31 106
Wijziging van arbeidsongeschiktheidswetten en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de verhoging van de uitkering voor volledig arbeidsongeschikten naar 75% en in verband met de uitsluiting van de wachttijd in verband met wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Wet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten)

nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 13 juni 2007 en het nader rapport d.d. 5 juli 2007, aangeboden aan de Koningin door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 12 juni 2007, no. 07001838, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van arbeidsongeschiktheidswetten en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de verhoging van de uitkering voor volledig arbeidsongeschikten naar 75% en in verband met de uitsluiting van de wachttijd in verband met wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Wet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten), met memorie van toelichting.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 12 juni 2007, nr. 07 001838, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 13 juni 2007, nr. W12.07.0151/III, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel van wet regelt in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) de verhoging van de uitkering van volledig arbeidsongeschikten van 70% naar 75%.

Daarnaast voorziet het wetsvoorstel er in om de leeftijdsgrens van degenen die – in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie – worden herbeoordeeld met het op 18 augustus 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434), te verlagen van 50 naar 45 jaar. Daartoe zal ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten worden aangepast. Als gevolg van deze wijziging zal het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) arbeidsongeschikten met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 80% en geboren tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959 herbeoordelen op basis van het «oude» Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

De Raad van State zal in het kader van dit voorstel niet ingaan op de opportuniteit er van in relatie tot de conjuncturele en structurele spanningen op de arbeidsmarkt. Hij spitst zijn advies toe op de ambtshalve herbeoordeling van de groep arbeidsongeschikten tussen de 45 en 50 jaar. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Het advies van de Raad van State geeft aanleiding tot de volgende reactie.

1. Het UWV zal betrokkenen die tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 (de datum van het coalitieakkoord) op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn geschat naar een arbeidspercentage van minder dan 80%, ambtshalve herbeoordelen. In de memorie van toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat die herbeoordeling in het algemeen niet zal leiden tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Erkend wordt dat daarvan in zeer uitzonderlijke gevallen wel sprake kan zijn.

Het rechtszekerheidsbeginsel brengt naar het oordeel van de Raad mee dat een ambtshalve herbeoordeling niet mag leiden tot een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering dan die welke eerder werd toegekend. Hij geeft in overweging het voorstel van wet zodanig aan te passen dat dat effect niet kan optreden.

1. In het Coalitieakkoord is afgesproken dat degenen die tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959 zijn geboren, zullen worden herbeoordeeld op basis van het «oude» Schattingbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit), dat wil zeggen zoals dat luidde voor 18 augustus 2004. Een deel van deze groep arbeidsongeschikten is reeds voor 22 februari 2007 herbeoordeeld op basis van het op 18 augustus 2004 aangepaste Schattingsbesluit. De ambtshalve herbeoordeling die in het wetsvoorstel wordt geregeld, heeft betrekking op deze groep. Het UWV zal voor degenen van deze groep die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn, bezien wat hun arbeidsongeschiktheidspercentage is op basis van het «oude» Schattingsbesluit. Het UWV doet dat in beginsel met de meest recente (medische) gegevens uit het dossier van betrokkene. Omdat het aangepaste Schattingsbesluit strenger is dan het «oude» Schattingsbesluit, zal deze ambtshalve herbeoordeling in beginsel tot ten minste hetzelfde arbeidsongeschiktheidspercentage leiden. Bij een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage zal, als dit percentage in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse valt, de uitkering met terugwerkende kracht tot en met 22 februari 2007 worden verhoogd. Omdat vanwege het dynamische karakter van het CBBS niet valt uit te sluiten dat in een enkel geval een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld, is in het wetsvoorstel expliciet geregeld dat daaraan geen gevolgen worden verbonden voor de hoogte van de uitkering. In die zin is het advies van de Raad van State overgenomen.

2. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

2. De redactionele kanttekening uit de bijlage van het advies is in het wetsvoorstel verwerkt.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel, en in verband daarmee de memorie van toelichting, op een tweetal punten te wijzigen. Allereerst wordt geregeld dat de verhoging van de uitkering die door het UWV aan de eigenrisicodrager wordt vergoed, ook de hogere werkgeverslasten omvat. Daarnaast is een technische wijziging opgenomen in verband met het feit dat er geen sprake is van verhaal van de verhoging van de uitkering door de eigenrisicodrager, maar een ambtshalve vergoeding door het UWV aan de eigenrisicodrager.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U hierbij verzoeken het gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W12.07.0151/III met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

– In artikel I, onderdeel B, rekening houden met het feit dat op grond van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met het afschaffen van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, het afschaffen van de premiedifferentiatie voor de Arbeidsongeschiktheidskas en enige andere wijzigingen (Kamerstukken II 2006/07, 31 050, nr. 2) onderdeel e van artikel 117, zesde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vervalt.


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven