31 109 Evaluatie Wet BIBOB

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 17 september 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de jaarverslagen 2025 Landelijk Bureau Bibob (LBB) en Kwaliteitscommissie Bibob. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 14 juli 2026.

  • • De antwoordbrief van 10 september 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan Minister van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 14 juli 2026

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 27 mei 2026 ter aanbieding van het jaarverslag 2025 van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) en het jaarverslag 2025 van de Kwaliteitscommissie Bibob.2 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding van deze brief en de daarbij aangeboden jaarverslagen nog een aantal vragen en opmerkingen die zij aan u willen voorleggen. Het lid van de Fractie-Van Gasteren en het lid van de Fractie-Walenkamp sluiten zich bij deze vragen en opmerkingen aan.

  • 1. Voor de meest recente evaluatie van de Wet Bibob door Pro Facto uit oktober 2025 in opdracht van het WODC, lijken maar zes gesprekken te zijn gevoerd aan de kant van de voor Bibob onderzochte organisaties; met brancheorganisaties van ondernemers en advocaten van betrokkenen.3 Met in Bibob-procedures onderzochte ondernemers zelf lijkt niet te zijn gesproken. Is dit juist? Zo ja, waarom is dat niet gedaan? (Waarom) is de kant van ondernemers nauwelijks bij het onderzoek betrokken? Bent u bereid alsnog ook hun ervaringen te laten onderzoeken?

  • 2. Welke voorstellen voor wetswijzigingen overweegt u na de Pro Facto/WODC-evaluatie en de jaarverslagen over 2025 van het Landelijk Bureau Bibob en de Kwaliteitscommissie Bibob, meer in het bijzonder met betrekking tot het overschrijden van de verlengde adviestermijn van twaalf weken?4

  • 3. Met de Wet Bibob is een inbreuk gecreëerd op het beginsel van de onschuldpresumptie, aldus de fractieleden van de BBB. Vergunningen kunnen worden geweigerd bij een «ernstig gevaar» op criminaliteit, ook als er geen strafrechtelijke veroordeling is.5 Is sinds de inwerkingtreding van de wet door u geëvalueerd of de positieve effecten van de wet (ruimschoots) opwegen tegen deze inbreuk? Zo ja, hoe is dat onderzocht en wat was de uitkomst? Zo nee, kunt u dit alsnog laten onderzoeken?

  • 4. Welke alternatieve criminaliteit-bestrijding strategieën voor de Bibob-aanpak zijn bij u bekend, zoals (plaatselijke) beroeps- of eigendomsverboden na een veroordeling? Welke worden in andere landen voor dezelfde problematiek gebruikt? Kunt u op de voor- en nadelen van de verschillende u bekende strategieën reflecteren.

  • 5. Bent u bekend met gevallen waarin na eenzelfde advies van het Landelijk Bureau Bibob, burgemeesters andere beslissingen hebben genomen, en dat dus rechtsongelijkheid is opgetreden? Zo ja, welke maatregelen heeft u daarop genomen? Zo nee, heeft u voldoende zicht op het mogelijk optreden van rechtsongelijkheid, of wilt u daar meer op gaan toezien?

  • 6. Is het juist dat voor Bibob-adviezen gegeven door het Landelijk Bureau Bibob en beslissingen van burgemeesters geen (wettelijke) verjaringstermijn van overtredingen bestaat? Zo ja, bent u bereid tot het doen van een voorstel voor een wetswijziging, zodat ondernemers na verloop van (lange) tijd toch rehabilitatie en een nieuwe kans kunnen krijgen?

  • 7. Hoe vaak doen bestuursorganen jaarlijks aangifte van valsheid in geschrifte voor het invullen of aanleveren van informatie in een Bibob-procedure? In hoeveel procent van de gevallen geeft de rechter het bestuursorgaan daarin gelijk? Zijn er op basis van gerechtelijke uitspraken evaluaties gedaan om te bepalen of aan ondernemers niet te veel of onnodige informatie wordt gevraagd, dan wel dat de vraagstelling onduidelijk was, zodat ondernemers onjuiste informatie indienden? Zo ja, wat is na evaluatie(s) aangepast in de informatie die ondernemers moesten indienen? Zo nee, waarom zijn na gerechtelijke uitspraken geen evaluatie(s) gedaan? Bent u bereid deze alsnog te laten uitvoeren?

  • 8. Bij een (voorgenomen) negatieve uitslag van de Bibob-procedure krijgt de betreffende ondernemer een brief waarin niet staat waarom de uitkomst negatief is, zo stellen de leden van de BBB-fractie. (Hoe) is dit rechtmatig? Waarom kan geen minimale omschrijving worden gegeven?

  • 9. Voor het invullen van Bibob-vragenlijsten is bedrijfsgevoelige informatie vereist. Deze mag binnen de wet wel met bepaalde derden worden gedeeld, maar ondernemers vrezen dat de informatie niet veilig is bij het betreffende bestuursorgaan.6 Bent u bekend met gevallen waarbij bestuursorganen of betrokken ambtenaren data onterecht deelden? Heeft u daarop maatregelen genomen, en zo ja, welke? Bent u bereid los van incidenten te onderzoeken of meer maatregelen tegen het delen van Bibob-informatie kunnen en moeten worden genomen?

  • 10. Is het nog steeds zo dat vooral gemeenten gebruik maken van de mogelijkheden van de Wet Bibob, en instanties van de Rijksoverheid zelden of nooit?7 Zou u willen dat dit verandert, en wat wilt u daarvoor doen?

  • 11. Wat wenst u te doen om ook het gebruik van de Wet Bibob door provincies en waterschappen te laten toenemen?

  • 12. Hebben plattelandsgemeenten volgens u voldoende kennis en capaciteit om gezien de risico’s daar goed gebruik te maken van de wet? Zo nee, wat wilt u doen om hen te helpen?

  • 13. Schakelt het Landelijk Bureau Bibob particuliere recherchebureaus in om onderzoeken te doen? Schakelen gemeenten of andere bestuursorganen particuliere recherchebureaus in om onderzoeken te doen, terwijl ze dit ook bij het Landelijk Bureau Bibob hadden kunnen aanvragen? Hoe staat u tegenover het inschakelen van particuliere recherchebureaus door beide?

  • 14. In uw brief staat dat «er in toenemende mate ook vanuit de regeringen van andere landen interesse in de Nederlandse bestuurlijke aanpak en in het bijzonder de Wet Bibob» is.8 Welke landen hebben interesse getoond? Welke landen hebben al een aan de Nederlandse Wet Bibob vergelijkbare wet? Heeft de Europese Unie een richtlijn of verordening die lijkt op de Nederlandse Bibob? Zo nee, heeft u met de Commissie gesproken over de mogelijkheid daarvan?

  • 15. Op dezelfde pagina wordt aangekondigd dat dit jaar een nieuwe versie van het Handboek Wet Bibob «beschikbaar zal zijn voor overheidsorganisaties».9 Het huidige Handboek lijkt niet te zijn gepubliceerd. Op de website van Justis staan wel veel andere teksten.10 Waarom wordt het handboek niet gepubliceerd? Zou het voor de rechtspositie van burgers en bedrijven niet beter zijn om het wel te publiceren? Hebben zij het recht niet om over de informatie in het handboek te beschikken?

  • 16. Eind 2022 is het Bibob-register in gebruik genomen, waarin «gevaarsconclusies» staan.11 Onder welke algemene wetten voor overheidsinformatie valt het Bibob-register, zoals de Wet Open Overheid, de Archiefwet, de Algemene verordening gegevensbescherming en de Wet hergebruik van overheidsinformatie? Van welke wetten is het Bibob-register uitgezonderd, en in welke wet staat dat? Bent u bekend met pogingen om het Bibob-register te hacken, of anderszins binnen te dringen, met name door criminelen of buitenlandse mogendheden? Wordt het register voldoende beveiligd?

  • 17. U schrijft over internationale informatie-uitwisseling, waar wordt gesteld dat «medewerking vanuit het buitenland momenteel tekortschiet».12 Verstrekt het Landelijk Bureau Bibob informatie aan andere landen? Zo ja, hoe vaak? Welke soort informatie? Wat is de wettelijke basis van internationale informatie-uitwisseling door het Landelijk Bureau Bibob?

  • 18. In het Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob staat een grafiek met de verdeling van de Bibob-adviezen per branche.13 Gezien het aantal subsidies dat gemeenten toekent, lijkt het aandeel Bibob-adviezen voor subsidies opvallend laag. Heeft u hier een verklaring voor? Zijn er (andere) «branches» waar u de mogelijkheid van meer Bibob-adviezen ziet?

  • 19. Artikel 26 van de Wet Bibob regelt de zogeheten tipbevoegdheid. Dit artikel geeft specifieke instanties de wettelijke bevoegdheid om een overheidsorgaan (zoals een gemeente of provincie) te wijzen op het risico van crimineel misbruik en de wenselijkheid om een Bibob-onderzoek te starten. In het jaarverslag 2025 wordt hier ook over geschreven.14 Hoe vaak ontvangt het Landelijk Bureau Bibob zo’n tip? Hoe vaak is zo’n tip aanleiding voor gemeentes of andere overheidsorganisatie om een Bibob-aanvraag te doen bij het Landelijk Bureau Bibob? Worden dergelijke tips altijd gecontroleerd op juistheid? Hoe vaak blijken tips onjuist of onvoldoende? Vallen dergelijke tips onder de Wet Open Overheid?

  • 20. In het Jaarverslag staat de samenstelling van de Kwaliteitscommissie.15 Is het wenselijk dat een belanghebbende zoals een actieve burgemeester in deze commissie zit? Wat zijn de eisen om lid te zijn van deze commissie? In de commissie lijkt niemand te zitten met ervaring aan de kant van burgers of bedrijven die voor Bibob zijn onderzocht. Zou opname van een dergelijke, betrouwbare deskundige wenselijk zijn?

  • 21. Van welke landen zou het verkrijgen van voor Bibob-relevante informatie voor criminaliteitsbestrijding in Nederland het meest waardevol zijn? Ziet u mogelijkheden dit in bilaterale verdragen op te gaan nemen?

  • 22. In hetzelfde Jaarverslag staat ook dat het Landelijk Bureau Bibob «verdergaand financieel onderzoek gaat verrichten».16 Biedt de Wet Bibob daarvoor (voldoen)de basis? Of is een wetswijziging noodzakelijk?

  • 23. Ook staat in het Jaarverslag dat het «voor de betrokkenen bij een Bibob-advies niet mogelijk is om de aan het advies ten grondslag liggende broninformatie in te zien of te beoordelen. Ook de rechter kan deze informatie niet inzien of beoordelen.»17 Is dit laatste juist? Zo ja, waarom mag de rechter dit niet? Is deze uitzondering in de Nederlandse rechtsstaat noodzakelijk en proportioneel?

  • 24. Nergens in de Bibob-procedure lijkt wederhoor met de onderzochte burger of (vertegenwoordiger van het) bedrijf plaats te vinden. Is dit rechtmatig? Is er een beperkte mogelijkheid om informatie te verifiëren met betrokkene?

  • 25. Recente uitspraken van de Raad van State over het zakelijk samenwerkingsverband18 en de Centavos-uitspraak19 kunnen gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk en de toepassing van de Wet Bibob. Wat is hierin uw standpunt?

  • 26. De lange doorlooptijden van Bibob-onderzoeken hebben financiële en juridische gevolgen voor onderzochte bedrijven en personen, die op vergunningen wachten, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Kunnen onderzochte bedrijven en personen de schade van het overschrijden van wettelijke termijnen voor onderzoeken verhalen op de overheid? Zo nee, waarom niet? En kunnen zij schade verhalen op de overheid als wel binnen de termijn duidelijkheid wordt gegeven, maar het onderzoek voor burger of bedrijf positief wordt beslist? Zo nee, waarom niet?

  • 27. Voor (veel) burgers en bedrijven is de leesbaarheid van de Bibob-adviezen een probleem, vanwege ambtelijk en juridisch taalgebruik. Essentiële informatie staat regelmatig alleen in bijlagen.20 Ook ontbreekt (vaak) een duidelijke samenvatting.21 Het lezen en begrijpen van de adviezen is belangrijk voor het kunnen volgen van de procedure en het nemen van beslissingen over een reactie en vervolgactiviteiten. Doet het Landelijk Bureau Bibob leesbaarheidstesten met hen, om te onderzoeken hoe taalgebruik zo mogelijk kan worden vereenvoudigd? Zo nee, wenst u dat te laten organiseren?

  • 28. De Bibob-praktijk lijkt zich nog steeds verder te ontwikkelen, waarbij betrokkenen zoeken naar evenwicht tussen juridische grondigheid, uitvoerbaarheid en bestuurlijke toegankelijkheid en rechtsbescherming voor onderzochte burgers en bedrijven. Hoe wenst u dit evenwicht te realiseren?

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 11 augustus 2026.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 september 2026

Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid naar aanleiding van de jaarverslagen 2025 van het Landelijk Bureau Bibob en de Kwaliteitscommissie Bibob. Deze vragen zijn ons toegekomen op 14 juli 2026, met kenmerk 181900.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 27 mei 2026 ter aanbieding van het jaarverslag 2025 van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) en het jaarverslag 2025 van de Kwaliteitscommissie Bibob.22 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding van deze brief en de daarbij aangeboden jaarverslagen nog een aantal vragen en opmerkingen die zij aan u willen voorleggen. Het lid van de Fractie-Van Gasteren en het lid van de Fractie-Walenkamp sluiten zich bij deze vragen en opmerkingen aan. (20260714, ingezonden 14 juli 2026)

Vraag 1

Voor de meest recente evaluatie van de Wet Bibob door Pro Facto uit oktober 2025 in opdracht van het WODC, lijken maar zes gesprekken te zijn gevoerd aan de kant van de voor Bibob onderzochte organisaties; met brancheorganisaties van ondernemers en advocaten van betrokkenen.23 Met in Bibob-procedures onderzochte ondernemers zelf lijkt niet te zijn gesproken. Is dit juist? Zo ja, waarom is dat niet gedaan? (Waarom) is de kant van ondernemers nauwelijks bij het onderzoek betrokken? Bent u bereid alsnog ook hun ervaringen te laten onderzoeken?

Antwoord op vraag 1

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het WODC, dat onafhankelijk is in de opzet en uitvoering van zijn onderzoeken. Het WODC bepaalt zelf welke onderzoeksmethoden moeten worden toegepast en – voor zover daar sprake van is – welke personen en organisaties daarbij in welke mate worden betrokken. Als bewindspersonen treden wij niet in die keuzes. Bij toekomstige evaluaties kan het WODC, vanuit zijn onafhankelijke rol, desgewenst opnieuw een afweging maken over de respondenten die worden betrokken bij het onderzoek en bijvoorbeeld de wijze waarop de ervaringen van ondernemers het beste kunnen worden betrokken.

Vraag 2

Welke voorstellen voor wetswijzigingen overweegt u na de Pro Facto/WODC-evaluatie en de jaarverslagen over 2025 van het Landelijk Bureau Bibob en de Kwaliteitscommissie Bibob, meer in het bijzonder met betrekking tot het overschrijden van de verlengde adviestermijn van twaalf weken?24

Antwoord op vraag 2

Het WODC-onderzoek laat zien dat de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet Bibob) een waardevol instrument is ter voorkoming dat de overheid onbedoeld criminaliteit faciliteert. De onderzoekers concluderen dat de recente wetswijzigingen hebben bijgedragen aan de effectiviteit van de wet, maar dat bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak (hierna kortheidshalve telkens aangeduid als «bestuursorganen») tijd nodig hebben om de mogelijkheden daarvan volledig te benutten. Wij zien daarom op dit moment geen aanleiding voor nieuwe wetswijzigingen of een verdere uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob.

Dat geldt ook voor een verlenging van de wettelijke adviestermijn van het LBB. De overschrijding van de adviestermijn hangt samen met factoren als de toenemende complexiteit van onderzoeken, de afhankelijkheid van informatie van informatieleveranciers en de beschikbare capaciteit bij het LBB. Daarom wordt eerst ingezet op maatregelen om de doorlooptijden terug te brengen, zoals het efficiënter inrichten van werkprocessen en, waar nodig, het maken van afspraken met informatieleveranciers over het tijdig aanleveren van informatie. Wij achten het op dit moment niet wenselijk om de wettelijke adviestermijn te verlengen en zal eerst de effecten van deze maatregelen afwachten.

Vraag 3

Met de Wet Bibob is een inbreuk gecreëerd op het beginsel van de onschuldpresumptie, aldus de fractieleden van de BBB. Vergunningen kunnen worden geweigerd bij een «ernstig gevaar» op criminaliteit, ook als er geen strafrechtelijke veroordeling is.25 Is sinds de inwerkingtreding van de wet door u geëvalueerd of de positieve effecten van de wet (ruimschoots) opwegen tegen deze inbreuk? Zo ja, hoe is dat onderzocht en wat was de uitkomst? Zo nee, kunt u dit alsnog laten onderzoeken?

Antwoord op vraag 3

De werking van de Wet Bibob is meermaals geëvalueerd, meest recent in het onafhankelijke WODC-onderzoek naar de wetswijzigingen uit 2020 en 2022. Uit deze evaluatie blijkt dat de Wet Bibob een waardevol en effectief instrument is om te voorkomen dat de overheid onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Van een inbreuk op de onschuldpresumptie is geen sprake. De Wet Bibob is een bestuurlijk preventief instrument en geen punitieve sanctie. De wet is niet gericht op het vaststellen van strafrechtelijke schuld, maar op het beoordelen van het risico dat een overheidsbesluit wordt misbruikt voor criminele doeleinden. Daarbij gelden belangrijke waarborgen, zoals de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en de eis dat besluiten moeten zijn gebaseerd op concrete en verifieerbare feiten.

De positieve effecten van de Wet Bibob rechtvaardigen daarmee de inzet van dit instrument ruimschoots.

Vraag 4

Welke alternatieve criminaliteit bestrijding strategieën voor de Bibob-aanpak zijn bij u bekend, zoals (plaatselijke) beroeps- of eigendomsverboden na een veroordeling? Welke worden in andere landen voor dezelfde problematiek gebruikt? Kunt u op de voor- en nadelen van de verschillende u bekende strategieën reflecteren.

Antwoord op vraag 4

De Wet Bibob onderscheidt zich doordat het instrument zich richt op het voorkomen dat de overheid onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Anders dan een beroepsverbod, dat als bijkomende straf pas kan worden opgelegd bij een veroordeling en zich richt op de dader, maakt de Wet Bibob het mogelijk om vooraf een integriteitsrisico te beoordelen bij bepaalde bestuursrechtelijke besluiten, zoals bijvoorbeeld bij het verstrekken van vergunningen en bij bepaalde privaatrechtelijke handelingen van de overheid, zoals bijvoorbeeld bij het aangaan van vastgoedtransacties. Daarmee kan worden voorkomen dat de overheid onbedoeld een faciliterende rol speelt bij criminele activiteiten. De Wet Bibob wordt als ultimum remedium toegepast: pas wanneer minder ingrijpende mogelijkheden onvoldoende zijn om het integriteitsrisico te beoordelen, kan het instrument worden ingezet.

Een vergelijkbaar breed bestuurlijk preventief instrument bestaat in andere landen voor zover bekend niet. Nederland wordt internationaal juist gezien als koploper op dit terrein, omdat andere landen vaak niet beschikken over een vergelijkbaar instrument om criminele beïnvloeding van de overheid en legale economie preventief tegen te gaan. Naar voorbeeld van Nederland wordt de inzet van een dergelijk instrument inmiddels in verschillende landen overwogen of uitgewerkt. In het antwoord op vraag 14 wordt hierop nader ingegaan.

Vraag 5

Bent u bekend met gevallen waarin na eenzelfde advies van het Landelijk Bureau Bibob, burgemeesters andere beslissingen hebben genomen, en dat dus rechtsongelijkheid is opgetreden? Zo ja, welke maatregelen heeft u daarop genomen? Zo nee, heeft u voldoende zicht op het mogelijk optreden van rechtsongelijkheid, of wilt u daar meer op gaan toezien?

Antwoord op vraag 5

Een advies van het LBB leidt niet automatisch tot eenzelfde bestuurlijke beslissing. Het advies van het LBB is niet bindend, het is immers een advies; het bevoegde bestuursorgaan maakt zelf de uiteindelijke afweging of een en dan welke beslissing wordt genomen.

Het kan dus voorkomen dat twee burgemeesters naar aanleiding van een vergelijkbaar Bibob-advies over vergelijkbare situaties tot verschillende besluiten komen. De ene burgemeester kan bijvoorbeeld besluiten een vergunning te weigeren of in te trekken, terwijl een andere burgemeester besluit de vergunning te verlenen (al dan niet onder daaraan verbonden voorwaarden). Een dergelijk verschil betekent niet zonder meer dat sprake is van rechtsongelijkheid. Bij de besluitvorming kunnen immers ook de specifieke omstandigheden van het geval en lokale omstandigheden een rol spelen.

Rechtsgelijkheid betekent niet dat in alle gevallen dezelfde beslissing moet worden genomen, maar dat gelijke gevallen op gelijke wijze worden behandeld en dat eventuele verschillen in uitkomst kunnen worden gerechtvaardigd. De Wet Bibob biedt bewust ruimte voor een eigen bestuurlijke afweging, waarbij de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht moeten worden genomen.

Vraag 6

Is het juist dat voor Bibob-adviezen gegeven door het Landelijk Bureau Bibob en beslissingen van burgemeesters geen (wettelijke) verjaringstermijn van overtredingen bestaat? Zo ja, bent u bereid tot het doen van een voorstel voor een wetswijziging, zodat ondernemers na verloop van (lange) tijd toch rehabilitatie en een nieuwe kans kunnen krijgen?

Antwoord op vraag 6

In de Wet Bibob is geen expliciete verjaringstermijn opgenomen voor strafbare feiten die worden betrokken bij de beoordeling van het gevaar. Dit betekent echter niet dat oudere strafbare feiten onbeperkt relevant blijven. Bij de toepassing van de Wet Bibob wordt rekening gehouden met het tijdsverloop van strafbare feiten. Naarmate meer tijd is verstreken, kan het tijdsverloop een mitigerend effect hebben op de gevaarsbeoordeling. De wijze waarop het LBB tijdsverloop betrekt bij de advisering, is nader uitgewerkt in de openbaar te raadplegen Leidraad voor de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob.26

Gelet hierop biedt de huidige systematiek reeds ruimte om rekening te houden met rehabilitatie en een langdurige periode van onbesproken gedrag. Daarbij spelen ook de bewaartermijnen van justitiële gegevens en politiegegevens een rol. Zodra deze gegevens zijn vernietigd, kunnen zij niet meer aan het LBB of aan bestuursorganen ten behoeve van het eigen onderzoek worden verstrekt en spelen zij geen rol meer bij de Bibob-toetsing. Wij zien dan ook geen reden om een wettelijke verjaringstermijn in te voeren.

Vraag 7

Hoe vaak doen bestuursorganen jaarlijks aangifte van valsheid in geschrifte voor het invullen of aanleveren van informatie in een Bibob-procedure? In hoeveel procent van de gevallen geeft de rechter het bestuursorgaan daarin gelijk? Zijn er op basis van gerechtelijke uitspraken evaluaties gedaan om te bepalen of aan ondernemers niet te veel of onnodige informatie wordt gevraagd, dan wel dat de vraagstelling onduidelijk was, zodat ondernemers onjuiste informatie indienden? Zo ja, wat is na evaluatie(s) aangepast in de informatie die ondernemers moesten indienen? Zo nee, waarom zijn na gerechtelijke uitspraken geen evaluatie(s) gedaan? Bent u bereid deze alsnog te laten uitvoeren?

Antwoord op vraag 7

Er zijn geen cijfers bekend hoe vaak bestuursorganen op jaarbasis aangifte doen van valsheid in geschrifte wegens het opzettelijk onjuist invullen van het Bibob-vragenformulier. Eveneens is niet bekend hoe vaak dergelijke aangiftes leiden tot een strafrechtelijke procedure en hoe vaak dit al dan niet resulteert in een veroordeling.

Het uitgangspunt van de Wet Bibob is dat alleen gegevens en bescheiden worden uitgevraagd die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de wet. Bestuursorganen mogen uitsluitend de gegevens en bescheiden via een Bibob-vragenformulier bij de betrokkene opvragen die zijn opgenomen in de Regeling Bibob-formulieren 2024. Bestuursorganen zijn zelf verantwoordelijk voor een correcte uitvoering en toepassing van deze regeling. Het LBB heeft geen toezichthoudende rol op de naleving van de regeling door bestuursorganen.

Er is geen afzonderlijke evaluatie uitgevoerd om te beoordelen of ondernemers onnodig veel informatie moeten aanleveren of dat de vraagstelling van het Bibob-vragenformulier aanleiding geeft tot het verstrekken van onjuiste informatie. Daarvoor zijn bij mij ook geen signalen bekend. Bij de totstandkoming van de Regeling Bibob-formulieren 2024 is reeds expliciet beoordeeld welke gegevens noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige toepassing van de Wet Bibob, met het oog op het beperken van de administratieve lasten voor ondernemers. Daarnaast heeft de Autoriteit Persoonsgegevens beoordeeld of de verwerking van persoonsgegevens voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en dataminimalisatie. Ook is bij de herziening van de Bibob-vragenformulieren in 2024 nadrukkelijk ingezet op het verbeteren van de begrijpelijkheid voor ondernemers. De formulieren zijn daarom opgesteld volgens de uitgangspunten van taalniveau B1, waardoor deze toegankelijker en eenvoudiger in te vullen zijn.

De Regeling Bibob-formulieren 2024 zal naar verwachting binnen twee jaar worden geëvalueerd. De Kamers zullen over de uitkomst hiervan worden geïnformeerd.

Vraag 8

Bij een (voorgenomen) negatieve uitslag van de Bibob-procedure krijgt de betreffende ondernemer een brief waarin niet staat waarom de uitkomst negatief is, zo stellen de leden van de BBB-fractie. (Hoe) is dit rechtmatig? Waarom kan geen minimale omschrijving worden gegeven?

Antwoord op vraag 8

De veronderstelling dat een ondernemer bij een voorgenomen negatieve beslissing geen inzicht kan krijgen in de redenen daarvoor, is niet juist. Wanneer een bestuursorgaan voornemens is een negatieve beslissing te nemen (zoals het weigeren of intrekken van een beschikking of het niet aangaan van een vastgoedtransactie), of aan een beschikking voorschriften te verbinden, moet de betrokkene – uitzonderingen daargelaten – op grond van artikel 33 van de Wet Bibob in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze te geven.

Ter voorbereiding daarvan dient de betrokkene kennis te kunnen nemen van alle gegevens waarop de voorgenomen beslissing berust. Indien het LBB advies heeft uitgebracht, wordt dit advies in beginsel volledig aan de betrokkene verstrekt.27 Indien de negatieve uitslag van de Bibob-procedure vervolgens leidt tot een (negatief) bestuursrechtelijk besluit, dient dit besluit eveneens te worden voorzien van een deugdelijke motivering.

Vraag 9

Voor het invullen van Bibob-vragenlijsten is bedrijfsgevoelige informatie vereist. Deze mag binnen de wet wel met bepaalde derden worden gedeeld, maar ondernemers vrezen dat de informatie niet veilig is bij het betreffende bestuursorgaan.28 Bent u bekend met gevallen waarbij bestuursorganen of betrokken ambtenaren data onterecht deelden? Heeft u daarop maatregelen genomen, en zo ja, welke? Bent u bereid los van incidenten te onderzoeken of meer maatregelen tegen het delen van Bibob-informatie kunnen en moeten worden genomen?

Antwoord op vraag 9

Er is mij geen signaal bekend dat bestuursorganen of betrokken ambtenaren structureel of incidenteel onrechtmatig Bibob-informatie delen. De Wet Bibob kent strikte regels voor de omgang met deze gegevens, waaronder een wettelijke geheimhoudingsplicht voor de betrokken partijen.

Uit de recente WODC-evaluatie blijkt wel dat er bij sommige betrokkenen zorgen bestaan over de informatiebeveiliging en de zorgvuldige omgang met Bibob-informatie. Deze zorgen nemen wij serieus. In de beleidsreactie op de wetsevaluatie heeft de Minister van Justitie en Veiligheid daarom aangegeven de komende periode samen met het LBB te bezien hoe door middel van voorlichting en kennisdeling de duidelijkheid over de mogelijkheden en beperkingen van het delen van Bibob-informatie kan worden vergroot.29 Daarbij is ook aandacht voor het belang van een veilige en zorgvuldige omgang met gevoelige informatie.

Gelet op de bestaande wettelijke waarborgen en het feit dat reeds uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen en aandachtspunten uit de WODC-evaluatie, zien wij op dit moment geen aanleiding om aanvullend onderzoek te verrichten naar eventuele aanvullende maatregelen op dit onderwerp.

Vraag 10

Is het nog steeds zo dat vooral gemeenten gebruik maken van de mogelijkheden van de Wet Bibob, en instanties van de Rijksoverheid zelden of nooit? Zou u willen dat dit verandert, en wat wilt u daarvoor doen?

Antwoord op vraag 10

Ja. De Wet Bibob wordt op dit moment vooral toegepast door gemeenten. De toepassing door provincies, waterschappen en onderdelen van de Rijksoverheid kan verder worden versterkt. Wij vinden het van belang dat alle bevoegde bestuursorganen die met integriteitsrisico’s te maken kunnen krijgen, de mogelijkheden die de Wet Bibob biedt goed benutten.

Daar zetten wij ons actief voor in. Ons ministerie werkt hiervoor nauw samen met het LBB om de bekendheid met en de toepassing van de wet verder te vergroten, onder meer door voorlichting en kennisdeling. Daarnaast wordt samen met de Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) bezien hoe provincies, waterschappen en onderdelen van de Rijksoverheid waar nodig beter kunnen worden ondersteund bij de toepassing van de Wet Bibob, bijvoorbeeld door het aanbieden van trainingen en het delen van expertise. Op deze wijze wordt gewerkt aan een bredere en effectievere toepassing van de Wet Bibob.

Vraag 11

Wat wenst u te doen om ook het gebruik van de Wet Bibob door provincies en waterschappen te laten toenemen?

Antwoord op vraag 11

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 12

Hebben plattelandsgemeenten volgens u voldoende kennis en capaciteit om gezien de risico’s daar goed gebruik te maken van de wet? Zo nee, wat wilt u doen om hen te helpen?

Antwoord op vraag 12

Ik beschik niet over specifieke gegevens over de toepassing van de Wet Bibob door plattelandsgemeenten. Uit de evaluatie van de Wet Bibob blijkt wel dat met name kleinere gemeenten vaker uitdagingen ervaren bij het op peil houden van voldoende capaciteit en specialistische Bibob-kennis. Dit kan gevolgen hebben voor de mate waarin zij het instrument kunnen inzetten.

Dit aandachtspunt herkennen wij en daarom zet ons ministerie op verschillende manieren in op het versterken van de kennis, deskundigheid en uitvoeringskracht van gemeenten. Zo wordt bijvoorbeeld gestimuleerd dat er (meer) aandacht wordt besteed aan de Wet Bibob in relevante opleidingen, onder meer door financiering van de ontwikkeling van onderwijsmodules en het verzorgen van gastcolleges. Ook wordt bezien hoe de voorlichtings- en adviesfunctie van het LBB verder kan bijdragen aan een effectieve en uniforme toepassing van de wet en welke aanvullende ondersteuning gemeenten daarbij nodig hebben. De RIEC’s spelen eveneens een belangrijke rol bij het ondersteunen van gemeenten, onder meer door kennisdeling en advisering.

Met deze inzet wordt beoogd dat ook gemeenten die beperkingen ervaren in capaciteit of specialistische kennis beschikken over voldoende mogelijkheden om de Wet Bibob effectief toe te passen.

Vraag 13

Schakelt het Landelijk Bureau Bibob particuliere recherchebureaus in om onderzoeken te doen? Schakelen gemeenten of andere bestuursorganen particuliere recherchebureaus in om onderzoeken te doen, terwijl ze dit ook bij het Landelijk Bureau Bibob hadden kunnen aanvragen? Hoe staat u tegenover het inschakelen van particuliere recherchebureaus door beide?

Antwoord op vraag 13

Het LBB schakelt geen particuliere recherchebureaus in voor het uitvoeren van onderzoeken. Het LBB verricht zijn onderzoeken op basis van de wettelijke bevoegdheden waarover het beschikt en maakt daarbij gebruik van de eigen expertise en de beschikbare informatiebronnen.

Bestuursorganen kunnen er wel voor kiezen om externe ondersteuning in te schakelen bij de toepassing van de Wet Bibob. Uit onderzoek blijkt dat bestuursorganen gebruikmaken van commerciële derde partijen, zoals advocaten en (juridisch) adviseurs, bijvoorbeeld voor voorlichting en trainingen, advisering bij de uitvoering van Bibob-onderzoeken en procesvertegenwoordiging in bezwaar- en beroepszaken.

Het inschakelen van externe ondersteuning kan bijdragen aan een goede uitvoering van de Wet Bibob, bijvoorbeeld wanneer een bestuursorgaan zelf onvoldoende capaciteit of specialistische kennis beschikbaar heeft. Daarbij moeten externe partijen zich houden aan de wettelijke waarborgen rondom de omgang met Bibob-informatie, waaronder de geheimhoudingsplicht van artikel 28 van de Wet Bibob. De inschakeling van externe partijen kan daarbij niet worden gebruikt om informatie te verkrijgen of te laten verwerken die het bestuursorgaan zelf niet rechtmatig mag verkrijgen of verwerken in het kader van het eigen onderzoek. Het bestuursorgaan blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor een zorgvuldige toepassing van de wet, de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek en het uiteindelijke besluit. Het is daarom van belang dat bestuursorganen zorgvuldig beoordelen met welke externe partijen zij samenwerken en of deze beschikken over voldoende Bibob-deskundigheid en ervaring.

Daarbij is van belang om te onderstrepen dat het uitvoeren van een Bibob-onderzoek of het adviseren daarover door een commerciële partij de rol van het LBB niet overneemt. Externe ondersteuning vormt geen vervanging voor de wettelijke taak van het LBB, maar kan bestuursorganen ondersteunen bij de uitvoering van hun eigen onderzoek.

Vraag 14

In uw brief staat dat «er in toenemende mate ook vanuit de regeringen van andere landen interesse in de Nederlandse bestuurlijke aanpak en in het bijzonder de Wet Bibob» is.30 Welke landen hebben interesse getoond? Welke landen hebben al een aan de Nederlandse Wet Bibob vergelijkbare wet? Heeft de Europese Unie een richtlijn of verordening die lijkt op de Nederlandse Bibob? Zo nee, heeft u met de Commissie gesproken over de mogelijkheid daarvan?

Antwoord op vraag 14

Tot op heden hebben verschillende landen interesse getoond in de Nederlandse bestuurlijke aanpak en daarin specifiek de Wet Bibob. Zo hebben Aruba, het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg, Duitsland en Zweden informatie ingewonnen over de werking en toepassing van de Wet Bibob. Met deze landen is hierover kennis en ervaring uitgewisseld.

Voor zover bekend kent alleen België op dit moment een instrument dat in zekere mate vergelijkbaar is met de Nederlandse Wet Bibob. In andere landen ontbreekt een dergelijk instrument. Ook de Europese Unie kent op dit moment geen richtlijn of verordening die voorziet in een instrument dat vergelijkbaar is met de Nederlandse Wet Bibob. Wel is recent met de Europese Commissie gesproken over de werking en mogelijkheden van de Wet Bibob, waaronder de wijze waarop binnen de bestaande Europese kaders kan worden omgegaan met informatie-uitwisseling ten behoeve van integriteitstoetsing.

Nederland blijft zich inzetten voor verdere internationale samenwerking op het gebied van de bestuurlijke aanpak en voor het vergroten van de mogelijkheden voor grensoverschrijdende informatie-uitwisseling ten behoeve van integriteitstoetsing. Een bredere toepassing van vergelijkbare instrumenten in andere landen kan bijdragen aan een effectievere aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit en helpt voorkomen dat criminele activiteiten zich verplaatsen naar landen waar minder mogelijkheden bestaan om integriteitsrisico’s te beoordelen.

Vraag 15

Op dezelfde pagina wordt aangekondigd dat dit jaar een nieuwe versie van het Handboek Wet Bibob «beschikbaar zal zijn voor overheidsorganisaties».31 Het huidige Handboek lijkt niet te zijn gepubliceerd. Op de website van Justis staan wel veel andere teksten. Waarom wordt het handboek niet gepubliceerd? Zou het voor de rechtspositie van burgers en bedrijven niet beter zijn om het wel te publiceren? Hebben zij het recht niet om over de informatie in het handboek te beschikken?

Antwoord op vraag 15

Het vernieuwde Handboek Wet Bibob 2026 is sinds 14 juli 2026 digitaal beschikbaar voor bestuursorganen die de Wet Bibob toepassen. Het handboek ondersteunt Bibob-medewerkers bij de uitvoering van de Wet Bibob en bevat onder meer praktische handvatten, werkprocessen en toelichtingen op de toepassing van de wet.

Het handboek is niet openbaar gemaakt. De reden daarvoor is dat het informatie bevat over de uitvoering van Bibob-onderzoeken en de werkwijze van bestuursorganen. Openbaarmaking van deze informatie kan afbreuk doen aan de effectiviteit van de toepassing van de Wet Bibob en daarmee aan het doel van de wet. De toepasselijke wet- en regelgeving, de hiervoor genoemde Leidraad voor de gevaarsbeoordeling en relevante jurisprudentie zijn wel openbaar.

Vraag 16

Eind 2022 is het Bibob-register in gebruik genomen, waarin «gevaarsconclusies» staan.32 Onder welke algemene wetten voor overheidsinformatie valt het Bibob-register, zoals de Wet Open Overheid, de Archiefwet, de Algemene verordening gegevensbescherming en de Wet hergebruik van overheidsinformatie? Van welke wetten is het Bibob-register uitgezonderd, en in welke wet staat dat? Bent u bekend met pogingen om het Bibob-register te hacken, of anderszins binnen te dringen, met name door criminelen of buitenlandse mogendheden? Wordt het register voldoende beveiligd?

Antwoord op vraag 16

Het door het LBB beheerde Bibob-register vindt zijn grondslag in artikel 11a van de Wet Bibob en kent een gesloten verstrekkingsregime.33 Dit brengt mee dat het LBB-gegevens uit het Bibob-register in beginsel niet verstrekt buiten de in de Wet Bibob geregelde gevallen.

Als bijzondere wet gaat de Wet Bibob voor op de Wet open overheid (Woo).34 Artikel 8:8 van de Woo en de daarbij behorende bijlage bepalen expliciet dat de daarin genoemde Woo-bepalingen niet van toepassing zijn op informatie die onder het verstrekkingsregime van artikel 20 of 28 lid 2 van de Wet Bibob valt.

Voor bepalingen uit andere wetten moet telkens worden beoordeeld of de betreffende informatie uit het Bibob-register onder de reikwijdte van die bepaling valt en hoe deze bepaling zich verhoudt tot dit gesloten verstrekkingsregime. Daarbij geldt dat de AVG, als Unierechtelijke verordening, in geval van strijd met de Wet Bibob voorrang heeft.

Tot slot kunnen wij in het belang van de informatiebeveiliging geen mededelingen doen over (mogelijke) pogingen om het Bibob-register onrechtmatig binnen te dringen of over de getroffen beveiligingsmaatregelen.

Vraag 17

U schrijft over internationale informatie-uitwisseling, waar wordt gesteld dat «medewerking vanuit het buitenland momenteel tekortschiet».35 Verstrekt het Landelijk Bureau Bibob informatie aan andere landen? Zo ja, hoe vaak? Welke soort informatie? Wat is de wettelijke basis van internationale informatie-uitwisseling door het Landelijk Bureau Bibob?

Antwoord op vraag 17

Nee, het LBB verstrekt geen gegevens die het heeft verkregen in het kader van zijn adviestaak aan de autoriteiten van andere landen. Voor dergelijke informatieverstrekking door het LBB bestaat geen wettelijke grondslag. Wel kan het LBB op grond van artikel 13 van de Wet Bibob de bevoegde buitenlandse autoriteiten verzoeken na te gaan of bij hen gegevens bekend zijn over een (rechts)persoon die in onderzoek is bij het LBB. Deze bevoegdheid kan het LBB uitsluitend uitoefenen via tussenkomst van de officier van justitie van het Openbaar Ministerie of de Minister van Justitie en Veiligheid. Het informatieverzoek kan betrekking hebben op strafrechtelijke gegevens en gegevens waarvoor een bestraffende sanctie als bedoeld in artikel 5:2 lid 1, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden opgelegd, zoals bestuurlijke boetes.

Het komt slechts incidenteel voor dat een informatieverzoek als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bibob wordt doorgezet naar buitenlandse instanties. Dit heeft ermee te maken dat de meeste landen op dit moment geen wetgeving kennen die is te vergelijken met de Wet Bibob en doorgaans geen justitiële of politiële informatie willen of mogen delen die in Nederland zou worden gebruikt voor bestuurlijke doeleinden. Een informatieverzoek wordt in dat geval niet opportuun geacht.

Verder is op 7 juli 2026 door de Eerste Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat voorziet in een wettelijke grondslag voor het LBB om het Europees strafregisterinformatiesysteem (ECRIS) te raadplegen voor de uitvoering van zijn adviestaak. Hierdoor kan, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, het LBB bij de beoordeling van integriteitsrisico’s ook informatie over buitenlandse veroordelingen betrekken, wat bijdraagt aan een betere informatiepositie bij internationale casuïstiek.

Vraag 18

In het Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob staat een grafiek met de verdeling van de Bibob-adviezen per branche.36 Gezien het aantal subsidies dat gemeenten toekent, lijkt het aandeel Bibob-adviezen voor subsidies opvallend laag. Heeft u hier een verklaring voor? Zijn er (andere) «branches» waar u de mogelijkheid van meer Bibob-adviezen ziet?

Antwoord op vraag 18

Het klopt dat het aandeel Bibob-adviezen voor subsidies relatief beperkt is in verhouding tot het aantal subsidies dat door gemeenten en andere bestuursorganen wordt verstrekt. Dit betekent echter niet dat bij subsidies geen integriteitsrisico’s bestaan. De Wet Bibob kan ook bij subsidieverlening worden ingezet wanneer er signalen zijn dat een subsidie mogelijk wordt gebruikt om criminele activiteiten te faciliteren. De Wet Bibob is echter geen standaardcontrole bij iedere subsidieaanvraag, maar een risicogericht instrument dat wordt ingezet wanneer daar aanleiding voor bestaat.

Een andere belangrijke verklaring voor het beperkte aantal Bibob-toepassingen bij subsidies is dat de mogelijkheden van de Wet Bibob op dit terrein nog niet bij alle bestuursorganen voldoende bekend zijn, zo blijkt uit het WODC-onderzoek. Daarnaast vraagt de toepassing van de wet om capaciteit en specialistische kennis.

Uit de WODC-evaluatie blijkt dat de Wet Bibob in de praktijk nog voornamelijk wordt toegepast bij vergunningen, terwijl er ook bij andere overheidshandelingen zoals subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten, mogelijkheden zijn om het instrument gerichter in te zetten. Daarom wordt ingezet op het vergroten van de bekendheid met deze mogelijkheden en het versterken van de uitvoeringskracht van bestuursorganen. Het uitgangspunt blijft dat de Wet Bibob gericht en proportioneel wordt ingezet: niet waar mogelijk, maar waar noodzakelijk om te voorkomen dat de overheid onbedoeld criminele activiteiten faciliteert.

Vraag 19

Artikel 26 van de Wet Bibob regelt de zogeheten tipbevoegdheid. Dit artikel geeft specifieke instanties de wettelijke bevoegdheid om een overheidsorgaan (zoals een gemeente of provincie) te wijzen op het risico van crimineel misbruik en de wenselijkheid om een Bibob-onderzoek te starten. In het jaarverslag 2025 wordt hier ook over geschreven.37 Hoe vaak ontvangt het Landelijk Bureau Bibob zo’n tip? Hoe vaak is zo’n tip aanleiding voor gemeentes of andere overheidsorganisatie om een Bibob-aanvraag te doen bij het Landelijk Bureau Bibob? Worden dergelijke tips altijd gecontroleerd op juistheid? Hoe vaak blijken tips onjuist of onvoldoende? Vallen dergelijke tips onder de Wet Open Overheid?

Antwoord op vraag 19

In de jaren 2021 tot en met heden heeft het LBB in totaal 145 Bibob-adviesaanvragen ontvangen waarin het Openbaar Ministerie eerder een tip aan een bestuursorgaan heeft verstrekt. Er zijn geen cijfers bekend over het totale aantal OM-tips dat door het Openbaar Ministerie is verstrekt, noch over het aantal gevallen waarin een tip niet heeft geleid tot een adviesaanvraag.

Een OM-tip wijst een bestuursorgaan op de mogelijkheid om in een concreet geval eigen onderzoek te verrichten en eventueel advies te vragen bij het LBB. Het Openbaar Ministerie doet geen verdere inhoudelijke mededelingen over de aanleiding van de tip. Indien het LBB om advies wordt gevraagd, verricht het LBB zoals gebruikelijk zelfstandig onderzoek. Daarbij wordt de informatie die aan de OM-tip ten grondslag ligt, zo nodig bij het Openbaar Ministerie opgevraagd en zelfstandig beoordeeld door het LBB.

Een OM-tip valt onder de gegevens waarvoor artikel 28 van de Wet Bibob een geheimhoudingsplicht voorschrijft. Deze geheimhoudingsplicht heeft als bijzondere regeling voorrang op de algemene openbaarmakingsregeling uit de Woo.

Vraag 20

In het Jaarverslag staat de samenstelling van de Kwaliteitscommissie.38 Is het wenselijk dat een belanghebbende zoals een actieve burgemeester in deze commissie zit? Wat zijn de eisen om lid te zijn van deze commissie? In de commissie lijkt niemand te zitten met ervaring aan de kant van burgers of bedrijven die voor Bibob zijn onderzocht. Zou opname van een dergelijke, betrouwbare deskundige wenselijk zijn?

Antwoord op vraag 20

Bij het Instellingsbesluit kwaliteitscommissie Bibob39 is een onafhankelijke, externe kwaliteitscommissie Bibob ingesteld. Volgens artikel 3 lid 1 van het instellingsbesluit bestaat de kwaliteitscommissie uit personen met uiteenlopende deskundigheid en ervaring, bij voorkeur op het terrein van het openbaar bestuur, het bestuursrecht, de politie en het Openbaar Ministerie. Een bestuurder die actief is in het publieke domein, zoals een burgemeester, past in het hiervoor beschreven profiel.

De onafhankelijkheid van de kwaliteitscommissie is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Om die reden kunnen personen van wie de onafhankelijkheid of onpartijdigheid door hun functie of werkzaamheden in het geding kan komen, niet tot lid worden benoemd. Daarnaast onthouden leden zich van de beoordeling van adviezen waarbij zij vanuit een andere functie betrokken zijn. Dit waarborgt de onafhankelijkheid van de kwaliteitscommissie Bibob.

Ik zie op dit moment geen aanleiding om de samenstelling of de benoemingscriteria van de kwaliteitscommissie Bibob te wijzigen. De kwaliteitscommissie heeft als taak de kwaliteit van de advisering door het LBB te beoordelen. Daarvoor is specifieke deskundigheid op het terrein van de toepassing van de Wet Bibob en het openbaar bestuur juist van belang.

Vraag 21

Van welke landen zou het verkrijgen van voor Bibob-relevante informatie voor criminaliteitsbestrijding in Nederland het meest waardevol zijn? Ziet u mogelijkheden dit in bilaterale verdragen op te gaan nemen?

Antwoord op vraag 21

In potentie kan informatie uit ieder land van waarde zijn voor de toepassing van de Wet Bibob. Welke informatie relevant is, hangt af van de concrete casus en van de vraag in welke landen de (rechts)persoon die onderwerp is van het Bibob-onderzoek activiteiten ontplooit of antecedenten heeft.

Een belangrijke ontwikkeling is dat door een recent door de Kamer aangenomen wetswijziging een wettelijke grondslag wordt gecreëerd voor het LBB om ECRIS te raadplegen. Hierdoor kan het LBB in de nabije toekomst bij de uitvoering van zijn adviestaak ook justitiële informatie over buitenlandse veroordelingen uit andere Europese lidstaten betrekken bij de gevaarsbeoordeling. Dit versterkt de informatiepositie van het LBB bij zaken met een internationaal karakter.

In het kader hiervan wordt reeds met verschillende Europese lidstaten gesproken over de wijze waarop uitvoering kan worden gegeven aan de Nederlandse informatieverzoeken via ECRIS. Daarbij wordt bezien welke juridische of praktische afspraken, waaronder waar nodig aanpassingen in nationale wetgeving, noodzakelijk zijn om de uitwisseling van relevante justitiële informatie goed te laten verlopen.

Vraag 22

In hetzelfde Jaarverslag staat ook dat het Landelijk Bureau Bibob «verdergaand financieel onderzoek gaat verrichten».40 Biedt de Wet Bibob daarvoor (voldoen)de basis? Of is een wetswijziging noodzakelijk?

Antwoord op vraag 22

De leden van de BBB-fractie verwijzen naar het jaarverslag van de kwaliteitscommissie Bibob 2025, pagina 16. In dit jaarverslag wordt beschreven dat in de uitvoeringspraktijk behoefte bestaat aan meer duidelijkheid over de reikwijdte en mogelijkheden van financieel onderzoek en dat de wens bestaat dat het LBB in voorkomende gevallen verdergaand financieel onderzoek kan verrichten. De Wet Bibob biedt het LBB mogelijkheden om onderzoek te doen naar de wijze van financiering van een rechtshandeling. Het hoofdzakelijke doel van financieel onderzoek door het LBB is het achterhalen en vaststellen van de identiteit van (externe) vermogensverschaffers. De antecedenten van vermogensverschaffers kunnen namelijk betrokken worden bij het vaststellen van de mate van gevaar. Naast het identificeren van vermogensverschaffers kan het financieel onderzoek inzage geven in de wijze van financiering. De betrokkene dient aan zowel het bestuursorgaan als het LBB inzage te bieden in de wijze van financiering.

Of de huidige wettelijke grondslag voldoende ruimte biedt om tegemoet te komen aan de wens voor verdergaand financieel onderzoek door het LBB, wordt momenteel nader bezien. Op basis van de uitkomsten daarvan zal worden beoordeeld of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

Vraag 23

Ook staat in het Jaarverslag dat het «voor de betrokkenen bij een Bibob-advies niet mogelijk is om de aan het advies ten grondslag liggende broninformatie in te zien of te beoordelen. Ook de rechter kan deze informatie niet inzien of beoordelen.»41 Is dit laatste juist? Zo ja, waarom mag de rechter dit niet? Is deze uitzondering in de Nederlandse rechtsstaat noodzakelijk en proportioneel?

Antwoord op vraag 23

Het uitgangspunt is dat het LBB alle voor het advies relevante gegevens in het Bibob-advies opneemt.42 Omdat de rechter in beginsel kennis kan nemen van dat advies, beschikt de rechter daarmee ook over die gegevens.

Voor het kennisnemen van broninformatie geldt in een bestuursrechtelijke procedure het volgende. Het betrokken bestuursorgaan zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter. Tot die stukken kan ook broninformatie behoren waarover het bestuursorgaan beschikt. Voor zover de betrokkene over broninformatie beschikt, staat het hem vrij die zelf in de procedure in te brengen. Daarnaast kan de bestuursrechter partijen en, zo nodig, ook bestuursorganen die geen partij zijn, zoals (de directeur van) het LBB, verplichten schriftelijke inlichtingen te geven of onder hen berustende stukken in te zenden.43

Bij gewichtige redenen kan het geven van schriftelijke inlichtingen of het inzenden van stukken worden geweigerd, dan wel kan de bestuursrechter worden meegedeeld dat uitsluitend hij van deze informatie kennis zal mogen nemen. Volledige geheimhouding wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden toelaatbaar geacht. De geheimhoudingsplicht uit de Wet Bibob brengt bovendien niet zonder meer mee dat sprake is van gewichtige redenen die een beperkte kennisneming rechtvaardigen. Het daaruit blijkende belang bij geheimhouding van die gegevens komt daarbij echter wel gewicht toe.44

Bij beperkte kennisneming kan de rechter de betreffende informatie slechts bij de beoordeling betrekken indien de andere partij daarvoor toestemming verleent. Een weigering van toestemming komt in beginsel voor rekening van de weigerende partij.

In civiele procedures geldt dat een partij de informatie waarop zij zich beroept aan de wederpartij en de rechter bekend moet maken. De rechter kan bovendien een partij bevelen bepaalde stukken over te leggen. Voor zover een van de partijen over broninformatie beschikt, kan deze informatie, voor zover relevant, langs deze weg aan de rechter worden voorgelegd. Ook in civiele procedures geldt dat partijen het overleggen van stukken bij gewichtige redenen kunnen weigeren, dan wel de rechter kunnen meedelen dat uitsluitend hij van die stukken kennis mag nemen.

Daarnaast kan op verzoek van een van de partijen de wederpartij of een derde – zoals (de directeur van) het LBB – bij voldoende belang worden veroordeeld tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan die partij. Die wederpartij of derde kan dit weigeren indien hem een verschoningsrecht toekomt of wanneer gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Uit de jurisprudentie volgt dat in de geheimhoudingsplicht van de Wet Bibob geen verschoningsrecht besloten ligt.45 De aldus verstrekte stukken kunnen vervolgens door de partij die het verzoek heeft gedaan in het geding worden gebracht.

De rechter beschikt daarmee over verschillende instrumenten om de in het Bibob-advies opgenomen gegevens te toetsen. Dit stelsel waarborgt een evenwicht tussen effectieve rechtsbescherming enerzijds en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene anderzijds; van een uitzondering op de Nederlandse rechtsstaat is geen sprake.

Vraag 24

Nergens in de Bibob-procedure lijkt wederhoor met de onderzochte burger of (vertegenwoordiger van het) bedrijf plaats te vinden. Is dit rechtmatig? Is er een beperkte mogelijkheid om informatie te verifiëren met betrokkene?

Antwoord op vraag 24

De Wet Bibob voorziet niet in een verplichting voor het LBB of bestuursorganen om gedurende het onderzoek de bevindingen tussentijds met de betrokkene te bespreken of te verifiëren. Dit hangt samen met het karakter van het Bibob-onderzoek, waarbij informatie uit verschillende bronnen wordt verzameld en in onderlinge samenhang wordt beoordeeld. Het is echter onjuist dat de Bibob-procedure geen wederhoor kent. De Wet Bibob bevat namelijk belangrijke waarborgen voor de rechtsbescherming van betrokkenen.

Op grond van artikel 33 van de Wet Bibob moet een bestuursorgaan – uitzonderingen daargelaten46 – betrokkene de gelegenheid bieden een zienswijze te geven voordat op basis van een Bibob-onderzoek een negatieve beslissing wordt genomen of aan een beschikking voorschriften worden verbonden.47 Het maakt daarbij geen verschil of de aan die beslissing ten grondslag liggende gegevens door betrokkene zelf zijn verstrekt of op andere wijze zijn verkregen. De zienswijze kan schriftelijk of mondeling worden gegeven.

Met het oog op de vereiste zorgvuldigheid moet betrokkene in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van de gegevens waarop de voorgenomen beslissing wordt gebaseerd, zodat betrokkene de zienswijze kan voorbereiden.48 Indien het LBB advies heeft uitgebracht, wordt een afschrift van dat advies verstrekt.49

Daarmee kan betrokkene de juistheid en volledigheid van die gegevens betwisten, waarna het bestuursorgaan die gegevens kan heroverwegen. Als daartoe aanleiding bestaat, kan een (aanvullend) advies bij het LBB worden gevraagd; daarop is de zienswijzeplicht opnieuw van toepassing.50

Daarnaast kan het LBB, voorafgaand aan het uitbrengen van zijn advies, aan betrokkene bepaalde nadere inlichtingen vragen als de door betrokkene aangeleverde gegevens onvoldoende zijn of afwijken van op andere wijze verkregen gegevens.51

Vraag 25

Recente uitspraken van de Raad van State over het zakelijk samenwerkingsverband52 en de Centavos-uitspraak53 kunnen gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk en de toepassing van de Wet Bibob. Wat is hierin uw standpunt?

Antwoord op vraag 25

Ik ben bekend met de betreffende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het is echter niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over rechterlijke uitspraken. Wel is het mijn verantwoordelijkheid om de gevolgen van deze jurisprudentie voor de uitvoeringspraktijk en de toepassing van de Wet Bibob zorgvuldig te volgen. Dat gebeurt dan ook.

Op dit moment zijn er geen concrete aanwijzingen dat naar aanleiding van deze jurisprudentie of het WODC-evaluatieonderzoek maatregelen nodig zijn. Mocht uit de uitvoeringspraktijk blijken dat aanpassing van beleid of regelgeving wenselijk is, dan zal dit zorgvuldig worden beoordeeld.

Vraag 26

De lange doorlooptijden van Bibob-onderzoeken hebben financiële en juridische gevolgen voor onderzochte bedrijven en personen, die op vergunningen wachten, zo stellen de leden van de BBB-fractie. Kunnen onderzochte bedrijven en personen de schade van het overschrijden van wettelijke termijnen voor onderzoeken verhalen op de overheid? Zo nee, waarom niet? En kunnen zij schade verhalen op de overheid als wel binnen de termijn duidelijkheid wordt gegeven, maar het onderzoek voor burger of bedrijf positief wordt beslist? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 26

Het niet tijdig nemen van een besluit kan onrechtmatig zijn jegens het onderzochte bedrijf of de onderzochte persoon. Leidt dit tot schade, dan kan schadevergoeding worden gevorderd bij de bestuursrechter of bij de civiele rechter.54 Niet iedere overschrijding van de beslistermijn leidt echter tot aansprakelijkheid. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist die meebrengen dat het bestuursorgaan in strijd heeft gehandeld met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Hierbij kunnen onder meer van belang zijn de mate van overschrijding, de oorzaak of oorzaken daarvan, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.

Dit geldt ook indien de termijnoverschrijding het gevolg is van de lange doorlooptijd van een Bibob-onderzoek. Wanneer een Bibob-advies niet tijdig wordt uitgebracht, is het bestuursorgaan bevoegd te beslissen zonder dat advies af te wachten. Bij de keuze om van die bevoegdheid gebruik te maken, beschikt het bestuursorgaan echter over beleidsvrijheid. Bij de beoordeling of het afwachten van het advies – en de daaruit voortvloeiende overschrijding van de beslistermijn – in strijd komt met de jegens betrokkene in acht te nemen zorgvuldigheid, wegen enerzijds de kenbare belangen van betrokkene bij een tijdige beslissing en anderzijds het feit dat het bestuursorgaan de informatie uit het Bibob-advies nodig heeft ten behoeve van de behartiging van het algemeen belang.55

Wanneer binnen de toepasselijke termijn is beslist, is in beginsel geen sprake van onrechtmatig handelen. Bij rechtmatig overheidshandelen kan in bepaalde gevallen aanspraak bestaan op nadeelcompensatie. Daarvoor is vereist dat de schade uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en dat betrokkene in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen. Bij schade die enkel het gevolg is van het moeten wachten op een beslissing die binnen de beslistermijn is genomen, zal dit in de regel niet aan de orde zijn.

Vraag 27

Voor (veel) burgers en bedrijven is de leesbaarheid van de Bibob-adviezen een probleem, vanwege ambtelijk en juridisch taalgebruik. Essentiële informatie staat regelmatig alleen in bijlagen.56 Ook ontbreekt (vaak) een duidelijke samenvatting.57 Het lezen en begrijpen van de adviezen is belangrijk voor het kunnen volgen van de procedure en het nemen van beslissingen over een reactie en vervolgactiviteiten. Doet het Landelijk Bureau Bibob leesbaarheidstesten met hen, om te onderzoeken hoe taalgebruik zo mogelijk kan worden vereenvoudigd? Zo nee, wenst u dat te laten organiseren?

Antwoord op vraag 27

Het LBB voert geen leesbaarheidstesten uit met burgers of bedrijven. Dit heeft ermee te maken dat Bibob-adviezen vertrouwelijke gegevens bevatten over (rechts)personen en/of diens zakelijke relaties. Het delen van Bibob-adviezen met derden ten behoeve van leesbaarheidsonderzoeken brengt een risico met zich mee dat adviezen verder verspreid worden en herleid kunnen worden tot individuele gevallen. Dit is niet verenigbaar met de geheimhoudingsplicht die voortvloeit uit de Wet Bibob. Het voorgaande neemt niet weg dat het LBB aandacht heeft voor de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de adviezen.

Bij het opstellen van de adviezen wordt gestreefd naar een heldere en navolgbare opbouw, waarbij de relevante feiten, omstandigheden en conclusies inzichtelijk worden weergegeven. Het LBB kijkt voortdurend waar verdere verbetering van de begrijpelijkheid van zijn communicatie mogelijk is.

Vraag 28

De Bibob-praktijk lijkt zich nog steeds verder te ontwikkelen, waarbij betrokkenen zoeken naar evenwicht tussen juridische grondigheid, uitvoerbaarheid en bestuurlijke toegankelijkheid en rechtsbescherming voor onderzochte burgers en bedrijven. Hoe wenst u dit evenwicht te realiseren?

Antwoord op vraag 28

Een zorgvuldige toepassing van de Wet Bibob vraagt om een goede balans tussen het voorkomen dat de overheid onbedoeld criminele activiteiten faciliteert enerzijds en de rechtsbescherming van burgers en bedrijven anderzijds. Daarbij is het van belang dat bestuursorganen voldoende ruimte hebben om hun verantwoordelijkheid te nemen bij het beschermen van de integriteit van de overheid, maar dat besluiten ook zorgvuldig, proportioneel en goed onderbouwd zijn.

De Wet Bibob is een ingrijpend instrument en daarom kent de wet belangrijke waarborgen. Zo moet een bestuursorgaan een besluit baseren op concrete feiten en omstandigheden, geldt een zorgvuldige motiveringsplicht en moeten de belangen van betrokkenen worden meegewogen. Daarnaast hebben betrokkenen de mogelijkheid om hun zienswijze naar voren te brengen en rechtsmiddelen aan te wenden.

Het realiseren van dit evenwicht vraagt om voortdurende aandacht voor de uitvoeringspraktijk. Daarom worden bestuursorganen, onder meer via het LBB en de RIEC’s, ondersteund bij een zorgvuldige toepassing van de wet. De toepassing van de Wet Bibob wordt daarnaast gemonitord en geëvalueerd, waarbij ook aandacht is voor uitvoerbaarheid, rechtsbescherming en relevante jurisprudentie.

Het uitgangspunt blijft dat de Wet Bibob effectief moet zijn in het beschermen van de integriteit van de overheid, met behoud van de waarborgen die horen bij een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (PRO), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (PRO), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (PRO), Recourt (PRO), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (PRO), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A.

X Noot
3

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 141–143.

X Noot
4

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 123–124.

X Noot
5

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025 Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 15.

X Noot
6

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 121–123.

X Noot
7

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 18.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 2.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 2.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A.

X Noot
11

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, «Bibob-register», te raadplegen op: Bibob-register | Informatie uitwisselen voor overheden | Justis

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 3–4.

X Noot
13

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 9.

X Noot
14

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 15.

X Noot
15

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 24.

X Noot
16

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 16.

X Noot
17

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 20.

X Noot
18

Raad van State, 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:214, te raadplegen op: ECLI:NL:RVS:2025:214, Raad van State, 202206291/1/A3.

X Noot
19

Raad van State, 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:631, te raadplegen op: ECLI:NL:RVS:2025:631, Raad van State, 202306314/1/A3.

X Noot
20

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025 Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 11.

X Noot
21

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025 Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 36.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A.

X Noot
23

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 141–143

X Noot
24

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 123–124.

X Noot
25

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025. Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 15.

X Noot
27

Artikel 28, lid 3 van de Wet Bibob.

X Noot
28

Pro facto, Eindrapport: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, Groningen, 6 oktober 2025, te raadplegen op: Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 p. 121–123.

X Noot
29

Kamerstukken 2025–2026, 31 109, nr. 38.

X Noot
30

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 2.

X Noot
31

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 2.

X Noot
32

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, «Bibob-register», te raadplegen op: Bibob-register | Informatie uitwisselen voor overheden | Justis.

X Noot
33

Dit regime volgt voor persoonsgegevens die het LBB in het kader van zijn adviestaak heft verkregen uit artikel 20 lid 1 van de Wet Bibob; voor andere gegevens volgt dit uit de geheimhoudingsverplichting van artikel 20 lid 1 van die wet.

X Noot
34

Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, p. 72; Kamerstukken II 2000/01, 26 883, nr. 8, p. 17.

X Noot
35

Kamerstukken I 2025/26, 31 109, A, p. 3–4.

X Noot
36

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 9.

X Noot
37

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 15.

X Noot
38

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 24.

X Noot
39

Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 december 2013, nr. 462409, houdende instelling van de kwaliteitscommissie Bibob.

X Noot
40

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 16.

X Noot
41

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, Jaarverslag 2025 Landelijk Bureau Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 20.

X Noot
42

Kamerstukken II 2000/01, 26 883, nr. 8, p. 14; Kamerstukken II 2010/11, 32 676, nr. 6, p. 40; Kamerstukken I 2011/12, 32 676, nr. C, p. 14.

X Noot
43

Kamerstukken II 2010/11, 32 676, nr. 6, p. 40.

X Noot
44

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686.

X Noot
45

Hoge Raad 17 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:255.

X Noot
46

Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 4:11 en 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die op grond van artikel 33 lid 3 van de Wet Bibob van overeenkomstige toepassing zijn.

X Noot
47

Bij een voorgenomen beschikking dient deze mogelijkheid ook te worden geboden aan eventueel in de voorgenomen beschikking genoemde derde(n).

X Noot
48

Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, p. 79.

X Noot
49

Artikel 28 lid 3 van de Wet Bibob.

X Noot
50

Kamerstukken II 2010/11, 32 676, nr. 6, p. 40 en 42.

X Noot
51

Artikel 12 lid 3 van de Wet Bibob.

X Noot
52

Raad van State, 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:214, te raadplegen op: ECLI:NL:RVS:2025:214, Raad van State, 202206291/1/A3.

X Noot
53

Raad van State, 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:631, te raadplegen op: ECLI:NL:RVS:2025:631, Raad van State, 202306314/1/A3.

X Noot
54

In bepaalde gevallen staat slechts een van beide wegen open; zie de artikelen 8:88 lid 2 en 8:89 van de Awb.

X Noot
55

Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040; Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5980; Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579; Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2914.

X Noot
56

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025 Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 11

X Noot
57

Justis, Ministerie van Veiligheid & Justitie, 12 maart 2026, Jaarverslag 2025 Kwaliteitscommissie Bibob, te raadplegen op Eerste Kamer der Staten-Generaal, p. 36.

Naar boven