Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202131066 nr. 749

31 066 Belastingdienst

Nr. 749 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2020

Tijdens het plenaire debat over het Pakket Belastingplan 2021 op 11 november jl. (Handelingen II 2020/21, nr. 23, debat over Pakket Belastingplan 2021) heeft het lid Omtzigt mij gevraagd of er aanleiding is voor een aanvullende aangifte van een vermoeden van ambtsmisdrijven, dat zou blijken uit de documenten die recent boven tafel zijn gekomen. Ik heb daarbij toegezegd uw Kamer hier nader over te informeren.

Het lid Omtzigt heeft onder meer gevraagd of de onjuiste datering in de Casusbeschrijving CAF-11 Hawaï aanleiding geeft voor een aangifteplicht wegens een vermoeden van valsheid in geschrifte. De aangifteplicht van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering voor vermoedens van (ambts)misdrijven dient volgens de wetgeschiedenis twee doelen: het handhaven van de integriteit van het overheidsapparaat en het bijdragen aan de taakuitoefening van het Openbaar Ministerie. Met het voldoen aan die aangifteplicht wordt het doel bereikt dat het Openbaar Ministerie zijn taak kan vervullen en aan die taakvervulling op onafhankelijke wijze vorm kan geven. De aangifte op 19 mei jl. betreft vermoedens van beroepsmatige discriminatie (artikel 137g Wetboek van Strafrecht) en knevelarij (artikel 366 Wetboek van Strafrecht). Deze vermoedens komen voort uit een feitencomplex dat blijkt uit documenten die aan externe deskundige, de heer mr. H.J. Biemond, zijn voorgelegd voor een second opinion. In zijn bespreking van dit feitencomplex heeft de heer Biemond ook aandacht besteed aan de vraag of er vermoedens zijn van andere (ambts)misdrijven die moeten leiden tot het doen van aangifte. In paragraaf 5.2 van zijn advies is de heer Biemond ingegaan op de vraag of het vermelden van een verkeerde datum in de Casusbeschrijving CAF 11 Hawaï leidt tot de verplichting tot het doen van aangifte van een vermoeden van valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht). De conclusie in het advies van de heer Biemond is dat zo een aangifteplicht er in dat verband niet is voor het vermoeden van valsheid in geschrifte. In hetgeen het lid Omtzigt op 11 november jl. naar voren heeft gebracht over de kwestie van de datering van de Casusbeschrijving CAF 11 Hawaï zie ik geen nieuwe elementen die mij tot de conclusie zouden brengen dat er in dat verband nu wel een aangifteplicht voor het vermoeden van valsheid in geschrifte bestaat.

Het lid Omtzigt heeft op 11 november jl. nog aangegeven dat de set van documenten die in de second opinion aan de orde was, een beperking in de tijd kende. De aangifte ziet echter op vermoedens van bepaalde strafbare feiten en perkt daarmee een eventueel onderzoek van het Openbaar Ministerie geenszins in tot de periode die in de aangifte wordt aangeduid. Zoals ik al aangaf is met het doen van aangifte het doel van de aangifteplicht van artikel 162 Wetboek van Strafvordering vervuld en is het vervolgens aan het Openbaar Ministerie om te besluiten hoe hiermee om te gaan. Het Openbaar Ministerie bepaalt zelf de omvang van het eventuele onderzoek en kan aanvullende documenten vorderen en die zullen in voorkomend geval uiteraard desgevraagd worden verstrekt.

Dan resteert nog de vraag of de documenten die recent boven tafel zijn gekomen aanleiding geven tot de verplichting aangifte te doen van vermoedens van andere strafbare feiten dan waar al aangifte van is gedaan. Zoals de heer Biemond in paragraaf 3.2 van zijn advies aangeeft, is er een zekere drempel voordat gezegd kan worden dat sprake is van een aangifteplicht op grond van artikel 162 Wetboek van Strafvordering. Er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van een bepaald (ambts)misdrijf. Uit de documenten waarover tijdens het debat van 11 november jl. is gesproken, ontleen ik geen vermoedens van bepaalde (ambts)misdrijven waarvoor de aangifteplicht geldt. Het is immers niet zo dat ieder nalaten om te handelen waar dat aangewezen was, een misdrijf is waarop een strafrechtelijke sanctie staat. Ook is het niet zo dat het handelen in strijd met bestuursrechtelijke normen leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid. De vragen die de vaktechnisch coördinator in haar memo van maart 2017 stelt over de mate waarin Belastingdienst/Toeslagen zich niet heeft gehouden aan de geldende bestuursrechtelijke normen («Gezien de inhoud een sterke zaak», zegt het memo zelf), leiden op zichzelf niet tot de conclusie dat er sprake is van strafrechtelijk verwijtbare gedragingen. Ook het feit dat het memo aangeeft dat de klacht van de advocaat over gedragingen van Belastingdienst/Toeslagen gegrond verklaard moet worden en dat een vorm van compensatie moet worden aangeboden, betekent niet dat er door het niet-opvolgen van die aanbeveling in strafrechtelijke zin sprake is van een delict.

Ten slotte wil ik uw Kamer meegeven dat er mij veel aan is gelegen om het vertrouwen te herstellen in de Belastingdienst en Toeslagen, zowel intern als extern. Hiervoor is het ook van belang dat het OM nu in alle rust en onafhankelijkheid haar werk kan doen.

De Staatssecretaris van Financiën, A.C. Van Huffelen