek van Strafvordering, heeft de verdachte het recht om naar aanleiding van de uitslag van een in opdracht van de officier van justitie verricht onderzoek, binnen twee weken na kennisgeving daarvan een tegenonderzoek te verzoeken.

Wanneer de officier van justitie het verzoek weigert, kan de verdachte zijn verzoek herhalen bij de rechter-commissaris. De officier van justitie respectievelijk rechter-commissaris zal ter beoordeling van dit verzoek moeten afwegen in hoeverre het verzoek in het belang van het onderzoek zal zijn. Van de verdachte mag worden verwacht dat hij ten behoeve van die afweging aangeeft om welke redenen hij meent dat het verrichte onderzoek niet de juiste conclusies bevat. Tevens mag van hem worden verlangd dat hij aangeeft welk instituut of welke deskundige naar zijn mening in staat zou zijn een gelijkwaardig tegenonderzoek te verrichten. Het bij deze tweede nota van wijziging voorgestelde artikel 150a, derde lid, beoogt daaraan uitdrukking te geven.

Het moet in ieder geval gaan om een gelijkwaardig onderzoek. Als de verdachte voorstelt het tegenonderzoek te laten verrichten door een deskundige die voor beantwoording van de vraagstelling aanmerkelijk minder gespecialiseerd is dan de deskundige die het eerder onderzoek heeft verricht, kan dat aanleiding vormen het verzoek af te wijzen. Als de verdachte daarentegen een deskundige of een instituut voorstelt die daadwerkelijk in staat moet worden geacht tot het verrichten van gelijkwaardig onderzoek, dan zal dat zijn verzoek versterken. Daarbij is het uiteraard ook mogelijk dat de verdachte een deskundige voorstelt die meer gespecialiseerd is op het onderwerp waarop hij het eerder verrichte onderzoek betwist. Ook dan mag worden verwacht dat een goede onderbouwing een positieve invloed zal hebben op de haalbaarheid van zijn verzoek. Aangenomen mag worden dat deskundigen die zijn geregistreerd in het Nederlands register gerechtelijke deskundigen voldoende kwaliteit vertegenwoordigen om gelijkwaardig tegenonderzoek te kunnen verrichten. Naar verwachting zal dit register een goede bijdrage leveren aan de beschikbaarheid van deskundigen die voldoen aan een bepaald kwaliteitsniveau. Op grond van artikel 198, derde lid, Sv en het Besluit van 4 december 1925 inzake observatie-inrichtingen gedetineerden, Stb. 1925, 461, is een aantal instellingen als observatie-inrichting gedetineerden aangewezen, welke geacht worden observatieonderzoek te kunnen doen dat gelijkwaardig is aan dat van het Pieter Baan Centrum. Ook voor verdachten bij wie een psychotische stoornis wordt verondersteld, is het derhalve mogelijk om te verzoeken om gelijkwaardig tegenonderzoek.

In artikel 150c zijn bepalingen opgenomen, waarin wordt geregeld dat de officier van justitie daadwerkelijk opdracht verleent aan een deskundige tot het uitvoeren van een tegenonderzoek en dat de desbetreffende deskundige voor zijn tegenonderzoek de beschikking krijgt over het oorspronkelijke onderzoeksmateriaal en de resultaten van het eerste deskundigenonderzoek. Nadat de opdracht is verleend, zijn de overige bepalingen van artikelen 51i en 51j omtrent de uitvoering van de opdracht, de rapportage en de bekostiging daarvan van toepassing.

Aanvankelijk was in artikel 150a, derde lid, bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels konden worden gesteld omtrent de wijze van uitvoering van tegenonderzoek. Deze bepaling is thans verplaatst naar artikel 150c en verbreed naar de uitvoering van het tegenonderzoek in het algemeen.

Bij nadere beschouwing is het thans niet noodzakelijk om tot bijzondere normering van het uit te voeren onderzoek over te gaan. Bij het in kaart brengen van de te regelen materie bleek dat de reeds bestaande regelingen betreffende het uitvoeren van tegenonderzoek betrekking hebben op sterk gestandaardiseerd en geprotocolleerd onderzoek (namelijk het alcoholonderzoek en het DNA-onderzoek). De hier aan de orde zijnde onderzoeken kunnen evenwel op velerlei soorten deskundigenonderzoek betrekking hebben; deze laten zich thans niet in aard en omvang voorzien. Om deze reden kan thans worden volstaan met het stellen van algemene regels waaraan een verzoek tot het uitvoeren van een tegenonderzoek moet voldoen en een bepaling op grond waarvan het onderzoek kan worden uitgevoerd. Ik acht het goed denkbaar dat in de toekomst, mede op initiatief van het nieuwe College voor de gerechtelijke deskundige wel normen kunnen worden ontwikkeld voor bepaalde terreinen, opdat zij een formele status kunnen krijgen. Indien dat het geval is, kan de mogelijkheid van artikel 150c, derde lid, alsnog worden benut.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven