31 093
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I ALGEMEEN

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel, dat is opgesteld in overeenstemming met de minister van Justitie, strekt tot implementatie van de Richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390) (hierna: de richtlijn transparantie).1 Niet alle onderdelen van de richtlijn transparantie worden door dit wetsvoorstel omgezet in de Nederlandse wetgeving. Aan de bepalingen met betrekking tot informatie over belangrijke deelnemingen – de artikelen 9 tot en met 15 van de richtlijn transparantie – is reeds uitvoering gegeven in hoofdstuk 5.3 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: de Wft), dat ter vervanging geldt van de inmiddels vervallen Wet Melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen 2006 (Wmz 2006). Bedoelde bepalingen strekken ertoe een regeling te geven voor het openbaar maken door aandeelhouders en andere stemgerechtigden van hun zeggenschap in uitgevende instellingen indien die zeggenschap van een zekere omvang is, ten einde beleggers in staat te stellen met voldoende kennis van de zeggenschapsverhoudingen beleggingsbeslissingen te nemen. De onderdelen van de richtlijn transparantie die geen betrekking hebben op de openbaarmaking van zeggenschap in uitgevende instellingen zijn destijds niet in de Wmz 2006 opgenomen omdat deze buiten de beoogde reikwijdte van die wet vielen. Laatstbedoelde onderdelen van de richtlijn transparantie worden thans door dit wetsvoorstel geïmplementeerd. Omdat met de voorbereiding van het wetsvoorstel laat is begonnen, is tijdige implementatie van bedoelde onderdelen niet gerealiseerd. De uiterste implementatiedatum van de richtlijn transparantie is inmiddels verstreken. De voornaamste oorzaak van deze vertraging is gelegen in de omstandigheid dat de afgelopen jaren op het terrein van de financiële markten prioriteit is gegeven aan de totstandkoming van de Wft.

De richtlijn transparantie maakt deel uit van het Actieplan voor financiële diensten van de Europese Unie1 (hierna: Actieplan). De richtlijn heeft betrekking op uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op binnen de Europese Unie gelegen of functionerende (de richtlijn transparantie spreekt van «werkzame») gereglementeerde markten.2 Dit brengt mee dat de richtlijn de Nederlandse wetgever voor een deel verplicht tot het stellen van uitvoeringsmaatregelen die zijn gericht tot uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markten, en voor een andere deel verplicht tot het stellen van uitvoeringsmaatregelen die zijn gericht tot uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Bedacht dient daarbij te worden dat het begrip gereglementeerde markt een beperkter aantal markten in financiële instrumenten omvat dan het in artikel 1:1 van de Wft gedefinieerde begrip markt in financiële instrumenten. Hierdoor valt een handelsplatform als Alternext, niet onder de werkingssfeer van dit wetsvoorstel, met uitzondering van artikel 5:25i (openbaarmaking koersgevoelige informatie).

De maatregelen die voortvloeien uit het Actieplan zijn nodig om de interne markt voor financiële diensten (verder) te voltooien. In het Actieplan is de noodzaak benadrukt om een richtlijn tot optimalisering van de transparantieverplichtingen op te stellen. Overweging 1 van de richtlijn transparantie geeft aan dat openbaarmaking van accurate, alomvattende en tijdige informatie over uitgevende instellingen een duurzaam vertrouwen wekt bij beleggers en het mogelijk maakt voor beleggers om zich een verantwoord oordeel te vormen over de resultaten en het vermogen van deze instellingen. Een verdere harmonisatie van de nationale wettelijke bepalingen omtrent de eisen die gelden voor uitgevende instellingen op het gebied van de verschaffing van periodieke en doorlopende informatie, zou in een hoger niveau van beleggersbescherming moeten resulteren en komt de marktefficiëntie ten goede.3 De richtlijn transparantie introduceert in de Europese Unie een gemeenschappelijk systeem voor het openbaar maken van gereglementeerde informatie door uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt binnen de Europese Unie zijn toegelaten. Het doel daarvan is het verbeteren van de verspreiding van informatie binnen Europa, waardoor een barrière voor grensoverschrijdend beleggen wordt weggenomen.

De richtlijn transparantie ligt in het verlengde van diverse eerdere maatregelen met betrekking tot uitgevende instellingen die zijn voortgekomen uit het eerder genoemde Actieplan. Voorbeelden hiervan zijn de IAS Verordening4, de richtlijn marktmisbruik5 en de richtlijn prospectus6. In aansluiting op de twee laatstgenoemde richtlijnen zal ook de richtlijn transparantie voor het grootste deel in de Wft worden omgezet. Dit wetsvoorstel voorziet daartoe onder meer in een nieuw hoofdstuk 5.1a van de Wft.

Uitgevende instellingen dienen indien zij hun statutaire zetel in Nederland hebben eveneens toepassing te geven aan de bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Omdat bepaalde onderdelen van de richtlijn transparantie een nauwe samenhang vertonen – of zelfs overlappen – met bepalingen uit Boek 2 BW, voorziet dit wetsvoorstel tevens, daar waar noodzakelijk voor een juiste implementatie van de richtlijn transparantie, in aanpassingen van Boek 2 BW. Voorts is in het wetsvoorstel op enkele onderdelen, in het bijzonder in de bepalingen met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag, aangesloten bij de in het BW gehanteerde terminologie, ten einde de inzichtelijkheid van het wetsvoorstel mede in samenhang met de bepalingen van jaarrekeningrecht in Boek 2 BW te bevorderen. Daarbij is meegewogen dat de bepalingen met betrekking tot het jaarrekeningrecht, bedoeld in Boek 2 BW, mede ter implementatie gelden van de zogenoemde vierde richtlijn betreffende de jaarrekening (in artikel 1:1 van de Wft gedefinieerd als richtlijn jaarrekening1 ) respectievelijk de zogenoemde zevende richtlijn betreffende de geconsolideerde jaarrekening (in artikel 1:1 van de Wft gedefinieerd als richtlijn geconsolideerde jaarrekening2 ). Tussen deze richtlijnen en de richtlijn transparantie bestaat een nauw verband. Op die onderdelen waarbij wordt aangesloten bij de bestaande BW-terminologie is gewaakt voor toekenning van een betekenis die afwijkt van de richtlijn transparantie. Voor het overige is in het wetsvoorstel het algemene uitgangspunt van aanwijzing 56 van de Aanwijzingen voor de regelgeving gehanteerd om aan te sluiten bij de terminologie van de richtlijn.

Het toezicht op de naleving van de bepalingen die ingevolge de richtlijn transparantie in de Wft worden geïmplementeerd zal voornamelijk langs publiekrechtelijke weg door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) worden uitgevoerd. De AFM zal daarnaast, voor zover het uitgevende instellingen betreft die statutaire zetel hebben in Nederland, toezicht blijven houden op de naleving van de voorschriften voor de inrichting van de algemeen verkrijgbaar te stellen jaarlijkse financiële verslaggeving en als gevolg van de richtlijn transparantie, ook toezicht gaan houden op de inrichting van halfjaarlijkse financiële verslaggeving. Dit toezicht op inrichting van de jaarlijkse financiële verslaggeving is thans reeds civielrechtelijk vormgegeven volgens het stelsel van de Wet toezicht financiële verslaggeving (hierna: de Wtfv). Het toezicht op de inrichting van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving zal grotendeels volgens dezelfde systematiek worden vormgegeven. De Wtfv zal daartoe, door het onderhavige wetsvoorstel, worden aangevuld. Deze wijzigingen worden hierna uitgebreid toegelicht.

2. Opzet van de richtlijn transparantie

De richtlijn transparantie bevat uiteenlopende verplichtingen tot openbaarmaking van informatie omtrent uitgevende instellingen. Zo bevat de richtlijn transparantie ten eerste, in de artikelen 4 tot en met 6 van de richtlijn, voor uitgevende instellingen de verplichting om tijdig jaarlijks, halfjaarlijks en tussentijds door middel van financiële verslagen en verklaringen informatie openbaar te maken. In de artikelen 4 tot en met 6 van de richtlijn transparantie is voorts geregeld welke inrichtingsvereisten gelden voor de inhoud van deze verslagen en verklaringen. Indien een uitgevende instelling verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, dienen de jaarrekeningen (de richtlijn spreekt van: de financiële overzichten) en de halfjaarrekeningen (de richtlijn spreekt van verkorte financiële overzichten) te worden opgesteld overeenkomstig de toepasselijke internationale standaarden die overeenkomstig de IAS-verordening zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Voor uitgevende instellingen die niet verplicht zijn een geconsolideerde jaarrekening op te stellen vloeien de inrichtingsvereisten voor de jaarlijkse- en halfjaarlijkse financiële verslaggeving voort uit de nationale wetgeving van de lidstaat waar de uitgevende instelling zetel heeft. Het betreft daarbij de regelgeving die mede geldt ter implementatie van de richtlijn jaarrekening, de (artikelen 4 en 5 van de) richtlijn transparantie en de daarop gebaseerde uitvoeringsmaatregelen van de Europese Commissie. Artikel 6 van de richtlijn transparantie bevat de verplichting voor uitgevende instellingen om tussentijdse verklaringen van het bestuursorgaan van de uitgevende instelling openbaar te maken. Deze verklaringen, die kort gezegd in het eerste en in het derde kwartaal van het boekjaar openbaar dienen te worden gemaakt, dienen een toelichting te bevatten van belangrijke gebeurtenissen en transacties die hebben plaatsgevonden alsmede een algemene beschrijving van de financiële positie en de financiële prestaties van de uitgevende instelling.

Een tweede type verplichting tot openbaarmaking van informatie omtrent uitgevende instellingen is te vinden in hoofdstuk III van de richtlijn transparantie. In dat hoofdstuk is geregeld dat de verwerving of overdracht van belangrijke deelnemingen in uitgevende instellingen openbaar moet worden gemaakt. Omdat deze bepalingen, zoals hierboven is opgemerkt, al zijn vervat in hoofdstuk 5.3 van de Wft, zal hieraan geen verdere aandacht worden geschonken.

Een derde type publicatieverplichtingen is opgenomen in de artikelen 16, 17 en 18 van de richtlijn transparantie. Deze artikelen verplichten uitgevende instellingen om wijzigingen in de rechten die zijn verbonden aan door de uitgevende instelling uitgegeven effecten openbaar te maken en om aan aandeelhouders respectievelijk obligatiehouders specifieke informatie te verstrekken over het kunnen uitoefenen hun rechten.

Naast de verschillende publicatieverplichtingen bevat de richtlijn transparantie in de hoofdstukken IV en V bepalingen over de bevoegde toezichthouder, de taal waarin en wijze waarop informatie openbaar moet worden gemaakt en beschikbaar moet worden gehouden en over welke bevoegdheden de toezichthouders moeten beschikken. De richtlijn transparantie regelt ten slotte op welke wijze de toezichthouders van de verschillende lidstaten dienen samen te werken en onder welke voorwaarden door toezichthouders onderling informatie kan worden uitgewisseld.

3. Aanpassingen in de Wet op het financieel toezicht

Zoals in de eerste paragraaf van deze toelichting is opgemerkt, wordt de richtlijn transparantie geïmplementeerd door wijziging van een aantal bestaande wetten. De meeste wijzigingen worden in de Wft doorgevoerd. In deze paragraaf worden de aanpassingen van de Wft eerst op hoofdlijnen beschreven. Daarna wordt meer specifiek ingegaan op het nieuwe hoofdstuk 5.1a.

Aanpassingen Wft

Een omvangrijk deel van de bepalingen van de richtlijn transparantie wordt geïmplementeerd in de Wft, in het bijzonder in het nieuwe hoofdstuk 5.1a van de Wft. Dit nieuwe hoofdstuk kent een vergelijkbare opzet als hoofdstuk 5.1. In dat hoofdstuk, dat is gebaseerd op de richtlijn prospectus, zijn de bepalingen omtrent aanbieding van effecten aan het publiek en toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt opgenomen. De keuze voor een nieuw hoofdstuk 5.1a houdt verband met de nauwe samenhang die bestaat tussen de bepalingen van de richtlijn prospectus en de richtlijn transparantie.

Ingevolge hoofdstuk 5.1 dient de toelating van effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende markt in beginsel vooraf te worden gegaan door de algemeen verkrijgbaarstelling van een goedgekeurd prospectus. Welke toezichthouder – de AFM of een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat – bevoegd is om het prospectus goed te keuren wordt vervolgens bepaald aan de hand van de statutaire zetel van de uitgevende instelling en de categorie effecten (bijvoorbeeld aandelen of obligaties) die tot de handel worden toegelaten. Wanneer de effecten eenmaal tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt zijn toegelaten, zijn uitgevende instellingen vervolgens verplicht om gereglementeerde informatie openbaar te maken. Dit laatste vloeit voort uit de richtlijn transparantie, die daarmee voortbouwt op de richtlijn prospectus. Het ligt daarom voor de hand om in de Wft ná hoofdstuk 5.1, waarin de belangrijkste bepalingen ter implementatie van de richtlijn prospectus zijn opgenomen, een nieuw hoofdstuk te introduceren met daarin de relevante bepalingen uit de richtlijn transparantie. Omdat de bepalingen van het nieuwe hoofdstuk 5.1a voortbouwen op de (in hoofdstuk 5.1 opgenomen) bepalingen omtrent het algemeen verkrijgbaar stellen van prospectussen wordt in hoofdstuk 5.1a. eveneens de term «algemeen verkrijgbaar stellen» gehanteerd, ondanks dat de richtlijn transparantie spreekt over het «openbaar maken» van informatie. In de op grond van artikel 5:25w op te stellen algemene maatregel van bestuur zal worden voorgeschreven hoe de algemeenverkrijgbaarstelling van gereglementeerde informatie zal geschieden, waarbij het actieve karakter van het begrip «openbaar maken» gestalte zal krijgen. Bijkomend voordeel van de keuze voor het begrip «algemeen verkrijgbaar stellen» boven «openbaar maken» is dat wordt voorkomen dat verwarring ontstaat omtrent de inhoud van het begrip «openbaar maken». De laatste term wordt namelijk ook in Boek 2 BW (art. 2:394 BW) gebruikt in het kader van de verplichting voor rechtspersonen om hun jaarrekening bij het handelsregister te deponeren.

De implementatie van de richtlijn transparantie leidt, naast de introductie van een nieuw hoofdstuk 5.1a, voorts tot een aantal andere wijzigingen in de Wft. Ten eerste wordt het Algemeen deel van de Wft uitgebreid met de uit de richtlijn transparantie voortvloeiende bepalingen omtrent de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde toezichthoudende instanties van de verschillende lidstaten. Ook wordt in het Algemeen deel een aantal uit de richtlijn transparantie voortvloeiende definities opgenomen. Een tweede aanpassing geschiedt in hoofdstuk 5.1. Het thans in dit hoofdstuk opgenomen artikel 5:24, waarin implementatie van artikel 10 van de eerder genoemde richtlijn prospectus heeft plaatsgevonden, zal in aangepaste vorm worden overgebracht naar het nieuwe hoofdstuk 5.1a. Achtergrond daarvan is de nauwe samenhang tussen het in artikel 5:24 opgenomen algemene voorschrift voor uitgevende instellingen om jaarlijks bepaalde informatie algemeen verkrijgbaar te stellen en de meer uitgewerkte verplichtingen voor uitgevende instellingen, met betrekking tot het algemeen verkrijgbaar stellen van financiële verslaggeving, die in hoofdstuk 5.1a worden opgenomen.

Om redenen van wetsssystematiek wordt ook, hetgeen als derde aanpassing van de Wft kan worden genoemd, de thans in artikel 5:59 opgenomen verplichting voor uitgevende instellingen om onverwijld koersgevoelige informatie openbaar te maken overgebracht naar het nieuwe hoofdstuk 5.1a.

Het nieuwe hoofdstuk 5.1a

In het nieuwe hoofdstuk 5.1a wordt de kern van de richtlijn transparantie omgezet. Het hoofdstuk handelt over transparante informatievoorziening door uitgevende instellingen en bevat vier afdelingen.

De eerste afdeling (afd. 5.1a.1) bevat informatieverplichtingen voor uitgevende instellingen en is onderverdeeld in drie paragrafen. Daarvan bevat de eerste paragraaf (§ 5.1a.1.1.) enkele inleidende bepalingen. In artikel 5:25b, eerste lid, is de reikwijdte van de afdeling geregeld. Afdeling 5.1a.1 is uitsluitend van toepassing op uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt.

Dit betekent onder meer dat de in de tweede paragraaf (§ 5.1a.1.2.) opgenomen periodieke informatieverplichtingen zoals de plicht om binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarlijks financiële verslaggeving (art. 5:25c) en binnen acht maanden de halfjaarlijks financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar te stellen (art. 5:25d) betrekking hebben op alle uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functioneerde gereglementeerde markt, ongeacht waar deze instellingen hun zetel hebben. Met deze reikwijdtebenadering wordt aangesloten bij artikel 5:2 (prospectusplicht) van de Wft. Dit artikel kent namelijk eveneens als normadressaat uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt.

De derde paragraaf (§ 5.1a.1.3.) bevat twee artikelen waarin incidentele informatieverplichtingen zijn opgenomen. Artikel 5:25h bevat de verplichting voor uitgevende instellingen om – ten behoeve van aandeel- of obligatiehouders – wijzigingen in de rechten die verbonden zijn aan door de instelling uitgegeven aandelen of obligaties algemeen verkrijgbaar te stellen. Artikel 5:25i geldt ter vervanging van artikel 5:59 (openbaarmakingsplicht koersgevoelige informatie). Reden om die bepaling over te hevelen naar het nieuwe hoofdstuk 5.1a, is dat de algemeen verkrijgbaar te stellen informatie, bedoeld in artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik (koersgevoelige informatie), wordt aangemerkt als gereglementeerde informatie in de zin van de richtlijn transparantie.

De tweede afdeling (afd. 5.1a.2) van hoofdstuk 5.1a bevat nadere transparantieregels voor uitgevende instellingen. De afdeling is onderverdeeld in drie paragrafen.

De eerste paragraaf (§ 5.1a.2.1.) bestaat uit één bepaling (artikel 5:25j) waarin de reikwijdte van afdeling 5.1a.2 is geregeld. De afdeling is alleen van toepassing op uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is in de zin van artikel 2, eerste lid, onder i, van de richtlijn transparantie. Dit hangt samen met het feit dat de afdeling onder meer geldt ter implementatie van de artikelen 17 tot en met 22 van de richtlijn transparantie, welke bepalingen zich vrijwel uitsluitend tot de lidstaten van herkomst richten. Of Nederland de lidstaat van herkomst is van een uitgevende instelling, wordt in de meeste gevallen – in geval van obligaties, met een nominale waarde van minder dan € 1000 of aandelen – bepaald door de statutaire zetel van de uitgevende instelling. Bevindt deze laatste zich in Nederland dan is Nederland de lidstaat van herkomst. Hiermee onderscheidt de reikwijdte van de afdeling zich van de hierboven besproken afdeling 5.1a.1 waarvan de reikwijdte zicht uitstrekt tot uitgevende instellingen waarvan – ongeacht hun zetel – effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt.

Afdeling 5.1a.2. is niet van toepassing op uitgevende instellingen waarvan Nederland lidstaat van ontvangst is. Voor die uitgevende instellingen zal immers de met de afdeling corresponderende nationale wetgeving van de lidstaat van herkomst (een andere lidstaat) van toepassing zijn. Door geen bepalingen voor uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van ontvangst is in afdeling 5.1a.2. op te nemen, wordt onwenselijke en niet toegestane samenloop van wetgeving van verschillende lidstaten en, in samenhang daarmee, toezicht door meerdere nationale toezichthouders voorkomen. De tweede paragraaf (§ 5.1a.2.2.) bevat verplichtingen voor uitgevende instellingen die specifiek betrekking hebben op vergaderingen van aandeel- of obligatiehouders.

De derde paragraaf (§ 5.1a.2.3.) bevat bepalingen over het algemeen verkrijgbaar stellen en deponeren van gereglementeerde informatie (artikelen 5:25k en 5:25l). Gereglementeerde informatie dient door een uitgevende instelling met lidstaat van herkomst in Nederland onverwijld algemeen verkrijgbaar te worden gesteld en gelijktijdig gedeponeerd te worden bij een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instantie die zorg draagt voor de centrale opslag van gereglementeerde informatie (artikel 5:25m). Artikel 5:25n bevat de plicht voor uitgevende instellingen om voorgenomen wijzigingen van statuten (vallen niet onder begrip gereglementeerde informatie) bij de AFM te deponeren. De laatste bepaling van paragraaf 5.1a.2.3. (artikel 5:25o) heeft betrekking op de plicht voor een uitgevende instelling met statutaire zetel in Nederland om de (niet-)vastgestelde jaarrekening openbaar te maken door deze bij het handelsregister te deponeren. Door de vastgestelde jaarrekening aan de AFM te zenden of, indien geen vaststelling heeft plaatsgevonden binnen zes maanden, mededeling aan de AFM te doen van niet-vaststelling van de jaarrekening, kan de uitgevende instelling voldoen aan de in artikel 2:394 lid 1 en lid 2 van het BW opgenomen plicht tot deponering bij het handelsregister. De AFM zendt namelijk, onverwijld nadat de vastgestelde jaarrekening aan haar is gezonden, de vastgestelde jaarrekening of, onverwijld nadat aan haar is medegedeeld dat de jaarrekening niet is vastgesteld de bij haar gedeponeerde opgemaakte jaarrekening, aan het handelsregister. Conform de toezegging van het kabinet bij de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel voor de Wtfv, bevestigd in een brief van de minister van Financiën, wordt daarmee een verplichting tot dubbele deponering van de jaarrekening, namelijk zowel bij de AFM als bij het handelsregister, vermeden.1 De vierde paragraaf (§ 5.1a.2.4.) bevat een regeling voor de taal waarin de algemeen verkrijgbaar te stellen gereglementeerde informatie dient te zijn opgesteld.

De derde afdeling (afd. 5.1a.3.) bestaat uit één artikel (artikel 5.25q) dat een specifieke regeling bevat voor de wijze van algemeenverkrijgbaarstelling en deponering van gereglementeerde informatie door uitgevende instellingen met een andere lidstaat van herkomst waarvan uitsluitend effecten op een in Nederland gelegen of functioneerde gereglementeerde markt zijn toegelaten.

De vierde afdeling (afd. 5.1a.4.) regelt het toezicht op de naleving van de in het hoofdstuk 5.1a vervatte bepalingen voor zover dat toezicht bestuursrechtelijk is vormgegeven. Een deel van de bepalingen wordt op civielrechtelijke wijze gehandhaafd. Het betreft de handhaving van de toepassing van de inrichtingsvoorschriften in jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen. Die handhaving geschiedt ingevolge de Wtfv en artikel 2:447 e.v. van het BW. De Wtfv en het BW worden in de artikelen II en III van het wetsvoorstel aangepast en zullen in de volgende paragraaf worden besproken. Ten slotte wordt opgemerkt dat ter uitvoering van diverse bepalingen van het wetsvoorstel zal worden voorzien in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In die AMvB zullen bepalingen worden vervat ter implementatie van de richtlijn die de Europese Commissie heeft vastgesteld ter uitvoering van de richtlijn transparantie.2

4. Aanpassingen Wet toezicht financiële verslaggeving en Burgerlijk Wetboek

In deze paragraaf worden de twee andere wetten behandeld waarin wijzigingen worden aangebracht: de Wtfv en het BW.

Aanpassingen Wtfv en de jaarrekeningprocedure

Dit wetsvoorstel brengt ook wijzigingen met zich voor de Wtfv en de jaarrekeningprocedure van afdeling 16 van titel 9 van Boek 2 BW. Op grond van de Wtfv houdt de AFM namelijk toezicht op de naleving van verslaggevingvoorschriften door effectenuitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Europese Unie of tot de handel op een markt in financiële markten buiten de Europese Unie. Het toezicht van de AFM beperkt zich thans tot de financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen waarvan de statutaire zetel in Nederland is gelegen.

Door dit wetsvoorstel wordt de werkingssfeer van de Wtfv uitgebreid tot de jaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen die naar het recht van een andere (lid)staat zijn opgericht voor zover zijn Nederland als de lidstaat van herkomst hebben in de zin van artikel 5:25a. Deze uitbreiding hangt samen met de systematiek van de richtlijn transparantie, welke verlangt dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst belast is met toezicht op de naleving van verslaggevingsvoorschriften. Over welke effectenuitgevende instellingen gaat het precies? Het kan allereerst gaan om een effectenuitgevende instelling met zetel in een andere lidstaat waarvan effecten met een nominale waarde van ten minste € 1000 zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt. Dergelijke effectenuitgevende instellingen kunnen Nederland als lidstaat van herkomst kiezen. Ingevolge de richtlijn transparantie dient de jaarlijkse financiële verslaggeving van deze effectenuitgevende instellingen te zijn opgesteld overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de instelling is gevestigd of, indien het geconsolideerde stukken betreft, de met inachtneming van de op grond van artikel 3 van de IAS-verordening goedgekeurde verslaggevingsvoorschriften. Volgens de systematiek van de, door dit wetsvoorstel aangevulde, Wtfv zal de AFM gaan toezien of dergelijke effectenuitgevende instellingen de voor hen toepasselijke verslaggevingvoorschriften op de juiste wijze hebben toegepast.

Ook van een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat, die geen lidstaat is kan Nederland lidstaat van herkomst zijn. Dit is het geval als van die effectenuitgevende instelling obligaties met een nominale waarde van kleiner dan € 1000 of aandelen zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en de AFM op grond van artikel 5:9, tweede lid, Wft bevoegd is tot goedkeuring van het prospectus. Daarnaast kan een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is en waarvan effecten met een nominale waarde van ten minste € 1000 zijn toegelaten tot handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, Nederland als lidstaat van herkomst kiezen.

De jaarlijkse financiële verslaggeving van een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is en waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is, dient in beginsel te zijn opgesteld overeenkomstig titel 9 van Boek 2 BW of, indien er een consolidatieplicht bestaat, met inachtneming van de op grond van artikel 3 van de IAS-verordening goedgekeurde verslaggevingsvoorschriften. Dit volgt uit het voorgestelde artikel 5:25c, zesde lid. De AFM gaat ingevolge de Wtfv toezicht houden op de juiste naleving van die verslaggevingsvoorschriften door effectenuitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, tenzij de desbetreffende effectenuitgevende instelling op grond van de equivalentiebepaling van artikel 5:25v geen toepassing hoeft te geven aan de verslaggevingsvoorschriften van artikel 5:25c. De Commissie heeft inmiddels bij beschikking besloten dat effectenuitgevende instellingen die toepassing geven aan de verslaggevingvoorschriften van de Verenigde Staten, US-GAAP (Generally Accepted Accounting Principles) als «equivalent» zullen worden aangemerkt.1

Op grond van het bestaande artikel 4 Wtfv kan de AFM, nadat de procedure van de artikelen 2 en 3 van die wet is doorlopen, een jaarrekeningprocedure entameren bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (OK) jegens een effectenuitgevende instelling met statutaire zetel in Nederland. Aangezien het toezichtterrein van de AFM op grond van de Wtfv, zoals hierboven aangegeven, wordt uitgebreid met de jaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen die naar het recht van een andere (lid)staat zijn opgericht en waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is, zal de AFM voortaan ook ten aanzien van die financiële verslaggeving een verzoekschrift bij de OK kunnen indienen. Dit volgt uit het voorgestelde nieuwe artikel 2:454 BW jo. artikel 4 van de Wtfv. Wel zal de aard van het bevel dat de OK kan geven ten aanzien van de verslaggeving van een naar het recht van een andere staat opgerichte effectenuitgevende instelling afwijken van het bevel dat aan een uitgevende instelling met statutaire zetel in Nederland kan worden gegeven. Op een naar het recht van een andere staat opgerichte effectenuitgevende instelling is immers buitenlands vennootschaprecht van toepassing, waardoor bijvoorbeeld een bevel tot herinrichting of vernietiging van de jaarrekening minder voor de hand ligt. Het bevel van de OK zal daarom beperkt zijn tot de verplichting tot het doen van een openbare mededeling omtrent de toepassing van verslaggevingsvoorschriften in bestaande of toekomstige stukken. Dit ligt in het verlengde van de aanbeveling tot het algemeen verkrijgbaar stellen van een bericht die de AFM op grond van artikel 3 van de Wtfv kan doen, waardoor een dergelijke door de AFM gedane aanbeveling in voorkomende gevallen van een rechtelijke toets wordt voorzien.

Voorts wordt de werkingssfeer van de Wtfv ten gevolge van de implementatie van de richtlijn transparantie nog op een ander onderdeel uitgebreid. De AFM gaat namelijk toezicht houden op de naleving van verslaggevingsvoorschriften in de halfjaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen die Nederland als lidstaat van herkomst hebben. Dat toezicht zal bestaan uit de bevoegdheid van de AFM om bij twijfel over de inrichting van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving de effectenuitgevende instelling te verzoeken om een nadere toelichting (art. 2 Wtfv) en de bevoegdheid om aan de effectenuitgevende instelling een aanbeveling te doen een bericht algemeen verkrijgbaar te stellen omtrent de toepassing van verslaggevingsvoorschriften in bestaande of toekomstige stukken (art. 3 Wtfv). Ten aanzien van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving zal geen procedure bij de OK kunnen worden geëntameerd. Het wordt namelijk niet wenselijk geacht als lange tijd nadat een halfjaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar is gesteld, en waarschijnlijk door de effectenuitgevende instellingen al weer nieuwe (half)jaarlijkse verslaggeving algemeen verkrijgbaar is gesteld of op korte termijn zal (moeten) worden gesteld, nog over die halfjaarlijkse verslaggeving kan worden geprocedeerd. Dit schept rechtsonzekerheid zowel voor de effectenuitgevende instelling als voor andere belanghebbenden en herbergt het risico van stapeling van procedures met betrekking tot de financiële verslaggeving van dezelfde effectenuitgevende instelling. Het is bovendien onnodig om een dergelijke rechtsgang open te stellen omdat ten aanzien van de jaarlijkse financiële verslaggeving waarin die halfjaarlijkse financiële gegevens zullen zijn verwerkt eveneens een jaarrekeningprocedure kan worden geëntameerd. Concreet kan dit als volgt in zijn werk gaan. Het niet opvolgen van een aanbeveling met betrekking tot halfjaarlijkse financiële verslaggeving zal voor de AFM reden kunnen zijn om ten aanzien van de jaarlijkse financiële verslaggeving waarin de desbetreffende halfjaarlijkse stukken zijn verwerkt en welke volgt op de desbetreffende halfjaarlijkse financiële verslaggeving, een onderzoek op te starten in de zin van de artikelen 2 en 3 van de Wtfv. Dat onderzoek zal uiteindelijk kunnen uitmonden in een jaarrekeningprocedure bij de OK op grond van artikel 4 van de Wtfv. Op die manier is naar de mening van de regering de handhaving van een aanbeveling met betrekking tot halfjaarlijkse financiële verslaggeving voldoende gewaarborgd.

Aanpassingen Boek 2 BW

Naast de introductie van een nieuw hoofdstuk in de Wft en een aantal aanpassingen van de Wftv voorziet het onderhavige wetsvoorstel in enkele aanpassingen van Boek 2 BW. Daarbij verdient de verhouding tussen deze aanpassingen en de bepalingen in het nieuwe hoofdstuk 5.1a enige aandacht. Boek 2 BW bevat de voorschriften voor de oprichting, inrichting en het functioneren van (de verschillende organen van) Nederlandse rechtspersonen. De voorschriften die zien op Nederlandse naamloze vennootschappen zijn – onder meer – opgenomen in Titel 4 van Boek 2 BW. Het betreft daarbij zowel voorschriften voor Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt1 (hierna: beursvennootschappen), alsmede voorschriften voor Nederlandse naamloze vennootschappen die geen beursvennootschap zijn. Een belangrijk gedeelte van deze voorschriften ziet op de wijze waarop (het bestuur van) de naamloze vennootschap rekening en verantwoording aflegt aan de aandeelhouders – en andere belanghebbenden – van de vennootschap. Zo dient, op grond van artikel 2:101 BW, het bestuur van een naamloze vennootschap in beginsel binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de vennootschap een jaarrekening en een jaarverslag op te maken en deze voor de aandeelhouders ter inzage te leggen. Beide documenten dienen te worden ingericht met inachtneming van het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 BW en door de naamloze vennootschap openbaar te worden gemaakt, in beginsel nadat de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) is vastgesteld.

Naast deze, voor alle Nederlandse naamloze vennootschappen geldende, algemene verplichtingen geldt voor beursvennootschappen een aantal aanvullende verplichtingen tot publicatie van informatie. Deze aanvullende verplichtingen vinden hun rechtvaardiging in het beroep dat door beursvennootschappen wordt gedaan op het (beleggend) publiek voor de financiering van de activiteiten van de met haar verbonden onderneming(en). Zo dient een vennootschap die aandelen aan het publiek aanbiedt of om toelating van haar effecten tot de handel van een gereglementeerde markt verzoekt, een prospectus algemeen verkrijgbaar te stellen dat is goedgekeurd door de AFM of de bevoegde toezichthoudende instantie van een andere lidstaat. Indien eenmaal effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, dienen beursvennootschappen onverwijld zogenoemde «koersgevoelige informatie» openbaar te maken. Tevens zijn deze vennootschappen onderworpen aan de verplichting om halfjaarlijks financiële informatie openbaar te maken.

Deze beschreven – extra – informatieverplichtingen voor beursvennootschappen vloeien niet voort uit Boek 2 BW, maar uit de, specifiek voor beursvennootschappen geldende, bepalingen die zijn opgenomen in de financiële toezichtwetgeving. Zo is – tot inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel – de verplichting tot het onverwijld openbaar maken van koersgevoelige informatie nog opgenomen in artikel 5:59 van de Wft en vloeit de verplichting om halfjaarlijks financiële informatie openbaar te maken voor beursvennootschappen met een beursnotering op Euronext Amsterdam (thans nog) voort uit het zogenoemde Euronext Rule Book (hierna: Algemeen reglement van Euronext Amsterdam). Voor beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een buiten Nederland gelegen of functioneerde gereglementeerde markt of tot de handel op een markt in financiële instrumenten bestaan daarnaast vaak informatieverplichtingen op grond van de financiële toezichtwetgeving van de staat waarin de desbetreffende markt is gelegen of op grond van regelgeving van die markt zelf. Aldus verhouden Boek 2 BW en de (al dan niet buitenlandse) financiële toezichtwetgeving zich tot elkaar als algemene wet – geldend voor alle Nederlandse naamloze vennootschappen – en bijzondere wet- en regelgeving – met specifieke verplichtingen voor Nederlandse beursvennootschappen – zoals ook blijkt uit Boek 2 BW zelf. Om dezelfde reden is bij invoering van de Wtfv artikel 2:103 BW, dat slechts voor beursvennootschappen gold, geschrapt.

De in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen in Boek 2 BW bouwen voort op de hierboven beschreven verhouding. Dat betekent concreet dat in Boek 2 BW op een enkele plaats ten aanzien van beursvennootschappen wordt bepaald dat voor uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten uitzonderingen gelden.

Zo wordt in artikel 2:101 BW een bepaling opgenomen dat ten aanzien van het bestuur van een beursvennootschap een afwijkende termijn geldt voor het opmaken van de jaarrekening. Deze afwijking vloeit voort uit de in de richtlijn transparantie opgenomen kortere termijn (vier maanden na afloop van het boekjaar) waarbinnen beursvennootschappen hun jaarrekening algemeen verkrijgbaar moeten stellen. Ofschoon de richtlijn transparantie dat niet expliciet bepaalt, leidt het verkorten van de termijn voor het algemeen verkrijgbaar stellen van de jaarrekening namelijk logischerwijs tot een kortere termijn voor het opmaken van dat stuk. Het ligt in de rede een dergelijke verkorting voor het bestuur van een beursvennootschap expliciet in de regelgeving op te nemen.

Een tweede voorbeeld betreft de aanpassing in artikel 2:394 BW door dit wetsvoorstel. In dat artikel zal, kort gezegd, worden bepaald dat indien een beursvennootschap voldoet aan de voor haar uit artikel 5:25o Wft voortvloeiende verplichtingen omtrent de algemeenverkrijgbaarstelling van de jaarrekening en het jaarverslag en deponering van de stukken bij de AFM, de beursvennootschap eveneens aan de openbaarmakingsverplichting van artikel 2:394 BW heeft voldaan. Voor een meer uitvoerige bespreking van de door dit wetsvoorstel geïntroduceerde aanpassingen van Boek 2 BW – en de gevolgen van die aanpassingen – wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Ten aanzien van de wijzigingen in Titel 9, afdeling 16 van Boek 2 BW betreffende de jaarrekeningprocedure wordt verwezen naar hetgeen hierboven is vermeld onder «Aanpassingen Wtfv en de jaarrekeningprocedure».

5. Administratieve lasten en kosten van het toezicht

Het wetsvoorstel heeft consequenties met betrekking tot de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Daarnaast zal het toezicht op de naleving van de in wetsvoorstel vervatte bepalingen, dat grotendeels door de AFM zal worden uitgevoerd, ook kosten vergen. In deze paragraaf zullen beide elementen worden toegelicht.

5.1 Administratieve lasten

Het wetsvoorstel brengt op verschillende onderdelen administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich die nog niet voortvloeien uit bestaande wetgeving of het Algemeen reglement van Euronext Amsterdam. Het wetsvoorstel behelst uitsluitend de implementatie van de richtlijn transparantie. Er zijn geen bepalingen in het wetsvoorstel opgenomen zonder dat de richtlijn transparantie daartoe verplicht.

Alvorens in te gaan op de verwachte administratieve lasten voor het bedrijfsleven worden eerst enkele basisgegevens over het aantal uitgevende instellingen vermeld. Er zijn op dit moment ongeveer 280 uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt. Dit is van belang voor de in afdeling 5.1a.1 opgenomen verplichtingen om gereglementeerde informatie ((half)jaarlijks financiële verslaggeving en tussentijdse verklaringen) op te stellen en algemeen verkrijgbaar te maken. Daarnaast zijn er circa 600 uitgevende instellingen waarvan Nederland lidstaat van herkomst is in de zin van artikel 5:25j. Dit laatste is van belang voor de verplichtingen die voortvloeien uit afdeling 5.1a.2 en administratieve lasten kunnen meebrengen, zoals de verplichtingen om algemeen verkrijgbaar gestelde gereglementeerde informatie te zenden aan de toezichthouder en aan de instantie die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie. Hieronder wordt per onderwerp ingegaan op de administratieve lasten voor het bedrijfsleven die voortvloeien uit dit wetsvoorstel.

Jaarlijkse financiële verslaggeving

De plicht tot het opstellen en het algemeen verkrijgbaar stellen van de jaarlijks financiële verslaggeving voor uitgevende instellingen die zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt in Nederland is niet nieuw. Op grond van artikel 2:394 BW en de artikelen 2702 en 2705, tweede lid, onder iii, van het Algemeen Reglement van Euronext Amsterdam zijn uitgevende instellingen al gehouden om hun jaarstukken in Nederland openbaar te maken. De financiële verslaggeving wordt thans door middel van deponering bij het handelsregister openbaar gemaakt. Aan de deponering zijn geen kosten verbonden. De algemeenverkrijgbaarstelling van de jaarlijks financiële verslaggeving zal geschieden door middel van plaatsing op de website van de uitgevende instelling en aankondiging daarvan in een persbericht. Dit zal worden voorgeschreven in de op grond van artikel 5:25w op te stellen algemene maatregel van bestuur. De kosten van plaatsing op de website bedragen, uitgaande van standaardpersoneelskosten van € 55 per uur (0,5 uur x € 55 =) € 27,50 per instelling.

De kosten van de opstelling van een persbericht hangen samen met de complexiteit van de materie. Het is gebruikelijk bij uitgevende instellingen dat als de tekst van een persbericht in concept is opgesteld er nog een juridische toets alvorens het bericht wordt uitgebracht. Gemiddeld genomen zal een uur worden besteed aan het opstellen en toetsen van het persbericht. De kosten van het persbericht bedragen daarmee (1 uur x € 55 =) € 55 per uitgevende instelling.

De totale jaarlijkse administratieve lasten van het algemeen verkrijgbaar stellen van de jaarlijkse financiële verslaggeving bedragen derhalve 280 x € 82,50 (€ 55 + € 27,50) = € 23 100.

Naast algemeenverkrijgbaarstelling dient de jaarlijkse financiële verslaggeving ook te worden toegezonden aan de AFM (artikel 5:25m, derde lid). Deze verplichting bestaat echter nu ook al ingevolge de artikelen 5:24 Wft en 5a van de Wet toezicht effectenverkeer 19951 en brengt dus geen nieuwe administratieve lasten met zich. Wat wel nieuwe administratieve lasten meebrengt is de verplichting om naast toezending aan de toezichthouder de financiële jaarverslaggeving ook aan de instantie toe te zenden die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie (artikel 5:25m, tweede lid). Toezending aan deze instantie per e-mail kost ongeveer 5 minuten. De kosten bedragen daarmee (€ 55 x 5/60) = € 4,50 per uitgevende instelling. De totale jaarlijkse administratieve lasten komen daarmee op 600 x€ 4,50 = € 2 700. De vraag is overigens of deze laatstgenoemde lasten werkelijk zullen optreden, nu het voornemen is de AFM aan te wijzen als instantie die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie. De AFM ontvangt de jaarlijkse financiële verslaggeving op grond van artikel 5:25m derde lid immers reeds in haar hoedanigheid als toezichthouder.

Halfjaarlijkse financiële verslaggeving

Ook de plicht tot het opstellen en openbaar maken van een halfjaarlijkse financiële verslaggeving is niet nieuw. Ingevolge artikel 2705, vierde lid, van Book II van het Algemeen Reglement van Euronext Amsterdam is een uitgevende instelling verplicht om een halfjaarlijks verslag op te stellen en te publiceren. De wijze van algemeenverkrijgbaarstelling is evenals bij de jaarlijkse financiële verslaggeving wel een bron van nieuwe administratieve lasten. Aangezien de halfjaarlijkse financiële verslaggeving evenals de jaarlijkse financiële verslaggeving éénmaal per jaar (binnen acht maanden na het einde van het boekjaar) moet worden opgesteld zullen de totale jaarlijkse administratieve lasten van het algemeen verkrijgbaar stellen van de halfjaarlijkse financieel jaarverslaggeving eveneens € 23 100 bedragen. Voor een nadere toelichting op dit bedrag wordt verwezen naar hetgeen hierboven omtrent de jaarlijkse financiële verslaggeving is opgemerkt.

De toezending van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving aan de AFM zal ook nieuwe administratieve lasten meebrengen. Anders dan bij de jaarlijkse financiële verslaggeving kent de bestaande wetgeving deze verplichting nog niet. Toezending aan de AFM per e-mail kost ongeveer 5 minuten. De kosten bedragen daarmee (€ 55 x 5/60 =)€ 4,50 per uitgevende instelling. De totale jaarlijkse administratieve lasten van de toezending aan de AFM komen daarmee op (600 x € 4,50 =) € 2 700. Ook de halfjaarlijkse financiële verslaggeving dient op grond van artikel 5:25m aan het officieel aangewezen mechanisme te worden toegezonden. De totale jaarlijkse administratieve lasten van die toezending bedragen eveneens€ 2 700. De vraag is overigens of deze laatstgenoemde lasten werkelijk zullen optreden, nu het voornemen is de AFM aan te wijzen als instantie die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie.

Tussentijdse verklaringen

In het wetsvoorstel is de verplichting voor uitgevende instellingen opgenomen om tweemaal per jaar een tussentijdse verklaring te publiceren (artikel 5:25e). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 6 van de richtlijn transparantie en bestaat nog niet in de bestaande wetgeving of het Algemeen reglement van Euronext Amsterdam. Het is lastig een algemene inschatting te geven van het tijdsbeslag dat gemoeid zal zijn met het opstellen van tussentijdse verklaringen. Het opstellen van de ene tussentijdse verklaring zal tijdrovender zijn dan van de andere. In sommige gevallen kan namelijk worden volstaan met het bundelen van voorafgaande persberichten met betrekking tot koersgevoelige informatie, in andere gevallen is er meer werk te verrichten. Gemiddeld gezien is de inschatting dat het opstellen van een tussentijdse verklaring 50 uur zal vergen. De kosten van het opstellen bedragen daarmee (50 uur x € 55 =) € 2 750. Aangezien de tussentijdse verklaring tweemaal per jaar wordt uitgebracht, brengt dit de totale kosten die gemoeid zijn met het opstellen van tussentijdse verklaringen op (2 x 280 uitgevende instellingen x € 2 750 =) € 1,54 mln.

De kosten voor het algemeen verkrijgbaar stellen van de tussentijdse verklaringen bedragen (2 x € 23 100 =) € 46 200.

Ook de tussentijdse verklaring zal op grond aan de AFM dienen te worden gezonden. Dit brengt (2 x € 2 700 =) € 5 400 aan totale administratieve lasten met zich. De tussentijdse verklaringen dienen verder eveneens aan de instantie te worden toegezonden die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie. De totale jaarlijkse administratieve lasten hiervan bedragen eveneens € 5 400. De vraag is ook daarbij of deze laatstgenoemde lasten werkelijk zullen optreden, nu het voornemen is de AFM aan te wijzen als instantie die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie.

Incidentele informatieverplichtingen

De in artikel 5:25h opgenomen plicht voor uitgevende instellingen om alle wijzigingen in de rechten verbonden aan aandelen of andere effecten algemeen verkrijgbaar te stellen, is thans opgenomen in artikel 2705, tweede lid, onder vii, en achtste lid, onder v, van het Algemeen reglement van Euronext Amsterdam, en omvat daarom geen nieuwe administratieve lasten.

Hetzelfde geldt voor de in artikel 5:25i opgenomen verplichting om koersgevoelige informatie («KGI») openbaar te maken. Deze verplichting is thans geregeld in artikel 5:59, en brengt derhalve geen nieuwe administratieve lasten mee.

Een uitgevende instelling die Nederland als lidstaat van herkomst heeft dient haar algemeen verkrijgbaar gestelde koersgevoelige informatie, die ook onder de noemer koersgevoelige informatie valt, toe te zenden aan de instantie die belast is met de centrale opslag van gereglementeerde informatie en aan de AFM. Toezending aan de aangewezen instantie is een geheel nieuwe verplichting. De totale jaarlijkse kosten daarvan bedragen circa (600 uitgevende instellingen x € 4,50 per email x 5 KGI meldingen per jaar =) € 13 500.

De plicht tot toezending aan de AFM is echter niet nieuw. Op grond van artikel 5:59, eerste lid, van de Wft dienen uitgevende instellingen dit al te doen. Het gaat daarbij echter om uitgevende instellingen die zijn toegelaten tot een in Nederland gelegen of functionerende effectenmarkt. Dit zijn ongeveer 280 instellingen. De in dit wetsvoorstel opgenomen verplichting tot toezending aan de AFM richt zich op uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Dit betreft zoals aangegeven circa 600 instellingen. Dit betekent dat de administratieve lasten die gemoeid zijn met de verplichting tot toezending aan de AFM (320 x 4,50 per email x 5 KGI meldingen per jaar =) € 7 200 per jaar bedragen.

Specifieke verplichtingen met betrekking tot aandeel- en obligatiehouders.

De in het in de artikelen 5:25k en 5:25l wetsvoorstel opgenomen verplichtingen om aandeel- en obligatiehouders de benodigde faciliteiten ter beschikking te stellen en hen tijdig te informeren over onder meer aandeel- of obligatiehoudervergaderingen, zijn thans opgenomen in artikel 2705, derde lid, i en ii, en 2705, achtste lid, onder v, van het Algemeen reglement van Euronext Amsterdam. Deze verplichtingen brengen daarom geen nieuwe administratieve lasten mee.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zullen de totale jaarlijkse administratieve lasten voor het bedrijfsleven ten gevolge van dit wetsvoorstel naar schatting toenemen met ongeveer € 1,7 mln. Dit wetsvoorstel is aan het Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten (Actal) voorgelegd. Actal heeft op basis van zijn selectiecriteria besloten geen advies uit te brengen over dit wetsvoorstel.

5.2 Kosten van het toezicht

Over de kosten van het toezicht op de naleving van de regels, vervat in dit wetsvoorstel kan het volgende worden opgemerkt. Het (inhoudelijk) toezicht op de toepassing van wettelijke verslaggevingvoorschriften in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslaggeving zal via het stelsel van de Wtfv geschieden. De AFM zal deze taak grotendeels met de bestaande capaciteit die beschikbaar is voor de uitvoering van laatstgenoemde wet kunnen uitvoeren. Het toezicht op de naleving van artikel 5:25i (openbaarmakingsplicht koergevoelige informatie) zal door de AFM eveneens grotendeels met de bestaande capaciteit kunnen worden uitgevoerd. Het toezicht op de naleving van de overige bepalingen van dit wetsvoorstel zal derhalve slechts beperkte extra capaciteit vergen. De inschatting is dat de AFM 3 fte extra nodig zal hebben om dit toezicht adequaat uit te voeren. De kosten daarvan bedragen ongeveer € 440 000. Voor zover deze kosten betrekking hebben op de repressieve handhaving van de bepaling zal conform de vaste systematiek in de financiële toezichtwetgeving de financiering plaatsvinden uit de rijksbijdrage. Voor het overige zullen de kosten worden doorberekend aan de uitgevende instellingen.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel A (Artikel 1:1 Wet op financieel toezicht)

In dit voorgestelde onderdeel worden enkele definities toegevoegd aan artikel 1:1 van de Wft. Verder wordt de definitie van effect aangepast. Rechten van deelneming in een beleggingsinstelling die op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald (rechten van deelneming in een «open end» beleggingsinstelling) worden voortaan ook als effecten aangemerkt. Daarmee wordt aangesloten bij de definitie van effect in de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID).1 Niet beoogd is daarmee materiële wijzigingen in de Wft aan te brengen.

Rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling blijven als gevolg van het nieuw voorgestelde artikel 5.1a namelijk uitgesloten van hoofdstuk 5.1. van de Wft dat regels bevat voor het aanbieden van effecten. Rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling worden in artikel 5:25b, vierde lid, tevens uitgesloten van hoofdstuk 5.1a.

De definitie van elektronische weg strekt ter implementatie van de begripsomschrijving in artikel 2, eerste lid, onderdeel l, van de richtlijn transparantie. De verwerking van gegevens kan onder meer door middel van digitale compressie plaatsvinden. Dit is een techniek om een groot bestand kleiner te maken in omvang zonder dat informatie verdwijnt. Te denken valt aan zogeheten «zip-bestanden».

De definitie van gecontroleerde onderneming dient ter omzetting van de definitie gecontroleerde onderneming in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de richtlijn transparantie. Een gecontroleerde onderneming is een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel van art. 2:24a lid 1 BW of een onderneming waarover een persoon een overheersende zeggenschap kan uitoefenen. Met de term «overheersende zeggenschap» wordt aangesloten bij de bewoordingen van artikel 2:406 van het BW. Het begrip «onderneming» komt overeen met het begrip onderneming in de zin van artikel 81, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

De definitie gereglementeerde informatie dient ter implementatie van de begripsomschrijving in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, van de richtlijn transparantie. Gereglementeerde informatie is een verzamelbegrip van alle informatie die op grond van verschillende bepalingen in het wetsvoorstel door een uitgevende instelling openbaar dient te worden gemaakt. Het gaat daarbij om informatie als bedoeld in afdeling 5.1a.1 (jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslaggeving, tussentijdse verklaringen, periodieke informatieverstrekking, wijzigingen in rechten verbonden aan effecten en koersgevoelige informatie). De wijze van openbaarmaking en deponering van deze informatie is, voor zover Nederland de lidstaat van herkomst is, geregeld in artikel 5:25m. Door de uitgevende instelling te verspreiden informatie, bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de richtlijn transparantie, valt hier niet onder. Deze is namelijk uitsluitend bedoeld voor de (beperkte kring van) bestaande aandeelhouders of obligatiehouders en heeft specifiek betrekking op aandeelhoudersvergaderingen of vergaderingen van obligatiehouders. Algemeenverkrijgbaarstelling van die informatie aan het publiek dat vereist zal zijn voor gereglementeerde informatie, is dan niet nodig. Voldoende is dat de informatie toegankelijk is voor de aandeel- of obligatiehouders. Dit valt ook af te leiden uit de omstandigheid dat de artikelen 17, derde lid en 18, vierde lid van de richtlijn transparantie eigen regelingen voor de verspreiding van informatie kennen.

De definitie van gereglementeerde markt in artikel 1:1 wordt ook aangepast. Er wordt verwezen naar de omschrijving van het begrip gereglementeerde markt in de wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten (de zogeheten Mifid).

Verder zijn er definities opgenomen van de IAS-verordening, de richtlijn jaarrekening (de vierde EG-richtlijn vennootschapsrecht), de richtlijn marktmisbruik en de richtlijn transparantie.

De omschrijvingen van «rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging», «lidstaat van ontvangst» en «marktmaker» in artikel 2 van de richtlijn transparantie worden niet in artikel 1:1 opgenomen, aangezien ze niet of slechts een enkele keer in het wetsvoorstel worden gehanteerd. Het begrip «doorlopend of periodiek uitgegeven effecten» komt niet in dit wetsvoorstel voor en behoeft dus eveneens geen definiëring. Aan de enige bepaling in de richtlijn transparantie waarin laatstgenoemd begrip voorkomt, artikel 8, tweede lid, kan krachtens artikel 5:25u bij ministeriële regeling uitvoering gegeven worden. De begrippen «aandeelhouder», «lidstaat van herkomst» en «obligatie» worden in artikel 5:25a geïmplementeerd.

Onderdeel B

Artikel 1:12, derde en vierde lid, heeft tot doel dat een beleggingsinstelling die een aanbod van rechten van deelneming doet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, vermeldt dat hij geen vergunning heeft en niet onder lopend toezicht staat of dat het aanbod alleen is gericht tot gekwalificeerde beleggers. Die verplichting is echter niet van toepassing op zogenoemde closed-end beleggingsinstellingen die (verhandelbare) rechten van deelnemingen aanbieden omdat het aanbieden van dergelijke rechten (effecten) binnen de reikwijdte van de richtlijn prospectus valt, die geen ruimte laat voor het stellen van deze eis. Het aanbieden van dergelijke rechten van deelneming in een closed-end beleggingsinstelling wordt ingevolge hoofdstuk 5.1 Wft gereguleerd, ter uitvoering van de richtlijn prospectus.

Doordat de definitie van effect in artikel 1:1 van de Wft door dit wetsvoorstel wordt gewijzigd en ook rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling onder de definitie van effect komen te vallen, is het noodzakelijk om artikel 1:12 zo aan te passen dat verhandelbare rechten van deelneming in een closed-end beleggingsinstelling worden uitgezonderd van artikel 1:12, derde en vierde lid.

Onderdeel C

Deze wijziging is noodzakelijk doordat de desbetreffende leden van artikel 5:59 (openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie) worden vervangen door artikel 5:25i. Zie voor een uitgebreide toelichting de toelichting bij onderdeel G, artikel 5:25i.

Onderdeel D

Dit voorgestelde onderdeel behelst een wijziging van artikel 4:51 en, omdat artikel 4:52 verwijst naar dit artikel, ook indirect een wijziging van artikel 4:52. In deze artikelen is de verplichting opgenomen voor beheerders, beleggingstellingen of bewaarders om (half)jaarlijkse financiële verslaggeving openbaar te maken en aan de AFM te verstrekken. Omdat beleggingsinstellingen die rechten van deelneming hebben uitgegeven die niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald (zogenoemde closed-end beleggingsinstellingen) en die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, onder de reikwijdte van hoofdstuk 5.1a vallen, kunnen 4:51 en 4:52 ten aanzien van deze closed-end beleggingsinstellingen buiten toepassing blijven. Ten aanzien van uitgevende instellingen die als op «open-end beleggingsinstellingen» kunnen worden aangemerkt blijven de artikelen 4:51 en 4:52 onverkort van toepassing, omdat die beleggingsinstellingen zijn uitgezonderd van hoofdstuk 5.1a.

Onderdeel E

Omdat in onderdeel A het begrip effect in artikel 1:1 van de Wft wordt aangepast is het noodzakelijk om in dit onderdeel de rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling uit te zonderen van het toepassingsbereik van hoofdstuk 5.1. van de Wft dat regels bevat voor het aanbieden van effecten. Materiële wijzigingen zijn hiermee niet beoogd.

Onderdeel F

Paragraaf 5.1.3.7. kan vervallen omdat het (enige) in die paragraaf opgenomen artikel 5:24, dat ter implementatie strekt van artikel 10 van de richtlijn prospectus, wordt verplaatst naar artikel 5:25f.

Onderdeel G

Dit onderdeel bevat een nieuw hoofdstuk 5.1a van de Wft.

Artikel 5:25a

In dit voorgestelde artikel zijn enkele definities opgenomen die alleen gelden voor de toepassing van het in hoofdstuk 5.1a bepaalde. Omdat het begrippen betreft die bij of krachtens andere hoofdstukken van de Wft in een andere betekenis kunnen worden gebruikt, zijn de definities niet aan artikel 1:1 toegevoegd.

Onderdeel a van het eerste lid van dit artikel bevat een definitie van aandeelhouder die gebaseerd is op artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de richtlijn transparantie. Onder een aandeelhouder wordt voor de toepassing van hoofdstuk 5.1a.1 niet alleen verstaan degene die rechtstreeks of middellijk in eigen naam en voor eigen rekening houder is van aandelen van een uitgevende instelling, maar ook degene die in eigen naam maar voor rekening van een andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap houder is van aandelen (bijvoorbeeld een administratiekantoor) of certificaten van aandelen van een uitgevende instelling. De gelijkstelling van houders van certificaten van aandelen met aandeelhouders vloeit voort uit artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder iii van de richtlijn transparantie. Deze gelijkstelling is vooral van belang voor de toepassing van artikel 5:25k van de Wft, waarin onder meer informatieverplichtingen zijn geregeld voor uitgevende instellingen jegens aandeelhouders.

Onderdeel b van het eerste lid bevat een definitie van het begrip accountant. Deze definitie is ruimer dan de omschrijving van accountant als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Zij omvat namelijk ook accountants die op grond van het recht van de wetgeving van een andere lidstaat ter implementatie van de artikelen 51 en 51bis van de richtlijn jaarrekening of artikel 37 van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening met de controle van de jaarrekening zijn belast. Deze uitbreiding is van belang omdat een uitgevende instelling waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functioneerde gereglementeerde markt en die zetel heeft in een andere (lid)staat ook onder de reikwijdte van afdeling 5.1a.2 valt.

In onderdeel c van het eerste lid van dit artikel is het begrip «lidstaat van herkomst» omschreven. Wanneer in hoofdstuk 5.1a.1 wordt gesproken over de lidstaat van herkomst dan wordt daarmee steeds gedoeld op de lidstaat van herkomst van een uitgevende instelling zoals die is gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de richtlijn transparantie. Op grond van de in dat artikel opgenomen beschrijving is de lidstaat van herkomst van een in de Europese Unie gevestigde uitgevende instelling die obligaties met een nominale waarde van minder dan € 1000 of aandelen heeft uitgeven, de lidstaat waar de uitgevende instelling haar statutaire zetel heeft. Wanneer de uitgevende instelling haar statutaire zetel buiten de EU heeft en obligaties met een nominale waarde van minder dan € 1000 of aandelen heeft uitgegeven, is de lidstaat waarvan de toezichthoudende autoriteit het prospectus heeft goedgekeurd de lidstaat van herkomst. Uitgevende instellingen die effecten hebben uitgegeven met een nominale waarde die groter is dan € 1000 kunnen als lidstaat van herkomst kiezen tussen de lidstaat waar zij hun statutaire zetel hebben en de lidstaat waar de gereglementeerde markt waar hun obligaties tot de handel zijn toegelaten, is gelegen of functioneert. Het begrip «lidstaat van herkomst» wordt ondermeer toegepast in de artikelen 5:25j en 5:25q van de Wft.

In onderdeel d van het eerste lid van dit artikel is het begrip «obligatie» omschreven. Het tweede lid bevat een regeling voor obligaties waarvan de nominale waarde in andere valuta luidt dan effecten.

Het derde lid regelt dat de uitgevende instelling slechts één lidstaat als haar lidstaat van herkomst mag kiezen. Die keuze blijft ten minste drie jaar geldig, tenzij haar effecten niet meer tot de handel op een gereglementeerde markt in de Europese Unie worden toegelaten.

Artikel 5:25b

In dit voorgestelde artikel wordt het toepassingsbereik van afdeling 5.1a.1 bepaald. Het eerste lid regelt dat de afdeling van toepassing is op uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt. In het algemeen deel van de toelichting is reeds opgemerkt dat, hoewel de richtlijn transparantie spreekt over een «werkzame» gereglementeerde markt, vanwege de eenheid van terminologie in de Wft voor de formulering «gelegen of functionerende» gereglementeerde markt is gekozen.

Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid. Het bepaalt dat het toepassingbereik van artikel 5:25i – waarin de uit artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik afkomstige verplichting om (kort gezegd) onverwijld koersgevoelige informatie algemeen verkrijgbaar te stellen is opgenomen – op een aantal onderdelen ruimer is. Ten eerste is artikel 5:25i van toepassing op uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:53, vierde lid. Op grond van dat artikel wordt onder «uitgevende instelling» eveneens verstaan een rechtspersoon, vennootschap of instelling die andere financiële instrumenten dan effecten heeft uitgegeven of aangeboden en degene op wiens voorstel een koopovereenkomst inzake een financieel instrument (niet zijnde een effect) tot stand komt of is gekomen. Ten tweede is het toepassingsbereik van artikel 5:25i, ten opzichte van de overige artikelen van deze afdeling, ruimer omdat artikel 5:25i van toepassing is op alle financiële instrumenten die tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt worden toegelaten. Het derde element dat leidt tot een ruimer toepassingsbereik van artikel 5:25i is de zinsnede «verzocht (...) om toelating (...) tot de handel».

Het derde lid bevat een uitwerking van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn transparantie en bepaalt dat indien certificaten van aandelen zijn uitgegeven (welke certificaten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt), voor de toepasselijkheid van dit hoofdstuk als uitgevende instelling wordt aangemerkt de instelling die de onderliggende aandelen heeft uitgegeven. Het gevolg daarvan is dat de op grond van dit hoofdstuk voor uitgevende instellingen geldende verplichtingen in de situatie dat tot de handel toegelaten certificaten van aandelen zijn uitgegeven, zullen rusten op de instelling die de aandelen heeft uitgegeven en niet op de instelling die de certificaten van aandelen heeft uitgegeven. De op grond van dit hoofdstuk geldende verplichtingen verschuiven in deze situatie, met andere woorden, van het administratiekantoor naar de uitgevende instelling van de (onderliggende) aandelen. Uit het laatste deel van de zinsnede in het derde lid volgt dat deze verschuiving alleen dan plaatsvindt indien het certificaten van aandelen betreft die met medewerking van de uitgevende instelling (van de onderliggende) aandelen zijn uitgegeven. Indien sprake is van tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt toegelaten certificaten van aandelen welke certificaten zijn uitgegevenzonder medewerking van de uitgevende instelling van de (onderliggende) aandelen, blijven de verplichtingen rusten op de uitgevende instelling van de certificaten van aandelen.

Het vierde lid regelt ten slotte dat het bepaalde in hoofdstuk 5.1a.1 niet van toepassing is op beleggingsinstellingen die rechten van deelneming uitgeven die op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald (rechten van deelneming in een «open end» beleggingsinstelling). Op beleggingsinstellingen die rechten van deelneming uitgeven die niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald (rechten van deelneming in een «closed end» beleggingsinstelling) is hoofdstuk 5.1a.1 derhalve wel van toepassing. Om te voorkomen dat dergelijke beleggingsinstellingen aan dubbele (publicatie)verplichtingen zijn onderworpen, voorziet dit wetsvoorstel tevens in een aanpassing van hoofdstuk 4 van de Wft (artikel 4:51).

Artikel 5:25c

Dit voorgestelde artikel voorziet in implementatie van artikel 4 van de richtlijn transparantie. In dat artikel is geregeld dat uitgevende instellingen jaarlijks uiterlijk vier maanden na het einde van elk boekjaar de financiële verslagen moeten publiceren (in terminologie van het onderhavige wetsvoorstel – zoals uiteengezet in het Algemeen deel van de toelichting – «algemeen verkrijgbaar stellen»). Tevens is in artikel 4 van de richtlijn transparantie beschreven welke inhoudelijke voorschriften gelden voor dit verslag.

Het eerste lid van artikel 5:25c van de Wft bevat de verplichting voor uitgevende instellingen om uiterlijk binnen vier maanden na het einde van het boekjaar de opgemaakte jaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar te stellen. De eisen die worden gesteld aan het algemeen verkrijgbaar stellen van gereglementeerde informatie – waaronder de jaarlijkse financiële verslaggeving – zijn opgenomen in artikel 5:25m. Verwezen wordt naar dat artikel en de toelichting daarop. In het eerste lid is opgenomen dat het moet gaan om het algemeen verkrijgbaar stellen van de opgemaakte jaarlijkse financiële verslaggeving. Artikel 5:25c, eerste lid, bepaalt niet welk orgaan binnen de uitgevende instelling verantwoordelijk is voor het opmaken van de algemeen verkrijgbaar te stellen jaarlijkse financiële verslaggeving. Artikel 7 van de richtlijn transparantie geeft lidstaten namelijk de ruimte om te bepalen of de verantwoordelijkheid voor de – in termen van de richtlijn transparantie – op te stellen en openbaar te maken informatie berust bij uitgevende instelling zelf, haar leidinggevende, haar toezichthoudend orgaan of haar bestuursorgaan. Voor de toedeling van deze verantwoordelijkheid is bepalend op welke wijze de interne verhoudingen van de uitgevende instelling zijn vormgegeven. Omdat verwacht mag worden dat het op de uitgevende instelling toepasselijke vennootschaps- en rechtspersonenrecht die vormgeving regelt, kan in artikel 5:25c, eerste lid worden volstaan met het voorschrift dat de algemeen verkrijgbaar te stellen informatie – in navolging van de in Boek 2 BW gebruikte terminologie – opgemaaktmoet zijn, zonder daarbij voor te schrijven op welke orgaan van de uitgevende instelling die verplichting rust. Indien de uitgevende instelling een naamloze vennootschap is waarop Boek 2 BW van toepassing is, berust – zo volgt uit het eerste lid van artikel 2:101 BW – de verantwoordelijkheid voor het opmaken van de jaarrekening op het bestuur van de vennootschap. Artikel 5:25c, eerste lid, doet hieraan niets af. Wel heeft het eerste lid van artikel 5:25c gevolgen voor de termijn die in het eerste lid van artikel 2:101 BW wordt genoemd. Hiermee hangt ook de (in artikel III, onderdeel A, opgenomen) wijziging van lid 1 van artikel 2:101 BW samen, inhoudende dat voor Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, de termijn voor het opmaken van de jaarrekening wordt verkort tot vier maanden. Verwezen wordt naar de toelichting op onderdeel A van artikel III van dit wetsvoorstel. Het eerste lid van artikel 5:25c bepaalt ten slotte dat de algemeen verkrijgbaar gestelde jaarlijkse financiële verslaggeving gedurende een periode van ten minste 5 jaar voor het publiek beschikbaar dient te worden gehouden. Deze periode kan bij algemene maatregel van bestuur op de grondslag van artikel 5:25w worden aangepast. Een dergelijke aanpassing zou ter implementatie van een richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Europese Commissie) op grond van artikel 5, zesde lid, laatste volzin van de richtlijn transparantie gelden.

In het tweede lid van artikel 5:25c wordt beschreven waaruit de jaarlijkse financiële verslaggeving bestaat. De jaarlijkse financiële verslaggeving omvat de door een accountant gecontroleerde jaarrekening (nader uitgewerkt in het derde en vierde lid van dit artikel), het jaarverslag (uitgewerkt in het derde en vierde lid van dit artikel) en verklaringen van de bij de uitgevende instelling als ter zake verantwoordelijke personen omtrent de juistheid en de getrouwheid van de gegevens in de jaarrekening en het jaarverslag. Voor zover de verklaringen betrekking hebben op het jaarverslag is tekstueel aangesloten bij artikel 2:391, tweede lid, BW (de zogeheten risicoparagraaf). Laatstgenoemde bepaling geldt namelijk mede ter implementatie van de artikelen 46, eerste lid, sub a, eerste alinea, van de richtlijn jaarrekening en artikel 36, eerste lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening die nagenoeg woordelijk overeenkomen met de tekst van artikel 4, tweede lid, onder c, van de richtlijn transparantie voor zover het gaat om het jaarverslag. Voorts zij opgemerkt dat met de op grond van het tweede lid verlangde verklaringen niet beoogd wordt wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheidsregels ten aanzien van de jaarrekening van Nederlandse vennootschappen zoals die in het bijzonder zijn neergelegd in de artikelen 2:139 en 2:150 BW.

In het derde lid is geregeld wat voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder de jaarrekening en het jaarverslag indien de uitgevende instelling zetel heeft in Nederland. Omdat voor dergelijke uitgevende instellingen de inrichtingsvoorschriften voor deze stukken zijn opgenomen in Titel 9 van Boek 2 van het BW, wordt in dit lid naar het aldaar bepaalde verwezen. Deze verwijzing heeft onder meer tot gevolg dat op grond van Titel 9 van Boek 2 BW moet worden bepaald of een uitgevende instelling een geconsolideerde jaarrekening dient te op te stellen (in welk geval de jaarrekening dient te zijn ingericht met inachtneming van de door de Europese Commissie goedgekeurde International Financial Reporting Standards (IFRS)). Daarnaast vloeit uit de verwijzing naar artikel 2:392, eerste lid, BW onder meer voort dat de verklaring van de accountant omtrent de controle van de jaarrekening aan de jaarrekening dient te worden toegevoegd. In onderdeel a van het derde lid wordt ten slotte bepaald dat indien de uitgevende instelling een moederonderneming heeft, naast de geconsolideerde jaarrekening van de uitgevende instelling de jaarrekening van de moederonderneming in de jaarrekening dient te worden opgenomen. Aan welke vereisten de jaarrekening van deze moederonderneming dient te voldoen, wordt bepaald door het toepasselijke recht van de lidstaat waarin deze moederonderneming haar zetel heeft. Indien de uitgevende instelling geen moederonderneming heeft, vindt de bepaling uiteraard geen toepassing. Verder kan en hoeft uiteraard ook niet aan het vereiste te worden voldaan als de moederonderneming (nog) geen jaarrekening heeft opgemaakt. Er is gekozen om het, in artikel 1:1 gedefinieerde, begrip «moederonderneming» te gebruiken in plaats van het in Boek 2 BW gebruikte begrip «moedermaatschappij» omdat «moederonderneming» ook kan zien op rechtspersonen waarvan de zetel buiten Nederland is gelegen.

In onderdeel b van het derde lid is voor het jaarverslag een verwijzing opgenomen naar het jaarverslag als bedoeld in artikel 2:391 BW.

Uit het vierde lid van dit artikel volgt welke voorschriften voor de financiële verslaggeving gelden indien een uitgevende instelling haar zetel heeft in een andere lidstaat. In dat geval dient, zo bepaalt onderdeel a, de jaarrekening te zijn opgesteld met inachtneming van het recht van die lidstaat ter uitvoering van de richtlijn jaarrekening of de richtlijn geconsolideerde jaarrekening. Dat brengt met zich dat indien een uitgevende instelling op grond van die regelgeving een geconsolideerde jaarrekening dient op te maken, de geconsolideerde jaarrekening dient te zijn ingericht met inachtneming van de door de Europese Commissie goedgekeurde IFRS. Voorts is in onderdeel a bepaald dat de verklaring van de accountant die met de controle van de jaarrekening belast is geweest aan de jaarrekening dient te worden toegevoegd. Ook voor uitgevende instellingen waarvan de zetel is gelegen in een andere lidstaat geldt dat indien de uitgevende instelling een moederonderneming heeft, naast de geconsolideerde jaarrekening van de uitgevende instelling de jaarrekening van de moederonderneming in de jaarrekening dient te worden opgenomen. Verwezen wordt naar hetgeen hierover is opgemerkt ten aanzien uitgevende instellingen met zetel in Nederland.

Onderdeel b regelt aan welke materiële verslaggevingsvoorschriften het jaarverslag dient te voldoen. Daarbij wordt de inhoud van het jaarverslag bepaald door het toepasselijke recht van de lidstaat (dat geldt ter implementatie van de richtlijn jaarrekening1 of de richtlijn geconsolideerde jaarrekening) waar de uitgevende instelling haar zetel heeft.

Het vijfde lid bepaalt dat indien de in het tweede lid, onderdeel c, onder 1° bedoelde verklaring betrekking heeft op de jaarrekening van een uitgevende instelling die verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, deze verklaring zich niet behoeft uit te strekken tot de jaarrekening van de eventuele moederonderneming (zoals bedoeld in het derde of vierde lid) van die uitgevende instelling. Van een bestuurder of commissaris van een zelfstandig tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt toegelaten uitgevende instelling die tevens dochtermaatschappij is, kan immers niet worden verwacht dat in een verklaring verantwoording wordt afgelegd over de jaarrekening van de moederonderneming, ongeacht of die moederondernemingonderneming haar zetel heeft in Nederland of in een andere lidstaat.

Het zesde lid heeft betrekking op uitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is waarvan effecten zijn toegelaten tot de gereglementeerde markt in Nederland en die Nederland als lidstaat van herkomst hebben gekozen. Ook die uitgevende instellingen zijn op grond van het eerste lid gehouden tot algemeenverkrijgbaarstelling van hun financiële jaarlijkse financiële verslaggeving. In het zesde lid is bepaald aan welke materiële voorschriften hun jaarlijkse financiële verslaggeving dient te voldoen. Er dient overeenkomstige toepassing te worden gegeven aan de voor uitgevende instellingen met zetel in Nederland geldende bepalingen met betrekking tot de accountantscontrole, de jaarrekening en het jaarverslag. Dit geldt ondanks het feit dat in artikel 4 van de richtlijn transparantie niet, althans niet expliciet, is bepaald aan welke materiële voorschriften de jaarlijkse financiële verslaggeving van uitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is dient te voldoen. Het derde en vierde lid van artikel 4 van de richtlijn transparantie geven namelijk alleen een regeling voor de jaarlijkse financiële verslaggeving van uitgevende instellingen met zetel in een lidstaat. Een redelijke uitleg van de richtlijn brengt echter mee dat een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is en waarvoor op grond van artikel 23 van de richtlijn transparantie geen ontheffing van artikel 4 geldt, de nationale wetgeving ter implementatie van artikel 4, inclusief het derde en vierde lid, zal moeten toepassen. Artikel 23 van de richtlijn transparantie wordt overigens geïmplementeerd in artikel 5:25v dat hieronder wordt toegelicht.

Artikel 5:25d

In dit voorgestelde artikel is artikel 5 van de richtlijn transparantie geïmplementeerd. De uit dat artikel voortvloeiende verplichting voor uitgevende instellingen om hun halfjaarlijkse financiële verslag algemeen verkrijgbaar te stellen is op vergelijkbare wijze vormgegeven als de in artikel 5:25c van de Wft opgenomen verplichting om de jaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar te stellen.

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat een uitgevende instelling uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de eerste zes maanden van haar boekjaar de opgemaakte halfjaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar dient te stellen. Op vergelijkbare wijze als geldt voor de jaarlijkse financiële verslaggeving dient dit halfjaarlijkse financiële verslag gedurende een periode van ten minste vijf jaar beschikbaar te worden gehouden voor het publiek.

Het tweede lid van dit artikel omschrijft welke informatie in het halfjaarlijkse financiële verslag moet worden opgenomen. Dat betreft ten eerste de halfjaarrekening, een halfjaarverslag en verklaringen van bij de uitgevende instelling als ter zake verantwoordelijk aangewezen personen omtrent de juistheid en de getrouwheid van de gegevens in de halfjaarrekening en het halfjaarverslag.

Het derde en vierde lid van dit artikel stellen voorschriften omtrent de controle van het halfjaarlijkse financiële verslag door een accountant. Indien het halfjaarlijkse financiële verslag is gecontroleerd (een zogeheten audit) of beperkt is beoordeeld (een zogeheten review) door de accountant, dan wordt dit verslag hierover gelijktijdig algemeen verkrijgbaar gesteld met het halfjaarlijkse financiële verslag. Indien geen controle door de accountant van de halfjaarlijkse financiële verslaggeving heeft plaatsgevonden, dan wordt dit vermeld in de halfjaarlijkse financiële verslaggeving, zo volgt uit het vierde lid.

In het vijfde en zesde lid wordt verder uitgewerkt wat onder de halfjaarrekening dient te worden verstaan. Daarbij is hetzelfde onderscheid gehanteerd als in artikel 5:25c, te weten tussen uitgevende instelling waarvan de zetel in Nederland is gelegen en uitgevende instellingen waarvan de zetel in een andere lidstaat is gelegen. De eerstgenoemde situatie is geregeld in het vijfde lid. Een onderscheid kan daarbij worden gemaakt tussen de situatie waarin de uitgevende instelling verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen (onderdeel a) en situaties waarin deze verplichting niet bestaat (onderdeel b). In het eerste geval dient de halfjaarrekening te worden ingericht met inachtneming van de van de door de Europese Commissie goedgekeurde IFRS. Wanneer geen geconsolideerde jaarrekening behoeft te worden opgemaakt, dient de halfjaarrekening te bestaan uit een verkorte balans en verkorte winst- en verliesrekening. Dit onderscheid is ook te vinden in het zesde lid, waarin de situatie is geregeld wanneer een uitgevende instelling haar zetel heeft in een ander lidstaat.

Het zevende lid bepaalt dat, ten aanzien van verkorte balans en verkorte winst- en verliesrekening de uitgevende instelling dezelfde beginselen inzake opname en waardering dient toe te passen als bij het jaarlijkse financiële verslag worden toegepast.

In het achtste en negende lid wordt beschreven welke informatie ten minste dient te zijn opgenomen in het halfjaarverslag. Daarbij dienen, op grond van het negende lid, uitgevende instellingen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt in dit halfjaarverslag tevens de belangrijkste transacties met verbonden partijen op te nemen. Aan het begrip «verbonden partijen» is in de door de Europese Commissie vastgestelde richtlijn ter uitvoering van artikel 5, zesde lid, van de richtlijn transparantie uitvoering gegeven.1 De richtlijn van de Europese Commissie zal bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 5:25 w worden geïmplementeerd.

In het tiende lid is ten slotte bepaald dat uitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, waarvan effecten zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt in Nederland en die Nederland als lidstaat van herkomst hebben gekozen overeenkomstige toepassing zullen dienen te geven aan de in het vijfde lid en het zevende tot en met het negende lid opgenomen materiële vereisten voor het halfjaarlijkse financiële verslag van uitgevende instellingen met zetel in Nederland. Het eerste en tweede lid zijn reeds van toepassing op bedoelde uitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 5:25e

In dit artikel, waarin artikel 6 van de richtlijn transparantie wordt geïmplementeerd, worden uitgevende instellingen verplicht om tweemaal per jaar tussentijdse verklaringen algemeen verkrijgbaar te stellen. Er gelden, anders dan ten aanzien van de (half)jaarlijkse financiële verslaggeving, geen voorschriften ten aanzien van de inrichting van de tussentijdse verklaring.

Wel is in het tweede lid een basale materiële norm voor de te verstekken informatie opgenomen. Op grond van onderdeel a dient de algemeen verkrijgbaar te stellen verklaring een toelichting te bevatten van belangrijke gebeurtenissen en transacties die in de voorafgaande periode (kwartaal) hebben plaatsgevonden en de gevolgen daarvan voor de uitgevende instelling en de door haar gecontroleerde ondernemingen. De inhoud van deze verklaring zal een nauwe samenhang kunnen vertonen met de informatie die op grond van artikel 5:25i in het voorafgaande kwartaal algemeen verkrijgbaar is gesteld, indien die algemeen verkrijgbaar gestelde informatie alle bedoelde belangrijke gebeurtenissen en transacties omvat. Op grond van onderdeel b van het tweede lid dient de algemeen verkrijgbaar te stellen verklaring voorts een algemene beschrijving te bevatten van de financiële positie en prestaties van de uitgevende instelling en de door haar gecontroleerde ondernemingen gedurende het voorgaande kwartaal.

In het derde lid is bepaald dat niet aan de verplichtingen van het eerste en het tweede lid hoeft te worden voldaan indien een uitgevende instelling, al dan niet op vrijwillige basis, elk kwartaal een financieel verslag algemeen verkrijgbaar stelt dat voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften op grond van nationale wetgeving of de regelgeving van de gereglementeerde markt waarop de door uitgevende instelling uitgegeven effecten zijn toegelaten. Voor uitgevende instellingen met zetel in Nederland waarvan effecten zijn toegelaten op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, en waarvan niet tevens effecten zijn toegelaten tot een buiten Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, zal deze uitzondering naar verwachting weinig materiële betekenis hebben, aangezien voor die uitgevende instellingen geen wettelijke voorschriften gelden ten aanzien van kwartaalverslagen waaraan zij, al dan niet vrijwillig, toepassing kunnen geven. Omdat de richtlijn transparantie geen minimumvoorschriften stelt omtrent de inhoud van dergelijke, op grond van nationale wetgeving of de regelgeving van gereglementeerde markten algemeen verkrijgbaar te stellen financiële kwartaalverslagen zijn in het derde lid evenmin (minimum-)voorschriften opgenomen voor de inhoud van dergelijke kwartaalverslagen.

Artikel 5:25f

In dit voorgestelde artikel is de kern van het huidige artikel 5:24 opgenomen. Dat artikel voorziet in de implementatie van artikel 10 van de richtlijn prospectus. Van artikel 5:24 wordt het eerste tot en met het derde lid overgeheveld naar dit artikel. Het vierde lid van artikel 5:24 wordt verplaatst naar artikel 5:25m, derde lid, jo. artikel 5:25j, eerste lid, (informatie als bedoeld in artikel 5:25f is gereglementeerde informatie). Het vijfde lid ten slotte wordt opgenomen in artikel 5:25g, tweede lid. Inhoudelijk is met deze herschikking geen wijziging beoogd. Wetsystematische motieven liggen daaraan ten grondslag. Aan de in dit artikel opgenomen verplichting zal in de praktijk uitvoering kunnen worden gegeven door in het jaarverslag een verwijzing op te nemen naar – kort gezegd – alle relevante in het voorgaande boekjaar algemeen verkrijgbaar gestelde financiële informatie.

Artikel 5:25g

Het eerste lid voorziet in implementatie van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn transparantie. Het lid bewerkstelligt dat de in de artikelen 5:25c tot en met 5:25e opgenomen verplichtingen tot algemeen verkrijgbaar stellen van informatie op een aantal specifieke typen uitgevende instellingen niet van toepassing is. Het woord «staten» ziet tevens op de Staat der Nederlanden. De term «regionale of lokale overheidslichamen» heeft mede betrekking op provincies, gemeenten en waterschappen.

Het tweede lid zondert de hele paragraaf 5.1a.1.2 uit voor uitgevende instellingen die uitsluitend obligaties of effecten zonder aandelenkarakter uitgeven waarvan de nominale waarde per eenheid ten minste € 50 000 of de tegenwaarde daarvan in andere valuta bedraagt. Het laatste mede ter vervanging van het vijfde lid van artikel 5:24.

Artikel 5:25h

In dit voorgestelde artikel wordt artikel 16 van de richtlijn transparantie geïmplementeerd. De in het onderhavige artikel gebruikte terminologie wijkt op onderdelen af van de in artikel 16 van de richtlijn transparantie gebruikte terminologie. De reden daarvoor is gelegen in de wens om in de Wft – daar waar mogelijk – een eenduidig begrippenkader te hanteren. Een beleidsinhoudelijke afwijking is daarmee niet beoogd.

In het eerste lid is voor uitgevende instellingen van aandelen die tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt zijn toegelaten bepaald dat alle wijzigingen in de rechten die aan aandelen van een bepaalde klasse zijn verbonden algemeen verkrijgbaar dienen te worden gesteld. Het kan daarbij onder meer gaan om wijzigingen in statutaire rechten. Met het begrip «klasse» wordt een onderverdeling bedoeld binnen een categorie van effecten (bijvoorbeeld aandelen A of B). Het begrip «klasse» wordt aldus op dezelfde wijze geïnterpreteerd als ingevolge hoofdstuk 5.1. In de tweede volzin is bepaald dat informatie over wijzigingen in rechten waarmee (bijvoorbeeld door omruiling of conversie) aandelen kunnen worden verworven ook algemeen verkrijgbaar moeten worden gesteld. Het kan bijvoorbeeld gaan om wijzigingen in de administratievoorwaarden van converteerbare obligaties. Het eerste lid voorziet in implementatie van het eerste lid van artikel 16 van de richtlijn transparantie. Hierdoor wordt artikel 2705, tweede lid, onder vii, van het Algemeen Reglement van Euronext Amsterdam overbodig.

In het tweede lid is artikel 16, tweede lid, van de richtlijn transparantie geïmplementeerd. Op grond van het tweede lid is een uitgevende instelling waarvan andere dan de in het eerste lid bedoelde effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt verplicht om onverwijld alle wijzigingen in de rechten van houders van (die andere) effecten algemeen verkrijgbaar te stellen. In de tweede volzin is beschreven dat onder «wijzigingen in de rechten van houders» ook wijzigingen in de voorwaarden die verbonden zijn aan de effecten moeten worden verstaan, indien die wijzigingen (indirect) van invloed kunnen zijn op die rechten. Daarbij moet, aldus het tweede lid van artikel 16 van de richtlijn transparantie, met name worden gedacht aan wijzigingen die voortvloeien uit wijziging in de leningsvoorwaarden of rentevoeten.

Het derde lid bevat de verplichting voor een uitgevende instelling die een nieuwe aanbieding van obligaties aan het publiek doet als bedoeld in artikel 5:1, om deze informatie onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. Daarbij dient de uitgevende instelling, op grond van de tweede volzin, eveneens informatie algemeen verkrijgbaar te stellen omtrent de bij dergelijke obligatieleningen behorende garanties of zekerheden.

Het vierde lid bevat een uitzondering op de uit het derde lid voortvloeiende verplichting. Bepaald is dat het derde lid niet van toepassing is indien de uitgevende instelling een internationaalrechtelijk orgaan is waarbij ten minste een lidstaat is aangesloten. Met het laatste onderdeel is uitvoering gegeven aan de tweede volzin van het derde lid van artikel 16 van de richtlijn transparantie.

Artikel 5:25i

In dit voorgestelde artikel is de kern van artikel 5:59 (openbaarmakingsplicht koersgevoelige informatie), dat voorziet in implementatie van artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik, opgenomen. Alleen het huidige zevende lid van artikel 5:59 blijft gehandhaafd in hoofdstuk 5.4. Reden om deze bepalingen te verplaatsen naar dit hoofdstuk is dat de algemeen verkrijgbaar te stellen informatie, bedoeld in artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik (koersgevoelige informatie), wordt aangemerkt als gereglementeerde informatie in de zin van de richtlijn transparantie. In de op grond van het zevende lid en artikel 5:25w vast te stellen algemene maatregel van bestuur zal worden voorgeschreven hoe de algemeenverkrijgbaarstelling van gereglementeerde informatie zal geschieden. De huidige wijze van openbaarmaking door middel van een persbericht zal daarbij worden gehandhaafd.

De wijzigingen die in artikel 5:25i zijn aangebracht ten opzichte van artikel 5:59 houden verband met de wens om – waar mogelijk – in de Wft een consistent begrippenapparaat te gebruiken. Zo wordt in dit artikel gesproken over een «in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt» en over «algemeen verkrijgbaar stellen». Voorts is de omschrijving van het begrip «uitgevende instelling» vereenvoudigd. In het zesde lid is geregeld dat ook handelplatformen als Alternext gebonden zijn aan de regels omtrent het algemeenverkijgbaar stellen van koersgevoelige informatie.

Het zevende lid dient tevens als grondslag voor de artikelen 12, 13 en 14 van het Besluit marktmisbruik Wft.

Artikel 5:25j

Dit voorgestelde artikel regelt de reikwijdte van afdeling 5.1a.2. Het bepaalt dat de bepalingen, vervat in afdeling 5.1a.2 slechts van toepassing zijn op uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Het begrip lidstaat van herkomst is in artikel 5:25a omschreven ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de richtlijn transparantie. De uitgevende instellingen die Nederland als lidstaat van herkomst hebben zijn in vier categorieën te onderscheiden. De eerste categorie betreft uitgevende instellingen met zetel in Nederland waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland of in een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt. De tweede categorie betreft uitgevende instellingen met zetel in Nederland waarvan obligaties met een nominale waarde per obligatie kleiner dan € 1000 zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland of in een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt. De derde categorie betreft uitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is waarvan effecten als bedoeld in de eerste of tweede categorie zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of een andere lidstaat en ten aanzien waarvan de AFM bevoegd is tot goedkeuring van het prospectus (zie artikel 5:6, tweede lid, onderdeel a, van de Wft). De vierde categorie bevat uitgevende instellingen met zetel in Nederland, een andere lidstaat of staat die geen lidstaat is, waarvan effecten met een nominale van ten minste € 1000 zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt én welke uitgevende instellingen Nederland als lidstaat van herkomst hebben gekozen. Het tweede lid bevat een bepaling waarin wordt geregeld dat obligaties die zijn uitgedrukt in een andere valuta worden gelijkgesteld met obligaties met een vergelijkbare nominale waarde in euro’s.

Artikel 5:25k

Dit voorgestelde artikel strekt tot implementatie van artikel 17 van de richtlijn transparantie. In het eerste lid is bepaald dat een uitgevende instelling ervoor dient te zorgen dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden voor wat betreft het verstrekken van informatie. Het lid vertoont verwantschap met artikel 2:92, tweede lid, van het BW, waarbij in terminologisch opzicht is aangesloten. Anders dan artikel 2:92, tweede lid, BW heeft het eerste lid specifiek betrekking op gelijke behandeling van aandeelhouders bij het geven van informatie en bij het doorberekenen van kosten. Deze specificatie is weliswaar niet expliciet tot uitdrukking gebracht in het eerste lid van artikel 17 van de richtlijn transparantie, maar kan redelijkerwijs wel uit de strekking van dat artikel, inclusief de overige leden, worden afgeleid. Het eerste lid kan, anders dan artikel 2:92, tweede lid BW, ook van toepassing kan zijn op uitgevende instellingen met zetel buiten Nederland waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt. Dit volgt uit artikel 5:25j, eerste lid.

In het tweede lid is geregeld dat een uitgevende instelling haar aandeelhouders niet mag beletten hun rechten door middel van een volmacht uit te oefenen. Daarmee komt voor uitgevende instellingen met zetel in Nederland de mogelijkheid te vervallen om statutair de vertegenwoordigingbevoegdheid van aandeelhouders te beperken (artikel 2:117 lid 1, derde volzin, BW). In dit verband wordt verwezen naar het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 2:117 BW. Dit laat onverlet dat de uitgevende instelling de volmacht, ter uitvoering van artikel 3:70 en 3:71 BW, op geldigheid en toereikendheid zal kunnen verifiëren. Aangezien een certificaathouder in dit hoofdstuk als een aandeelhouder wordt aangemerkt, mag hem, wanneer hij bij toepassing van artikel 2:118a BW gerechtigd is tot stemmen, niet worden belet, zo nodig in afwijking van artikel 3:64 BW, om aan een derde een volmacht te verlenen.

Het derde lid verplicht de uitgevende instelling om in Nederland de benodigde faciliteiten en informatie ter beschikking te stellen, opdat aandeelhouders hun rechten kunnen uitoefenen. Met de woorden «in Nederland» is uitvoering gegeven aan het begrip «lidstaat van herkomst» in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn transparantie, aangezien uit artikel 5:25j van de Wft volgt dat de onderhavige afdeling alleen van toepassing is op uitgevende instellingen waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Met de woorden «integriteit van gegevens» wordt de ongeschonden toestand van de gegevens bedoeld die bewaard moeten blijven.

Het vierde lid dient ter uitvoering van het derde lid en geldt ter implementatie van artikel 17, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de richtlijn transparantie. In onderdeel c is anders dan in de richtlijn transparantie niet gekozen voor het begrip financiële instelling maar voor het begrip bank. Voor het begrip financiële instelling sluit artikel 1:1 van de Wft namelijk aan bij de herziene richtlijn banken,1 waarin het begrip sinds jaar en dag een andere betekenis heeft dan in de richtlijn transparantie. In de onderdelen d en e wordt overigens bepaald dat berichten «bekend» moeten worden gemaakt in plaats van «algemeen verkrijgbaar» gesteld. Hiermee wordt het onderscheid tussen de informatie bedoeld in die onderdelen en gereglementeerde informatie als bedoeld in artikel 1:1 mede tot uiting gebracht. Gereglementeerde informatie dient immers op grond van het artikel 5:25m «algemeen verkrijgbaar» te worden gesteld.

In het vijfde lid is tot uitdrukking gebracht onder welke voorwaarden een uitgevende instelling voor haar aandeelhouders bedoelde informatie langs elektronische weg ter beschikking kan stellen. Het begrip informatie in het vijfde lid, dat ter uitvoering van het derde lid van artikel 17 van de richtlijn transparantie geldt, is niet gespecificeerd. Gelet op de vereisten die in acht moeten worden genomen om langs elektronische weg informatie ter beschikking te stellen, mag eruit worden aangenomen dat het vooral gaat om informatie die in aanloop naar en tijdens de AvA moet worden verstrekt. Echter ook informatieverstrekking die buiten het verband van de AvA plaatsvindt, kan langs elektronische weg plaatsvinden. Een belangrijk vereiste voor terbeschikkingstelling van informatie aan aandeelhouders langs elektronische weg is dat de locatie waar de aandeelhouder of anderszins stemgerechtigde zich bevindt niet van invloed mag zijn op de kwaliteit of volledigheid waarmee de uitgevende instelling de informatie aan de aandeelhouders verzendt (onderdeel b). Een ander vereiste is dat er voldoende regelingen moeten zijn getroffen om aandeelhouders of andere stemgerechtigden kennis te kunnen laten nemen van informatie (onderdeel c). Dit brengt bijvoorbeeld met zich mee dat als een uitgevende instelling ervoor gekozen heeft de elektronische oproep van de vergadering via de e-mail plaats te laten vinden, de uitgevende instelling over een actueel e-mailbestand van de aandeelhouders of anderszins stemgerechtigden dient te beschikken. Omdat de uitgevende instellingen in de regel niet op de hoogte zijn welke personen op enig moment beschikken over de aandelen of stemrechten, zal informatieverstrekking per email praktisch lastig uitvoerbaar kunnen zijn. Een elektronische oproeping kan ook via de website van de uitgevende instelling geschieden. Voor uitgevende instellingen met zetel in Nederland wordt overigens op grond van de Wet van 20 oktober 2006 tot wijziging van Boek 2 BW ter bevordering van het gebruik van elektronische communicatiemiddelen bij de besluitvorming in rechtspersonen (Stb. 525) het gebruik van de elektronische weg onder meer voor de oproeping van de algemene vergadering bevordert. De in deze wet geregelde elektronische communicatiemiddelen waarmee informatie kan worden uitgewisseld tussen uitgevende instellingen en aandeelhouders langs elektronische weg, worden in elk geval geacht te voldoen aan de vereisten, bedoeld in het vijfde lid. In onderdeel d is bepaald dat als de verzending langs elektronische weg geschiedt de aandeelhouder of anderszins stemgerechtigde ook de mogelijkheid moet hebben om op verzoek de informatie schriftelijk toegezonden te krijgen. Schriftelijke toezending hoeft echter niet zonder meer gelijktijdig met de verzending langs elektronische weg te geschieden, omdat een verzoek om schriftelijke toezending van de informatie ook pas na het tijdstip van verzending langs elektronische weg kan worden gedaan.

In het zesde lid is geregeld dat indien de uitgevende instelling kosten in rekening brengt voor de verzending van informatie langs elektronische weg, dit dient te geschieden volgens een verdeelsleutel die transparant en niet-discriminatoir is. Verder kunnen de doorberekende kosten uiteraard niet van zodanige omvang zijn dat de aandeelhouder daardoor feitelijk wordt belemmerd in de uitoefening van zijn rechten.

Onderhavig artikel betreft een bepaling die primair vennootschapsrechtelijk van aard is, en wordt daarom langs civielrechtelijke weg gehandhaafd. Als gevolg daarvan is de bepaling niet opgenomen in de bijlagen bij artikel 1:79 en 1:80 van de Wft, waarin de publiekrechtelijke handhaving is geregeld.

Artikel 5:25l

Waar het vorige artikel de informatieverstrekking regelt tussen uitgevende instellingen en haar aandeelhouders, regelt dit voorgestelde artikel hetzelfde met betrekking tot obligatiehouders. Het artikel geldt ter implementatie van artikel 18 van de richtlijn transparantie en komt materieel voor een groot deel overeen met het vorige artikel.

Op enkele onderdelen gelden echter afwijkende bepalingen voor informatieverstrekking aan obligatiehouders. Uit het vierde lid, onderdeel a, volgt dat de uitgevende instelling bij de oproeping van een vergadering van obligatiehouders, naast uiteraard verzending van agenda, ook de obligatiehouders dient te informeren over de rechten inzake conversie, omruiling of aflossing van de obligaties.

Daarnaast ontbreekt in vergelijking met het vierde lid, onderdeel e, van het vorige artikel een verplichting om bestaande obligatiehouders over nieuwe obligatieleningen te informeren.

Verder kent het vijfde lid een regeling met betrekking tot de fysieke plaats waar de vergadering van obligatiehouders wordt gehouden. In beginsel dient een uitgevende instelling met Nederland als lidstaat van herkomst in de zin van artikel 5:25j van de Wft de vergadering in Nederland te organiseren. Ingeval het echter een vergadering van obligatiehouders betreft met een nominale waarde per eenheid van € 50 000 of meer kan de vergadering ook in een andere lidstaat worden gehouden. Uiteraard dienen in die andere lidstaat alle nodige faciliteiten en informatie ter beschikking te zijn opdat de obligatiehouders hun rechten kunnen uitoefenen. Ook ten aanzien van dit artikel is voor civielrechtelijke handhaving gekozen.

Artikel 5:25m

Dit voorgestelde artikel geldt ter implementatie van de artikelen 21 en (gedeeltelijk) 19 van de richtlijn transparantie. Het eerste lid bevat de kernverplichting om gereglementeerde informatie op niet-discriminatoire wijze algemeen verkrijgbaar te stellen. Dit betekent onder meer dat de gereglementeerde informatie gelijktijdig en zoveel mogelijk met dezelfde kwaliteit voor (Europese) beleggers beschikbaar dient te zijn. Om dit te bewerkstelligen dient op grond van de tweede volzin een medium te worden gebruikt dat voor een snelle en doeltreffende verspreiding in de Europese Unie kan zorg dragen. Dit vereiste geldt ter implementatie van de laatste zin van artikel 21, eerste lid, van de richtlijn transparantie. Het vereiste van snelle toegankelijkheid brengt met zich mee dat de gereglementeerde informatie op zodanige wijze algemeen verkrijgbaar moet worden gesteld en beschikbaar moet worden gehouden dat de informatie eenvoudig raadpleegbaar is voor beleggers en andere belanghebbenden. Het element snelheid richt zich daarom op de mate van de toegankelijkheid van de informatie en niet op de tijdspanne waarbinnen de gereglementeerde informatie, nadat deze is ontstaan of gecreëerd, algemeen verkrijgbaar moet worden gesteld. Voor dat laatste aspect zijn elders in het wetsvoorstel eisen opgenomen. Zo geldt ingevolge de artikelen 5:25c, eerste lid, en 5:25d, eerste lid, de eis om een jaarlijkse financiële verslag, halfjaarlijkse financiële verslag binnen vier maanden respectievelijk acht maanden na afloop van het boekjaar algemeen verkrijgbaar te stellen. Hetzelfde geldt met betrekking tot het vereiste in artikel 5:25e om een tussentijdse verklaring omtrent het afgelopen kwartaal algemeen verkrijgbaar te stellen. Met betrekking tot koersgevoelige informatie geldt verder op grond van artikel 5:25i jo. 5:53 dat wanneer informatie zodanig concreet is dat deze van significante invloed kan zijn op de koers van een financieel instrument van een uitgevende instelling waarvan financiële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt deze informatie onverwijld openbaar dient te worden gemaakt. In de op grond van artikel 5:25w vast te stellen algemene maatregel van bestuur zal worden voorgeschreven hoe de algemeenverkrijgbaarstelling van gereglementeerde informatie als bedoeld in het eerste lid moet plaatsvinden.

Het tweede lid strekt tot implementatie van het tweede lid van artikel 21 van de richtlijn transparantie. Artikel 21, tweede lid, van de richtlijn transparantie biedt overigens de mogelijkheid om meer dan één instantie aan te wijzen. Ten einde de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken, wordt er echter voor gekozen in Nederland maar één instantie als «Officially Appointed Mechanism» (OAM) aan te wijzen die belast is met de centrale opslag van de gereglementeerde informatie. Het voornemen is in Nederland de AFM aan te wijzen.

Ingevolge het derde lid dient de uitgevende instelling de gereglementeerde informatie tegelijkertijd met de algemeenverkrijgbaarstelling toe te zenden aan de AFM en de OAM. Aangezien de AFM naar verwachting als OAM wordt aangewezen zal waarschijnlijk met het enkel toezenden van de informatie aan de AFM kunnen worden volstaan. Zou op enig moment in de toekomst worden besloten een andere instantie dan de AFM aan te wijzen als OAM, dan zal de gereglementeerde informatie zowel aan die instantie als aan de AFM moeten worden gezonden. Het derde lid geldt ter implementatie van artikel 19, eerste lid, eerste alinea, waarin de toezending aan bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst is geregeld en artikel 21, eerste lid, eerste volzin, waarin de beschikbaarstelling van de informatie aan het OAM is geregeld. De AFM heeft de vrijheid om toegezonden gereglementeerde informatie op haar website te plaatsen, zoals ook is bepaald in de tweede volzin van het eerste lid van artikel 19 van de richtlijn transparantie. Een wettelijke regeling behoeft dit laatste niet, aangezien het in Nederland niet verboden is om openbare informatie op een website te plaatsen.

Uit het vierde lid volgt dat de uitgevende instelling geen kosten in rekening mag brengen aan personen die de algemeen verkrijgbaar gestelde informatie willen raadplegen.

Het vijfde lid heeft betrekking op de situatie waarin effecten zonder toestemming van de uitgevende instelling tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten. Een dergelijke situatie kan zich voordoen bij een gereglementeerde markt die een segment heeft, dat eveneens zelfstandig als gereglementeerde kwalificeert, waarop effecten worden verhandeld die elders reeds op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. In dat geval is degene die de effecten zonder toestemming van de uitgevende instelling heeft doen toelaten, gehouden om gereglementeerde informatie algemeen verkrijgbaar te stellen.

Het zesde lid bevat een uitzonderingsbepaling voor uitgevende instellingen met Nederland als lidstaat van herkomst waarvan uitsluitend effecten zijn toegelaten tot ten hoogste één in een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt. Zij dienen de gereglementeerde informatie algemeen verkrijgbaar te stellen op grond van de wetgeving van de lidstaat van ontvangst. Dit volgt uit artikel 21, derde lid, van de richtlijn transparantie. Voor de omgekeerde situatie van een uitgevende instelling met een andere lidstaat van herkomst waarvan uitsluitend effecten zijn toegelaten in een Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt bevat artikel 5:25q een regeling.

Artikel 5:25n

Dit voorgestelde artikel strekt tot implementatie van artikel 19, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn transparantie. Er is bepaald dat een uitgevende instelling het onderwerp van een voorgenomen statutenwijziging aan de AFM en de houder van de gereglementeerde markt waarop de effecten zijn toegelaten moet mededelen. Dit dient te geschieden uiterlijk bij de oproeping van de algemene vergadering waar de desbetreffende statutenwijziging aan de orde zal komen. De bepaling gaat niet zover dat ook een afschrift van de volledige tekst van het wijzigingsvoorstel aan de AFM en de houder van de gereglementeerde markt moet worden overgelegd. Vermelding van het onderwerp van de wijziging is voldoende.

Artikel 5:25o

Dit voorgestelde artikel houdt verband met de verplichting voor de uitgevende instelling met zetel in Nederland om de jaarrekening zowel aan de AFM toe zenden als bij het handelsregister te deponeren. In het eerste lid is geregeld dat de vastgestelde jaarrekening binnen vijf dagen na vaststelling aan de AFM moet worden toegezonden. Toezending van de vastgestelde jaarrekening aan de AFM is niet nieuw. Op grond van de bestaande artikelen 5:24 van de Wft en 5a van de Wet toezicht effectenverkeer 19951 dient de vastgestelde jaarrekening thans aan de AFM te worden toegezonden.

Wel nieuw is dat de toegezonden vastgestelde jaarrekening op grond van het derde lid door de AFM zal worden doorgezonden aan het handelsregister, waardoor met de toezending van de vastgestelde jaarrekening aan de AFM tevens kan worden voldaan aan de verplichting tot deponering van de vastgestelde jaarrekening bij het handelsregister op grond van artikel 2:394, eerste lid, BW. Het laatste volgt uit (het in Artikel III van dit wetsvoorstel) nieuw voorgestelde achtste lid, onderdeel a, voor artikel 2:394 BW. Daarmee wordt voorkomen – zoals in het algemeen deel van de toelichting reeds werd opgemerkt – dat de vastgestelde jaarrekening door de uitgevende instelling zowel bij de AFM als bij het handelsregister gedeponeerd moet worden. De verplichte toezending aan de AFM van de vastgestelde jaarrekening kent overigens nog een reden. Op de vastgestelde jaarrekening van de uitgevende instellingen houdt de AFM immers toezicht uit hoofde van de Wtfv. Het is voor dat toezicht doelmatig als de AFM direct na vaststelling over de betrokken stukken kan beschikken.

Het tweede lid heeft betrekking op de deponering van de niet-vastgestelde jaarrekening bij het handelsregister. Op grond van het derde lid van artikel 5:25o, dient een opgemaakte jaarrekening op het moment dat deze algemeen verkrijgbaar wordt gesteld, hetgeen op grond van artikel 5:25c binnen vier maanden na afloop van het boekjaar moet geschieden, tevens aan de AFM te worden gezonden. De jaarrekening hoeft op het moment van algemeenverkrijgbaarstelling nog niet te zijn vastgesteld door de AvA in de zin van artikel 2:101, derde lid, BW. Voor vaststelling van de jaarrekening van een uitgevende instelling met zetel in Nederland waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, kent de Nederlandse wet immers geen maximumtermijn. Wel geldt op grond van artikel 2:394, tweede lid, BW de verplichting om de jaarrekening openbaar te maken, door middel van deponering bij het handelsregister, wanneer de wettelijke termijn voor het opmaken voor de jaarrekening twee maanden is verstreken. Indien een uitgevende instelling met zetel in Nederland niet binnen (vier plus twee) zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening heeft vastgesteld, doet de uitgevende instelling hiervan mededeling aan de AFM. De AFM zendt dan binnen drie dagen de algemeen verkrijgbaar gestelde jaarrekening aan het handelsregister. Ingevolge het voorgestelde achtste lid, onderdeel b, van artikel 2:394 BW voldoet de uitgevende instelling met de mededeling aan de AFM aan de op grond van het tweede lid van dat artikel geldende verplichting tot deponering. Het doorzenden op grond van het derde lid van de vastgestelde of de opgemaakte, niet-vastgestelde jaarrekening door de AFM aan het handelsregister brengt uiteraard niet mee dat de AFM ook de verantwoordelijkheid van de uitgevende instelling voor openbaarmaking van de jaarrekening op grond van artikel 2:394, eerste of tweede lid, BW geheel of gedeeltelijk overneemt. De uitgevende instelling blijft zelf volledig verantwoordelijk voor openbaarmaking, en kan aan die verantwoordelijkheid uitvoering geven door te voldoen aan het eerste respectievelijk tweede lid van onderhavig artikel. Ingeval de uitgevende instelling het eerste of tweede lid niet naleeft, kan de AFM de jaarrekening uiteraard niet doorzenden op grond van het derde lid. Dit heeft als gevolg dat het achtste lid van artikel 2:394 BW buiten toepassing blijft waardoor de uitgevende instelling – langs de weg van artikel 5:25o – niet heeft voldaan aan artikel 2:394, eerste of tweede lid, BW. In onder meer artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2:138 BW en 2:150 BW worden (sanctionele) gevolgen verbonden aan niet naleving van artikel 2:394 BW.

§ 5.1a.2.4 Taal van de informatie

Artikel 5:25p

Dit voorgestelde artikel geeft voorschriften voor de taal waarin de gereglementeerde informatie dient te worden opgesteld. Het artikel geldt ter implementatie van artikel 20 van de richtlijn transparantie.

Het eerste lid regelt dat een uitgevende instelling waarvan Nederland lidstaat van herkomst is (in de zin van artikel 5:25j van de Wft) en waarvan uitsluitend effecten tot een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt zijn toegelaten haar gereglementeerde informatie in het Nederlands of het Engels algemeen verkrijgbaar dient te stellen.

Zijn de effecten daarnaast ook tot een gereglementeerde markt in een andere lidstaat toegelaten, dan dient de uitgevende instelling de gereglementeerde informatie naar keuze tevens op te stellen in een taal die door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere lidstaat wordt aanvaard of in een taal die in internationale financiële kringen gebruikelijk is. Dit volgt uit het tweede lid.

Het derde lid bepaalt dat uitgevende instellingen, bedoeld in het tweede en derde lid, met zetel in Nederland in beginsel haar gereglementeerde informatie in het Nederlands algemeen verkrijgbaar dient te stellen. Van Nederlandse vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende markt mag namelijk verwacht worden dat de informatie voor beleggers in beginsel in het Nederlands is opgesteld, mede omdat de vennootschap normaal gesproken een niet te verwaarlozen aantal Nederlandstalige aandeelhouders of anderszins stemgerechtigden zal hebben. De gereglementeerde informatie kan in dat geval alleen dan in het Engels algemeen verkrijgbaar worden gesteld wanneer de AvA daarmee heeft ingestemd. Daarmee wordt aangesloten bij lid 7 van artikel 2:362 BW, dat een regeling geeft voor de taal waarin de jaarrekening dient te worden opgesteld.

In het vierde lid is het taalregime voor gereglementeerde informatie geregeld voor de situatie dat een uitgevende instelling Nederland als lidstaat van herkomst heeft, maar enkel in een andere lidstaat effecten van de uitgevende instelling zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. In dat geval wordt de gereglementeerde informatie opgesteld in een taal die door de bevoegde autoriteit in die andere lidstaat wordt aanvaard (onderdeel a) of in een taal die in internationale financiële kringen gebruikelijk is (onderdeel b).

In het vijfde lid is een specifieke regeling opgenomen met betrekking tot de uitgevende instelling met Nederland als lidstaat van herkomst waarvan effecten met een nominale waarde per eenheid van € 50 000 of meer zijn toegelaten tot een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en/of in een andere lidstaat.

Uit het zesde lid volgt dat indien de effecten zonder toestemming van de uitgevende instelling zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt de verplichtingen uit de voorgaande leden op de persoon rusten die om toelating heeft verzocht. De vereisten in dit artikel ten aanzien van de taal waarin de gereglementeerde informatie algemeen verkrijgbaar wordt gesteld, laat onverlet de vrijheid voor organen van een uitgevende instelling om voor «intern gebruik» een andere taal te hanteren, zolang de aan het publiek verkrijgbaar te stellen gereglementeerde informatie maar voldoet aan de taalregeling van dit artikel.

Afdeling 5.1a.3 Algemeenverkrijgbaarstelling informatie bij andere lidstaat van herkomst

Artikel 5:25q

Deze voorgestelde bepaling geldt ter implementatie van artikel 21, derde lid, van de richtlijn transparantie. Deze bepaling is het equivalent van artikel 5:25m voor uitgevende instellingen die een andere lidstaat van herkomst hebben. Om die reden is dit artikel niet in afdeling 5.1a.2 maar in een aparte afdeling opgenomen. Geregeld is dat een uitgevende instelling met een andere lidstaat van herkomst waarvan uitsluitend effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt overeenkomstig het ingevolge artikel 5:25m bepaalde, gereglementeerde informatie algemeen verkrijgbaar dient te stellen.

Afdeling 5.1a.4 Toezicht op de naleving, vrijstellingen, ontheffingen en nadere regels

Artikel 5:25r

Dit voorgestelde artikel geldt ter implementatie van artikel 24, zesde lid, van de richtlijn transparantie. Accountants waarvan inlichtingen worden gevorderd met betrekking tot door hen uitgevoerde controles als bedoeld in dit hoofdstuk kunnen niet op met een beroep op de geheimhoudingsplicht geheimhoudingsplicht de verstrekking van inlichtingen weigeren. Verstrekking van de inlichtingen levert geen aansprakelijkheid op. Artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijft als gevolg van dit artikel buiten toepassing.

Artikel 5:25s

Het Algemeen deel van de Wft voorziet niet in de mogelijkheid om aan een uitgevende instelling een aanwijzing te geven. De aanwijzingsbevoegdheid in het Algemeen deel geldt immers slechts ten aanzien van financiële ondernemingen en een uitgevende instelling is geen financiële onderneming in de zin van artikel 1:1. In het voorgestelde artikel wordt daarom een bevoegdheid aan de AFM toegekend om een aanwijzing te geven, indien door de AFM wordt vastgesteld dat een uitgevende instelling of een persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling om toelating van effecten heeft verzocht een bepaling als bedoeld in dit artikel niet heeft nageleefd. Het tweede lid komt overeen met het derde lid van artikel 1:75 en het tweede lid van artikel 5:25.

Artikel 5:25t

Dit voorgestelde artikel strekt tot uitvoering van artikel 25, vierde lid, van de richtlijn transparantie. De gegevens die de AFM heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat mogen slechts met instemming van die toezichthoudende instantie en alleen voor de doeleinden waarvoor de gegevens zijn verstrekt openbaar worden gemaakt.

Artikel 5:25u

Dit voorgestelde artikel biedt de grondslag om bij ministeriële regeling vrijstelling te verlenen van de artikelen 5:25c en 5:25d. Artikel 8, tweede en derde lid, van de richtlijn transparantie geeft lidstaten van herkomst de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van artikel 5 van de richtlijn transparantie, waarin de verplichting tot opstellen en algemeen verkrijgbaar stellen van halfjaarlijkse financiële informatie is geregeld, aan uitgevende instellingen die een bepaalde klasse van obligaties uitgeven.

Bovendien kan op basis van dit artikel uitvoering worden gegeven aan de overgangsmaatregel ter uitvoering van artikel 30, derde en vierde lid, van de richtlijn transparantie.

Artikel 5:25v

Dit voorgestelde artikel geldt ter implementatie van artikel 23, eerste lid, van de richtlijn transparantie.

Het eerste lid bevat een bevoegdheid voor de minister om een staat die geen lidstaat is aan te wijzen, indien in de betrokken staat de wetgeving en het toezicht, met betrekking tot de informatieverstrekking door uitgevende instellingen aan (potentiële) beleggers, van een ten minste gelijkwaardig beschermingsniveau zijn. De uitgevende instellingen waarvan Nederland lidstaat van herkomst is in de zin van artikel 5:25j en die hun statutaire zetel hebben in een aangewezen staat hoeven geen toepassing te geven aan een groot deel van de in de Wft neergelegde verplichtingen die gelden ter implementatie van de richtlijn transparantie. Het betreft onder meer de verplichting om (half)jaarlijkse financiële verslagen op te stellen en algemeen verkrijgbaar te stellen conform de in dit wetsvoorstel opgenomen bepalingen. De redactie van het eerste lid is mede ontleend aan artikel 2:66 van de Wft.

Een uitgevende instelling in een aangewezen staat dient informatie die het ten behoeve van beleggers krachtens de wetgeving van de staat die geen lidstaat is bekend moet maken, en die al dan niet vergelijkbaar is met gereglementeerde informatie, tevens op de wijze als bedoeld in dit wetsvoorstel algemeen verkrijgbaar te stellen. Dit vereiste strekt ertoe de te openbaren informatie ook voor beleggers die werkzaam of woonachtig zijn in de Europese Unie op adequate wijze toegankelijk te maken. Het tweede lid dient ter implementatie van artikel 23, eerste lid, tweede alinea, en derde lid van de richtlijn transparantie.

Krachtens artikel 5:25w kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanwijzing van staten die geen lidstaat zijn ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie op grond van artikel 23, vierde, vijfde en zevende lid. Deze nadere regels zullen onder meer betrekking kunnen hebben op gelijkwaardigheid van de informatievereisten.

Artikel 5:25w

Dit voorgestelde artikel biedt een grondslag om regels te stellen over in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen ter implementatie van een bindend besluit van de Europese Commissie dat ter uitvoering geldt van de richtlijn transparantie. Ook zal in de op grond van dit artikel op te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorgeschreven op welke wijze de algemeenverkrijgbaarstelling van gereglementeerde informatie zal geschieden. Door de Europese Commissie is ter uitvoering van de richtlijn transparantie een richtlijn vastgesteld. Het betreft richtlijn nr. 2007/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69).

Onderdeel H

Artikel 5:45, tweede lid, geldt ter implementatie van artikel 10, onderdelen c en d, van de richtlijn transparantie. In die bepalingen wordt voorgeschreven dat een pandhouder of vruchtgebruiker zich in het kader van de verplichte melding van zeggenschap en kapitaalbelangen de stemmen moet toerekenen die kunnen worden uitgebracht op de aandelen die hij in pand respectievelijk in vruchtgebruik heeft gekregen, indien hij deze stemmen kan uitoefenen.

Het is mogelijk dat er wettelijke eisen gelden voor het kunnen uitbrengen van de stemmen door een pandhouder of een vruchtgebruiker. In de artikelen 2:88, derde lid en 2:89, derde lid, BW, is, in verband met pand onderscheidenlijk vruchtgebruik op aandelen die zijn uitgegeven door een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap, bepaald dat een pandhouder respectievelijk vruchtgebruiker de desbetreffende stemrechten in beginsel slechts kan uitoefenen indien zulks expliciet is bepaald bij de vestiging van het pandrecht of het vruchtgebruik en indien de pandhouder of vruchtgebruiker een persoon is aan wie de desbetreffende aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen. Of in andere jurisdicties eveneens sprake kan zijn van het uitbrengen van stemmen door een pandhouder of een vruchtgebruiker en welke wettelijke voorwaarden daarvoor dan gelden, zal afhangen van het in die jurisdicties toepasselijke recht. Mede omdat hoofdstuk 5.3 van de Wft (dat ter vervanging geldt van de inmiddels vervallen Wet Melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen 2006, Wmz 2006) onder andere betrekking kan hebben op aandelen die zijn uitgegeven door rechtspersonen die zijn opgericht naar het recht van een derdeland, namelijk indien aandelen van een dergelijke rechtspersoon zijn toegelaten tot op een in Nederland gelegen of werkzame gereglementeerde markt, wordt daarom in het voorgestelde tweede lid bepaald dat iemand in het kader van de genoemde meldingsplichten pas beschikt over de stemmen indien is voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten.

Het in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de richtlijn transparantie gedefinieerde begrip «gecontroleerde onderneming» is iets breder dan het thans in artikel 5:45, derde en tiende lid, opgenomen begrip «dochtermaatschappij», onder meer doordat onder «gecontroleerde onderneming» ook valt een onderneming waarover men feitelijk een overheersende zeggenschap uitoefent of de macht daartoe heeft. Met de aanpassing in het derde en tiende lid van artikel 5:45 wordt aangesloten bij de richtlijn transparantie.

Onderdelen I, J, K, en L

Omdat de kern van artikel 5:59, dat voorziet in implementatie van artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik (openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie), wordt opgenomen in artikel 5:25i, blijft alleen het huidige zevende lid en een gedeelte van het achtste lid van artikel 5:59 van de Wft (in aangepaste vorm) gehandhaafd in hoofdstuk 5.4.

Onderdelen M en N

In deze voorgestelde onderdelen is een aanvulling opgenomen van de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80. Overtreding van de artikelen waarvan de handhaving op publiekrechtelijke wijze plaatsvindt, kan daardoor worden gesanctioneerd met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. Met deze publiekrechtelijke sancties kan naleving van bedoelde bepalingen op de meest doelmatige wijze worden gewaarborgd. In de bijlagen zijn niet opgenomen de bepalingen die op grond van de Wtfv en het BW langs civielrechtelijke wijze worden gehandhaafd.

Artikel II (Wijziging Wet toezicht effectenverkeer 1995)

Als gevolg van de voorgestelde artikelen 5:25m, derde lid, en 5:25o van de Wft kan artikel 5a van de Wte 1995 vervallen.

Artikel III (wijziging Wet op de economische delicten)

Omdat de kern van artikel 5:59, dat voorziet in implementatie van artikel 6 van de richtlijn marktmisbruik (openbaarmakingsplicht koersgevoelige informatie), wordt opgenomen in artikel 5:25i, is aanpassing van de Wet op de economische delicten daardoor noodzakelijk.

Artikel IV (wijziging Wet toezicht financiële verslaggeving)

Onderdeel A

Door dit voorgestelde onderdeel worden twee wijzigingen in artikel 1 aangebracht. De eerste wijziging betreft een nieuwe omschrijving van het begrip effectenuitgevende instelling. Onder effectenuitgevende instelling in de zin van de Wtfv worden in de eerste plaats uitgevende instellingen verstaan waarvan de statutaire zetel in Nederland is gelegen en waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of in een andere lidstaat, dan wel waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten in een staat die geen lidstaat is. Deze eerste categorie was reeds opgenomen in het bestaande artikel 1, onderdeel b, van de Wtfv. Voorgesteld wordt het begrip effectenuitgevende instelling uit te breiden met instellingen met zetel in een andere (lid)staat waarvan Nederland lidstaat van herkomst is.

Deze uitbreiding sluit aan bij de systematiek van de richtlijn transparantie zoals tot uitdrukking gebracht in de artikelen 21 en 24, vierde lid, onderdeel h, en overweging 25, derde volzin, van de richtlijn transparantie, en waarin (kort gezegd) als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erop dienen toe te zien dat een effectenuitgevende instelling haar financiële verslaggeving inricht overeenkomstig de toepasselijke verslaggevingsvoorschriften.

De tweede wijziging betreft de toevoeging van vier onderdelen aan de definitie van financiële verslaggeving in onderdeel d. Voortaan wordt onder financiële verslaggeving mede verstaan de jaarlijkse financiële verslaggeving die door een effectenuitgevende instelling met zetel in een lidstaat waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is, is opgesteld (onderdeel 4). Dit kan zich in de praktijk bijvoorbeeld voordoen als op grond van artikel 5:25a Nederland als lidstaat van herkomst is gekozen door een in Luxemburg gevestigde effectenuitgevende instelling waarvan obligaties met een nominale waarde per eenheid van ten minste € 1000 zijn toegelaten tot de handel op Euronext Amsterdam. De AFM heeft dan, als de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst, de taak om toezicht te houden op de juiste toepassing van de toepasselijke verslaggevingsvoorschriften door de Luxemburgse effectenuitgevende instelling. De toepasselijke voorschriften zullen in dat geval Luxemburgse GAAP (Generally Accepted Accounting Principles) zijn of, ingeval van een consolidatieplicht, de met inachtneming van de IAS-verordening goedgekeurde voorschriften.

Als tweede toevoeging (onderdeel 5) geldt dat onder financiële verslaggeving ook wordt verstaan de jaarlijkse financiële verslaggeving die is opgesteld door een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Hiervan is sprake indien van die effectenuitgevende instelling aandelen of obligaties met een nominale waarde van kleiner dan € 1000 zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt en de AFM op grond van artikel 5:9, tweede lid, bevoegd is tot goedkeuring van het prospectus. Daarnaast kan een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is en waarvan effecten met een nominale waarde van ten minste € 1000 zijn toegelaten tot handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, Nederland als lidstaat van herkomst kiezen. De AFM dient dan ingevolge de Wtfv toezicht te houden op de naleving van de verslaggevingsvoorschriften door die effectenuitgevende instellingen. De toepasselijke voorschriften zullen in dat geval de bepalingen van titel 9 van Boek 2 BW zijn of, ingeval van een consolidatieplicht, de met inachtneming van de IAS-verordening goedgekeurde voorschriften.

Als derde toevoeging (onderdeel 6°) geldt dat voortaan als financiële verslaggeving ook wordt aangemerkt de verklaringen omtrent de jaarrekening en het jaarverslag van de ter zake verantwoordelijke personen als bedoeld in artikel 5:25c, tweede lid, onder c.. Die verklaringen maken als zodanig namelijk geen deel uit van de jaarrekening of het jaarverslag maar zijn wel een onderdeel van de jaarlijkse financiële verslaggeving. De laatste toevoeging (onderdeel 7°) omvat de algemeen verkrijgbaar gestelde halfjaarlijkse financiële verslaggeving, bedoeld in artikel 5:25d.

Onderdeel B

In het bestaande eerste lid van artikel 2 is bepaald dat de AFM om een nadere toelichting kan verzoeken als er twijfel bestaat of de financiële verslaggeving van een effectenuitgevende instelling wel voldoet aan titel 9 van Boek 2 BW of IFRS. Voortaan kan de AFM ook effectenuitgevende instellingen met zetel in een andere (lid)staat die hun verslaggeving opstellen volgens de in artikel 5:25c, bedoelde verslaggevingsvoorschriften onderwerpen aan een onderzoek naar hun financiële verslaggeving.

In verband daarmee wordt in artikel 2, eerste lid, een verwijzing opgenomen naar bedoelde voorschriften. Daarnaast komt, zoals hierboven aangegeven, de halfjaarlijkse financiële verslaggeving ook te vallen onder de reikwijdte van de Wtfv. Om die reden wordt in het eerste lid van artikel 2 ook een verwijzing opgenomen naar artikel 5:25d, voor zover dat materiële vereisten voor halfjaarlijkse financiële verslaggeving bevat of naar die vereisten wordt verwezen.

In het bestaande artikel 2, derde lid, van de Wtfv is geregeld dat het toezicht van de AFM op de financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen zich niet uitstrekt tot de tot die verslaggeving behorende accountantsverklaring. De aanvulling van het derde lid strekt ertoe dat accountantsverklaringen omtrent halfjaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen en omtrent de jaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen met zetel in een andere lidstaat evenmin onderwerp kunnen zijn van het toezicht op financiële verslaggeving.

Het voorgaande geldt eveneens met betrekking tot een accountantsverklaring omtrent de jaarlijkse financiële verslaggeving van een effectenuitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is. Ten aanzien van de laatstgenoemde categorie uitgevende instellingen wordt dit echter niet afzonderlijk bepaald, maar vloeit dit voort uit het eerste gedeelte van het derde lid en de overeenkomstige toepassing van artikel 5:25c, vierde lid jo. artikel 2:392 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat de accountantsverklaring van dergelijke effectenuitgevende instellingen onderdeel uitmaakt van de jaarrekening. De voorgestelde wijziging van het vierde lid van artikel 2 strekt ertoe dat uitgevende instellingen die tevens «open-end beleggingsinstelling» zijn, worden uitgezonderd van de reikwijdte van de Wtfv. Dit sluit aan bij artikel 1, tweede lid, van de richtlijn transparantie en artikel 5:25b, vierde lid, waarin bedoelde beleggingsinstellingen ook worden uitgezonderd.

Onderdeel C

In het derde lid, onderdeel b, van artikel 3 wordt dezelfde verwijzing naar de artikelen 5:25c en 5:25d opgenomen als in het eerste lid van artikel 2, dat hierboven is toegelicht.

Onderdeel D

De AFM kan, nadat de procedure van de artikelen 2 en 3 is doorlopen, ten aanzien van jaarlijkse financiële verslaggeving van een effectenuitgevende instelling met zetel in een andere (lid)staat, waarvan Nederland lidstaat van herkomst is een verzoekschrift bij de OK indienen. Het nieuw voorgestelde artikel 2:454 BW, dat hieronder wordt toegelicht, biedt daarvoor de grondslag. Artikel 4 is in verband daarmee op enkele onderdelen aangepast.

Onderdeel E

In dit voorgestelde onderdeel is artikel 6 aangevuld met als strekking mede uitvoering te geven aan artikel 25, derde en vierde lid, van de richtlijn transparantie. De redactie van het voorgestelde tweede en derde lid is ontleend aan artikel 1:65.

Artikel V (wijziging Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek)

Onderdeel A

In dit onderdeel wordt voorgesteld in het eerste lid van artikel 2:101 BW na de eerste volzin twee nieuwe volzinnen op te nemen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat voor bestuurders van naamloze vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, de termijn voor het opmaken van de jaarrekening en het ter inzage leggen van het jaarverslag wordt verkort tot vier maanden.

Op grond van artikel 5:25c dient voor uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt, de opgemaakte jaarrekening binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar door de uitgevende instelling algemeen verkrijgbaar te worden gesteld.

Vennootschappen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten kunnen geen beroep doen op de in de eerste volzin opgenomen mogelijkheid om de termijn voor het opmaken van de jaarrekening te (laten) verlengen. Dit volgt uit de voorgestelde derde volzin van artikel 2:101, eerste lid, van het BW. De termijn van vier maanden is, met andere woorden, een harde termijn, die bovendien doorwerkt in het eerste lid van artikel 2:394 BW.

In verband met de termijn van vier maanden voor vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt het zevende lid van artikel 2:101 BW aangepast. De richtlijn laat niet toe dat bij ontheffing wordt afgeweken van de uit de richtlijn transparantie voortvloeiende geharmoniseerde termijn van vier maanden voor de algemeenverkrijgbaarstelling, en daarmee het opmaken, van de jaarlijkse financiële verslaggeving. Daarom vervalt de ontheffingsmogelijkheid voor het opmaken van de jaarrekening ten aanzien van naamloze vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Ten aanzien van de vaststelling van de jaarrekening door die naamloze vennootschappen blijft de mogelijkheid van ontheffing wel bestaan.

Onderdeel B

In dit voorgestelde onderdeel wordt artikel 2:117 BW aangepast. Deze aanpassing hangt samen met de uit artikel 17, tweede lid, van de richtlijn transparantie voortvloeiende bepaling dat aandeelhouders niet belet mag worden om hun rechten bij volmacht uit te oefenen. In verband daarmee dienen de in het eerste en tweede lid van artikel 2:117 BW opgenomen beperkingen voor aandeelhouders of certificaathouders om zich te laten vertegenwoordigen te vervallen voor vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Het nieuwe zevende lid voorziet daarin.

Onderdeel C

De voorgestelde aanpassing van artikel 2:394 BW is relatief eenvoudig en behelst de introductie van een nieuw achtste lid. In het nieuwe achtste lid is geregeld dat vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt worden geacht te hebben voldaan aan de in het eerste lid van artikel 2:394 BW opgenomen verplichting om de jaarrekening binnen acht dagen na de vaststelling openbaar te maken of de in het tweede lid, eerste volzin, opgenomen verplichting om, ingeval van niet-vaststelling, de opgemaakte jaarrekening openbaar te maken door deze in het handelsregister bij de bevoegde Kamer van Koophandel neder te leggen. De vennootschap dient dan wel voldaan te hebben aan artikel 5:25o, eerste of tweede lid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

Onderdelen D, E en F

In deze onderdelen zijn enkele technische aanpassingen opgenomen. Titel 9 afdeling 16 van Boek 2 BW omvat na het van kracht worden van dit wetsvoorstel met betrekking tot effectenuitgevende instellingen in feite twee onderscheiden jaarrekeningprocedures.

De eerste jaarrekeningprocedure, geregeld in de artikelen 2:447 tot en met 2:453 BW, heeft betrekking op rechtspersonen naar Nederlands recht, waaronder effectenuitgevende instelling in de zin van de Wtfv met zetel in Nederland. De tweede procedure heeft betrekking op effectenuitgevende instellingen in de zin van de Wtfv die naar het recht van een andere staat zijn opgericht en Nederland als lidstaat van herkomst hebben.

Onderdeel G

Artikel 454

Op grond van het voorgestelde eerste lid heeft de AFM de bevoegdheid de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (OK) te verzoeken een bevel te geven aan een naar het recht van een andere staat opgerichte effectenuitgevende instelling waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is, tot het doen van een openbare mededeling waarin wordt uitgelegd dat de algemeen verkrijgbaar gestelde jaarlijkse financiële verslaggeving niet voldoet aan de voorschriften of waarin wordt uitgelegd hoe die voorschriften in de toekomst zullen worden toegepast. Deze nieuwe bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift bij de OK vormt het sluitstuk van het op grond van de Wtfv door de AFM uit te oefenen toezicht op de naleving van verslaggevingsvoorschriften door de desbetreffende effectenuitgevende instellingen. Uit het tweede lid volgt dat het verzoekschrift slechts kan worden ingediend op de grondslag dat de jaarlijkse financiële verslaggeving niet voldoet aan de toepasselijke materiële verslaggevingsvoorschriften. Wat onder financiële verslaggeving wordt verstaan, is geregeld in artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Wtfv.

De toepasselijke verslaggevingsvoorschriften voor effectenuitgevende instellingen met zetel in een andere lidstaat zijn bepaald in het vierde lid van artikel 5:25c. Voor effectenuitgevende instellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is schrijft het zesde lid van dat artikel voor welke verslaggevingsvoorschriften dienen te worden toegepast. Ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wtfv kan de AFM een verzoek pas indienen nadat de procedure van de artikelen 2 en 3 van de Wtfv is doorlopen. Het verzoek van de AFM kan geen betrekking hebben op de accountantsverklaring die omtrent de jaarlijkse financiële verslaggeving is verleend. Dit komt overeen met artikel 2:447, derde lid, BW.

Het vierde lid regelt de termijnen voor het indienen van een verzoekschrift. De AFM kan binnen zes maanden nadat de jaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar is gesteld een verzoekschrift indienen bij de OK. Niet het moment van vaststelling, zoals in artikel 2:449, eerste lid, BW, maar het tijdstip van algemeenverkrijgbaarstelling is derhalve bepalend voor de aanvang van de termijn met betrekking tot de jaarlijkse financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen die naar het recht van een andere staat zijn opgericht. Daarbij zijn het derde en vierde lid van artikel 2:449 BW van overeenkomstige toepassing. In het vijfde lid zijn de procesrechtelijke bepalingen van artikel 2:450 BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit geldt met uitzondering van het vierde lid, aangezien een verzoek op grond van dit artikel uitsluitend door de AFM kan worden ingediend.

Artikel 455

Dit artikel heeft betrekking op het bevel dat de OK geeft, indien zij het verzoek toewijst. Het bevel houdt in, zo volgt uit het eerste lid, dat de effectenuitgevende instelling een openbare mededeling dient te doen binnen een door de OK te stellen termijn. In de mededeling dient de effectenuitgevende instelling uit te leggen op welke wijze zij in de toekomst de verslaggevingvoorschriften zal toepassen (onderdeel a) of op welke onderdelen de financiële verslaggeving tekortschiet in het geven van het inzicht (onderdeel b). In materieel opzicht wordt daarmee aangesloten bij de aanbeveling die de AFM op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wtfv in de preprocessuele fase kan geven, en welke voorafgaat aan de verzoekschriftprocedure.

Het tweede lid bevat de verplichting voor de effectenuitgevende instelling om het bevel op te volgen. Het derde lid, dat de OK de bevoegdheid geeft om op verzoek het bevel in te trekken, is ontleend aan artikel 2:451, derde lid, BW.

Artikel VI

Dit artikel bevat een overgangsregeling met betrekking tot de verplichtingen tot algemeenverkrijgbaarstelling als bedoeld in de artikelen 5:25c tot en met 5:25e van de Wft. Voor de jaarlijkse financiële verslaggeving geldt dat de verplichting tot algemeenverkrijgbaarstelling, bedoeld in artikel 5:25c, niet van toepassing is op de jaarlijkse financiële verslaggeving over boekjaren die voor 1 januari 2007 zijn aangevangen. De verplichtingen ten aanzien van halfjaarlijkse financiële verslaggeving en tussentijdse berichten (artikelen 5:25d en 5:25e) zijn niet van toepassing op boekjaren en gedeelten daarvan die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds waren geëindigd.

Artikel VII

Dit artikel bepaalt dat deze wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

De minister van Financiën,

W. J. Bos

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390) Wetsvoorstel Wft en andere bestaande wetgeving
artikel 1, eerste lid behoeft geen implementatie 
artikel 1, tweede lid artikel 5:25b, vierde lid, 5:33, tweede lid en 2, vierde lid, Wtfv
artikel 1, derde lid Betreft een keuzemogelijkheid waarvan geen gebruik is gemaakt, omdat ze situatie zich in Nederland niet voordoet.  
artikel 1, vierde lidbehoeft geen implementatie  
artikel 2, eerste lid, onderdeel a  artikel 1:1, en 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°
artikel 2, eerste lid, onderdeel b artikel 5:25a, eerste lid, onderdeel d  
artikel 2, eerste lid, onderdeel c artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel d 5:25b, derde lid artikel 1:1 en 5:33, eerste lid, onderdeel a
artikel 2, eerste lid, onderdeel e artikel 5:25a, eerste lid, onderdeel a 5:33, eerste lid, onderdeel d, jo artikel 5:45, eerste lid
artikel 2, eerste lid, onderdeel f  artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel g  artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel h artikel 5:25b, vierde lid, 5:33, tweede lid  
artikel 2, eerste lid, onderdeel i artikel 5:25a, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, en 5:25j  
artikel 2, eerste lid, onderdeel j behoeft geen implementatie, begrip wordt niet gebruikt  
artikel 2, eerste lid, onderdeel k artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel l artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel m artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel n artikel 5:46, tweede lid, onderdeel b, jo. artikel 1:1
artikel 2, eerste lid, onderdeel o  artikel 1:1
artikel 2, tweede lid  artikel 1:1
artikel 2, derde lid behoeft geen implementatie, bepaling richt zich tot de Commissie 
artikel 3, eerste lid betreft keuzevrijheid voor de lidstaat, waarvan geen gebruik is gemaakt  
artikel 3, tweede lidbehoeft geen implementatie, bepaling bevat verbod dat gericht is op lidstaten  
artikel 4, eerste lid artikel 5:25c, eerste lid 
artikel 4, tweede lid artikel 5:25c, tweede lid 
artikel 4, derde lid artikel 5:25c, derde en vierde lid 
artikel 4, vierde lid artikel 5:25c, derde en vierde lid 
artikel 4, vijfde lid artikel 5:25c, derde en vierde lid 
artikel 4, zesde lid artikel 5:25w  
artikel 5, eerste lid artikel 5:25d, eerste lid  
artikel 5, tweede lid artikel 5:25d, tweede lid  
artikel 5, derde lid artikel 5:25d, vijfde en zesde lid  
artikel 5, vierde lid artikel 5:25d, achtste lid  
artikel 5, vijfde lidartikel 5:25d, derde en vierde lid  
artikel 5, zesde lidartikel 5:25w  
artikel 6, eerste lid artikel 5:25e, eerste en tweede lid  
artikel 6, tweede lid artikel 5:25e, derde lid  
artikel 6, derde lid behoeft geen implementatie 
artikel 7 artikel 5:25c, tweede lid, 5:25d, tweede lid, en 6:162 BW  
artikel 8, eerste lid artikel 5:25g, eerste en tweede lid,  
artikel 8, tweede en derde lid ministeriële regeling o.g.v. artikel 5:25u  
artikel 9, eerste lid artikelen 5:38 en 5:44 jo artikelen 5 en 11 van het besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang
artikel 9, tweede lid artikelen 5:39 en 5:44 jo artikelen 5 en 11 Van het besluit melding zeggenschap
artikel 9, derde lid betreft keuzevrijheid voor lidstaat, waarvan geen gebruik is gemaakt.  
artikel 9, vierde lid  artikel 5:46, eerste lid, aanhef, en onderdelen a en b, en tweede lid, aanhef, en onderdeel a
artikel 9, vijfde lid artikel 5:46, tweede lid, aanhef en onderdeel b
artikel 9, zesde lid  artikel 5:46, derde lid
artikel 10, onderdeel a artikel 5:45, vijfde lid
artikel 10, onderdeel b artikel 5:45, zesde lid
artikel 10, onderdelen c en d artikel 5:45, tweede lid
artikel 10, onderdeel e artikel 5:45, derde lid, eerste volzin
artikel 10, onderdeel f  artikel 5:45, eerste lid
artikel 10, onderdeel g  artikel 5:45, vierde lid
artikel 10, onderdeel h artikel 5:45, negende lid
artikel 11  artikel 5:46, eerste lid, aanhef, en onderdeel c,
artikel 12, eerste lid artikel 5:44 jo artikelen 5 en 11Van het besluit melding zeggenschap
artikel 12, tweede lid  artikelen 5:38 en 5:39 jo artikel 5, Van het besluit melding zeggenschap
artikel 12, derde lid  artikel 5:45, derde lid, tweede volzin
artikel 12, vierde lid  artikel 5:45, tiende lid, onderdeel a, en derde lid
artikel 12, vijfde lid  artikel 5:45, tiende lid, onderdeel b, en derde lid jo artikel 10 Van het besluit melding zeggenschap
artikel 12, zesde en zevende lid  artikel 1:93, derde lid, onderdeel c, jo artikel 12 Van het besluit melding zeggenschap
artikel 12, achtste lid  behoeft geen implementatie, bepaling richt zich tot de Commissie
artikel 13, eerste lid 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 5:44
artikel 13, tweede lid behoeft geen implementatie, bepaling richt zich tot de Commissie  
artikel 14, eerste lid  5:38, eerste lid, en 5:47, aanhef en onderdeel b
artikel 14, tweede lid behoeft geen implementatie, bepaling richt zich tot de Commissie 
artikel 15  artikelen 5:34, 5:35 en 5:37 jo artikelen 2, 3 en 4 van het van het besluit melding zeggenschap
artikel 16, eerste lid artikel 5:25h, eerste lid  
artikel 16, tweede lidartikel 5:25h, tweede lid  
artikel 16, derde lid artikel 5:25h, derde en vierde lid  
artikel 17, eerste lid artikel 5:25k, eerste lid  
artikel 17, tweede lid artikel 5:25k, tweede, derde en vierde lid 2:117 BW
Artikel 17, derde lidartikel 5:25k, vijfde, en zesde lid  
artikel 17, vierde lid artikel 5:25w  
artikel 18, eerste lid artikel 5:25l, eerste lid  
artikel 18, tweede lid artikel 5:25l, tweede, derde en vierde lid  
artikel 18, derde lid artikel 5:25l, vijfde lid  
artikel 18, vierde lid artikel 5:25l, zesde, zevende en achtste lid  
artikel 18, vijfde lidartikel 5:25w  
artikel 19, eerste lid, eerste alineaartikel 5:25m, eerste lid,  
artikel 19, eerste lid, laatste alinea 5:25n  
artikel 19, tweede lid Betreft keuzemogelijkheid voor lidstaat waarvan geen gebruik is gemaakt 
artikel 19, derde lid  artikelen 5:38, 5:39 en 5:44 jo artikel 5 van het besluit melding zeggenschap
artikel 19, vierde lid artikelen 5:25w 5:38, 5:39 en 5:44 jo artikel 5 Van het besluit melding zeggenschap
artikel 20, eerste lid artikel 5:25p, eerste lid  
artikel 20, tweede lid artikel 5:25p, tweede lid  
artikel 20, derde lid artikel 5:25p, derde lid 
artikel 20, vierde lid artikel 5:25p, vijfde lid  
artikel 20, vijfde lid  krachtens artikel 5:44 (Besluit melding zeggenschap daartoe aanpassen in Besluit transparantie)
artikel 20, zesde lid artikel 5:25p, vierde lid  
artikel 20, zevende lid  Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
artikel 21, eerste lid artikel 5:25m, eerste en derde lid 
artikel 21, tweede lid artikel 5:25m, tweede lid 
artikel 21, derde lid artikel 5:25q  
artikel 21, vierde lid artikel 5:25w  
artikel 22 behoeft geen implementatie  
artikel 23, eerste lid artikel 5:25v, eerste en tweede lid  
artikel 23, tweede lid artikel VII 
artikel 23, derde lid artikel 5:25v, tweede lid 
artikel 23, vierde, vijfde en zevende lid artikel 5:25w 
artikel 23, zesde lid artikel 5:45, tiende lid 
artikel 24, eerste lid behoeft geen implementatie 
artikel 24, tweede en derde lid betreft keuzevrijheid voor de lidstaat, waarvan geen gebruik is gemaakt  
artikel 24, vierde lid artikel 5:25s  
artikel 24, vijfde lid betreft keuzevrijheid voor de lidstaat, waarvan geen gebruik is gemaakt 
artikel 24, zesde lid artikel 5:25r  
artikel 25, eerste lid  artikel 1:89, artikelen 2, tweede lid, en 3, derde lid, Wtfv en 2:5 Awb
artikel 25, tweede lid artikel 1:51
artikel 25, derde lid artikel 1:90 en artikel 6 Wtfv
artikel 25, vierde lid 5:25t 6, derde lid, Wtfv
artikel 26 artikel 1:58
artikel 27 behoeft geen implementatie, bepaling richt zich tot de Europese Commissie 
artikel 28  artikelen 1:61 en 1:62 alsmede 2:451 BW
artikel 29 behoeft geen afzonderlijke implementatie 
artikel 30 lid 1 Artikel VI, eerste lid  
artikel 30 lid 2 behoeft geen implementatie  
artikelen 30 lid 3 en 45:25u  
artikelen 31 t/m 35 behoeft geen implementatie 

XNoot
1

De richtlijn diende op 20 januari 2007 in de Nederlandse wetgeving te zijn omgezet.

XNoot
1

Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 mei 1999.

XNoot
2

Artikel 1, eerste lid, van de richtlijn transparantie.

XNoot
3

Overweging 3 bij de richtlijn transparantie.

XNoot
4

Verordening nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243).

XNoot
5

Richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96).

XNoot
6

Richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/ EG (PbEU L 345).

XNoot
1

Vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222).

XNoot
2

Zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, derde lid, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193).

XNoot
1

Brief van de minister van Financiën van 23 juni 2005, kamerstukken II 2005/06, 30 336, nr. 12, blz. 3.

XNoot
2

Richtlijn nr. 2007/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69).

XNoot
1

Beschikking nr. 2006/892/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 4 december 2006 betreffende het gebruik door effectenuitgevende instellingen uit derde landen van overeenkomstig internationaal aanvaarde standaarden voor jaarrekeningen opgestelde informatie (PbEU L 343 van 8 december 2006).

XNoot
1

Een gereglementeerde markt kan zowel in Nederland als in een andere lidstaat zijn gelegen of functioneren.

XNoot
1

Artikel 5a is bij de Wet toezicht financiële verslaggeving toegevoegd aan de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

XNoot
1

Naar: «Markets in Financial Instruments Directive», richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen nr. 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).

XNoot
1

Ook wel de Vierde EG-richtlijn vennootschapsrecht genoemd: richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222).

XNoot
1

Richtlijn nr. 2007/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69).

XNoot
1

Herziene richtlijn banken: richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);

XNoot
1

Dit artikel is op grond van artikel 178 van de Invoerings- en aanpassingswet Wft is stand gehouden en zal op grond van artikel IV van dit wetsvoorstel vervallen.

Naar boven