Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831086 nr. 14

31 086
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn markten voor financiële instrumenten (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten)

nr. 14
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 30 oktober 2007

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 8 oktober 2007 overleg gevoerd met minister Bos van Financiën over Implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Berck

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Financiën

Maandag 8 oktober 2007

11.00 uur

De voorzitter: Blok

Aanwezig zijn 6 leden der Kamer, te weten:

Blok, Blanksma-van den Heuvel, Tony van Dijck, Tang, Irrgang en Weekers,

en de heer Bos, viceminister-president, minister van Financiën.

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn markten voor financiële instrumenten (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten) (31086).

De voorzitter:

Er is een indicatie gegeven van de spreektijden waar de leden zich aan moeten houden, maar omdat niet alle fracties aanwezig zijn, is er meer tijd te verdelen. Na twaalf minuten spreektijd zal ik de leden dringend gaan aankijken en steeds harder gaan trommelen. Ik geef allereerst het woord aan de heer Weekers voor een huishoudelijke mededeling.

De heerWeekers(VVD)

Voorzitter. Er is nog meer te verdelen, namelijk een stuk vlaai. Aanvankelijk werd voorgesteld om deze vergadering om 10.00 uur te laten beginnen. Dat had mij in een onmogelijke positie gebracht. In ruil voor de toezegging dat ik vlaai mee zou nemen uit Limburg is de commissie akkoord gegaan met een begintijdstip van 11.00 uur. Ik wil die toezegging graag gestand doen.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Voorzitter. Ik stel de minister graag op voorhand een paar vragen. Ik vraag zijn uitleg ten aanzien van een paar artikelen in de tweede nota van wijziging. Het betreft onderdeel A, artikel 10, 11 en 12. In artikel 10 staat dat in onderdeel TTTT de zinsnede "5:59, eerste lid" wordt vervangen door "5:59, eerste lid, eerste en tweede volzin, zevende lid". In artikel 11 staat dat artikel AAAA1 vervalt en in artikel 12 staat dat in onderdeel WWWW de zinsnede "5:59, eerste lid" wordt vervangen door "5:59, zevende lid". Kan de minister de impact van deze regelingen uitleggen?

Ik neem aan dat deze informatie tot zijn parate kennis behoort. Wij hebben deze kennis niet paraat. De meest recente informatie hebben wij in de afgelopen weken gekregen en in die zin is het bijna onmogelijk om met elkaar daarover te debatteren. De korte tijd die de Kamer is gegund om deze zeer complexe en belangrijke richtlijn, die grote internationale impact heeft, te behandelen, is bijna beledigend voor het parlement te noemen. Niemand is gehouden tot het onmogelijke, maar dit lijkt er wel op. De enige reden dat de Kamer de richtlijn vandaag behandelt, is het uitdrukkelijke verzoek van marktpartijen om de datum van 1 november te respecteren. Met de inwerkingtreding van de MiFID op 1 november 2007 wordt voorkomen dat internationaal twijfel ontstaat over de kwaliteit van de Nederlandse effectendienstverlening en dat partijen problemen ondervinden bij het uitoefenen van grensoverschrijdende activiteiten. De gevolgen van een vertraagde omzetting van de MiFID naar nationale wetgeving is voor de betrokken marktpartijen enorm groot. De CDA-fractie betreurt dit. De richtlijn vraagt om een ruime voorbereidingstijd. Die is de Kamer en de betrokken partijen niet gegeven. Ook een implementatietermijn van negen maanden voor betrokken partijen wordt niet gegeven. Naar de mening van mijn fractie wordt daarmee niet correct met hen omgegaan. Uit de beantwoording van de vragen van de CDA-fractie over de tijdslijnen blijkt niet dat een snellere omzetting onmogelijk was. Het is andere lidstaten wel gelukt. Kan de minister hierop een zodanige toelichting geven dat er begrip ontstaat voor de lange tijdslijnen die gehanteerd zijn? Deze wijze van handelen behoort tot de categorie: eens maar nooit weer. De minister kan van de CDA-fractie verwachten dat zij er in het belang van de marktpartijen alles aan zal doen om 1 november 2007 te halen. De risico's zijn te groot.

Hoe groot de daadwerkelijke risico's voor de Nederlandse beleggingsinstellingen zijn en wat de gevolgen zijn als het wetsvoorstel niet tijdig is geïmplementeerd, is voor de CDA-fractie uit de beantwoording van de vragen niet duidelijk naar voren gekomen. De minister heeft in de afgelopen tijd gesprekken hierover gevoerd, onder meer met toezichthouders. Kan de minister ons nu wel duidelijkheid geven over de risico's die zijn verbonden aan het niet tijdig implementeren van de richtlijn? Er komt natuurlijk ook nog een behandeling in de Eerste Kamer.

Een implementatieperiode van negen maanden is de markt niet gegeven. Het risico dat beleggingsinstellingen op 1 november aanstaande nog niet aan regels voldoen, is gewoon 100%. De vraag van de CDA-fractie om een coulanceperiode in te richten is door de minister c.q. de AFM positief beantwoord, waarvoor dank. De coulanceperiode betreft echter maar een zeer beperkte tijd: vijf maanden vanaf 1 november. Daarnaast betreft zij uitsluitend twee onderdelen van de richtlijn: het "ken uw cliënt"-principe en de best execution. Wij vragen de minister of hij door deze coulanceperiode op deze wijze toe te passen, ervan overtuigd is dat betrokken beleggingsinstellingen niet in de klem komen te zitten. Het is onzes inziens van het grootste belang dat het toezicht op de ondernemingen die onder deze coulancemaatregelen vallen, niet leidt tot onduidelijkheden. Kan de minister verzekeren dat voor zowel de AFM als de ondernemingen die onder deze coulancemaatregelen zullen vallen, duidelijk is welke verantwoordelijkheden zij hebben en hoe zij deze moeten invullen? Het is goed dat het Meldpunt MiFID zal worden ingesteld om omissies en fouten te melden. Graag horen wij vandaag per wanneer dit meldpunt operationeel zal zijn. Daarnaast wordt momenteel ook gewerkt aan reparatiewetten voor de Wft. Kunnen de eventuele reparaties van de MiFID ook worden meegenomen in dit proces? Kan de minister zeggen welke maatregelen op Europees niveau zullen worden genomen om fouten en tegenstrijdigheden in de richtlijn tijdig te signaleren en repareren?

Een belangrijke voorwaarde voor een betere concurrentie tussen de handelsplatformen is de best execution-verplichting: voor iedere order het best mogelijke resultaat voor de cliënt behalen. Regels hieromtrent worden op Europees niveau vastgelegd. Op dit gebied blijft echter onduidelijkheid bestaan. Nog steeds is voor marktpartijen niet geheel duidelijk onder welke voorwaarde orders van verschillende klanten moeten worden uitgevoerd. Kan de minister zeggen of het voor de AFM wel duidelijk is hoe best execution door de verschillende ondernemingen moet worden uitgevoerd? Aan de Europese Commissie is gevraagd wat de juridische interpretatie is van de reikwijdte van best execution-verplichtingen. Ons is bij de beantwoording van de vragen in dezen niet duidelijk geworden wat de juridische interpretatie in de praktijk voorstelt. Kan de minister hierop ingaan? Belangrijker nog: hoe weten de beleggingsinstellingen wat van hen wordt verwacht? Van verschillende marktpartijen hebben wij gehoord dat vooral landen zoals Frankrijk en Engeland verder zijn in de eisen die op dit gebied worden gesteld. Al in onze schriftelijke vragen hebben wij gevraagd naar de invulling van deze landen van hun orderuitvoeringsbeleid. Kan de minister specifiek aangeven op welke manier de praktijk in deze landen verschilt van de Nederlandse? Heeft Nederland hiervan op korte termijn eventueel concurrentienadeel?

De CDA-fractie maakt zich er zorgen over dat transparan­tieverplichtingen zoals beschreven in de MiFID niet zullen worden toegepast op financiële instrumenten zoals derivaten, obligaties en warrants. De antwoorden die zijn gegeven op de vragen die wij hebben gesteld met betrekking tot het unieke karakter van de Nederlandse markt op het gebied van deze financiële instrumenten, gaven weinig verheldering. Nogmaals willen wij hier de vraag stellen in hoeverre de minister de opvatting deelt dat de Nederlandse kapitaalmarkt op het gebied van derivaten, obligaties en warrants in Europa een uniek karakter heeft. Juist dit unieke karakter zou extra transparantie-eisen in deze marktsegmenten kunnen rechtvaardigen. Dit zou dan ook in de praktijk geen ongelijk speelveld kunnen creëren, omdat andere Europese landen op deze gebieden nauwelijks actieve markten hebben. Voor de CDA-fractie staat de bescherming van de consument op dit gebied voorop. Transparantie voor en na de handel geeft uiteindelijk meer zicht op de handel op de markt. Kan de minister garanderen dat er voor de particuliere belegger een optimale bescherming wordt geboden bij deze financiële instrumenten zonder dat uitgebreide transparantieverplichtingen van toepassing zijn? Kan de minister zeggen welke extra kosten eventueel uitgebreide transparantieverplichtingen op dit gebied met zich zouden brengen voor het bedrijfsleven?

De heerIrrgang(SP)

Mevrouw Blanksma houdt een betoog voor meer transparantie, ook voor andere financiële instrumenten dan aandelen. Betekent dit ook dat de CDA-fractie er voorstander van is om de wet op dit punt aan te passen en dat wij deze week hierover politieke zaken kunnen doen?

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Ik denk dat ik eerst de antwoorden van de minister afwacht op de vragen die ik aan hem heb gesteld. Het gaat ons met name om de particuliere belegger die voldoende bescherming zou moeten hebben. Ik wacht af of hij overtuigd is van het feit dat de consument voldoende bescherming krijgt zonder aanpassingen. Ik ben erg benieuwd naar wat hij daarop antwoordt en dan zullen wij in tweede termijn kijken wat ons daartoe noodzakelijk lijkt.

Dan kom ik op het nationale regime. De CDA-fractie staat in principe open ten aanzien van het voornemen van de minister om het nationale regime van toepassing te laten zijn voor tussenpersonen. Echter, rondom de inhoud hiervan en het toepassingsgebied is nog veel onduidelijk. Een definitief standpunt hieromtrent nemen wij pas in als de minister deze onduidelijkheid kan wegnemen. Anders dan in andere lidstaten spelen tussenpersonen in Nederland een belangrijke rol bij de financiële dienstverlening. Een grote groep tussenpersonen adviseert over effectenhypotheken, dus geven zij beleggingsadvies, dus moeten zij voldoen aan de MiFID's. Echter, de MiFID-eisen zijn toegesneden op middelgrote en grote beleggingsondernemingen. Het is onmogelijk voor een kleine tussenpersoon om hieraan te voldoen. Wij hebben daar vragen over gesteld. In zijn antwoorden heeft de minister aangegeven dat bij het toepassen van het nationale regime vooral is gekeken naar de bescherming van de consument en de bewaking van het gelijke speelveld tussen de verschillende marktpartijen. De CDA-fractie vindt dat een goede insteek, maar het ontworpen nationale regime dat nu voorligt, stelt ons daaromtrent onvoldoende gerust.

Allereerst het toepassingsgebied. Begrijpen wij het goed dat het nationale regime van toepassing is op én tussenpersonen én assurantietussenpersonen én kleine ondernemingen? In de wet is niet gedefinieerd wat tussenpersonen zijn en wat kleine ondernemingen. Het is wat de CDA-fractie betreft absoluut een vereiste om vooraf duidelijkheid te hebben over wie wel en wie niet onder het nationale regime valt. Graag verheldering op dat punt.

Ten tweede worden in de MiFID behoorlijke organisatorische eisen aan de ondernemingen gesteld. Binnen het nationale regime wordt dat nogal versoepeld. De verschillen zijn enorm. Het moet geen wildwest worden waarin op organisatorisch gebied alles kan en alles zou mogen. Hoe kijkt de minister hier tegenaan? Hoe beoordeelt de minister de risico's van de veel soepeler organisatorische vereisten?

Ten derde achten wij het van groot belang dat de deskundigheid van de beleggings- en hypotheekadviseur is gewaarborgd. Juist bij de keuze van een hypotheek, een langlopende financiële verbintenis, moet de consument goed en deskundig worden geadviseerd. Tussenpersonen hebben hun eigen opleidingstraject, vaak verkoopgedreven, waarvan kan worden betwijfeld of de onafhankelijkheid is gewaarborgd en of aan de zorgplicht zoals bedoeld in de MiFID wel kan worden voldaan. Wij wijzen in dit verband nog maar eens op de maatschappelijke discussie rondom de woekerpolissen. Tussenpersonen hebben daar niet altijd een positieve rol in gespeeld. Een herhaling van zetten op dit gebied moet worden voorkomen. De CDA-fractie vindt in ieder geval dat er gelijkwaardige opleidingseisen moeten worden gesteld als wij kijken naar de MiFID. Waarom worden aan de tussenpersonen niet de opleidingseisen gesteld die bedoeld zijn in de MiFID? Is de minister bereid, de opleidingseisen desgewenst aan te scherpen?

Ten vierde: de kostentransparantie. Adviseurs die vallen onder het nationale regime moeten voldoen aan de regels die op grond van het adviesmatch zijn afgesproken. Adviseurs behoeven pas per 1 oktober 2009 transparant te zijn over de beloning die zij krijgen. Adviseurs die wel onder de MiFID-regels vallen, moeten per direct transparant zijn over hun beloning. De CDA-fractie is van mening dat de adviesmatchafspraak over de transparantie in geen verhouding staat tot de door de MiFID verlangde transparantie. Adviseurs die onder de MiFID-regels vallen, moeten direct volledig transparant zijn en specifiek gericht op de transactie van de individuele consument. Hierdoor kan een ongelijk speelveld ontstaan. Is de minister bereid, hier gelijkheid in te realiseren?

Samenvattend is mijn fractie van mening dat het toepassen van het nationale regime niet mag leiden tot een ongelijk speelveld en dat de bescherming van de consument maximaal gewaarborgd moet zijn. Wij vragen dan ook aan de minister om het nationale regime zodanig in te richten dat dit ook geregeld is. Graag een concrete toezegging met onderbouwing van de minister.

Dan kom ik op het punt van de nationale koppen. De doelstelling van de implementatie van de MiFID is totale harmonisatie van de financiële markten in Europa. Nationale koppen moeten gezien die doelstelling tot een minimum worden beperkt. Als zij worden toegepast, gelden daar voor de CDA-fractie drie voorwaarden voor. De toegevoegde waarde moet substantieel zijn, het mag geen verstorende werking voor het gelijke speelveld betekenen en geen verhoging van de administratieve lasten. Het kabinet stelt twee nationale koppen voor, namelijk het verplicht aansluiten bij de erkende geschilleninstantie en het verplicht opstellen van een cliëntovereenkomst bij verlenging van een beleggingsadvies. Beide koppen geven volgens de CDA-fractie substantieel meer bescherming aan de particuliere belegger en zullen niet leiden tot noemenswaardige extra administratieve kosten. Mijn fractie kan hiermee instemmen. Worden er op geen enkel ander gebied binnen de MiFID nationale koppen geregeld? Hebben wij dit goed begrepen? Kan de minister toezeggen dat hij eventuele afwijkingen van de MiFID op het niveau van een algemene maatregel van bestuur die aangemerkt zou kunnen worden als gold-plating, aan de Kamer voorlegt?

Ik kom op het punt van het toezicht. De beantwoording van de vragen over de interpretatie van het begrip "handel voor eigen rekening" heeft de CDA-fractie nog onvoldoende duidelijkheid gegeven. Binnen de hele EU dient de interpretatie van het begrip te gelden. Op Europees niveau is dit nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Klopt dit en, zo ja, kan de minister dan zeggen wanneer dit wel het geval zal zijn? Bij handel voor eigen rekening door een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling hoeft niet voldaan te worden aan de transparantieverplichting. Is dit juist? Wie houdt hierop dan wél toezicht? Deelt de minister de opvatting dat dit mogelijk in strijd is met de geest van de MiFID?

De MiFID verplicht effecteninstellingen ertoe, informatie aan te leveren bij de AFM. Op klantniveau leeft de gedachte om alle informatie per transactie door te sturen naar de AFM. De zogenaamde Client ID is niet verplicht volgens de richtlijn. Onduidelijk is wat hierbij de voordelen en de nadelen zijn. Duidelijk is wel dat dit zal leiden tot verzwaring van de administratieve lasten, zowel voor de beleggingsinstellingen als voor de AFM. De CDA-fractie is er voorstander van om dit vooralsnog niet in te voeren. Om meer inzicht te krijgen in de voor- en nadelen heeft de minister een onderzoek toegezegd. Hiermee stemmen wij in, maar de uitkomsten van het onderzoek moeten aan de Kamer worden voorgelegd. Daarna zullen wij besluiten. Ik hoor graag een toezegging van de minister op dit punt.

CESR heeft talrijke interpretatieve aanbevelingen gedaan die bekend staan als de Level 3 guidelines. Deze aanbevelingen dienen door de Europese toezichthouders in nationaal beleid te worden omgezet. De voorganger van MiFID, de ISD, is mede vervangen omdat deze richtlijn te veel interpretatieve vrijheden bood. Wij benadrukken nogmaals dat noch de wetgever, noch de Nederlandse toezichthouder ruimte mag hebben om af te wijken van hetgeen op Europees niveau is vastgelegd. Nederland als vestigingsland voor financiële ondernemingen is erbij gebaat als de Nederlandse wetgever zo min mogelijk afwijkt van de regelgeving op Europees niveau. Iedere nationale afwijking kan reden zijn om bepaalde activiteiten vanuit een vestiging in een andere lidstaat verder te ontwikkelen. De CDA-fractie spreekt haar bezorgdheid uit over de beleidsruimte die na inwerkingtreding van de MiFID aan de AFM toekomt. Wij vragen de minister om erop toe te zien dat de AFM, ter bevordering of ter vergemakkelijking van een adequaat toezicht, geen additionele eisen gaat stellen waarvoor in de regelgeving op Europees niveau geen duidelijke grondslag bestaat. Ik hoor graag een toezegging van de minister op dit punt.

De minister geeft aan dat de omvang van de AFM als gevolg van de invoering van de MiFID op lange termijn budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Kan de minister de term "langere termijn" nader specificeren? Kan hij aangeven welke gevolgen de MiFID op korte termijn heeft voor de AFM, bijvoorbeeld tijdens de voorgenomen coulanceperiode?

Ik kom ten slotte bij het punt van de administratieve lasten. De invoering van MiFID leidt tot verzwaring van de administratieve lasten en tot verhoging van de nalevingskosten. Er wordt gesproken over een verhoging van de administratieve lasten van ruim 15 mln. structureel en van 29 mln. eenmalig. De nalevingskosten zijn 10 mln. structureel en 77 mln. incidenteel. Dit zijn gigantisch hoge bedragen. Er wordt gezegd dat zij in werkelijkheid zelfs nog veel hoger zijn. Het kabinet is voornemens de regeldruk netto te verlichten met 25%. De compensatie in het geval van lastenverzwaring wordt bij voorkeur binnen hetzelfde beleidsterrein gezocht. Kan de minister zeggen wat hij concreet gaat doen om de administratieve lasten die als gevolg van de MiFID zullen worden opgelegd, per saldo zo klein mogelijk te houden? Kan hij hiernaast aangeven welke mogelijkheden hij op nationaal niveau ziet om bedrijven waaraan deze lasten worden opgelegd, te compenseren? Ook deze bedrijven moeten delen in de voorgenomen voelbare en meetbare vermindering van de administratieve lasten van 25%. Deze vermindering heeft het kabinet zich immers ten doel gesteld.

In het Financieele Dagblad van vorige week stond een stukje over MiFID met als kop: MiFID is een schijnbescherming. Daar zijn wij het niet mee eens. De belangrijkste boodschap in dat stukje was dat de beleggingsinstellingen steeds meer moeten weten van hun klanten. De klant moet steeds meer verteld worden over het af te nemen product. Te veel informatie kan verstikkend werken. Er stond een pakkend voorbeeld in. De informatie, de bijsluiter, die een consument op dit moment krijgt als hij een beleggingshypotheek afsluit, bestaat uit maar liefst 185.000 woorden. Met een romansnelheid van 250 woorden per minuut betekent dit 13 uur onafgebroken leesplezier. Hier helpen wij de consument echt niet mee. Wij moeten ons dit aanrekenen. Het moet wel operationeel succesvol kunnen zijn.

De heerWeekers(VVD)

Voorzitter. De fractie van de VVD ziet MiFID als een belangrijke stap naar een volwaardige Europese markt voor financiële diensten. Wij zijn ermee ingenomen dat MiFID de transparantie en de efficiency van de financiële markten vergroot, de concurrentie verbetert en dat belangrijke maatregelen worden genomen ter bescherming van de consument. Wij hechten groot belang aan een goede en tijdige implementatie van de MiFID, omdat die cruciaal is voor de Nederlandse financiële instellingen.

Wel moet mij van het hart dat Financiën rijkelijk laat is met de implementatie. Ik sluit mij aan bij collega Blanksma. Er zijn natuurlijk wel wat verzachtende omstandigheden, omdat vorig jaar een behoorlijk beslag op de wetgevingscapaciteit werd ingenomen voor de Wet op het financieel toezicht. Desalniettemin wordt de Kamer nu min of meer voor het blok gezet, omdat wij op een heel laat tijdstip de implementatiewetgeving krijgen. Die bestaat uit dikke pakketten. Wanneer het departement ergens tijd voor uittrekt, moet de Kamer toch ook die tijd ervoor kunnen uittrekken. Als wij nu echter meer tijd vragen voor een betere en meer doorwrochte beoordeling, leidt dat voor mij tot onacceptabele financiële gevolgen in Nederland. Ik vraag de minister, ons in de toekomst wat eerder te bedienen als wetgeving een harde deadline voor de implementatie kent.

Namens mijn fractie spreek ik waardering uit voor de inzet van het ministerie van Financiën in de laatste maanden en de grote betrokkenheid van de marktpartijen om de deadline van 1 november te halen. Kijkend naar de inbreng van de Kamer, de consultatieronde en hetgeen de minister met zijn bestaffing daar uiteindelijk mee heeft gedaan, is een aantal angels dat het bedrijfsleven heeft gesignaleerd uit de wet gehaald. De meeste vragen van de fractie van de VVD zijn schriftelijk goed afgedaan, op enkele punten na, waarop ik nog inga.

1 november is de belangrijke deadline. Dan vervalt het huidige Europese paspoort van de Nederlandse financiële instellingen. Wij hebben in de schriftelijke ronde gevraagd om het nieuwe paspoort, dat gebaseerd is op de nieuwe richtlijn, met terugwerkende kracht te verlenen wanneer de deadline niet gehaald zou kunnen worden. Dat bleek niet mogelijk. Wel stelt de regering mede op ons verzoek een meldpunt MiFID open. Ook andere partijen hebben daarom gevraagd. Daar kunnen fouten en omissies worden gemeld die, naar ik begrijp, via een noodverband met een tijdelijke ministeriële regeling kunnen worden getackeld. Op een later moment wordt dat via een wet geformaliseerd.

Kan de minister toelichten welke vorm het meldpunt reparatie MiFID zal krijgen? Ik heb gelezen dat het wellicht via de algemene internetsite van het departement wordt geopend. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Bij welke "andere voorgenomen wetgeving" zal straks aangehaakt worden om de reparatie via de formele wet te bekrachtigen? Dan weet ook de Kamer wanneer dit onderwerp terugkomt.

Grote financiële instellingen zijn goed voorbereid op de nieuwe wet, want door hun grensoverschrijdende activiteiten zijn zij al vroeg begonnen met zich aanpassen aan de Europese richtlijn. Zij hebben ook al kunnen zien hoe de richtlijn in andere lidstaten is doorgevoerd. En omdat het om implementatie van Europese regelgeving gaat, zit er natuurlijk toch niet zo gek veel verschil tussen wat Nederland kan of wil doen en wat andere landen hebben geregeld. Maar kleine instellingen die niet grensoverschrijdend werken, gaan hier wellicht anders mee om. Zij zullen waarschijnlijk de Nederlandse implementatie afwachten en pas aan de slag gaan om hun bedrijfsprocessen aan te passen zodra het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is geloodst.

Nu heeft de minister besloten om geen coulance bij het toezicht of een overgangstermijn in de wet op te nemen, behalve misschien bij een aantal kleinere onderwerpen. Ik moet zeggen dat ik normaal gesproken niet zo'n voorstander van coulance ben, maar wel als de overheid verweten kan worden dat het bedrijfsleven door late implementatie van een richtlijn onvoldoende tijd heeft gehad om zich op de nieuwe regels voor te bereiden. Er is voor de genoemde kleine instellingen coulance bij de verplichtingen tot de beste uitvoering en bij de transactieverplichting tot en met april aanstaande. Waarop is het vertrouwen van de minister gebaseerd dat deze overgangstermijn voldoende is en dat de coulance ook tot deze punten beperkt kan blijven? Is hij bereid om deze termijn op te rekken of om ook op andere onderdelen coulant te zijn als de omstandigheden daartoe nopen? Ik zeg hier wel bij dat ik zelf overigens geen signalen heb ontvangen dat er marktpartijen zijn die deze termijn te kort vinden, maar ik kan me voorstellen dat met name kleinere instellingen die pas beginnen zodra de wet in het Staatsblad is verschenen, wellicht wat meer tijd nodig zullen hebben. Ik plaats hier wel de kanttekening bij dat ik van mening ben dat ondernemingen vanaf de inwerkingtreding van de wet moeten kunnen aantonen dat zij alles in het werk stellen om zo snel mogelijk aan de regels te voldoen. Ik pleit dus niet voor een zo ruime regeling dat iedereen op z'n handen kan gaan zitten, maar ik vind wel dat wij straks serieus moeten bekijken of de termijn voldoende is en of de coulance zich over voldoende punten uitstrekt. En wil de minister ook nog even aangeven hoe de AFM naar zijn inschatting zal omgaan met de bepaling dat er geen coulance zal zijn bij het toezicht?

De VVD-fractie vindt het zeer belangrijk om bij deze wet gold-plating te voorkomen. Dat zou namelijk inhouden dat regels voor financieel toezicht in Nederland strenger zijn dan in andere Europese landen, wat onze financiële concurrentiepositie niet ten goede zou komen. Er is in het wetsvoorstel wel enige gold-plating toegepast en ik nodig de minister uit, vandaag nut en noodzaak van deze nationale koppen op de Europese regelgeving nog eens toe te lichten. Gold-plating is voor mijn fractie in beginsel niet acceptabel, dat is het alleen als er een heel goed verhaal bij past.

Volgens Euronext is er sprake van gold-plating. De minister stelt dat de MiFID geen ruimte laat om de eis van een vergunning te laten vervallen ingeval een marktpartij een nieuwe multilaterale handelsfaciliteit wil gaan exploiteren. In het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland denkt men hier anders over, gelet op de wetgeving die daar doorgevoerd is. En de Europese Commissie zou hetzelfde signaal hebben gegeven. Is de minister bereid, de dubbele vergunningplicht alsnog te laten vervallen? Dat zou in ieder geval dubbele administratieve lasten voorkomen.

Het is bekend dat de VVD altijd kritisch is als het gaat om administratieve lasten, want uiteindelijk worden die kosten doorberekend aan de consument. Deze extra lasten zijn het gevolg van onder andere het pre-tradevereiste en de opeenstapeling van gedragsregels, zoals de beste uitvoering. Kan de minister mij verzekeren dat hij heeft gekozen voor een implementatie die per saldo de minste administratieve lasten met zich zal brengen? Ik besef dat extra administratieve lasten onvermijdelijk zijn bij de invoering van deze richtlijn. Daar is ook wel een goede reden voor, namelijk de consumentenbescherming. De vraag is wel of wij er nu van overtuigd zijn dat uiteindelijk voor de beste balans is gekozen.

Euronext heeft erop aangedrongen om de transparantieregels ook van toepassing te verklaren op de derivatenmarkt en de obligaties. De minister wijst dat onder meer af op grond van het feit dat dit een nationale kop zou betekenen op de MiFID. Dat is een begrijpelijk argument, dat ik normaal gesproken van harte ondersteun. Nederland neemt echter wel een unieke positie in Europa in. Het heeft als enige een retailmarkt in aandelenopties, waarop op grote schaal door particulieren gehandeld wordt. In andere landen is de derivatenmarkt geen particuliere markt. Ik kan het mij voorstellen dat om die reden deze markt niet in de richtlijn is opgenomen. Ik worstel met de vraag of Nederland dit moet laten rusten. Moeten in een volwassen markt als de derivatenmarkt niet dezelfde transparantie-eisen worden gesteld? Dat zou in het belang zijn van de bescherming van de consument en van evenwichtige concurrentieverhoudingen. Kan de minister bevestigen dat bij het toetreden van nieuwe aanbieders de bescherming van deze categorie beleggers de facto hetzelfde zal zijn, vanwege de vorm van het AFM-toezicht?

Het Client ID is een optie in de MiFID. Als wij er gebruik van maken, worden de administratieve lasten fors verhoogd, zonder dat er een duidelijke noodzaak voor bestaat. Het Client ID verplicht het melden van transacties bij de AFM en zorgt voor toezicht op de integriteit van de handel. Het is daarmee een instrument om handel met voorkennis te detecteren. Ik vind dat een nobel doel, maar het is de vraag of dit noodzakelijk is. Wij vragen ons echt af of het Client ID wel thuishoort in de MiFID. Het staat er vandaag nog niet in, maar wij willen ook niet dat het sluipenderwijs wordt toegevoegd. Het zou een heel grote belasting zijn voor de IT-systemen en het zou tot concurrentienadelen kunnen leiden. Het ministerie van Financiën heeft toegezegd te zullen onderzoeken wat de kosten en baten van het opleggen van deze verplichting zijn. Het departement zoekt ook uit of de kosten voor de markt opwegen tegen de baten van een efficiënter en effectiever toezicht. Het Client ID zal mogelijk alsnog via een AMvB worden uitgevoerd, maar alleen als het echt marktmisbruik vermindert. Andere lidstaten zullen worden gevolgd. Wij weten dat de AFM voorstander is van het systeem. Houdt het ook een taakuitbreiding van deze instelling in? Nogmaals, de VVD is geen voorstander van het instrument. De nalevingskosten zijn hoog. Daarnaast vragen wij ons af of het daadwerkelijk marktmisbruik kan voorkomen. Het nog niet zo heel lang bestaande kliksysteem lijkt vooralsnog redelijk te functioneren. Is de minister het daarmee eens? Moeten wij niet de tijd nemen om dit systeem zich te laten bewijzen?

Het onderzoek dat de minister laat verrichten, zal begin 2008 afgerond zijn. Wanneer kunnen wij hierover met de minister doorpraten? Ik vraag hem geen nieuwe stappen te zetten voordat hij uitgebreid met de Kamer heeft gesproken over de plussen en minnen van het systeem. Ik wil in elk geval niet verrast worden. Ik zou een voorhangprocedure in de wet kunnen amenderen, maar daar ben ik niet zo'n voorstander van. De Kamer moet zich niet tot in elk detail willen bemoeien met zaken die zij aan de minister heeft gedelegeerd. Dit is voor mijn fractie echter wel een aangelegen punt. Als de minister toezegt dat hij dit met de Kamer uitvoerig gaat bespreken en dat hij pas daarna met een beslissing komt, is dat wat mij betreft prima.

De minister heeft bij AMvB een aantal vrijstellingen geregeld voor tussenpersonen. Wie worden daarmee bedoeld? In elk geval hypotheekbemiddelaars. Wij weten dat vermogensbeheerders bang zijn voor valse concurrentie wanneer tussenpersonen worden vrijgesteld. Het is natuurlijk ook wel een beetje vreemd wanneer de ene aanbieder van beleggingsproducten wel onder de MiFID valt, en de andere aanbieder niet. Wel heb ik gezien dat zij moeten voldoen aan essentiële regels voor consumentenbescherming, maar de vraag is dan welke dat zijn. Waarin wijkt dat nationale regime als het om consumentenbescherming gaat af van de MiFID? Consumentenbescherming is namelijk juist van belang bij hypotheken en oudedagsvoorzieningen. Bescherming daar is nog eerder op zijn plaats dan in de gevallen waar mensen wat geld over hebben, niet bestemd voor de oudedag of het huis. Het komt mij erg vreemd voor dat juist in die twee gevallen de consumentenbescherming lichter van aard zou zijn. Wij moeten in elk geval voorkomen dat een nieuwe Dexia-affaire ontstaat. Is vrijstelling wel op haar plaats? Ik kan mij er wel wat bij voorstellen dat je het regime dat de MiFID voorschrijft ten aanzien van de organisatie wel heel erg streng vindt. Lang niet alle tussenpersonen kunnen daaraan voldoen. Zijn juist deze eisen echt van belang om de consument te beschermen? Ik kan mij voorstellen dat wordt gezegd: wij moeten ook niet doorschieten in wet- en regelgeving. Het kan niet zo zijn dat wij een aantal tussenpersonen de nek gaan omdraaien. Wij willen ook niet vergunning op vergunning op vergunning stapelen. Maar de consumentenbescherming en het gelijke speelveld vind ik wel belangrijk. Kan de minister daarop ingaan, en ook op de extra eisen die de Consumentenbond heeft gevraagd? Ik ben er nog niet uit als het gaat om het nationale regime. Ik sluit mij wat dat betreft aan bij de vorige spreekster.

Ik ben tevreden met het feit dat de minister beleggingsfondsen heeft uitgezonderd, daarbij niet ingaand op de redenering die daarachter zit. Ik ben erg benieuwd naar de antwoorden, en ik ben ervan overtuigd dat wij er vandaag uit moeten komen.

De heerIrrgang(SP)

Voorzitter. Het was een mooi weekeinde, waarin wij ons opnieuw door de MiFID hebben moeten heen ploeteren. Sommigen hadden er nog een congres bij, maar dat mag de kwaliteit van dit overleg niet onder druk zetten.

Dit wetsvoorstel moet al per 1 november aanstaande geïmplementeerd zijn, wat een groot risico inhoudt voor de kwaliteit van het wetgevingstraject. Eigenlijk wordt ons hier het mes op de keel gezet, omdat de Nederlandse financiële instellingen anders hun Europees paspoort dreigen te verliezen. Er is daardoor nauwelijks voldoende tijd voor een grondige behandeling van een belangrijke wet zoals deze. De SP-fractie vraag zich na de schriftelijke beantwoording nog steeds af hoe het zo is gekomen dat de behandeling nu pas zo laat kan plaatsvinden. Dat ligt niet zozeer aan de Kamer als wel aan de late indiening. Ook het besluit Openbare biedingen werd recentelijk pas zeer laat bij de Tweede Kamer ingediend. Er lijkt daardoor sprake van een trend waarbij de Tweede Kamer onder grote tijdsdruk financieeltoezichtswetgeving moet behandelen door late indiening door de regering. Dat zou niet moeten gebeuren, omdat die wetgeving daarvoor te belangrijk is. Het is ook niet nodig, omdat het belang ervan ook door de Kamer wordt onderschreven.

Beleggingsinstellingen hebben aangegeven niet gereed te zijn op 1 november aanstaande. Aangezien het vandaag 8 oktober is, behoeft dat volgens mij ook niet te verbazen. Het beginnen met een wet met een coulanceperiode tot 1 april volgend jaar waarin de beleggingsinstellingen het richting consumenten niet zo nauw behoeven te nemen met de "ken uw cliënt"-regels en de regels voor best execution verdient absoluut geen schoonheidsprijs. Anderzijds is de tijdsdruk zo groot dat ik ook niet zo direct het alternatief zie. Het heeft dus veel te maken met het wetgevingstraject zoals dat zich nu voltrekt.

Het uitgangspunt van de MiFID ter zake van country control zegt dat toezicht op gedragsregels wordt uitgeoefend door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Dat betekent in feite dat wij in Nederland niet zelf kunnen beslissen welke mate van bescherming wij de consumenten hier willen bieden. Dat is erg te betreuren, want het is nog maar de vraag in hoeverre een Engelse of een Roemeense financiële autoriteit zich hard gaat maken voor de zorgen van de kleine belegger in Nederland. Indien zich op de markt voor beleggingen eenzelfde affaire voordoet als de woekerpolisaffaire en het gaat om buitenlandse beleggingsinstellingen, dan is onze indruk dat de AFM in belangrijke mate buitenspel staat. Graag een reactie daarop van de minister.

Het stoort ook dat het voortdurend gehamer op level playing field altijd van toepassing is op de concurrentieverhoudingen tussen bedrijven in de Europese Unie, terwijl een level playing field voor consumenten, bijvoorbeeld in de zin dat ze er op kunnen rekenen dat alle partijen zijn aangesloten bij het Kifid, voor mijn fractie net zo belangrijk, zo niet belangrijker is, ook als die partijen van buiten Nederland komen.

De transparantieverplichtingen ingevolge de MiFID gelden alleen voor aandelen. Een van de politieke hamvragen is of de minister bereid is dezelfde transparantieregels van toepassing te laten zijn op andere financiële instrumenten. In de schriftelijke beantwoording komt altijd weer dat eeuwige argument van een gelijk speelveld voor bedrijven om de hoek kijken. Tegelijkertijd wijs ik erop dat er 300.000 huishoudens in Nederland zijn die in opties beleggen. Moeten die ook niet kunnen rekenen op dezelfde mate van bescherming als die geldt bij aandelen op basis van de MiFID? Is de behoefte aan transparantie juist niet groter bij meer ingewikkelde producten zoals derivaten? Het ontbreken van transparantie voor de handel is net zoiets als het moeten kopen van een wasmachine zonder vooraf te weten hoeveel de wasmachine je eigenlijk gaat kosten. Het is dus een niet onbelangrijk punt. Nederland heeft ook in Europees verband in schaal een unieke optiebeurs. Uitbreiding van de MiFID zou de financiële sector juist kunnen helpen in plaats van verzwakken.

De reden die de minister aanvoert om transparantieregels achterwege te laten, is zijn standaard pavlovreactie dat het anders slecht zou zijn voor het vestigingsklimaat. Dat horen wij wel vaker. Ik refereer aan de discussies over de topsalarissen. Als men in alle Europese landen zo gaat denken, wordt er een wedloop in gang gezet waarbij grote beleggingsinstellingen landen tegen elkaar gaan uitspelen en de consument er juist helemaal niet beter op wordt, omdat nationale overheden geen extra beschermende maatregelen meer mogen of willen treffen om hun eigen consumenten te beschermen. Dit terwijl een van de uitgangspunten van de MiFID juist is het verbeteren van de positie van de consument.

Wij zijn het wel eens met de minister dat het beter zou zijn als het Europees was geregeld. Maar hoe lang moeten wij daar dan nog op wachten? Heeft de minister na de openbare hoorzitting van 11 september hoop dat er op korte termijn meer transparantieregels komen voor andere financiële instrumenten dan aandelen?

Ook het argument om geen transparantie te willen vanwege de administratieve lasten is toch wel een beetje absurd. Dan zeg je dus eigenlijk dat beleggingsinstellingen geen duidelijkheid behoeven te scheppen voor de consument omdat ze daarvoor een inspanning moeten leveren. Dat is niet de afweging die de leden van de SP-fractie maken. Zij zeggen: wacht niet op Europa, maar loop voorop.

De minister wijst erop dat de consument binnen de MiFID altijd is beschermd vanwege de "best execution"-verplichting. Wij zijn erg benieuwd wat die verplichting precies inhoudt. Er wordt gekeken naar een mix van factoren, zoals prijs, snelheid en waarschijnlijkheid van uitvoering. Wat moet de consument hiermee bij de geschillencommissie? Wat moet de rechter ermee als hij denkt dat er geen sprake was van best execution? Als de "best execution"-verplichting zou gelden voor het afzonderlijke onderdeel prijs, kan de consument verwijzen naar een andere beleggingsinstelling die hem een lagere prijs zou hebben geboden. Nu deze verplichting van alles en nog wat omvat en bovendien erg vaag is gedefinieerd, wordt de bewijslast voor de consument onredelijk hoog. De drempel voor consumenten om naar een advocaat te stappen is sowieso al hoog. Is de minister het met mij eens dat het erg onbevredigend is om te wachten op een uitleg van CESR die bovendien niet bindend is. Stel dat CESR een nadere uitleg geeft van de "best execution"-verplichting, moet deze dan door de AFM worden overgenomen?

Vanwege de hoge drempel voor de kleine belegger om naar de rechter te stappen, is er de geschillencommissie voor de financiële markten, het Kifid. Wij steunen de verplichte aansluiting, maar die moet ook voor buitenlandse beleggingsinstellingen gelden. Dan is er echt één loket voor alle consumenten voor de beslechting van geschillen en is er sprake van een gelijk speelveld. Het is gek dat een wet die pretendeert, de consumentenrechten beter te beschermen een verplichte geschillencommissie voor alle betrokkenen onmogelijk maakt.

De minister stelt dat het Kifid klachten over buitenlandse beleggingsinstellingen door kan geleiden naar de geschillencommissie van het land van vestiging van de instelling. Hoe komt dat proces er precies uit te zien? Neemt het Kifid de rol van aanjager op zich als de buitenlandse geschillencommissie niets van zich laat horen? Hoe weet de kleine belegger tevoren dat hij te maken heeft met een beleggingsinstelling uit een land waar misschien wel geen verplichte geschillencommissie is? Naast de verplichte aansluiting bij de geschillencommissie is er de verplichte cliëntenovereenkomst. Voor beide verplichtingen geldt dat zij niet van toepassing zijn op het verlenen van financiële diensten buiten Nederland. Wij zijn benieuwd naar de consequenties van de MiFID voor het toezicht van de AFM. Hoe is het mogelijk dat de kosten van de AFM gelijk blijven bij de invoering van de MiFID? Ik kan mij dat moeilijk voorstellen. Er zijn meer soorten markten, meer spelers en er is een nieuwe, ingewikkelde wet. Als een en ander extra werk oplevert voor de AFM, gaat dit dan ten koste van ander toezicht? Wat bedoelt de minister met de opmerking dat dit mede afhankelijk is van de wijze waarop marktpartijen op de MiFID zullen reageren?

Wij hebben er met verbazing kennis van genomen dat het de lidstaten op grond van de MiFID niet is toegestaan om de norm van vakbekwaamheid en kennis van medewerkers van beleggingsondernemingen uit te werken. Europa heeft dit ook niet gedaan en dus is er geen garantie voor de mate waarin medewerkers gekwalificeerd zijn; toch een zeer belangrijk punt.

Het piece de résistance is het nationaal regime voor tussenpersonen. Wij hebben geen bezwaar tegen een nationaal regime, maar wel tegen de beperktere consumentenbescherming die daaruit voortvloeit. Als een consument een bedrag van enkele tienduizenden euro's wil beleggen, geniet hij straks meer bescherming dan wanneer hij een van de belangrijkste beslissingen van zijn leven neemt door ervoor te kiezen om zijn huis te financieren met een aandelenhypotheek. Dat is niet uit te leggen.

Ik weet dat de beleggingshypotheken met de daaraan gekoppelde beleggingsverzekering niet onder de MiFID vallen, maar dan lijkt mij niet de oplossing dat de eisen die aan een aandelenhypotheek worden gesteld, worden aangepast aan het lagere beschermingsniveau. Wij moeten nu de koe bij de horens vatten en de gelegenheid te baat nemen om de bescherming van de consument ook voor beleggingshypotheken op orde te brengen. Wij hoeven elkaar wat dit betreft niet voor de gek te houden. Uit de woekerpolisaffaire blijkt dat er nogal wat mis is op dit terrein. De behandeling van de MiFID is een goede gelegenheid voor een grote schoonmaak. Wij moeten niet blijven steken in een nationaal regime waarbij tussenpersonen zich op een groot aantal punten aan de zeer terechte eisen van de MiFID kunnen onttrekken. Een consument mag van een tussenpersoon die hem over een aandelenhypotheek adviseert, verwachten dat hij deskundig is. Het gaat tenslotte om een van de belangrijkste beslissingen die iemand in zijn leven neemt. Stelt de deskundigheid die onder het voorgestelde nationaal regime van tussenpersonen wordt gevraagd niet duidelijk minder voor dan die van een beleggingsadviseur die een DSI-opleiding heeft gevolgd?

De SP-fractie ziet geen enkele reden waarom de consument niet al per 1 januari aanstaande te horen krijgt hoeveel euro aan provisie de adviseur opstrijkt als hij of zij met hem of haar in zee gaat. Hoe zit het overigens met deze transparantie bij beleggingshypotheken die niet onder de MiFID vallen? Als ik het goed heb begrepen, is er een vorm van zelfregulering per 1 januari aanstaande, maar gaat de verplichting op basis van advies pas op 1 oktober 2009 in. Is het juist dat de bepaling in artikel 168a uit het besluit Gedrag toezicht financiële ondernemingen, dat stelt dat de verschaffing van de provisie de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten goede komt en geen afbreuk doet aan de verplichting van de beleggingsonderneming om zich in te zetten voor de belangen van hun cliënt, niet van toepassing is op tussenpersonen die een beleggingsadvies geven? Met alles wat er verkeerd is gegaan door misselling en door perverse prikkels van provisiebeloningen, lijkt het de SP-fractie juist wenselijk dat een bepaling zoals deze ook van toepassing is, onder een aangepast nationaal regime, op tussenpersonen.

Ook over de vrijstelling van allerlei organisatorische eisen heeft de SP-fractie twijfels. Het argument van de bescherming van de kleine tussenpersoon is niet erg overtuigend omdat er een complete vrijstelling is gegeven. Er zijn ook tussenpersonen die in grote kantoren werken en in de uitwerking van de regelgeving kan ook rekening worden gehouden met het verschil tussen kleine en grote kantoren. Bovendien moet de vrijwaring van kleine tussenpersonen altijd worden afgewogen tegen het belang van de bescherming van de consument. Dat is uiteindelijk toch de reden van de soms vergaande organisatorische eisen. Kan de minister ingaan op de dwingende redenen om tussenpersonen vrij te stellen van de organisatorische eisen voor bedrijfscontinuïteit, de waarborgen voor een integere bedrijfsuitoefening en de verplichting tot een eerlijke en professionele uitoefening van functies? Het lijkt mij dat die bepalingen evengoed van toepassing zouden moeten zijn op tussenpersonen die een advies geven. Ik zie niet in waarom dat niet op die tussenpersonen zou zijn toe te passen.

Ook over de interpretatie van de rol van tussenpersonen als adviseurs zijn er nog veel vragen. Is de minister het ermee eens dat de verantwoordelijkheid van de adviseur niet ophoudt op het moment dat de overeenkomst tot stand is gebracht? En zo ja, is de minister het ermee eens dat de adviseur tijdens de looptijd ten opzichte van de klant een verantwoordelijkheid heeft? Ik heb het over bijvoorbeeld een aandelenhypotheek, die dertig jaar loopt. Daar zit je jaren aan vast, terwijl men gemiddeld om de vijf tot zeven jaar verhuist.

Is de minister het ermee eens dat execution only werkelijk moet betekenen dat de consument alle transacties zelf uitvoert? Is de minister bereid zich in te zetten voor het behoud van de gereguleerde obligatiemarkt? Op de markt van obligaties waarschuwt Euronext voor een situatie waarbij andere partijen alleen de liquide obligaties gaan verhandelen en daarmee de krenten uit de pap pikken. De minister zegt hierop dat het de vraag is of de markt voldoende bestaansrecht heeft als de meeste obligaties niet liquide zijn. Is dat niet juist de reden waarom er ook liquide obligaties op de markt worden verkocht? Ik vergelijk het met de vaste boekenprijs. Dat is een goed systeem omdat daarmee wordt voorkomen dat de tien populaire boeken in de supermarkt liggen en het totale aanbod in de boekenwinkel verschraalt. Als de minister deze gang van zaken goed vindt, kan iemand die niet liquide obligaties bezit zo meteen dan niet meer van zijn obligaties af komen omdat er niet of nauwelijks een markt voor is? Welk effect kan dit hebben op de uitgifte van obligaties?

Wij hebben geen antwoord gehad op onze vraag of het binnen de MiFID nog mogelijk is om opties alleen via de gereglementeerde markt te laten verkopen. Graag hoor ik hierop een reactie.

Bij een multilaterale handelsfaciliteit gelden in tegenstelling tot de gereglementeerde markten geen voorschriften ten aanzien van de verhandeling van financiële producten. Het idee daarachter, zo blijkt uit de beantwoording van de vragen, is dat de ontwikkeling van financiële instrumenten hard gaat. Waarom waren de voorschriften er dan wel bij de gereglementeerde markt? Is het niet wenselijk dat financiële instrumenten worden getoetst voordat zij worden verhandeld? Is het niet juist nu al een probleem dat de toezichthouders achterlopen bij de markt en zo hun toezichthoudende taak vaak niet goed kunnen uitoefenen? Wat hebben wij in dit kader geleerd van Enron en de kredietcrisis als gevolg van de subprime mortgages? Op korte termijn verwacht de minister geen grootschalige verplaatsing van activiteiten door de bestaande marktexploitanten, maar hoe zit het op de lange termijn? Zou er op den duur geen sprake kunnen zijn van een kannibalisatie van de gereglementeerde markt door een dochteronderneming in de vorm van een multilaterale handelsfaciliteit? Ik begrijp dat VSP, een dochter van TNT, langzamerhand de activiteiten van zichzelf aan het kannibaliseren is. Bovendien zijn er minder regels waar MTF's zich aan hoeven te houden.

Bij de derde vorm, systematische internalisatie, hebben wij de schriftelijke vraag gesteld wat wordt verstaan onder het begrip "handelen voor eigen rekening". Het antwoord dat dit begrip niet kan worden geïnterpreteerd, omdat er dan geen sprake is van totale harmonisatie, helpt ons niet verder. Dat is niet acceptabel, omdat wij moeten weten wat dit begrip betekent. Bij het vertalen van een richtlijn naar wetgeving is er onvermijdelijk sprake van interpretatie van de richtlijn. Als je dat niet doet, laat je dat in feite aan de rechter over. Het bewust vaag laten van het begrip "handelen voor eigen rekening" laat klanten in onzekerheid en dat kan niet de bedoeling zijn van MiFID. Een broker die optreedt voor particuliere klanten, kan handelen op eigen naam en met eigen kapitaal, maar voor rekening en risico van zijn klanten. Wie gaat straks het begrip "handelen voor eigen risico" wel uitleggen, als de minister dat niet wil doen?

De minister is naar onze mening onvoldoende ingegaan op het risico van het ontbreken van toezicht wanneer een beleggingsonderneming vraag en aanbod tegen elkaar wegstreept, zonder formeel voor eigen rekening te handelen. Heeft de particuliere belegger wiens order is weggestreept, in alle gevallen, dus ook in het geval van het faillissement van die andere belegger, dezelfde bescherming als de particuliere belegger wiens order niet is weggestreept? De minister beroept zich erop dat hij niet in de wet mag uitleggen wat "best execution" is, maar dan moet hij dat bij de behandeling van het wetsvoorstel toelichten. Het is onacceptabel dat een begrip dat zoveel vragen oproept, zonder nadere uitleg in de wet wordt opgenomen en dat de rechter dat straks maar moet uitleggen.

De heerTang(PvdA)

Voorzitter. Vorige week is tot mijn genoegen in de Tweede Kamer met deze minister van gedachten gewisseld over het onderwerp geluk en de factoren die daaraan bijdragen. Ik moet helaas vaststellen dat de wijze van behandeling van het voorliggende wetsvoorstel niet aan mijn persoonlijk geluk heeft bijgedragen. Sterker nog, ik werd er toch wel licht chagrijnig van. Dat is gelukkig goedgemaakt door het stukje vlaai van de heer Weekers, waardoor mijn suikerspiegel weer op het juiste peil is gebracht.

Het wetsvoorstel is zowel omvangrijk als complex. Als de behandeling van een wetsvoorstel door deze twee factoren wordt bemoeilijkt, is het niet zo raar om dan ook twee keer zoveel tijd te hebben. Met haastig ingevoerde wetgeving is uiteindelijk niemand geholpen. Ik zag wel dat er naar aanleiding van de vragen een meldpunt MiFID komt. Dat is winst, maar ik sluit niet uit dat wij over een paar maanden allerlei reparatiewetjes moeten bespreken.

Begrijp mij niet verkeerd, ik heb waardering voor het harde werken van de ambtenaren van deze minister. Wel vraag ik mij af waarom dit niet een halfjaar eerder kon. De richtlijn dateert van 21 april 2004. Naar ik hoop zijn de ambtenaren betrokken bij het opstellen van de kader- en de uitvoeringsrichtlijn, zodat zij toch ongeveer weten wat daarin terecht zal komen. Het idee dat de ambtenaren van het ministerie niet betrokken zijn bij de opstelling van deze richtlijnen zou ik nog schrikwekkender vinden. Graag een reactie van de minister.

De PvdA kan zich goed vinden in de doelstelling van het wetsvoorstel. Centraal staat dat de financiële markten beter moeten functioneren. De financiële markten zijn van belang voor de economische groei, vooral voor kleine en snel groeiende ondernemingen, die soms lastig aan financiering kunnen komen. Ik zag vanochtend in de krant dat juist middelgrote ondernemingen achterblijven in hun ontwikkeling. Volgens mij is een plausibele reden daarvoor het gebrek aan financiering. Banken doen er op dit moment weinig aan. Concurrentie op de markt kan deze middelgrote ondernemingen helpen om door te groeien.

Een algemene indruk is dat in het wetsvoorstel en de richtlijnen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende typen ondernemingen, zoals banken, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsondernemingen, terwijl de producten die deze ondernemingen aanbieden, steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Ik zou eerder een benadering naar functie dan naar type onderneming verwachten, want volgens mij is die achterhaald aan het raken.

Desondanks kan de PvdA-fractie zich goed vinden in de implementatie van de richtlijn, omdat zij de eenwording van de financiële markten bij elkaar brengt. Toch heb ik hier twee opmerkingen over. Ik sluit mij graag aan bij eerdere woorden van mevrouw Blanksma en de heer Weekers over transparantie, niet alleen op het punt van aandelen maar ook op het punt van derivaten van aandelen, bijvoorbeeld opties. Ik denk dat het in de regel voor de kleine beleggers buitengewoon verstandig is om niet in opties te beleggen. Mijn vrienden die zich daaraan waagden, zijn er althans nooit echt veel beter van geworden. Verdienen zij, zolang zij zich op die markt begeven, echter toch geen betere bescherming, bijvoorbeeld in de vorm van transparantie?

Gelukkig is er in de MiFID en in dit wetsvoorstel uitdrukkelijk oog voor de bescherming van beleggers, in het bijzonder de niet-professionele beleggers, de huis-tuin-en-keukenbeleggers. Dit juicht mijn fractie toe. Pogingen om het financiële bewustzijn van de consument te versterken, kunnen heel goed tevergeefs blijken te zijn. Ik weet dat er wordt gestreefd naar verhoging van het financiële bewustzijn, maar ik heb daar grote twijfels over. Het alternatief is natuurlijk bescherming van de beleggers, in het bijzonder de niet-professionele beleggers. Veel financiële beslissingen zijn immers complex, hebben betrekking op een verre toekomst en zijn riskant. Juist die combinatie van factoren maakt bescherming van niet-professionele beleggers zeer noodzakelijk.

De PvdA-fractie heeft dan ook geen enkele moeite met de nationale koppen die worden voorgesteld. Daarbij gaat het enerzijds om het verplicht aansluiten bij een geschilleninstantie, het Kifid, en anderzijds om het afsluiten van een cliëntovereenkomst. Ik heb hier nog wel een specifieke vraag over. Uit de schriftelijke antwoorden blijkt dat buitenlandse ondernemingen niet verplicht kunnen worden om zich aan te sluiten bij de geschilleninstantie. De heer Irrgang vroeg daar ook al naar. De PvdA-fractie vraagt zich af of er geen andere manieren zijn om buitenlandse ondernemingen er toch toe aan te moedigen om zich aan te sluiten bij de geschilleninstantie. Zou de minister daartoe bereid zijn?

Ik wil mij vooral richten op de vrijstelling waarvoor de minister gekozen heeft, het zogenaamde nationale regime. Het gaat daarbij om een afruil tussen enerzijds beleggersbescherming en anderzijds marktverschraling. Beide zaken zijn belangrijk voor consumenten: zowel bescherming als een goed aanbod is in het belang van consumenten. Specifiek komt deze afruil naar voren bij verschillen tussen vermogensbeheerders en hypotheekbemiddelaars en tussen effecten- of aandelenhypotheken en beleggingsverzekeringen. De afruil kan ik in grote lijnen wel begrijpen. Zo worden kleine ondernemingen behoed voor grote administratieve lasten, maar ik mis specifieke informatie om de specifieke keuzes te begrijpen. Hoe omvangrijk zijn of worden effectenhypotheken in vergelijking met beleggingsverzekeringen? Hoeveel grote en kleine hypotheekbemiddelaars zijn er eigenlijk en hoeveel grote en kleine vermogensbeheerders zijn er eigenlijk? Wat is eigenlijk "klein" als een onderneming "klein" wordt genoemd? En hoe is die informatie benut om tot specifieke keuzes te komen, bijvoorbeeld om het gevaar van marktverschraling in te schatten? Ik hoor op dit punt graag een uitgebreide uitleg van de minister.

Op een aantal punten zijn kritische kanttekeningen of vraagtekens te plaatsen bij het nationale regime, ten eerste bij de deskundigheid. Tussenpersonen adviseren over belangrijke beslissingen van consumenten, van niet-professionele beleggers, bijvoorbeeld over de aankoop en financiering van een huis, maar ook over sparen voor de studie van een kind en over andere spaarbeslissingen. Aan de kennis en het inzicht van die tussenpersonen mogen dan ook hoge eisen worden gesteld, zeker als die tussenpersonen ook adviseren over beleggingen of beleggingsfondsen. Het is dan ook niet duidelijk waarom aan deze tussenpersonen minder eisen gesteld zouden moeten worden dan aan beleggingsadviseurs. In het nationale regime wordt "beleggen A" als diploma voldoende geacht. Ik weet niet precies wat dat is, maar ik lees wel dat de Dufas dat "een wassen neus" noemt. Ik krijg daar graag een reactie van de minister op.

Dan de relatie tussen klant en adviseur. Juist omdat de beslissingen betrekking hebben op de verre toekomst, is het nodig om de beleggingsresultaten eens in de zoveel tijd te bekijken om te bezien of de doelstellingen gehaald worden, bijvoorbeeld de hoeveelheid kapitaal op de einddatum, en of de omstandigheden gewijzigd zijn. Inzichten in het verwachte rendement kunnen veranderen, maar ook de persoonlijke situatie, het inkomen of de samenstelling van het huishouden. De adviseur moet dan ook niet één keer van dienst zijn, maar verantwoordelijkheid hebben gedurende de hele beleggingsperiode. Als die verantwoordelijkheid voor langere tijd geldt, dan wordt de adviseur met de effecten van het advies geconfronteerd en dat kan ook geen kwaad.

Hier hoort bij dat het advies niet slechts één jaar hoeft te worden bewaard. De PvdA-fractie begrijpt niet waarom het advies niet langer beschikbaar kan blijven. Tegenwoordig zijn de kosten van opslag – digitaal – toch geen enkel probleem? Bovendien sluit dat aan bij het gegeven dat tussenpersonen langdurig contact hebben met veel klanten. Daarnaast biedt de AFM de mogelijkheid om zo nodig de kwaliteit van het advies na te gaan, niet alleen in dat ene jaar maar ook in de jaren daarvoor als dat nodig mocht blijken te zijn. De rechten en plichten van de partijen bij beleggingen, dus van adviseur en klant, moeten worden vastgelegd in een cliëntenovereenkomst. Het bijhouden van uitgevoerde orders is onvoldoende. Vindt de minister ook niet dat de cliëntenovereenkomst voor een langere tijd moet worden gesloten zodat het advies voor langere tijd beschikbaar blijft en de verantwoordelijkheid van een adviseur zich niet beperkt tot één jaar of één moment?

Ik kom op het punt van de provisies. Onderdeel van de relatie tussen tussenpersoon en klant zijn de bepalingen voor provisies. Adviseurs die onder de MiFID vallen, moeten onmiddellijk volledig transparant zijn. Dat geldt niet, of niet onmiddellijk, voor tussenpersonen. De regels van het nationale regime zijn veel soepeler dan die van de MiFID. Dat is voor de PvdA-fractie moeilijk te begrijpen. De eisen van de MiFID zijn toch niet meer dan redelijk? Kan de minister dat toelichten?

Verzekeringsproducten vallen volgens de richtlijn niet onder financiële instrumenten. Sommige financiële instrumenten zoals effectenhypotheken lijken echter op verzekeringsproducten. Omgekeerd lijken sommige verzekeringsproducten, zoals beleggingsverzekeringen, op financiële instrumenten. Is het dan niet logisch om effectenhypotheken en beleggingsverzekeringshypotheken hetzelfde te behandelen? Ik hoor graag of de minister bereid is om het nationale regime toe te passen op beleggingsverzekeringen.

De heerIrrgang(SP)

Betekent dit dat de PvdA-fractie er voorstander van is dat de consument straks weet, in harde euro's, hoeveel de adviseur opstrijkt als hij hem een aandelen- of beleggingshypotheek verkoopt?

De heerTang(PvdA)

Daar moet zoveel mogelijk duidelijkheid over zijn. Onder de MiFID zijn de eisen op dat punt strenger maar wel redelijk. Bij ondoorzichtige producten als beleggingsverzekeringen zou dat verbeteringen op moeten leveren. Mijn vraag aan de minister is daarom of de regels van het nationale regime kunnen worden toegepast op beleggingsverzekeringen.

Tweehoofdige leiding is een eis die in de MiFID gesteld wordt. Die eis wordt gesteld om de continuïteit van een bedrijf te garanderen. In het nationaal regime wordt die eis losgelaten. Een tweehoofdige leiding van een eenmanszaak is inderdaad misschien een wat zware eis. Welke alternatieven worden echter geboden om de continuïteit van de bedrijfsvoering zoveel mogelijk te waarborgen? Dat was immers een van de redenen waarom er een tweehoofdige leiding moest zijn.

De implementatie van de MiFID is nuttig voor de eenwording van de financiële markten. De PvdA-fractie kan zich daar in grote lijnen in vinden. Bij nationale regimes zijn echter kritische kanttekeningen te zetten en vragen te stellen. De woekerpolissen liggen nog vers in het geheugen. Dit wetsvoorstel moet bijdragen aan een herstel van vertrouwen in tussenpersonen die voorheen grif woekerpolissen hebben verkocht.

De heerTony van Dijck(PVV)

Voorzitter. Er zijn al veel dingen gezegd door mijn voorgangers. Ik zal zien of ik mijn tekst zodanig kan aanpassen dat ik niet in herhaling val. Ook de PVV-fractie acht het onwenselijk dat deze veelomvattende wet op deze manier door de Kamer wordt gedrukt. Zij kan niet goed overzien wat de effecten en consequenties zullen zijn. Wij moeten ervoor waken dat wij niet over twee jaar denken dat wij onszelf in Europa in de voet hebben geschoten als de gehele financiële markt er anders is komen uit te zien door MiFID.

Gezien de ontwikkelingen op de financiële markten is het een goede zaak dat er door dit wetsvoorstel mogelijkheden worden gecreëerd om in Europees verband de concurrentie tussen handelsplatformen te bevorderen. Ook is het noodzakelijk dat er eisen worden gesteld aan toezicht en transparantie. Voor de PVV-fractie is het echter van groot belang dat consumenten worden beschermd en dat een eerlijke concurrentie plaatsvindt, waardoor de kosten voor de consument worden geminimaliseerd. Ook mijn fractie is voorstander van een gedegen toezicht om de belangen van de consument te beschermen. Dit toezicht dient echter tot een minimum te worden beperkt, daar anders de kosten van het toezicht en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten weer in een kostenverhogend effect voor de consument resulteren.

MiFID stelt regels aan internalisatie. De regels beogen de particulier te beschermen door onder andere het bieden van transparantie. Het is echter aan de lidstaten, te bepalen of deze regels ook zullen gelden voor andere financiële instrumenten dan aandelen. Moeten de regels niet gelden voor alle financiële instrumenten en voor alle platformen? Euronext stelt dat onze obligatiemarkt en aandelenoptiemarkt gevaar lopen indien de regels niet van toepassing worden verklaard op deze markten; gaarne een reactie hierop. Euronext stelt verder dat de regels van MiFID alleen gelden voor aandelenhandel en niet voor beursgenoteerde opties. Dit zou betekenen dat in-house matchers en MTF's de concurrentie met de beurs kunnen aangaan zonder te zijn gebonden aan enige regels die de transparantie van de markt waarborgen. Dit kan nooit de bedoeling zijn.

In hoeverre kunnen er verschillen in toezicht tussen de verschillende lidstaten ontstaan door de voorliggende wetgeving? Hoeveel ruimte tot naleving wordt er gecreëerd? Wij moeten voorkomen dat toezichtsconcurrentie plaatsvindt. Ook dit kan betekenen dat de nalevingskosten voor de beleggingsondernemingen, en daarmee de kosten voor de consument, significant kunnen verschillen tussen de verschillende lidstaten. Welke sancties kent MiFID indien het toezicht in een bepaalde lidstaat tekortschiet? Hoe wordt de toezichthouder van elke lidstaat gecontroleerd?

Moeten alle aandelentransacties op de gereglementeerde markten worden doorgegeven aan de AFM? Hoe staat het met de transactierapportageverplichting van andere financiële instrumenten? Wanneer De Nederlandsche Bank de vergunningverlenende instantie of toezichthouder is bij een kredietinstelling die bijvoorbeeld een vergunning aanvraagt om beleggingsactiviteiten te ontplooien, dan houdt DNB en niet de AFM toezicht op het gedrag. Is het geen onwenselijke situatie dat twee instanties dan gedragstoezicht uitoefenen terwijl de AFM hierop juist is ingericht? Kunnen wij niet beter het Engelse concept van financial services authority overnemen, dus slechts een toezichthouder in plaats van twee met dezelfde taken?

MiFID beoogt volledige harmonisatie van financiële markten. In hoeverre wordt hiermee de concurrentiepositie van Nederlandse beleggingsondernemingen aangetast ten opzichte van buitenlandse beleggingsinstellingen die zich in Nederland willen vestigen of willen opereren? Met name als ons toezicht strenger wordt ingericht door additionele nationale regelgeving en ook indien onze nationale kostenstructuur, zoals nalevingskosten, arbeidskosten en vestigingskosten, uitstijgt boven die van buitenlandse beleggingsondernemingen. Kunnen wij wel spreken van een echt eerlijke concurrentie met buitenlandse beleggingsondernemingen? Voor beleggingsondernemingen is het verplicht om zich aan te sluiten bij het Kifid. Dit geldt echter niet voor Europese beleggingsondernemingen die actief zijn in Nederland. Waar kunnen gedupeerde beleggers dan terecht met klachten over een dergelijke buitenlandse beleggingsonderneming? In hoeverre wordt het level playing field hiermee geschaad? Welke rol speelt de Nationale ombudsman nog bij dit verplichte Kifid? Professionele beleggers kunnen niet bij Kifid aankloppen. Staat voor hen alleen de gang naar de rechter nog open?

Vanaf 1 november mag elk Europees handelsplatform zijn diensten aanbieden in geheel Europa. Tegenover de voordelen van meer concurrentie staat het risico van slechtere prijsvorming. Vanwege de grotere spreiding van de orderstroom over verschillende plaatsen wordt de markt ondoorzichtiger. Dit gevaar wordt opgevangen door de handelsplatformen te verplichten tot de publicatie van aangeboden prijzen en over de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen. De PVV-fractie vraagt zich af hoe dit er in de praktijk straks uitziet. Is dit voldoende waarborg? Wordt de markt doorzichtiger als iedereen zijn prijzen moet publiceren? Bestaat het risico van een prijzenoorlog tussen handelsplatformen waardoor het aanbod kan worden uitgedund tot slechts enkele grote Europese spelers?

Dan kom ik op "best execution". De regel slaat niet alleen op de prijs, maar ook op een stelsel van factoren, waaronder kosten en snelheid. Hoe ver gaat de bescherming van de belegger eigenlijk? Wanneer is er sprake van "best execution"? De beleggingsondernemer lijkt voldoende armslag te hebben om te kunnen betogen dat onder omstandigheden het beste resultaat bereikt is. Hoe wordt hier toezicht op gehouden? Indien aandelen verhandeld worden waarvan achteraf blijkt dat dit tegen een betere prijs had gekund op een ander handelsplatform, is er dan sprake van "bad execution"? Kan de beleggingsondernemer hierop worden aangesproken door de belegger in de zin van verwijtbaar gedrag?

Ik ga verder met de lastenverzwaringen. De invoeringskosten voor bestaande kleine beleggingsondernemingen als gevolg van de MiFID kunnen fors zijn, stelt de minister in de stukken. Daar waar mogelijk wordt rekening gehouden met de grootte van de onderneming. Wij vragen ons af hoe dat gebeurt. Hoe wordt de grootte van de onderneming gemeten? Hoe kan daar rekening mee worden gehouden? Door de invoering van MiFID stijgen de structurele lasten voor het bedrijfsleven met 25 mln. per jaar. Wat betekent dit voor de branche? Hoeveel gaat de consument meer betalen aan bijvoorbeeld transactiekosten?

Over tussenpersonen is al veel gezegd. Ook wij vragen ons af in hoeverre het nationale regime de goede oplossing is ten opzichte van MiFID, met name omdat tussenpersonen een heel belangrijke rol vervullen in Nederland in de advisering van klanten. Wij kennen allemaal de wanprestaties uit het recente verleden en weten dat wij er erg goed op moeten letten dat vooral consumenten worden beschermd tegen tussenpersonen die niet helemaal integer functioneren. Hoeven deze tussenpersonen ook geen cliëntenovereenkomst op te stellen bij een beleggingsadvies? Moeten de tussenpersonen of beleggingsondernemingen ook voldoen aan de eis van tweehoofdige leiding en een compliance officer? In hoeverre kunnen deze extern worden ingehuurd of in deeltijd worden gedeeld met andere beleggingsonderne­mingen?

Tot slot kom ik op de coulanceperiode. De minister stelt voor om een coulanceperiode te betrachten tot 1 april 2008, mits de onderneming alles in het werk heeft gesteld om na de inwerkingtreding van de wet volledig te voldoen aan de "know your customer"-regels en te voldoen aan de best-execution regels. Wat is de betekenis van deze coulance? Het opstellen van een cliëntenportefeuille en een beleggingsuitvoeringsbeleid kost nu eenmaal veel tijd. Krijgen alle beleggingsondernemingen met een vergunning automatisch per 1 november een Europees paspoort?

De vergadering wordt van 12.25 uur tot 13.30 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik deel de leden van de commissie mee dat de minister om drie uur weg moet om een vliegtuig te halen. Het is in ons aller belang om nu zo ver mogelijk te komen, want er moet donderdag worden gestemd.

MinisterBos

Voorzitter. Ik had mezelf ook al voorgenomen om, net als u, heel intimiderend te beginnen met te melden dat ik inderdaad om drie uur het vliegtuig moet halen. Ik zal echter mijn uiterste best doen om zo veel mogelijk van de door de leden van de commissie aangedragen onderwerpen tijdens dit overleg te behandelen. Wat ik niet kan behandelen of wat heel technisch is, zal ik morgen schriftelijk naar de commissie sturen, of uiterlijk woensdagochtend om tien uur.

Toen ik mijn verhaal op deze manier aan het voorbereiden was, realiseerde ik mij dat ik de leden hiermee nóg een argument zou geven om te protesteren tegen de tijdsdruk die wij aan hen opleggen bij de behandeling van een en ander. Ik zal daarom maar beginnen met te erkennen dat dit geen schoonheidsprijs verdient; wij zien dat zelf ook. Wij hebben gedaan wat wij kunnen. De heer Irrgang heeft geschetst hoe het hem het mooie weekend heeft gekost. Ook veel van mijn ambtenaren hebben veel weekenden moeten overwerken om dit toch nog binnen het huidige tijdsbestek tot stand te brengen. Ik zeg dit niet als excuus; ik hoop dat de leden van mij willen aannemen dat er echt heel hard is gewerkt. Dit was ook nodig in het licht van de risico's die aan de orde zouden kunnen zijn. Mevrouw Blanksma heeft op een uitstekende manier de risico's uiteengezet die er zijn als wij hiermee nu geen vaart zouden maken. Het is echter allemaal niet geweldig fraai.

Wij moeten ons overigens wel realiseren dat wij niet het enige land in Europa zijn dat op dit tijdpad zit. Van de 27 lidstaten verwachten er 12 dat zij pas in oktober of zelfs later hiermee klaar zijn. Door heel Europa heeft men dus gemerkt dat dit een complexe materie is en dat het uitwerken van lagere regelgeving en het overleg met marktpartijen complex is. Ook het weer zoeken van contact en afstemming met Europese autoriteiten vergroot de complicaties. Wij hebben dit, net als de andere landen, aan den lijve ondervonden. Daarom ben ik erg blij dat wij nu toch zo ver zijn en dat de commissie bereid is om er deze laatste weken op een zo constructieve manier aan mee te werken.

Er is een drietal punten dat wellicht de zorgen over de tijdsdruk iets kan verminderen. Het eerste punt betreft het meldpunt MiFID. Daar kan men terecht met klachten, waardoor wij in staat zijn om op een behoorlijke, snelle en adequate wijze te werken aan reparatiewetgeving die eventueel noodzakelijk is. Dit meldpunt is bereikbaar via de website van het ministerie van Financiën. Dit is een figuur die al eens eerder is gebruikt, bijvoorbeeld bij de Wet op het financieel toezicht. Als er een fout wordt ontdekt of er iets anders aan de orde is, kan dit gemeld worden. Op die manier zijn wij inderdaad in staat om zaken via de snelle route van de ministeriële regeling te herstellen; mevrouw Blanksma vroeg op dit punt om een bevestiging. Parallel hieraan zal overigens in zulke gevallen de route via normale wetgeving worden opgestart, waardoor een en ander uiteindelijk weer in de Kamer komt, die zich hierover kan buigen. Dit is in het proces het eerste ventiel waarmee wij de zorgvuldigheid dienen.

De heerIrrgang(SP)

Ik kom nog even terug op het mooie weekend. Uiteraard bedoelde ik dit als grap. Toch verdient de voorbereiding van een wetstraject zorgvuldigheid. Als uw ambtenaren structureel overbelast zijn, hebt u wellicht niet minder beleidsambtenaren nodig, maar juist meer. Als het zo niet kan, moet er een oplossing voor gevonden worden, ook met het oog op de toekomst.

MinisterBos

Ik moet nu uitkijken wat ik zeg, want mijn ambtenaren zitten naast mij. Ik wilde zeggen dat zij houden van hard werken en dat ik het goede voorbeeld probeer te geven.

Ik geloof niet dat er sprake is van structurele overbelasting, maar er is wel sprake van een piekbelasting in samenhang met de onderhavige richtlijn en alles wat daaraan vastzit. De ambtenaren hebben zich daar kranig doorheen geslagen, maar wij hopen dat zoiets niet elke zes maanden voorkomt. Tegen die tijd meld ik mij wel hier.

Er is een tweede, complexer, ventiel, waarnaar is gevraagd door mevrouw Blanksma. Er is uiteindelijk ook een mogelijkheid om op Europees niveau eventuele fouten te herstellen, zij het dat wij dan spreken over het herzien van de richtlijn als zodanig. Dat is in theorie niet uitgesloten. Als wij in het geheel defecten tegenkomen die alleen op Europees niveau aan de orde kunnen worden gesteld, zullen wij dat zeker doen. Ik kom dadelijk nog op een punt waarop wij ons op Europees niveau willen inzetten.

Een derde ventiel is dat de AFM zich bereid heeft verklaard om op een tweetal terreinen, de "ken uw cliënt"-regels en een aantal regels op het terrein van best execution, coulance te betrachten. De Kamer heeft daar de nodige vragen over gesteld. Hoewel wij niet in strikte zin de implementatieperiode van negen maanden die voorzien was nemen, is de periode die begint op 1 juli, toen het wetsvoorstel bekend werd, en die eindigt op 31 maart, als de coulance van de AFM in principe afloopt, ook negen maanden. Dat is niet helemaal toevallig. Daarmee is een buffer in het proces ingebouwd om iedereen te laten wennen en de zaken op orde te krijgen in een periode die ongeveer zo lang is als destijds werd bedoeld.

De AFM heeft op een tweetal terreinen toegezegd coulance te zullen betrachten. De marktpartijen hebben zelf gezegd dat zij daar de meeste behoefte aan hebben. Zij denken dat daar de druk en het risico het grootst zijn, zodat zij daar niet alles helemaal voor elkaar zullen hebben. Dan nog heeft de AFM niet gezegd dat zij een blanco cheque geeft en tot 1 april alles accepteert. De normen voor de bedrijven blijven onverkort gelden. Men is bereid in de handhaving enige coulance te betrachten, maar wel met voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat de ondernemingen duidelijk maken dat zij er alles aan doen om een en ander binnen de normale termijnen voor elkaar te krijgen. Voorts moet men zolang men de zaken in het licht van de nieuwe regels nog niet voor elkaar heeft gewoon aan de oude regels blijven voldoen. De overgangsperiode is dus niet een periode waarin opeens alles kan. Er is een aantal strikte uitzonderingen geschapen en een aantal strikte voorwaarden verbonden aan de coulance die de AFM heeft gezegd te willen betrachten.

De heerWeekers(VVD)

De uitleg over de periode van negen maanden klinkt erg ruimhartig, maar eigenlijk moet naar mijn mening gewoon gerekend worden vanaf het moment dat de wetgeving de Tweede Kamer is gepasseerd. Er zijn al een paar nota's van wijziging geweest. Na 1 juli is er nog een hele consultatieronde geweest. Ik herhaal mijn verzoek uit de eerste termijn om na te gaan of 1 april een reële datum is. Als het een reële datum blijkt te zijn en een enkeling er niet aan blijkt te kunnen voldoen, had die enkeling misschien wat sneller moeten werken. Wanneer zich straks toch nog bepaalde problemen voordoen, op andere punten dan tot op dit moment zijn aangemeld, is de minister dan bereid te spreken over een nadere coulance, zonder overigens een blanco cheque af te geven? Wel ben ik het met de minister eens dat duidelijk moet zijn dat iedereen zijn stinkende best moet doen om aan de nieuwe regels te voldoen.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Ter aanvulling op de heer Weekers: het is niet belangrijk of wij vinden dat het in vier, vijf of negen maanden kan, het is veel belangrijker wat de marktpartijen zelf haalbaar achten. Als zij zich committeren aan vijf maanden, kan ik daarmee leven.

MinisterBos

Dat laatste is wel mijn indruk. Het gesprek gaat natuurlijk door. Wij zullen de komende maanden onze ogen en oren echt niet sluiten voor de ontwikkelingen tussen de marktpartijen. Als ik echter vandaag zeg dat 1 april ook wel 1 mei of 1 juni kan worden, zijn alle prikkels om te proberen op tijd te zijn natuurlijk weg. Ik ben er vast van overtuigd dat het moet kunnen per 1 april. Nogmaals, de datum, de thema's en de gebieden zijn gekozen na consultatie van de marktpartijen. Ik sluit mijn ogen en oren niet voor de ontwikkelingen, maar ik zou het hier toch wel bij willen houden en ik zou eenieder die hierbij betrokken is – dit geldt dus zowel voor ons als voor de AFM en de marktpartijen – willen oproepen tot een gezamenlijke inspanning om dit mogelijk te maken.

De heerTony van Dijck(PVV)

Ik vind het wel erg dun dat u zegt dat partijen hun best moeten doen en moeten aantonen dat zij er alles aan gedaan hebben om aan de regels te voldoen. Maar wat betekent het in de praktijk als iemand vergeleken met de best practice gigantische fouten maakt? Zegt de AFM dan dat het nog geen 1 april is en dat hij toch zijn best heeft gedaan?

MinisterBos

De AFM heeft een brief gestuurd over haar handelwijze in de coulanceperiode als het gaat om gedragingen op het vlak van beste uitvoering en ken uw cliënt. Als bedrijven zich niet aan die regels houden, heeft de AFM haar normale sanctie-instrumentarium ter beschikking. Maar nogmaals, alles is erop gericht om er nu juist voor te zorgen dat dit niet gebruikt hoeft te worden. Wij denken dat wij de twee gebieden hebben gekozen waarop de problemen waarschijnlijk het grootst zullen zijn, en dat wij een termijn hebben gekozen die voor bedrijven in principe voldoende moet zijn om de zaak op orde te brengen. Maar als ik zeg dat het geen laat-maar-waaienperiode zal zijn, dat er geen blanco cheque wordt gegeven en dat de AFM voorwaarden stelt voor het in aanmerking komen voor coulance, dan zeg ik dat niet zo maar, want er wordt natuurlijk wel gewoon toezicht gehouden en er wordt gewoon gehandhaafd.

De MiFID biedt in principe een mogelijkheid van vrijstelling en wij hebben aangegeven dat wij een nadere regeling voor de tussenpersonen zullen maken: het nationale regime. Ik meen dat wij het erover eens zijn dat het mogelijk zal zijn om over de specifieke uitwerking hiervan van gedachten te wisselen als wij eenmaal daartoe overgaan. Wij waren voornemens om dit bij ministeriële regeling te doen; daarop is een en ander formeel-juridisch ook ingericht. Een ministeriële regeling biedt anders dan een AMvB geen mogelijkheid om via een voorhangprocedure en dergelijke met de Kamer overleg te voeren, maar materieel kunnen wij het wel op dezelfde manier doen. Ik zou dan ook willen voorstellen om de regering de ruimte te geven om het formeel-juridisch te doen zoals wij het van plan waren, dus bij ministeriële regeling, waarbij de regering die op een zodanig tijdstip aan de Kamer zal voorleggen dat wij er overleg over kunnen voeren en dat wij de uitkomst daarvan ook nog in de definitieve regeling kunnen verwerken.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Kunt u niet toezeggen dat die ministeriële regeling toch zal worden omgezet in een algemene maatregel van bestuur en dat die voorgehangen zal worden?

MinisterBos

Nogmaals, ik ben bereid om materieel hetzelfde te doen als wat de Kamer vraagt. Gunt u mij alleen nog even wat tijd om de technische problemen die zich daarbij kunnen voordoen, op een rijtje te zetten. Het is geen politieke onwil, het gaat er echt om, hoeveel werk wij ons daarmee op de hals zouden halen en of het formeel juridisch iets uitmaakt. Ik zal ervoor zorgen dat de Kamer onze argumenten op papier heeft voordat wij aan het afsluitende debat beginnen. Er zal dus nog ampel gelegenheid zijn om hier inhoudelijk over van gedachten te wisselen, maar gelet op de opmerkingen die nu gemaakt zijn, zal ik er toch alvast iets over zeggen.

De heer Tang vroeg om hoeveel bedrijven of bedrijfjes het nu eigenlijk gaat, en wat groot en wat klein is. Wij hebben in de afgelopen uren wat cijfers kunnen vinden. Er zijn in Nederland 8500 tussenpersonen, waarvan 90% met vijf mensen of minder werkt. Dat laat zien dat de overgrote meerderheid van tussenpersonen of tussenpersoonbedrijfjes zo klein is, dat je ze niet zou moeten willen belasten met de bedrijfsorganisatorische eisen die uit hoofde van de MiFID gesteld kunnen worden. Dat zou echt disproportioneel belastend zijn. Het zou bovendien niet zinnig zijn om binnen het nationaal regime onderscheid te maken tussen klein en groot. 90% heeft vijf mensen of minder, 8% heeft tussen de zes en de twintig mensen, en 2% heeft meer dan twintig mensen. Dat geeft enige rechtvaardiging voor het standpunt om het niet verfijnder te willen maken.

Er zijn twee typen MiFID-eisen aan de orde. Het eerste type heeft betrekking op de bescherming van beleggers. Dat zijn de MiFID-gedragsregels, zoals de "ken uw cliënt"-regels. Wat ons betreft blijven deze in het nationale regime onverkort van toepassing. Met het nationale regime leveren wij dus niet in op consumentenbescherming. Het andere type eisen is meer bedrijfsorganisatorisch van karakter. Zo moet er bijvoorbeeld een tweehoofdige leiding zijn. Zo moet er een aparte compliancefunctie in het bedrijf georganiseerd zijn. Op die eisen is het nationale regime een slag meer maatwerk dan de MiFID.

Als wij de MiFID-eisen volledig en onverkort voor die groep van tussenpersonen zouden laten gelden, dan zou dat wel eens kunnen betekenen dat zij zich de facto gaan terugtrekken uit de advisering over MiFID-producten, zoals de effectenhypotheek. Dat zou kunnen betekenen dat de verleiding voor cliënten groter wordt om richting beleggingsverzekeringshypotheken te gaan. Dat zou op zijn minst twee nadelige effecten hebben. De Kamer heeft recent via het initiatiefvoorstel-Depla/Blok juist op dit gebied meer level playing field willen organiseren. Dat zouden wij nu dan weer verstoren. Daarnaast hebben wij recent onze ervaringen gehad met beleggingsverzekeringen. Denk aan de woekerpolissen. Het zou jammer zijn als onze regelgeving voor tussenpersonen zou betekenen dat er een druk die kant op ontstaat. Om deze redenen zou een nationaal regime misschien wel eens een heel goed idee kunnen zijn.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Mij is niet helemaal helder wat wij nu precies bedoelen met een tussenpersoon, een kleine onderneming of een assurantietussenpersoon. Vallen zij allemaal onder het nationale regime? Gaat het daarbij om die 90%?

MinisterBos

Het gaat om de volledige groep van 8500 die ik net noemde: alle financiële ondernemingen die adviseren over en die orders ontvangen en doorgeven ten aanzien van deelnemingsrechten in beleggingsfondsen. In de praktijk blijkt 90% daarvan vijf man of minder in dienst te hebben.

De heerTang(PvdA)

Ik begrijp dat de ambtenaren dat in de afgelopen uren naar boven hebben gehaald, maar was het niet logisch geweest om deze feiten vooraf te kennen? Het zal wel te maken hebben met de piekcapaciteit ...

MinisterBos

Wij bewaren altijd iets spannends voor een overleg als dit.

De heerTang(PvdA)

Voor tussenpersonen kan ik dit verhaal overtuigend vinden, maar er zijn ook strenge MiFID-eisen voor vermogensbeheerders en beleggingsadviseurs. Dat is hiermee nog niet geadresseerd. Bovendien is er geen inzicht in het belang van effectenhypotheken in vergelijking met beleggingsverzekeringshypotheken.

MinisterBos

Ik verklaar die vragen niet buiten de orde. Als wij de specifieke invulling bekijken, kunnen wij het daarover wat mij betreft hebben. Als MiFID is geïmplementeerd, is dat een goede gelegenheid om twee andere dingen te doen. Ten eerste is dat de deskundigheidsbevordering bij tussenpersonen. In overleg met het college deskundigheid moeten wij bekijken of het mogelijk is om de deskundigheidseisen naar het DSI-niveau te tillen. Ten tweede is er het voornemen om een aantal eisen uit het nationaal regime ook van toepassing te verklaren op de beleggingsverzekeringen, dit alles vanuit de gedachte van een gelijk speelveld. Het is nu een kwestie van het in de juiste volgorde doen van de dingen. Dat is zoals gezegd zeker niet buiten de orde wat mij betreft.

De heerIrrgang(SP)

Natuurlijk is het niet buiten de orde, daar gaan wij zelf over. U zegt dat steeds alsof dat een toezegging is! De essentie is of de eisen die aan aandelenhypotheken worden gesteld onder het nationaal regime worden verlaagd, waardoor zij vergelijkbaar worden met beleggingshypotheken, of dat wij de eisen die aan beleggingshypotheken worden gesteld, verhogen. Het laatste zou mijn inzet zijn, met name als het gaat om de provisietransparantie, maar ook om deskundigheidsbevordering. Ik krijg op dat punt graag een toezegging.

MinisterBos

Ik blijf zeggen dat u niet kunt volhouden dat wij de eisen die wij stellen aan aandelenhypotheken gaan verlagen. Dat deel van MiFID dat betrekking heeft op gedragsregels komt nu juist terecht in het nationaal regime, maar het deel dat betrekking heeft op de meer bedrijfsorganisatorische aspecten en de eisen die daar aan tussenpersonen worden gesteld, wordt versoepeld. De consument wordt daarvan op geen enkele wijze het slachtoffer. Integendeel, wij zijn begonnen aan het nationale regime omdat wij vreesden dat, als wij MiFID onverkort zouden toepassen op tussenpersonen, de consument daarvan het slachtoffer zou kunnen zijn. Dit is juist gedaan om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.

De heerIrrgang(SP)

Volgens mij kun je het onderscheid tussen bedrijfsorganisatorische aspecten en bescherming van de consument niet altijd even goed maken. Een integere bedrijfsvoering is bijvoorbeeld ook in het belang van de consument. Wat betekent dit voor de provisieregels?

MinisterBos

Dat begrijp ik. Mede naar aanleiding van uw inbreng ben ik tot de conclusie gekomen dat het waarschijnlijk verstandig is om ernaar te streven dat de provisieregels voor complexe MiFID-producten, waarvan het de bedoeling was dat die per 1 oktober 2009 zouden gaan gelden, per 1 januari 2008 ingang te doen vinden. Dat sluit namelijk beter aan bij de inbreng van een aantal uwer. Dan heeft u op het punt van de provisie waar u om vraagt.

De heerWeekers(VVD)

Bepaalde bedrijfsorganisa­torische eisen strekken inderdaad ter bescherming van de consument. Maar ik begrijp dat wij dat nog nader met elkaar uitdiscussiëren als wij de ministeriële regeling of AMvB krijgen. Op welke termijn denkt de minister die aan de Kamer aan te bieden? Als je een uitzondering in de wet gaat maken, moet je vanaf het inwerkingtredingsmoment heel goed duidelijk hebben welke andere eisen worden gesteld aan dit soort financiële ondernemingen, ten opzichte van de MiFID-plichtigen.

MinisterBos

Uw laatste punt bevestig ik, los van hoe wij dit in algemene zin hebben benaderd en welk onderscheid wij denken te maken tussen gedragsregels en bedrijfsorganisatorische regels. Dat wordt onderdeel van de nadere regeling die ik aan de Kamer zal voorleggen. Daarover zullen wij het dus nog uitgebreid met elkaar kunnen hebben. Dan zullen alle commentaren in termen van proportionaliteit en dergelijke hun plek kunnen krijgen in het debat. De heer Weekers heeft gelijk dat wij niet lang kunnen wachten. Het is mijn voornemen om als het maar enigszins mogelijk is, alles wat hierop betrekking heeft voor het eind van het jaar aan u voorgesteld én behandeld te krijgen. Dat betekent waarschijnlijk dat wij eind november, begin december alles aan de Kamer moeten hebben gepresenteerd, willen wij het voor het eind van het jaar afgehandeld krijgen.

De heerWeekers(VVD)

Ik waardeer de constructieve benadering van de minister en ik besef dat hij geen ijzer met handen kan breken, maar toch zou ik hem willen aansporen om de nadere regeling voor 1 november aan de Kamer te presenteren. Dat is per slot van rekening ook de datum van inwerkingtreding van de MiFID. Het is erg vreemd om deze wet per 1 november te laten ingaan terwijl over de categorie die daarvan in generieke zin wordt vrijgesteld, pas na die datum met de Kamer wordt gesproken wat betreft de nadere voorwaarden. Dat lijkt mij de verkeerde volgorde.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Dat ondersteun ik.

MinisterBos

Ik kan u allemaal argumenten noemen waarom mij dat niet gaat lukken, maar ik stel voor dat ik het anderhalve etmaal dat ik nog ter beschikking heb, neem om even goed te denken wat ik nog wel en niet kan met uw signaal. Dan komen wij er in het plenaire debat op terug.

De heerTony van Dijck(PVV)

Ik vraag mij af hoe Europa staat tegenover zo'n uitzonderingspositie voor zo'n belangrijke grote groep van tussenpersonen. Wat betekent dit voor andere lidstaten? Hebben die ook bepaalde branches of beroepsgroepen uitgesloten van de MiFID?

MinisterBos

MiFID laat expliciet de mogelijkheid open om voor deze groep zo'n nationale vrijstelling te regelen. Dus het valt helemaal binnen de Europese richtlijn.

De heerTony van Dijck(PVV)

Zal elke lidstaat deze groep uitzonderen van de MiFID of zijn wij de enige?

MinisterBos

Ik ben wellicht in staat om u schriftelijk iets meer te vertellen over waar het wel en waar het niet gebeurt.

De heerIrrgang(SP)

Ik dank de minister voor zijn toezegging dat de aandelenhypotheek valt onder de MiFID-bepaling ten aanzien van de provisie.

MinisterBos

De effectenhypotheek.

De heerIrrgang(SP)

Inderdaad. Dat is dan mijns inziens winst. Ligt het dan overigens niet voor de hand om deze gelegenheid te gebruiken om tot een versnelling te komen ten aanzien van de beleggingshypotheek met daaraan gekoppeld de beleggingsverzekering, namelijk van 1 oktober 2009 naar 1 januari aanstaande? Hierdoor kan ongelijkheid worden voorkomen.

MinisterBos

Er is niet voor niets onderscheid tussen MiFID-producten en niet-MiFID-producten. Bij beleggingsverzekeringen hebben wij natuurlijk nogal wat lopen op het moment. Ik wijs op de discussie over de bijsluiters en over het rapport van de commissie-De Ruiter. Er is naar aanleiding van de woekerpolissen onderzoek uitgezet; er loopt een traject bij de Nationale ombudsman en de geschillencommissie. Ik wil dit soort processen nu niet nodeloos doorbreken en verstoren, teneinde daar uit te laten komen wat wij er graag uit willen laten komen. Pas als aan het eind van de rit zou blijken dat het in termen van bijvoorbeeld consumentenbescherming niet biedt waar wij op hopen, dan zullen wij iets anders moeten overwegen. Laten wij nu dus eerst doen wat wij moeten doen, en dat is zorgen dat wij de MiFID-producten goed regelen etc. Vervolgens kunnen wij dan bezien of er eventueel noodzaak is om meer te doen. Echter, om alles wat nu loopt bij voorbaat te belasten met conclusies dat er nog meer moet gebeuren, vind ik niet helemaal recht doen aan de afspraken die wij bijvoorbeeld met de verzekeraars, de Nationale ombudsman en het Kifid hebben gemaakt over de nu lopende trajecten.

De heerTang(PvdA)

De minister heeft eerder het argument gebruikt dat tussenpersonen uitgezonderd moeten worden om te voorkomen dat effectenhypothe­ken en beleggingshypotheken niet door dezelfde persoon kunnen worden aangeboden. Dit is eigenlijk een kwestie van gelijke behandeling. Nu zegt de minister dat het om twee verschillende producten gaat en dat er een keuze gemaakt moet worden. Daarmee ondergraaft hij zijn eerdere betoog.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Ik meen dat de eerdere toezegging van de minister ruimer was ten aanzien van de transparantie bij beleggingsverzeke­ringen. Voor mij is het in ieder geval onduidelijk.

MinisterBos

Ik heb gezegd dat ik bereid ben om na de implementatie van de MiFID de eisen van het nationaal regime ook toe te passen op beleggingsverzekeringen, mede met het oog op het level playing field. Ik meende dat de vraag van de heer Irrgang een veel bredere strekking had, maar daarin heb ik mij blijkbaar vergist. In ieder geval staat mijn toezegging. Ik doe geen poging om die te relativeren.

De heerTang(PvdA)

Ik wil graag precies weten wat er toegezegd is. Ik heb gehoord dat de regels die zullen gelden voor effectenhypotheken ook van toepassing worden op hypotheken op basis van een beleggingsverzekering. Dat lijkt mij ook logisch. Het nationaal regime is er juist op gericht om de ongelijke behandeling weg te nemen. Ik weet nu niet wat de minister precies bedoelt. Nemen wij deze discussie hierin mee of niet?

MinisterBos

Ik probeer het nog een keer. Naar aanleiding van een aantal overleggen in de Kamer is op een gegeven moment besloten, over te gaan tot provisietransparantie voor een reeks financiële diensten. De ingangsdatum daarvan is 1 oktober 2009. Ik zeg nu toe dat ik bereid ben om ernaar te streven dat dit voor de MiFID-producten 1 januari 2008 wordt. Daarnaast moeten wij een aantal dingen regelen voor tussenpersonen en MiFID-producten. Onze stelling is dat er, wanneer wij de MiFID onverkort van toepassing verklaren op tussenpersonen, een onbalans in het aanbod van effectenhypotheken en beleggingsverzekeringshypotheken kan ontstaan. Dat willen wij niet. Daarom kiezen wij voor een nationaal regime dat voor bedrijfsorganisatorische aspecten wat lichter is dan uit hoofde van de MiFID vereist zou zijn. De precieze afbakening van een en ander komt bij het bespreken van de ministeriële regeling aan de orde. De andere gedragsregels, zoals de "ken uw cliënt"-regels, blijven voor de MiFID-producten onverkort op MiFID-niveau. Tot slot ben ik bereid om hetzelfde niveau van consumentenbescherming van toepassing te verklaren op de beleggingsverzekeringen.

Voorzitter. Ik heb geprobeerd om het zo helder mogelijk te verwoorden, maar ik zie dat dit nog niet gelukt is.

De heerIrrgang(SP)

Het is wel helder, maar ik ben het er niet mee eens. De minister zegt dat er per 1 januari aanstaande geen transparantie komt over de provisie voor een beleggingshypotheek met daaraan gekoppeld een beleggingsverzekering. Daarop moeten wij wachten tot 1 oktober 2009. Voor de effectenhypotheek geldt die transparantie wel op 1 januari aanstaande. Daarmee is er sprake van ongelijkheid op een voor de bescherming van de consument zeer belangrijk punt. Ik verzoek – volgens mij wordt dit verzoek breed gedeeld – om dit gelijk te trekken.

MinisterBos

U vat mijn betoog goed samen. Er is dus nog een punt waarvan onduidelijk is wat daarvan de precieze implicaties zijn. Ik ben bereid om nog eens grondig na te gaan wat er op dit terrein mogelijk is. Ik zal hier tijdens het plenaire debat op terugkomen.

De heerTony van Dijck(PVV)

Waarom kan zo'n beleggingsverzekering niet gewoon als MiFID-product worden aangemerkt? Dan is het probleem met het onderscheid toch opgelost? Daar zit volgens mij de crux.

MinisterBos

Omdat Europa bepaalt wat MiFID is. Dat is de kern. De enige manier waarop de Europese regeling een harmoniserende werking kan hebben, is dat Europa bepaalt waar wij het bij deze richtlijn over hebben. Vervolgens mag daar nationaal niet van worden afgeweken.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

De minister heeft vier punten genoemd die in het nationaal regime een verduidelijking krijgen. Het vijfde punt dat ik eraan wil toevoegen, is de deskundigheid en de opleidingseisen. Daar hebben wij het nu nog niet over gehad, maar deze zijn ook verschillend.

MinisterBos

Daar heb ik al over gesproken. Ik kan mij voorstellen dat wij schriftelijk nog iets meer informatie geven over de implicatie daarvan. Ik heb gezegd dat ik bereid ben om te bezien in hoeverre wij de deskundig­heidseisen die wij stellen aan tussenpersonen, kunnen verhogen tot DSI-niveau. Ook hierover zal ik schriftelijk nog wat meer informatie geven.

De nationale koppen. Misschien is het goed om eerst aan te geven waarom het uitgangspunt is dat je moet proberen om nationale koppen te vermijden. 1. In het algemeen leidt dit tot meer administratieve lasten. 2. Het level playing field kan hierdoor worden verstoord. Dat betekent niet dat je het dus maar nooit wilt, maar wel dat je het vooral in termen van proportionaliteit zult moeten afwegen tegen andere zaken die je belangrijk vindt. Gelukkig is er bij de meeste Kamerleden wel begrip voor de afweging die uiteindelijk door ons is gemaakt. Daarbij zijn twee aspecten van groot belang geweest. Beide eisen die wij aan de nationale koppen willen stellen – de cliëntenovereenkomst en de geschillenbeslechting – zijn nadrukkelijk verbonden aan het publieke belang van consumentenbescherming. Dat is niet niks. Dat hoort een plaats te krijgen binnen een afweging zoals deze. Een volgende reden waarom wij denken dat het alleszins verantwoord is om met deze twee nationale koppen te komen, is dat in de praktijk een heleboel Nederlandse aanbieders al een cliëntenovereenkomst hebben en al aangesloten zijn bij de geschillenbeslechting via ombudsman Kifid. Daarmee is de toegevoegde last voor de bedrijven in vergelijking met het hogere doel dat wordt gediend alleszins redelijk.

Een aantal leden heeft gewezen op de verschillende toezichthouders en de verschillende landen en gevraagd hoe je met dat soort dingen omgaat. Het principe is dat de regels Europees zijn. Ik ben niet zo huiverig voor de toezichtsconcurrentie die hier door een aantal leden is genoemd omdat de regels Europees zijn. De nationale koppen vormen hierop natuurlijk een uitzondering, maar het gros van de regels is Europees. Voor de handhaving van die regels gaat het home country control principe gelden. De Roemeense toezichthouder is dus verantwoordelijk voor de Roemeense instelling die onder de Europese regels opereert. Ik zie ook wel dat Nederlandse consumenten misschien een beetje huiverig worden van het idee dat zij zich bij problemen tot de Roemeense toezichthouder moeten wenden. Precies dat gegeven relativeert het antwoord op de vraag of de nationale kop die wij op dit punt gaan instellen, per saldo een nadeel is voor Nederlandse instellingen of een voordeel. De Nederlandse instellingen die te maken hebben met deze nationale kop, moeten inderdaad iets meer dan buitenlandse instellingen die in Nederland opereren, maar zij kunnen wel tegen hun Nederlandse cliënten zeggen dat zij bij een geschil niet naar Boekarest hoeven te gaan, maar het geschil bij de ombudsman van Kifid beslecht kunnen krijgen. Dat is dus een voordeel voor die consumenten. De consumenten kunnen straks een afweging maken. Zij kunnen ook met niet-Nederlandse instellingen in zee gaan. Dan hebben zij niet te maken met die nationale koppen, maar dan wordt het op z'n minst een stuk complexer wanneer zich een probleem voordoet. Niets is onmogelijk, maar het wordt wel complexer. Daar staat tegenover dat zij, wanneer zij bij Nederlandse instellingen blijven, in ieder geval weten op welke route van geschillenbeslechting zij zijn aangesloten.

De heerTang(PvdA)

Zegt u hiermee dat de Europese concurrentie niet gaat werken voor de Nederlandse consumenten en dat het voor niet-professionele beleggers toch het verstandigste is om aangesloten te blijven bij Nederlandse bedrijven? Zou u omgekeerd niet kunnen bewerkstelligen dat buitenlandse aanbieders zich wel aansluiten bij de Nederlandse geschilleninstantie?

MinisterBos

Nee, dat kan ik niet, maar dat kunnen zij zeker doen. Wij hebben voor deze twee nationale koppen gekozen, omdat wij denken dat dit per saldo niet of nauwelijks een concurrentieverstorend effect zal hebben. Wat betreft het effect van deze twee nationale koppen in het geheel van de regelgeving die nu aan de orde is, denk ik dat de interne markt van dit type financiële dienstverlening wordt bevorderd door de manier waarop wij de MiFID invoeren. Er zijn twee heel kleine uitzonderingen om nationaal nog iets te regelen. Dat is verantwoord in het licht van het hogere belang van de consumentenbescherming en van het feit dat heel veel Nederlandse bedrijven dit toch al doen.

De heerWeekers(VVD)

De minister heeft aangegeven dat aansluiting bij Kifid een pre is vanwege die nationale kop. Om die reden zou je het ook moeten overlaten aan de markt zelf. Een zichzelf respecterende onderneming heeft dan een concurrentievoordeel door zich bij een dergelijk instituut aan te sluiten. De vraag is of het productief is om dat als wetgever te regelen.

MinisterBos

Hier komt de oerliberaal in u naar boven. Volgens deze redenering heb je nooit enige vorm van consumentenrecht of -bescherming nodig, omdat de consument altijd zo goed is geïnformeerd dat hij risico's, baten en lasten kan afwegen en altijd de goede keuze maakt. Ik denk dat wij in de loop der tijd door schade en schande iets wijzer zijn geworden dan dat en weten dat het ook in het belang van de consument is om sommige dingen gewoon goed te regelen en in het recht vast te leggen, bijvoorbeeld omdat er informatieachterstanden kunnen voorkomen. Om die reden hebben wij rechtens een aantal aspecten van consumentenbescherming vastgelegd en dat zou ik wel graag zo willen houden.

De heerIrrgang(SP)

Gebruikt u zelf niet dat oerliberale argument om te verdedigen dat de buitenlandse bedrijven die in Nederland zijn, niet zijn aangesloten bij Kifid? Is het niet een fundamentele weeffout van MiFID dat dit niet kan? Moet u dat niet in Europees verband aan de orde stellen? Het zat ook al in de ISD, maar eigenlijk is het principe op dit punt niet goed.

MinisterBos

Als ik door SP en VVD word aangevallen, weet ik dat ik goed zit; dat is mijn standaardantwoord. Ik kan die opmerking over buitenlandse aanbieders alleen maar maken omdat ik weet hoe het werkt bij de overgrote meerderheid van Nederlandse aanbieders. Ik zou dat argument niet gebruiken als het voor iedereen zou gelden. Omdat je weet dat de consumenten een keuze hebben, waarbij onderdeel van het pakket is dat zij weten waar de geschillenbeslechting plaatsvindt, vind ik het te accepteren dat er buitenlandse aanbieders op die markt zijn waarbij dat misschien niet het geval is. Dit verhaal zou ik niet hebben als er alleen partijen zijn waarbij voor de consument niet vooraf duidbaar is welke route er is voor geschillenbeslechting.

Mevrouw Blanksma heeft gevraagd of de Tweede Kamer wordt geïnformeerd als er nog meer nationale koppen in worden opgenomen. Uiteraard. In het conceptbesluit dat inmiddels naar de Raad van State is gegaan, zijn geen verdere nationale koppen opgenomen, maar mocht dat op enig moment aan de orde komen dan zullen wij de Tweede Kamer daarover tijdig informeren.

De heer Weekers vroeg zich af of er bij de dubbele vergunningplicht ook geen sprake was van gold-plating, dus van meer doen dan strikt noodzakelijk. Ik denk dat dat niet zo is. Ik ben best bereid om dat uitgebreid op te schrijven in de schriftelijke beantwoording. Wat wij hier doen, is echt één op één een uitvoering van wat de MiFID van ons vraagt. Daaruit blijkt dat, ook als een instelling zich al kwalificeert binnen het gereguleerde marktregime en ook richting het Multi-lateral Trade Platform "trading facility"-activiteiten wil ondernemen, ook voor die activiteiten weer een vergunning nodig is. In het kader van die laatste vergunningverplichting gaat men niet nog een keer dingen toetsen die in het kader van eerdere vergunningen al eerder getoetst zijn. Ook als wij het tot één vergunning zouden maken, zou er dus nog dezelfde informatie in staan als nu bij twee aparte vergunningen. Het leidt dus niet tot aanvullende administratieve lasten voor de betrokken instellingen. Het is geen extraatje ten opzichte van wat in de richtlijn geëist wordt.

Enkele leden hebben gevraagd of de vandaag aan de orde zijnde transparantieregels voor allerlei beleggingsdiensten niet ook zouden moeten gelden voor andere financiële instrumenten. Daarbij ging het met name om opties, derivaten en dergelijke. Daarbij spelen twee zaken een rol. Ten eerste is natuurlijk sowieso sprake van een zorgplicht, maar als wij de transparantieregels expliciet op deze markt van toepassing zouden verklaren, is het risico groot dat de markt zich verplaatst naar plekken waar die regels niet gelden. Daar lijkt Nederland niet bij gebaat. Dat betekent niet dat wij die transparantieregels geen goed idee vinden, maar wel dat het proberen om die transparantieregels ook voor die markten ingang te doen vinden, niet zozeer een nationale, binnenlandspolitieke kwestie is, maar dat wij moeten proberen om dat in Europees verband voor elkaar te boksen. Dan zal dat verplaatsingseffect zich immers niet voordoen. Ik zinspeelde er in het begin van mijn antwoorden al op dat ik bereid ben om mij er naar aanleiding van deze vragen in Europees verband actief voor in te zetten dat de transparantieregels voor andere financiële instrumenten op hetzelfde niveau gebracht worden, maar dan binnen Europa. Dan worden die regels dus niet alleen in Nederland toegepast. Daarmee wordt voorkomen dat zaken zich naar het buitenland verplaatsen, waarna Nederlandse consumenten die diensten nog steeds kunnen betrekken vanuit het buitenland, zonder dat zij adequate bescherming hebben. Je lost er dus niets mee op, want de consument kan de dienst nog steeds gebruiken en is dan nog steeds net zo onbeschermd, maar je haalt wel business uit Nederland weg. Dat lijkt mij uiteindelijk in niemands voordeel. De koninklijke oplossing lijkt mij daarom om een oplossing op Europees niveau te zoeken. Zoals gezegd ben ik graag bereid om mij daar Europees actief voor in te zetten.

De heerIrrgang(SP)

Het zou natuurlijk heel goed zijn als daar een Europese afspraak over komt, maar die ligt er nu niet. Volgens mij is daar ook niet echt uitzicht op, maar misschien kan de minister daarop reageren. Ik vind het echter erg merkwaardig dat een instelling zoals Euronext hier wel voor pleit; zo heb ik het althans begrepen. Dat zou in feite betekenen dat Euronext ervoor pleit om de eigen business op te heffen. Dat is toch onlogisch?

MinisterBos

Ik ga niet over de argumentatie van Euronext.

De heerIrrgang(SP)

Dat snap ik, maar waarop baseert u dan dat dit leidt tot verplaatsing?

MinisterBos

Een letterlijke grenzeloze business, waarbij het bij wijze van spreken niet uitmaakt waar de server staat, zal zich natuurlijk wat makkelijker verplaatsen naar een plek waar de toezichtregels wat soepeler zijn, zeker als de consumenten nog steeds van die dienst gebruik kunnen maken, ongeacht vanuit welk land de dienst wordt aangeboden. Ik kan niet in een glazen bol kijken, maar op basis hiervan is het de vraag – ik druk mij buitengewoon voorzichtig uit – of de bescherming van de Nederlandse cliënt per saldo gediend wordt bij het verhogen van die transparantie-eisen, terwijl tegelijkertijd het risico misschien toeneemt dat die business zich zal verplaatsen. Wat schiet je er dan uiteindelijk mee op? De cliënt is niet beter beschermd en de business is weg. Ik kan niet voorspellen dat de ontwikkeling op die manier zal gaan maar ik kan wel beargumenteren waarom het risico bestaat.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Het gaat natuurlijk om de bescherming van de consument. De optiemarkt is historisch gezien absoluut uniek voor Nederland. Waarom zou deze markt zich door het stellen van een transparantie-eis opeens verplaatsen? Om die transparantie-eis is gevraagd door Euronext. Ik steun de vraag van de SP-fractie op dit punt. Euronext verwacht geen verplaatsing en naar mijn mening is de historie van Nederland met dit soort markten bepalend voor wat er uiteindelijk gaat gebeuren.

MinisterBos

Euronext ziet geen problemen maar is natuurlijk niet helemaal niet-belanghebbend. Een aantal MTF's, multilateral trading facilities, heeft wel problemen met die hoge transparantie-eisen en heeft dat ook kenbaar gemaakt. Zij zien zich in hun bestaansrecht bedreigd. In zekere zin is sprake van communicerende vaten want naarmate de MTF's het moeilijker hebben, heeft Euronext het gemakkelijker. Het blijft speculeren, maar misschien ligt daar de verklaring voor het feit dat verschillende partijen verschillende argumenten gebruiken. Ik probeer de zaak zo objectief mogelijk te benaderen. Mij lijkt transparantie goed vanuit het oogpunt van consumentenbescherming. Laten wij echter proberen om dat op Europees niveau te bewerkstelligen zodat wij niet het risico lopen dat de business zich naar het buitenland verplaatst terwijl de consument de financiële diensten bij die bedrijven blijft betrekken en nog steeds geen bescherming geniet.

De heerWeekers(VVD)

Ik worstel ook met dit onderdeel. Gelet op de grootte van de retailmarkt moet op dat gebied voor een stukje consumentenbescherming worden gezorgd. Ik zie echter ook het gevaar dat de minister beschrijft. Het is goed nieuws dat de minister zich gaat inzetten binnen Europa. Op welke termijn beoogt hij een zeker effect te bereiken? Ik begrijp dat er geen garanties te geven zijn, maar wat is het streven? Als de minister probeert om een en ander binnen een jaar te regelen, dan is dat voor mijn fractie acceptabel.

MinisterBos

Wij hoeven daar niet nu pas mee te beginnen. Vorige maand is in Brussel al een open hearing georganiseerd over non-equities. Dat ging ook over dit onderwerp. De discussie wordt dus al gevoerd. In Europa worden ook allerlei discussies gevoerd – nu gaat de heer Irrgang glimmen – over transparantie ten aanzien van hedgefondsen en complexe hoog-innovatieve producten. Daar maakt dit onderwerp een natuurlijk onderdeel van uit. De Brusselse molens malen langzaam en ik durf dus geen enkele garantie voor welke termijn dan ook te geven. Ik voel aan mijn water dat wij elkaar voor het einde van het jaar nog een keer over deze materie zullen spreken, bijvoorbeeld bij de verdere invulling van het nationaal regime. Ik zeg de Kamer toe voor dat overleg een update te sturen van de Europese ontwikkelingen op dit terrein.

De heerTony van Dijck(PVV)

Ik kom even terug op die aandelenopties. Ik heb ook dat stuk van Euronext gelezen.

MinisterBos

Vraag het hun dan, niet mij.

De heerTony van Dijck(PVV)

Euronext heeft het in dat stuk over oneerlijke concurrentie omdat het bedrijf transparant moet werken terwijl de MTF's dat niet hoeven.

MinisterBos

U ziet al mijn ambtenaren ter rechterzijde heel hard nee schudden. Mengt u zich na afloop even tussen hen en zij praten u erover bij. Partijen die een sterke positie hebben op een markt en zien dat die markt wordt geopend voor nieuwe partijen, zullen heel snel de term oneerlijke concurrentie in de mond nemen. Je moet je daar even niet te veel van aantrekken. Vervolgens moet je kijken of de eisen die aan alle partijen worden gesteld, hetzelfde zijn. Niet de vraag of er meer partijen bijkomen bepaalt of er oneerlijke concurrentie is, maar de vraag of de regels die je stelt aan alle partijen die er op enig moment zijn, fair en gelijk voor iedereen uitwerken. Ik denk echt dat hetgeen hier wordt voorgesteld aan alle eisen voldoet. Bij mij bestaat er geen enkele twijfel dat het een goede zaak zou zijn als wij de transparantie-eisen op deze markt omhoog kunnen brengen. De route waarlangs dat het meest effectief kan gebeuren, in het belang van ons land en de economie, lijkt mij via Europa te gaan. Het signaal van de heer Van Dijck is echter helder. Zoals gezegd, geef ik hem over een paar maanden graag een update.

Voorzitter. Een aantal leden, waaronder mevrouw Blanksma, heeft gevraagd naar de precieze juridische reikwijdte van de best-executionbepalingen en in hoeverre wij daarmee anders omgaan dan andere landen. Het is van belang om te weten dat in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk voor MiFID-producten op dit punt al verdergaande regels gelden dan wat wij nu in Nederland voorstellen. Ik ben best bereid om in de schriftelijke beantwoording nog wat specifieker te duiden waaraan dan moet worden gedacht. Als de best-execution­bepalingen straks gelden, is de AFM gewoon verantwoordelijk voor de handhaving. Het AFM-instrumentarium staat dan in principe open bij de handhaving. Dat betekent dat op enigerlei moment sprake kan zijn van bestuurlijke boetes. Het kan ook betekenen dat op enigerlei moment, maar dan moet nog aan een aantal andere eisen worden voldaan, sprake kan zijn van vormen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Het is dus geen lege huls. Het stelt echt wat voor, maar dan wel binnen de handhavingskaders van de AFM.

Er zijn vragen gesteld over handelen voor eigen rekening. Ook daar laat de definitie weinig ruimte voor discussie, zij het dat ik mij zeer wel realiseer dat er partijen op de markt zijn die daar graag nog wat aan sleutelen. Dat is echter iets anders dan dat de richtlijn ons die ruimte laat. Het begrip handelen voor eigen rekening is zowel in de MiFID als in de Wft – die horen ook echt bij elkaar; het concept wordt ook in de Wft gebruikt en het zou raar zijn om verschil te laten ontstaan tussen hoe er in de ene en in de andere wet over wordt gesproken – gedefinieerd als met eigen kapitaal handelen in financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties. Op het moment dat dit het geval is, is dus het SI-regime van toepassing, dat staat voor systematische internalisatie. Op het moment dat het voor consumenten zou zijn, is het dus niet voor eigen rekening. Dan gaan de normale gedragsregels gelden. Er zijn natuurlijk partijen in de markt die er belang bij hebben om het spectrum aan activiteiten dat onder deze definitie valt, groot dan wel klein te laten zijn. Misschien hebben partijen die zelf onder de gereguleerde markten vallen, liever dat bepaalde zaken onder het SI-regime vallen dan onder de normale gedragsregels, of precies andersom. Daarbij kunnen allerlei commerciële belangen aan de orde zijn. Daar ga ik verder niet over. Ik houd mij dus maar gewoon vast aan de Europese definitie die weinig speelruimte biedt en die voor ons werkbaar is gebleken bij het verder opstellen van de diverse regels in de wet. Zoals gezegd is er op het moment dat er sprake is van het SI-regime ook duidelijk hoe de AFM zou moeten gaan handhaven. Dat gebeurt dan ook. Als er geen sprake is van handel voor eigen rekening en dus ook niet van het SI-regime, dan gelden de normale gedragsregels, zoals je ze bijvoorbeeld in de Wet financieel toezicht of elders vindt. Dan gelden de toezichtsregels die dan aan de orde zijn. Het is dus niet zo dat er dan ineens sprake zou zijn van een zwart gat waarin er op geen enkele wijze meer sprake is van toezicht en handhaving, maar wel van een ander regime.

De heerIrrgang(SP)

Dat er commerciële belangen zijn, is evident. Zou de minister de vragen die ik en volgens mij ook anderen hebben gesteld over wanneer er nu precies sprake is van systematische internalisatie, schriftelijk kunnen beantwoorden? Hij moet immers wel aangeven wat de wet is of hoe de wet moet worden uitgelegd. Dat hij niet mag afwijken van de Europese regels, oké, dat is dan zo, maar hij moet wel aangeven hoe het dan zit.

MinisterBos

Dat is goed. Dat zullen wij doen.

Ten slotte nog het onderwerp van de client ID. Daar heeft een aantal leden naar gevraagd, met name de heer Weekers. Uiteindelijk trekt de heer Weekers dezelfde conclusie als wij, namelijk dat er best nog wat nadelen aan vastzitten – met name op het gebied van administratieve lasten – waardoor wij voorzichtig moeten zijn en het niet in een keer op de automatische piloot verplicht moeten opnemen. Ik zeg daar overigens bij dat er landen zijn – ik dacht het Verenigd Koninkrijk – waar het al onderdeel is van de praktijk en de regelgeving. Wij moeten hier dus ook voorzichtig zijn met argumenten zoals concurrentieverhoudingen en level playing field. Het gebeurt gewoon al in een aantal landen. Niettemin lijkt het ons verstandig om precies uit te zoeken wat het met zich mee zou brengen, en om vervolgens de uitkomsten van het onderzoek met ons voorgenomen standpunt aan de Kamer voor te leggen, zodat wij daar met elkaar over kunnen praten. Dit wordt verwacht in het voorjaar 2008.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat de Kamer in ieder geval de vragen voor de tweede termijn vaststelt, zodat die zoveel mogelijk schriftelijk beantwoord kunnen worden, want mondeling zal nu niet meer lukken. De vragen kunnen dan ook een rol spelen in het afrondende debat aanstaande woensdag. Kan iedereen daarmee leven?

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Er zijn natuurlijk veel vragen niet beantwoord nu, maar die stel ik dan toch niet nog een keer? Wat nog open is, wordt straks toch schriftelijk beantwoord?

De voorzitter:

Kan de minister hier iets meer duidelijkheid over geven?

MinisterBos

Ik had de indruk dat ik heel veel vragen wel heb beantwoord. Het principe is dat de vragen die nu niet beantwoord zijn, niet gedoken worden, maar dat de Kamer de antwoorden daarop schriftelijk krijgt. Ik hoop dat wij het zo uitvoerig hebben bijgehouden dat het straks blijkt te kloppen.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Dan heb ik geen behoefte aan een tweede termijn op dit moment. Ik wacht eerst alle antwoorden af en dan kunnen wij daarop in de plenaire zitting terugkomen.

De voorzitter:

Ik kijk even hoe dat bij de anderen ligt. De heer Weekers?

De heerWeekers(VVD)

Als ik nog een aanvullende vraag mag stellen over iets waarop de minister onvoldoende is ingegaan, dan vind ik het prima.

De voorzitter:

Het lijkt mij goed, nu gelegenheid te geven om vragen te stellen die naar aanleiding van het antwoord van de minister zijn gerezen, en om vragen te herhalen waarvan de leden betwijfelen of ze wel duidelijk zijn overgekomen.

MinisterBos

Niet om flauw te doen, maar om er met elkaar voor te zorgen dat wij het woensdag op een ordentelijke manier kunnen afhandelen, zou het ons zeer welkom zijn als de leden bereid zouden zijn om nog een keer de vragen te noemen – ook al is het ten overvloede – die zij al gesteld hebben, maar waarop zij nog geen antwoord hebben gekregen. Dan kunnen wij dat lijstje vergelijken met wat wij hebben opgeschreven en dan weten wij één ding zeker, namelijk dat uw Kamer woensdag alles heeft om het afsluitende debat te kunnen voeren.

De voorzitter:

Dat lijkt mij ook de juiste route.

MevrouwBlanksma-van den Heuvel(CDA)

Waarom het allemaal zo lang heeft geduurd, is verklaard, maar niet allemaal verschoond, zou je kunnen zeggen. De vragen met betrekking tot best execution zijn beantwoord. Ik geloof dat dit helder is. De manier waarop wij hier omgaan met best execution bezorgt ons in ieder geval geen nadeel ten opzichte van andere landen. Ik denk dat dit ook aan de orde is geweest.

Over de eis van transparantie heeft de minister het een en ander gemeld in verband met de opties en derivaten. Ik zal hierop terugkomen tijdens de plenaire vergadering. Wij willen dit op Europees niveau bezien. Op het nationale regime is ingegaan. Hierop komen wij ook nog terug. Wij zullen daarbij in ieder geval wat schoten voor de boeg nemen. Hoe strak zitten wij in het nationale regime? Ik heb de toezegging gehoord dat er geen nationale koppen zullen komen zonder dat de Kamer daarin wordt gekend.

De meeste van onze vragen liggen bij het toezichtwezen en het punt van de administratieve lasten. Gaat het aantal extra fte's bij de AFM niet de pan uitrijzen? Hoeveel extra werk krijgt de AFM door de uitvoering van de MiFID? Hoe ziet de minister dit op de korte en de lange termijn? Verder wil ik nog terugkomen op de Level 3 guidelines en de vrijheden op het punt van toezicht die hierin zitten. Hoe wil de minister hierbij de vinger aan de pols houden? Voert hij verder het gesprek over compen­satiemaatregelen voor de extra administratieve lasten? Op dit punt ligt immers een behoorlijke claim bij de sector. Het is tijd om hierover eens goed met elkaar te spreken. Wij moeten hierbij met een open oor luisteren naar de sector en de mogelijkheden voor verlichting serieus bezien.

De heerWeekers(VVD)

Voorzitter. Bij mij staat de vraag nog open welke vorm het meldpunt krijgt.

MinisterBos

Het wordt een website.

De heerWeekers(VVD)

Dat heb ik begrepen, maar het gaat hierbij om de algemene website van het ministerie van Financiën. Wat moet ik mij daarbij voorstellen? Wordt er verder aangesloten bij de reparatiewetgeving in het kader van de Wft, of bij andere wetgeving? De handreiking van de minister op het punt van coulance bij het toezicht vind ik acceptabel. Wij moeten inderdaad niet de suggestie wekken dat men de zaak maar kan laten lopen. Ik heb echter ook begrepen dat de minister zijn oren en ogen niet gesloten zal houden. Als er evidente knelpunten zijn, valt hierover dus nog te spreken zonder dat de deur wordt opengezet.

Op het punt van de gold-plating kom ik tijdens het plenaire debat van woensdag wellicht terug. Kan de minister in de schriftelijke beantwoording terugkomen op de dubbele vergunningsplicht? Kan hij daarbij de wetgeving in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk betrekken? Wij krijgen namelijk signalen dat de dubbele vergunningsplicht niet nodig zou zijn. Ik waardeer dat de minister heeft toegezegd dat een dubbele vergunningsplicht niet inhoudt dat er ook sprake zal zijn van een dubbele administratieve uitvraag.

Ik heb begrip voor het standpunt van de minister over de derivatenmarkt en de obligaties. Wat hierover nu gezegd is, is wat mij betreft voldoende als wij hierover vóór het einde van het jaar nog nader komen te spreken. Ik vind wel dat de minister er stevig aan moet trekken om dit punt op Europees niveau te regelen. Ik blijf het namelijk vreemd vinden dat er juist bij de risicovollere producten minder consumentenbescherming is.

Ik leg er nogmaals de nadruk op dat ik het vreemd blijf vinden dat een belangrijke categorie wordt vrijgesteld van de MiFID, namelijk de tussenpersonen. Ik begrijp de achterliggende reden, maar de voorwaarden waarop wordt vrijgesteld zijn niet exact duidelijk. Wij moeten daar voor 1 november met elkaar over spreken. Ik doe een uiterste poging om de minister de toezegging te ontlokken dat wij in de week na het herfstreces er met hem over van gedachten kunnen wisselen. Als de juridische vormgeving nog niet helemaal is afgerond, kunnen wij in elk geval de inhoud bespreken. Welke eisen leggen wij wel op en welke eisen niet? Wij kunnen de discussie ook aanstaande woensdag voeren, maar het lijkt mij zinvoller om over het nationale regime apart te spreken. Wat mij betreft, ronden wij woensdag verder af.

De heerIrrgang(SP)

Voorzitter. Op een groot aantal toezeggingen komen wij later terug. De piekbelasting voor de minister en zijn ambtenaren wordt vermoedelijk een golfbelasting.

De heerWeekers(VVD)

Deze minister houdt van belastingen!

De heerIrrgang(SP)

Het belangrijkste punt is de toezegging dat wij nog spreken over de tussenpersonen. Ik denk dat wij dan een stap vooruit kunnen zetten, want er zijn daar nog grote problemen, waar de bezem een keer doorheen moet. Ik ben geneigd om het eens te zijn met de heer Weekers dat wij er op korte termijn over moeten spreken. Het is toch een merkwaardige figuur als de Kamer er niet over spreekt voordat het in werking treedt.

Op het punt van de transparantie ben ik nog niet helemaal overtuigd. Met een verplaatsing van een MTF naar een gereglementeerde markt, waar meer consumentenbescherming is in Nederland, heb ik niet zoveel moeite. Wij zullen daar bij de plenaire behandeling nog op terugkomen. Dan zal ik mij er goed over informeren.

Op een aantal vragen krijg ik graag nog schriftelijk antwoord of antwoord bij de plenaire behandeling. Kan Kifid nog een rol spelen bij het doorgeven van klachten naar buitenlandse geschillencommissies? Is er een vorm van aanjagen? Wat betekent dat voor de AFM? Ik heb de indruk dat het meer gaat betekenen dan op dit moment het geval is. Wat betekent de opmerking van de minister dat de betekenis voor de AFM afhankelijk is van de reactie van marktpartijen?

Betekent het niet het einde van de obligatiemarkt als straks de liquide obligaties niet meer verhandeld kunnen worden? Is dat wenselijk? Kunnen opties alleen nog via de gereglementeerde markt worden verhandeld?

Waarom wordt nu bepaald dat financiële instrumenten automatisch op een MTF-markt kunnen worden verhandeld? Moeten daarover niet in ieder geval via een ministeriële regeling afspraken worden gemaakt? Wat betekent de opkomst van de MTF's op de lange termijn voor gereglementeerde markten? Is dat niet een vorm van kannibalisatie?

De heerTang(PvdA)

Voorzitter. Ik ben nog altijd nieuwsgierig hoe buitenlandse ondernemingen ertoe bewogen kunnen worden zich aan te sluiten bij een Nederlandse geschilleninstantie. Als dat idee echt niet van deze wereld is, hoor ik dat graag.

Ik zou graag meer informatie hebben over marktverschuivingen. Er zijn eerder al vragen gesteld over kleine en grote vermogensbeheerders, het aandeel van effecthypotheken en beleggingsverzekeringshypotheken. De vragen over tussenpersonen zijn in het debat wel gepasseerd, bijvoorbeeld over provisies, deskundigheidseisen en beleggingsverzekeringshypotheken.

Voor mij blijft onduidelijk hoe de minister aankijkt tegen een cliëntenovereenkomst die over langere tijd wordt afgesloten en over een advies dat langer beschikbaar blijft. Hoe denkt de minister de continuïteit te garanderen als er geen tweehoofdige leiding is?

De heerTony van Dijck(PVV)

Voorzitter. Ik had nog gevraagd in hoeverre de nalevingskosten bij de verschillende lidstaten kunnen variëren. De minister heeft deze vraag afgedaan met de mededeling dat de MiFID in elke lidstaat geldt, zodat de regels in elke lidstaat duidelijk zijn. Dat is zo, maar er kunnen natuurlijk wel grote verschillen zijn in de kosten van toezicht, waarmee ook een verschil in concurrentie kan ontstaan. Het doorvoeren van de MiFID zal 25 mln. per jaar kosten; wat betekent dit voor de branche? Hoeveel zullen de kosten van het toezicht gemiddeld per bedrijf toenemen en wat zal dit straks betekenen voor de transactiekosten die de consument moet betalen? Zullen die verdubbeld worden of is het een kwestie van een paar procentpunten?

Ik had ook nog gevraagd naar het verschil in toezicht op het gedrag van de instellingen tussen De Nederlandsche Bank en de AFM. Als De Nederlandsche Bank de toezichthouder is die vergunningen verleent aan kredietinstellingen, dan wordt hij ook belast met het toezicht op het gedrag van de instellingen. Deze dubbelrol bevreemdt ons; in hoeverre is dit wenselijk?

Daarnaast had ik nog gevraagd of de rol van de Nationale ombudsman ten opzichte van die van het Kifid met deze wet verandert. Professionele beleggers kunnen niet bij het Kifid aankloppen; kunnen zij alleen naar de rechter stappen?

Wat vindt de minister van het risico van een prijzenoorlog tussen handelsplatforms, waardoor het aanbod zou kunnen worden uitgedund tot slechts enkele grote Europese spelers op de markt?

Ten slotte willen wij nog graag weten of alle beleggingsondernemingen met een vergunning automatisch per 1 november een Europees paspoort krijgen. Of moeten deze ondernemingen dan nog een heel traject afleggen, waardoor ze een concurrentienadeel zouden kunnen ondervinden?

De voorzitter:

Een deel van de nog overgebleven vragen zal schriftelijk beantwoord worden, de rest zal woensdag bij de plenaire behandeling aan de orde komen. Ik wens de minister goede reis en ik dank hem, zijn ambtenaren en de belangstellenden op de publieke tribune.

Sluiting 14.50 uur.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Jules Kortenhorst (CDA), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dam (PvdA), Halsema (GroenLinks), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot (VVD), Van Gerven (SP), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Anker (ChristenUnie), Mastwijk (CDA), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA) en Spekman (PvdA).