31 066 Belastingdienst

Nr. 1091 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 12 juli 2022

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 3 juni 2022 over verbeteringen herstelproces na herijking aanpak hersteloperatie kinderopvangtoeslag (Kamerstuk 31 066, nr. 1026)

De vragen en opmerkingen zijn op 20 juni 2022 aan de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 5 juli 2022 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tielen

Adjunct-griffier van de commissie, Kling

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van VVD, D66, CDA, SP, GroenLinks, ChristenUnie en lid Omtzigt over de brief inzake verbeteringen herstelproces na herijking aanpak hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Onderstaand treft u de reactie van het kabinet op deze vragen en opmerkingen per partij.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de fractie van de VVD hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van de Staatssecretaris over de «Herijking aanpak hersteloperatie kinderopvangtoeslag». Deze leden danken de Staatssecretaris, de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouderpanel, en alle andere betrokken organisatie voor al hun bijdrages bij de totstandkoming van de herijking. Deze leden hebben nog een aantal opmerkingen en vragen. De leden van de fractie van de VVD zijn verder blij dat de suggestie van het ouderpanel, om Persoonlijk Zaakbehandelaars (PZB’ers) meer ruimte te geven, wordt meegenomen door het kabinet. Deze leden willen daarbij wel aangeven dat zij het van belang vinden dat het «vier ogen principe» dan ook nog steeds wordt toegepast. Om zo te verzekeren dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Het kabinet onderschrijft de opmerking van de leden van de fractie van de VVD dat het van belang blijft om het «vier ogen principe» toe te passen. Dit kan wellicht in een andere vorm dan nu het geval is. Dat wordt onderzocht bij de andere rol van de PZB’er.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar het langer inzetten van PZB’ers in het herstel van ouders. De herijking ging over verbeteringen in het herstelproces om het voor ouders beter of sneller te maken. De behoefte van ouders om contact te blijven houden met hun PZB’er is een van de behoeftes waar we rekening mee houden. Het is echter voor de uitvoering niet haalbaar om PZB’ers langer aan een ouder te koppelen, zij kunnen dan namelijk in mindere mate andere ouders gaan helpen die nog wachten op een beoordeling. Om aan de wens van ouders tegemoet te komen zal UHT aan het einde van de integrale beoordeling actief aan de ouder vragen of zij/hij behoefte heeft aan nazorg. De PZB’er die de integrale beoordeling van de ouder uitgevoerd heeft, draagt daarbij over aan een specifiek team nazorg. UHT begrijpt dat ouders het waarderen om met dezelfde persoon contact te hebben, en we zien dat veel ouders tevreden zijn met hun PZB’er. Tegelijkertijd wil het kabinet die ondersteuning van de PZB’er ook beschikbaar maken voor andere ouders, en heeft het kabinet daarom gekozen voor deze oplossing.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar het mandaat van de VNG in het aanspreken van individuele gemeenten als het niet goed gaat in de ondersteuning van ouders. Deze rol vervult de VNG al en dat werkt naar tevredenheid. Meldingen van ouders kunnen via bijvoorbeeld het ouderpanel en UHT bij de VNG worden aangeleverd bij een speciaal loket voor de toeslagenaffaire. De VNG contacteert betreffende gemeente om te kijken welke afwegingen de gemeente heeft gemaakt bij de ondersteuning aan de ouder, overlegt of die aansluiten bij brede ondersteuning en kijkt samen met de gemeente of er verbeteringen of aanpassingen in het lokale ondersteuningsproces doorgevoerd kunnen worden als dat ten goede komt aan de ouders en past binnen de mogelijkheden. De VNG komt ook meldingen tegen waar de gemeente correct en ruimhartig heeft gehandeld binnen de afgesproken reikwijdte van de ondersteuning, maar dat de verwachtingen van ouders over de brede ondersteuning de reikwijdte daarvan overstijgen.

De leden van de fractie van de VVD vragen om de Kamer zo snel mogelijk te informeren over de resultaten van de VSO-praktijktest (vaststellingsovereenkomsten). De praktijktest start in de zomer van 2022 met een groep van maximaal 15 deelnemende ouders, op 29 juni jl. heeft een eerste informatieavond plaatsgevonden. In de 11e Voortgangsrapportage verwacht het kabinet een update te geven over een stand van zaken, al zal die nog weinig inzichten bevatten omdat de praktijktest dan net van start is. In de 12e Voortgangsrapportages zal het kabinet de Kamer over de resultaten informeren.

De leden van de fractie van de VVD geven verder aan dat als de proef positief wordt bevonden deze snel mag worden uitgebreid naar andere ouders. De leden vragen of het praktisch mogelijk is om de proef op korte termijn snel uit te breiden. Tijdens en na afloop van de proef zal het kabinet zorgvuldig evalueren of de proef naar wens is verlopen en onder welke voorwaarden de proef uitgebreid kan worden naar een grotere doelgroep. Na afloop van de praktijktest kan het kabinet met meer zekerheid zeggen of een substantiële opschaling mogelijk is. Het zal van de uitvoeringsorganisatie overigens het nodige vragen indien er naast het bestaande proces ook nog een ander proces moet worden gerealiseerd

De leden van de fractie van de VVD geven aan waarde te hechten aan rechtsgelijkheid tussen ouders die de VSO-route volgen en ouders die het reguliere proces volgen. Het kabinet hecht hier ook veel waarde aan en neemt de nodige maatregelen om deze vorm van rechtsgelijkheid te borgen en te evalueren gedurende de uitvoering van de praktijktest.

De leden van de fractie van de VVD wijzen op het toenemend aantal ingebrekestellingen en spreken hun zorg uit over het hierdoor mogelijk vastlopen van de hersteloperatie. In de 10e Voortgangsrapportage is gerapporteerd over overschrijden van de wettelijke termijnen hetgeen leidt tot een toenemend aantal ingebrekestellingen en een sterk groeiend aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen.1 Daarbij is aangegeven dat UHT voorziet tegen de grenzen van de capaciteit aan te lopen als het aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen verder toeneemt. Die stijgende lijn in het aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen heeft zich in de afgelopen periode doorgezet. 88 in maart, 165 in april en 280 in mei. De verwachting is dat de stijging de komende maanden door blijft zetten. In totaal heeft UHT (peildatum 24 juni 2022) 711 beroepen wegens niet tijdig beslissen ontvangen. Op basis van de huidige voorspellingen betekent dit dat in augustus een omslagmoment wordt bereikt waarna de capaciteit van UHT voor het oppakken van integrale beoordelingen, met uitzondering van urgente zaken, geheel aangewend moet worden om uitvoering te geven aan rechtelijke vonnissen in beroepen wegens niet tijdig beslissen. Snel daarna zullen vervolgens ook door de rechter opgelegde termijnen niet altijd meer gehaald kunnen worden. Dat betekent dat er dwangsommen worden verbeurd. De mate waarin dat gebeurt, neemt toe als de aantallen beroepen niet tijdig zich doorzetten. Aan urgente zaken zal ook dan voorrang worden gegeven, zo nodig boven het geven van uitvoering aan rechterlijke uitspraken. Dit kan leiden tot het verbeuren van meer dwangsommen. Het bereiken van het omslagpunt betekent dat keuzes in de volgorde waarin ouders worden behandeld maar zeer beperkt mogelijk zijn. Ook vergt het afhandelen van een toenemend aantal beroepszaken steeds meer capaciteit, die niet voor reguliere taken kan worden aangewend. UHT blijft zich inspannen om ervoor te zorgen dat ouders zo snel als mogelijk een integrale beoordeling of beslissing op bezwaar ontvangen. Daarbij onderneemt UHT diverse acties om het besluitvormingsproces te versnellen, in de 10e Voortgangsrapportage is daar ook op ingegaan. Succesvolle invoering van verbetermaatregelen, waarnaar continue gezocht blijft worden, betekent dat de benodigde termijnen om tot besluiten te komen weliswaar worden verkort, maar het ligt niet in de rede dat die maatregelen ertoe zullen leiden dat binnen de geldende termijnen beslist kan worden.

De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet tenslotte om toe te zeggen dat het geen beleidswijzigingen zal voorstellen of steunen die de hersteloperatie op welke manier dan ook gaan vertragen. Het kabinet steunt deze wens. Indien beleidswijzigingen nog noodzakelijk zijn weegt het kabinet de snelheid van de huidige operatie en andere gevolgen zwaar mee. Het is voor gedupeerden van groot belang om verder te kunnen met herstel. Daarvoor is een spoedige behandeling van de wet noodzakelijk.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de uitkomsten van de uitvoerbaarheid van de herijkingsvoorstellen en hebben begrip voor de complexiteit hiervan maar zijn kritisch over het tijdpad. Het kabinet is het met de leden van de fractie van D66 eens dat het van groot belang voor de hersteloperatie is als gedupeerden zich gehoord en gezien voelen in hun behoeften om een nieuwe start te kunnen maken.

De leden van de fractie van D66 ondersteunen de voorstellen om meer en eerder persoonlijk contact te hebben met de ouders. En vragen hoe het op weg helpen van burgers naar het juiste overheidsloket overheidsbreed uitgewerkt en uitgevoerd wordt. De Doorbraakmethode wordt overheidsbreed gebruikt in complexe situaties van inwoners door de meeste (middel)grote gemeenten en enkele tientallen kleinere (totaal ongeveer 80), een aantal grote zorgverzekeraars, enkele woningcorporaties, landelijke Rijksuitvoeringsinstellingen en enkele maatschappelijke organisaties (jeugdzorg, welzijn).

De leden van de fractie van D66 vragen op basis van welke criteria UHT vaststelt dat compensatie zeer waarschijnlijk niet hoger dan € 30.000 zal uitvallen, om vervolgens contact op te nemen met deze ouders. Bij die analyse wordt gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens over de teruggevorderde kinderopvangtoeslag. Er wordt een inschatting gemaakt van de mogelijke hoogte van het compensatiebedrag onder de veronderstelling dat alle terugvorderingen onterecht waren en daarmee compensabel zijn. Op basis daarvan wordt het maximale compensatiebedrag geschat. Als dat bedrag (ruim) onder de € 30.000 blijft, dan valt de ouder binnen de potentiële doelgroep om proactief contact mee op te nemen. Het cijfermatig verloop van de uitstroom van niet-gedupeerden vindt u in de 11e Voortgangsrapportage.

De leden van de fractie van D66 vragen nader toe te lichten hoe het Brede Hulpteam en Acute nood van UHT zich verhouden tot de brede ondersteuning bij gemeenten. Deze drie vormen van ondersteuning werken nauw samen en zijn in aanvulling op elkaar. Het Brede Hulpteam ondersteunt ouders met begeleiding en advies. Het Brede hulpteam helpt verder met problemen, zoals uithuiszettingen of een dreigende afsluiting van gas of elektra en bij het contact met gemeenten. Het Brede hulpteam onderhoudt goede banden met gemeenten en begeleidt de ouder in het contact met de gemeente op een laagdrempelige manier. Het team Acute nood helpt ouders bij het oplossen van acute financiële problemen, zoals een kapotte koelkast. Als de acute problemen zijn opgelost, maar er toch nog sprake is van een structureel probleem dan zorgt het Brede hulpteam voor een warme overdracht naar de betreffende gemeente.

De leden van de fractie van D66 vragen of urgentie leidt tot een langere wachtrij onder de urgente gevallen, en of de niet-urgente gevallen mogelijk worden verdrongen. Het kabinet stelt vast dat er gedupeerden zijn waar een acute situatie speelt en waar urgentie voor financieel herstel nodig is om die acute situatie te ondervangen en waar dat niet via een andere wijze kan worden bereikt. UHT en de VNG hebben daarvoor gezamenlijke criteria en een werkwijze opgesteld voor urgentie waarin exact de balans gezocht is waar de leden van de D66 fractie naar vragen: wel urgentie voor acute gevallen, en dermate dat het risico op verdringing door veel urgente gevallen zo klein mogelijk is. Indien er veel urgente gevallen worden aangedragen door de gemeenten, dan zal er overleg zijn tussen de VNG en UHT.

De leden van de fractie van D66 vragen om een toelichting omtrent het ouderportaal. Dit portaal kan een behoefte van ouders aan meer informatie invullen, het kabinet zal zich er daarom voor inspannen om dit te realiseren. Op dit moment wordt in samenwerking met het UHT en een aan de overheid gelieerde stichting die platforms ontwikkelt onderzocht of het mogelijk is om een ouderportaal te ontwikkelen dat tegemoetkomt aan de wensen van gedupeerden. Dit onderzoek gebeurt op basis van eerder geleverde input van ouders. Hiermee wordt met de verschillende partijen gekeken welke versie van een portaal er op korte termijn ontwikkeld kan worden en wat dit vraagt van bijvoorbeeld de data en iv-afdelingen van DG Toeslagen. Pas wanneer dit duidelijk is kan er meer gezegd worden over op welke termijn een portaal gerealiseerd kan worden.

De leden van de fractie van D66 vragen tenslotte op welke manier UHT communiceert over de doorlooptijden van het verstrekken van een dossier en over de verschillende types dossier die UHT kan verstrekken. Op dit moment staat op de website onder meer dat (en hoe) ouders hun dossier op kunnen vragen. En dat ouders vragen en behoefte aan informatie ook bij het serviceteam neer kunnen leggen zonder het hele dossier op te vragen. Als ouders een dossier opvragen, wordt er steeds contact met hen opgenomen om samen te bespreken waar ouders het meest mee geholpen zijn. Hierbij wordtprioriteit gegeven aan het leveren van een dossier dat past bij de behoefte die de ouder heeft aangegeven, zoals ook aangegeven door de leden van de fractie van D66.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de fractie van het CDA hebben kennisgenomen van de brief over herijking en de uitvoeringstoets door de gemeenten. Zij zijn teleurgesteld dat er geen aanpassing gevonden is die het herstelproces fundamenteel beter of sneller maakt maar zien ook de realiteit dat verbeteringen binnen het huidige proces op dit moment het hoogst haalbare lijken.

De leden van de fractie van het CDA vragen voor hoeveel mensen ongeveer geldt dat het bedrag van € 30.000 zeer waarschijnlijk niet hoger zal uitvallen bij de integrale beoordeling en of UHT met al deze mensen contact opneemt. Bij de introductie van de Catshuisregeling was de inschatting dat ongeveer de helft van de gedupeerden aan dit bedrag voldoende zou hebben. Dat is nog steeds het beeld. Het is echter moeilijk om deze groep vooraf te detecteren. Op basis van data-analyse is een groep van 3.300 ouders geïdentificeerd waarbij met grote waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat hun compensatie niet meer dan € 30.000 zal zijn. Bij deze analyse wordt gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens over de teruggevorderde kinderopvangtoeslag. Er wordt een inschatting gemaakt van de mogelijke hoogte van het compensatiebedrag onder de veronderstelling dat alle terugvorderingen onterecht waren en daarmee compensabel zijn. Met de groep van 3.300 ouders wordt proactief contact opgenomen. Aan de hand van het groeiend aantal beoordelingen en daarmee beschikbaarheid van meer gegevens over de uiteindelijke compensatie van aangemelde ouders, kunnen aanvullende data-analyses worden uitgevoerd. Bij die analyses worden de ervaringen meegenomen die zijn opgedaan in persoonlijke gesprekken met de ouders die € 30.000 hebben ontvangen. Aan de hand hiervan wordt verwacht dat er op korte termijn nog zo'n 1.700 ouders kunnen worden geïdentificeerd bij wie de compensatie naar verwachting niet hoger uit zal komen dan € 30.000. Met deze ouders zal eveneens contact worden opgenomen om met hen te bespreken of zij willen afzien van een integrale beoordeling.

Bij de afsluiting van de eerste toets is er ruimte voor gesprekken over de uitslag en de vervolgstappen. Ouders krijgen daarin toelichting op de uitslag en nemen met UHT (mogelijke) vervolgstappen door, waaronder de mogelijkheid dat € 30.000 volstaat.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het al dan niet maken van bezwaar hier ook in wordt meegenomen. In het contact met de ouders wordt stilgestaan bij de vervolgstappen. Bezwaar tegen de eerste toets is een van de mogelijke vervolgstappen die door sommige ouders ook gezet wordt. Het is echter de vraag of dat ouders ook helpt, in het geval er € 30.000 is toegekend zal in ieder geval niet zo zijn. Een hogere toekenning dan € 30.000 is immers niet mogelijk op grond van de eerste toets. Daar zal in de gesprekken met ouders bij stil worden gestaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of er al resultaten zijn van de contactmomenten met deze ouders. Bij deze resultaten wordt ook in de 11e Voortgangsrapportage stilgestaan. De medewerkers die de gesprekken voeren geven aan dat de gesprekken met de ouders op een prettige manier verlopen. Medewerkers hebben de volgende ervaringen in het contact met de ouders. Ouders begrijpen waarom UHT contact opneemt. Zij krijgen de ruimte om hun verhaal te doen en krijgen een duidelijk beeld van de opties en consequenties van de afmelding. Bij iets minder dan de helft van de benaderde ouders was er behoefte om het traject rondom herstel af te ronden door zich af te melden voor de integrale beoordeling. De andere groep bestaat uit ouders die (emotioneel) nog niet klaar zijn om het proces af te ronden of ouders die zich niet willen afmelden omdat zij nog niet tevreden zijn met de financiële compensatie. Zij zullen, als zij aan de beurt zijn, integraal worden beoordeeld.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel bezwaren er zijn ingediend tegen de uitkomst van de eerste toets afgezet tegen het totale aantal binnengekomen bezwaren. In de tabel hieronder is het totale aantal ontvangen beschikkingen en bezwaren (peildatum 24-06-2022) met specificatie weergegeven:

Tabel Ontvangen bezwaren ten opzichte van aantal beschikkingen

Soort beschikking

Aantal beschikkingen

Aantal bezwaren

Eerste toets afwijzing

25.761

1.156

Eerste toets toekenning

25.930

147

Integrale beoordeling

13.826

1.108

CWS

142

69

Totaal

65.659

2.480

Dat betekent dat 52% van alle bezwaren is ingediend tegen de uitkomst van de eerste toets.

De leden van de fractie van het CDA onderstrepen het belang van adequate rechtsbescherming, maar vragen ook of het indienen van bezwaar tegen de uitkomst van de eerste toets het herstelproces in de weg zit en of het voorkomen daarvan onderzocht kan worden. Deze leden merken terecht op dat adequate rechtsbescherming van groot belang is, ook voor het herstel van vertrouwen. Ouders hebben het recht om in bezwaar te gaan als zij zich niet met de beoordeling kunnen verenigen. Dit recht is ook eerder door uw Kamer onderstreept. Het is zowel voor ouders die een bezwaar overwegen als voor het bezwaarproces van belang om te vermijden dat ouders in bezwaar gaan waar dat niet nodig is of niet de uitkomst kan hebben waar zij naar op zoek zijn. Het indienen van een bezwaar tegen de toekenning van € 30.000 omdat ouders menen recht te hebben op een hoger bedrag is daar een voorbeeld van. Een hoger bedrag kan immers niet in de fase van de eerste toets worden toegekend. Het is daarom van belang om ouders goed te informeren en met hen in contact te treden om te weten waarom zij een bezwaar indienen en of niet een andere oplossing, bijvoorbeeld nadere informatieverstrekking, beter is. Voor het voorkomen van bezwaren waar ouders niet mee geholpen zijn, wordt onder meer ingezet op persoonlijk contact. Zo is in de Herijkingsbrief van 3 juni 2022 aangegeven dat ouders gesprekken kunnen voeren over de uitslag van de eerste toets.2 Zij krijgen daarin uitgebreid toelichting op de uitslag en nemen met UHT (mogelijke) vervolgstappen door. Dit biedt de ouders meer momenten en meer tijd om de mogelijk emotionele uitslag te verwerken, de informatie tot zich te nemen en vervolgvragen te stellen. Verder wordt ingezet op mediation door middel van een pilot als alternatief voor het (juridische) bezwaarproces. Mediation met de eerste deelnemende ouders is inmiddels gestart. De resultaten worden zorgvuldig gemonitord. In de 12e Voortgangsrapportage zullen de resultaten worden gedeeld en zal tevens worden ingegaan op de vraag of verdere opschaling van het instrument mediation aan de orde is. Tevens wordt waar mogelijk gekeken naar het vereenvoudigd afdoen van bezwaren als de aard van de zaak daar aanleiding toe geeft. Daarbij wordt in ieder geval gedacht aan bezwaren tegen de toekenning van € 30.000. In zo’n vereenvoudigde afdoening wordt bijvoorbeeld door de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) geen hoorzitting georganiseerd. Overwogen wordt bovendien om bij toekenning van € 30.000 geheel van advisering door de BAC af te zien.

De leden van de fractie van het CDA vragen bovendien of er altijd contact wordt opgenomen met ouders als een bezwaar tegen de uitkomst van de eerste toets wordt ingediend en of er ook contact is met advocaten hierover. Uiterlijk in het derde kwartaal van 2022 zullen alle ouders die een bezwaar tegen de uitkomst van de eerste toets hebben ingediend, worden benaderd. Als ouders worden bijgestaan door een gemachtigde zal in eerste instantie contact worden opgenomen met de gemachtigde in plaats van met de ouder.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de suggestie om schade-experts te betrekken bij de CWS-verzoeken (Commissie Werkelijke Schade) niet is getoetst en waarom ervoor is gekozen dit mee te nemen bij de proef met de vaststellingsovereenkomsten. Er wordt nu onderzoek gedaan in nauwe samenwerking met het Ministerie van Justitie & Veiligheid en de Raad voor de Rechtspraak of, en op welke manier letselschadespecialisten kunnen worden ingezet in het hersteltraject. Van belang is op te merken dat de CWS beschikt over expertise op diverse relevante terreinen waaronder ook letselschade. Het inschakelen van een letselschade-expert voor de procedure is daarom niet noodzakelijk. De procedure bij de CWS is laagdrempelig van aard, ouders hoeven de gestelde schadeposten en het causaal verband alleen aannemelijk te maken en kunnen ook zonder advocaat of schade-expert bij de CWS terecht. Ouders of hun advocaat kunnen er evenwel wel voor kiezen om toch een schade-expert in te schakelen. In het geval van een complexe schadeberekening bepaalt de subsidieregeling dat door de toegevoegde advocaat de hulp in kan worden geroepen van een advocaat die is gespecialiseerd in het (overheids-) schadevergoedingsrecht en dat daarvoor een eenmalige vergoeding beschikbaar is. In de proef met de vso’s is wel een plaats gegeven aan schade-experts omdat in die pilot de CWS als deskundige partij ten dienste van de ouder geen rol heeft.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts verduidelijking voor welke groepen ouders het mogelijk is om na de eerste toets direct uitsluitsel te geven. We zien dat de eerste toets gedupeerden helpt en toegang biedt tot aanvullende regelingen. Op basis van een eerdere inschatting is nog steeds de verwachting dat de eerste toets aan ongeveer de helft van de ouders voldoende financiële compensatie biedt. In de gesprekken die over de uitslag worden gevoerd is er steeds ruimte om de vervolgstappen te bespreken. Voor een groep van 3.300 ouders ligt er een inschatting op basis van data-analyse dat ouders met de toekenning van € 30.000 bij de eerste toets voldoende geholpen zijn. Met aanvullende data-analyse kan die groep nog worden aangevuld, naar verwachting met ongeveer 1.700 ouders. Met deze ouders zal contact worden opgenomen om met hen te bespreken of zij willen afzien van een integrale beoordeling. Voor burgers bij wie duidelijk is dat ze niet gedupeerd zijn en daarmee geen recht hebben op compensatie, worden manieren onderzocht om hen sneller duidelijkheid te bieden door middel van een versneld beoordelingsproces, waar mogelijk direct na de eerste toets. Voor complexere dossiers, waarbij de eerste toets geen aanleiding geeft tot het vaststellen van gedupeerdheid, maar er ook niet is vastgesteld dat een burger evident niet gedupeerd is blijft de reguliere integrale beoordeling wenselijk. Ook hier kijken we naar het beter kunnen voorspellen van deze groep.

De leden van de fractie van het CDA vragen over het beroep dat gedupeerde ouders doen op middelen en voorzieningen bij gemeenten als gevolg van de lange wachttijden. Wat gemeenten teruggeven is dat stress en onzekerheid bij ouders over de status en mate van gedupeerdheid hen in een soort «wachtstand» zetten waardoor zij gedurende deze periode minder open staan om te werken aan hun herstel. Daarbij stellen ouders door de onduidelijkheid over hun status in het financieel herstel veel vragen aan hulpverleners bij de gemeente. De gemeenten ervaren dat ouders meer en meer een beroep doen op de brede ondersteuning van de gemeente mede als gevolg van de lange wachttijden. Dit kan in bepaalde gevallen leiden tot dilemma’s in de uitvoering die met name (maar niet alleen) te maken hebben met huisvestings- en schuldenproblematiek.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar hoe de operationele samenwerking tussen gemeenten en UHT versterkt wordt, naast de gemeentedesk bij UHT. Gemeenten en UHT merken door het gezamenlijke optrekken in de herijking in de zoektocht naar verbeteringen dat het onderlinge begrip en de samenwerking beter is geworden. UHT gaat meer informatie over gedupeerden delen met gemeenten, zoals procesinformatie en andere persoonsgebonden informatie. Daarnaast hebben UHT en gemeenten/VNG meer contact over hun eigen werkprocessen, opdat zij beiden beter ouders kunnen voorlichten over wat zij in hun herstelproces kunnen verwachten.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de samenwerking met het Landelijk Incassocentrum (LIC) verloopt als het gaat om het delen van financiële gegevens die relevant zijn voor de integrale beoordeling. De hersteloperatie is een dynamisch proces, met veel afhankelijkheden. Om de voorspelbaarheid en samenwerking te verbeteren, hebben DG Toeslagen en Centrale Administratieve Processen (CAP) van de Belastingdienst een samenwerkingsovereenkomst afgesloten. Op grond hiervan kan UHT beschikken over alle voor een integrale beoordeling noodzakelijke inningsgegevens. De samenwerking gaat goed, daarbij hebben UHT en het LIC (UHT B&I) wekelijks overleg om operationele zaken te bespreken.

De leden van de fractie van het CDA vragen tenslotte of de Staatssecretaris een update kan geven over het samenstellen van de verschillende dossiers, en specifiek het maken van samenvattingen waarvan het er nu op lijkt dat deze voor ouders van grotere meerwaarde zijn. Uit onderzoek van Motivaction is gebleken dat het uitgebreide «persoonlijk dossier» (500 – 5.000 bladzijden) vaak niet voldoet aan de informatiebehoefte van ouders en in veel gevallen ook geen antwoord geeft op hun vragen. Het hersteldossier en de samenvatting van het persoonlijk dossier blijken beter aan te sluiten. In een pilot wordt verkend in hoeverre het hersteldossier, al dan niet voorzien van een beknopte samenvatting, een goede vervanging kan zijn van het omvangrijke persoonlijk dossier. In de 11e Voortgangsrapportage volgt een nieuwe update op het gebied van het samenstellen van dossiers en eventuele alternatieven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de fractie van de SP hebben met zorgen kennisgenomen dat de herijkingsoperatie tijd en geld heeft gekost maar niet heeft geleid tot fundamentele verbeteringen.

De leden van de fractie van de SP geven aan teleurgesteld te zijn in de herijkingsoperatie en vragen de Staatssecretaris welke conclusies zij daaraan verbindt. De herijking is ingericht om alle mogelijkheden te verkennen en de gedupeerden daarbij als startpunt te nemen. Daarom hebben rijksoverheid en VNG gezamenlijk een proces gedaan voor de herijking, met gedegen ouderonderzoeken en het ophalen en ontwerpen van oplossingen gezamenlijk met ouders, gemeenten, UHT en andere betrokken organisaties. Het kabinet heeft in de brief van 3 december 2021 met uw Kamer alle oplossingen gedeeld als ook de weging van de impact op ouders en haalbaarheid.3 Uit de uitvoeringstoetsen blijkt dat veel van de voorgestelde verbeteringen haalbaar zijn. Het resultaat van deze verbeteringen is een herstelproces dat beter aansluit op de persoonlijke behoeften van gedupeerden, bijvoorbeeld met 3-gesprekken of meer ruimte voor emotioneel herstel. Vanzelfsprekend had ook het kabinet graag gehad dat er in de herijking een «gouden oplossing» was gevonden die het herstel voor ouders zowel sneller als beter had gemaakt. De realiteit is dat zo’n «gouden oplossing» er simpelweg niet is. Ook dit heeft het kabinet met uw Kamer gedeeld in de brief van 3 december 2021. Het kabinet concludeert dat de complexiteit van de problemen van de ouders, de complexiteit van de systematiek van de kinderopvangtoeslag en de complexiteit van de onderliggende systemen maken dat het veel tijd kost om uit te zoeken waar er onterechte terugvorderingen zijn waardoor een ouder recht heeft op terugbetaling.

De leden van de fractie van de SP vragen wanneer er naar verwachting een knoop doorgehakt wordt over bredere inzet van vaststellingsovereenkomsten. Deze zomer zal worden gestart met een praktijktest met vaststellingsovereenkomsten, op 29 juni jl. heeft een eerste informatieavond plaatsgevonden. In de 11e Voortgangsrapportage verwacht het kabinet hier een update over te geven, al zal die nog weinig inzichten bevatten omdat de praktijktest dan net van start is. In de 12e Voortgangsrapportage zal het kabinet de Kamer over definitieve resultaten informeren.

De leden van de fractie van de SP vragen tenslotte op welke manieren de bureaucratie nog een adequate zaakbehandeling tegenhoudt in de hersteloperatie. In het proces wordt een balans gezocht tussen snelheid en zorgvuldigheid. Het vier ogen principe en het scheiden van de rol tussen beoordelaar en PZB-er maken daar onderdeel van uit. Met inachtneming van die balans wordt gekeken of processen beter kunnen worden ingericht en onnodige processtappen kunnen worden weggenomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks- fractie

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van de uitkomsten van de uitvoerings- en haalbaarheidstoetsen inzake de herijking

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welke randvoorwaarden van de VNG niet haalbaar zijn gebleken, naast de randvoorwaarde van koppelen van PZB’er aan een gemeente. De andere randvoorwaarde waar het Rijk niet aan kan voldoen, is het verstrekken van statusinformatie over financieel herstel van individuele gedupeerden, zoals wanneer de ouder aan de beurt is voor financieel herstel. Het kabinet is uiteraard bereid deze informatie te verstrekken als die bij UHT voor handen zou zijn. Voor de rol van aanspreekpunt is deze informatie essentieel, omdat ouders niet alleen behoefte hebben aan een luisterend oor en erkenning, maar ook aan iemand die hen persoonlijk ondersteunt bij het doorlopen van het herstelproces. Gemeenten kunnen de rol van eerste aanspreekpunt daarom niet op zich nemen.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat het meer ruimte geven aan persoonlijk zaakbehandelaars wordt opgepakt, maar vragen zich af waarom dit in de tussentijd niet al is gebeurd en of dit gezien wordt als één van de versnellingsopties. Conform de breed gedragen wens uit uw Kamer en het verzoek van het ouderpanel in haar brieven uit mei jl (Kamerstukken 31 839 en 31 066, nr. 820), wordt bekeken of de rol van de PZB-er kan worden verruimd. Het vierogenprincipe waarin een beslissing geverifieerd wordt door een tweede medewerker blijft hierin een belangrijk uitgangspunt. Daarbij wordt nog onderzocht of, ook in relatie tot het vierogenprincipe, een andere rol voor de PZB-er zal leiden tot versnelling en wat die aanpassing voor invloed heeft op de kwaliteit en zorgvuldigheid van het herstel dat ouders wordt geboden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de Staatssecretaris met de kennis van nu aan het begin van de hersteloperatie, dus ongeveer twee jaar terug, en zonder huidige padafhankelijkheden, anders georganiseerd zou hebben. Het is altijd ingewikkeld om met de kennis van nu te oordelen over de situatie van toen. De complexiteit van de hersteloperatie is groter geworden zoals door grotere aantallen gedupeerden, complexe multiproblemen en aanvullende groepen. Uitgangspunt is en blijft recht te doen aan de gedupeerde ouders en hun gezinnen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er bij de eerste toets nog altijd sprake is van een «chronologische» volgorde van behandeling, in hoeverre de mogelijkheid voor de gemeenten om ouders in schrijnende situaties versneld aan te melden deze volgorde wijzigt. Het uitgangspunt bij de eerste toets blijft ongewijzigd. De behandeling van eerste toetsen vindt plaats op volgorde van ontvangst, tenzij er sprake is van urgentie. Indien een ouder niet voldoet aan de criteria, maar de feiten van het geval toch aanleiding geven om urgentie toe te kennen bestaat de mogelijkheid gebruik te maken van de escape-route. In de escape-route overleggen UHT en gemeente of er toch urgentie verleend moet worden. Op basis van de invoering van de escape-route wordt wel een stijging van het aantal urgente casussen verwacht en alleen voor die gevallen waar dat noodzakelijk is. Deze leden vragen tevens wat hiervan de impact is op het proces van met name de integrale beoordeling. Om de impact op het proces van integrale behandeling zoveel mogelijk te beperken zal extra capaciteit worden ingezet.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre de prioritering in het integrale beoordelingsproces van de behandeling van mensen die waarschijnlijk niet gedupeerd zijn ervoor zorgt dat mensen die waarschijnlijk wel gedupeerd zijn langer moeten wachten op volledige compensatie. Indien ouders, waarvan op basis van de eerste toets is geconstateerd dat nog niet kan worden vastgesteld dat ze gedupeerd zijn, geen of later een integrale behandeling zouden ontvangen zou eerder gestart kunnen worden met de ouders van wie op basis van de eerste toets wel is vastgesteld dat ze gedupeerd zijn. Veel ouders hebben reeds een eerste toets gehad en wachten op de integrale beoordeling. Ouders zijn in principe aan de beurt op basis van datum van aanmelding. Hierop zijn in beginsel twee uitzonderingen: urgentie en beroep niet tijdig beslissen. De huidige wachttijden bij de integrale beoordeling zijn lang. Daarom wordt gekeken of specifieke groepen aanmelders versneld afgehandeld kunnen worden. Als iemand bijvoorbeeld evident niet-gedupeerd is, kan de beoordeling (veel) sneller en efficiënter plaatsvinden. Daardoor wordt uiteindelijk de wachtrij korter en dan komen juist andere mensen, bijvoorbeeld mensen die waarschijnlijk wel gedupeerd zijn, eerder aan de beurt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen tot op welk detailniveau de UHT een planning heeft op het niveau van individuele ouders en hoe groot de onzekerheidsmarges hiervan zijn. De ouders die zich tot en met 2020 hebben aangemeld zijn grotendeels beoordeeld of in behandeling. De ouders met een aanmelddatum tot en met 2020 waarvoor dat nog niet is gelukt worden naar verwachting dit jaar nog opgepakt. Voor de ouders die zich in 2021 of dit jaar aangemeld hebben, is de indicatieve planning als volgt:

Tabel planning integrale behandeling

Ouders met aanmelddatum in

Integrale behandeling

Eerste kwartaal 2021

Midden 2022 tot midden 2024

Tweede en derde kwartaal 2021

In 2024 of 2025

Vierde kwartaal 2021 en 2022

In 2025 of 2026

Deze planning is ook te vinden op de website van UHT. De verwachting is dat deze planning nog zal wijzigen. Dit heeft te maken met verschillende ontwikkelingen en onzekerheden. Een daarvan is de stijging van het aantal ingediende beroepen bij de rechter vanwege niet tijdig beslissen. Ouders die een dergelijk beroep indienen moeten op last van de rechter met voorrang worden behandeld. De verwachting is dat het aantal beroepen niet-tijdig de komende maanden toeneemt, waardoor UHT steeds minder ouders bij de integrale beoordeling op basis van de volgorde van aanmelddatum kan oppakken. In augustus wordt daarbij een omslagpunt verwacht, de volledige capaciteit dient dan te worden ingezet om beroepen niet-tijdig beslissen en urgente situaties af te handelen. Daarnaast kijkt UHT wat verbeteringen en aanpassingen in het proces (naar aanleiding van de herijking) betekenen voor de planning. UHT beziet de komende maanden wat de verwachte doorwerking van de verschillende ontwikkelingen is op de planning voor de tweede helft van 2022 en verder. UHT verwacht daarbij dat verdere of herziene planningen ook enkel op hoofdlijnen een beeld aan ouders kunnen geven wanneer de verwachte start van de integrale beoordeling zal zijn.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat het aantal vals-negatieven en vals-positieven is bij de eerste toets. Van de ouders die een eerste toets hebben gehad en ook integraal zijn beoordeeld, zijn er 894 ouders die geen toekenning kregen bij de eerste toets maar wel een toekenning bij de integrale beoordeling. Er zijn 75 ouders die een toekenning hebben gekregen in de eerste toets waarbij in de integrale beoordeling is vastgesteld dat er geen sprake was van gedupeerdheid. (Peildatum 24-06-2022)

De leden van de fractie van GroenLinks vragen op basis van welke KPI’s (Kritieke Prestatie Indicatoren) en op welk moment wordt besloten of de praktijktest met vaststellingsovereenkomsten is geslaagd. Zowel tijdens als na de praktijktest vindt er een zorgvuldige evaluatie plaats. De belangrijkste indicatoren voor succes zijn een toename in oudertevredenheid op elementen als het gevoel van regie, tevredenheid omtrent de tegemoetkoming en het vermogen om de KOT problematiek af te sluiten. Ook kijken we naar indicatoren als snelheid van het proces, uitvoerbaarheid op grotere schaal en rechtsgelijkheid. De proef loopt in de zomer van 2022, op 29 juni jl. heeft een eerste informatieavond plaatsgevonden. In de eerstvolgende voortgangsrapportage worden de resultaten gerapporteerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen tenslotte naar een toelichting over de inzet van integrale casemanagers. Het Instituut Publieke Waarden (IPW) biedt deze hulp aan de hand van de Doorbraakmethode.4 Het team van «maatwerkexperts» zoals de casemanagers genoemd worden, bestaat op dit moment uit 11 mensen. Die zijn niet allen fulltime bezig. Bij opschaling naar 500 gedupeerden verwachten we naar 15 fte te gaan. Vuistregel is dat een fulltime maatwerkexpert jaarlijks gemiddeld genomen 25 doorbraken kan begeleiden. In de opzet en aanbesteding van deze aanpak zit de mogelijkheid om op te schalen naar honderden of zelfs duizenden ouders indien de aanpak aansluit bij de behoeften van ouders.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de brief over de herijking van de aanpak hersteloperatie kinderopvangtoeslag.

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen in de brief niets over het betrekken van schadeposten als letselschade bij de integrale beoordeling (IB). Zij vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet voor het betrekken van deze schadeposten bij de IB. En of het in de ogen van het kabinet een manier kunnen zijn om ervoor te zorgen dat de druk op de CWS minder groot wordt. In de 10e Voortgangsrapportage is de Kamer geïnformeerd over integratie van werkelijke schade in de IB. Deze aanpassing is niet haalbaar. De verzoeken van ouders zien meestal niet alleen op relatief eenvoudige schadeposten als verletdagen, maar ook op meer complexe posten als inkomens- of vermogensschade. Die beoordeling vergt specifieke kennis en deskundigheid die niet aansluit op de capaciteiten van UHT. De aanpassing van de integrale beoordeling weegt daarmee niet op tegen de beperkte opbrengsten en het extra werk dat aanpassing van de integrale beoordeling met zich brengt voor reeds afgehandelde zaken. De CWS heeft bovendien aangegeven voor relatief eenvoudigere casussen met minder complexe schade sneller tot een advies te kunnen en zullen komen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of hun indruk klopt dat door het door de hoeveelheid ingebrekestellingen en rechterlijke uitspraken voorrang gegeven moet worden aan dergelijke zaken. Ook vragen zij om inzicht te geven in aantallen bezwaren, beroepen en ingebrekestellingen. De gevolgen van de behandeling van beroepen niet-tijdig zijn groot. Niet alleen kost het capaciteit om die beroepen niet-tijdig te handelen, ook de impact op de behandelvolgorde bij de integrale beoordeling is groot. Bij een verdere stijging van het aantal beroepen niet tijdig volgt er in augustus een omslagmoment, waarop de capaciteit – behoudens urgenties – geheel aangewend wordt voor beroepen niet-tijdig. Snel daarna zullen de termijnen die door rechters worden opgelegd niet langer gehaald kunnen worden. Dan worden er dwangsommen verbeurd. Aan urgente zaken zal ook dan voorrang worden gegeven, zo nodig boven het geven van uitvoering aan rechterlijke uitspraken. UHT stelt alles in het werk om door de rechter opgelegde nadere termijnen na een beroep wegens het niet-tijdig beslissen op te volgen. Dat betekent dat deze zaken met voorrang worden opgepakt.

In de 10e Voortgangsrapportage is ingegaan op de diverse acties die UHT onderneemt om het besluitvormingsproces bij de integrale beoordeling en in bezwaar te versnellen. In de 11e Voortgangsrapportage wordt nader ingegaan op verbetermaatregelen.

Ingebrekestelling (IGS) en beroep wegens het niet tijdig beslissen dienen te worden onderscheiden van bezwaren en overige (inhoudelijke) beroepen. IGS en beroepen wegens niet tijdig beslissen zien op de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Tot op heden (peildatum 24 juni 2022) heeft UHT ruim 12.000 ingebrekestellingen ontvangen. IGS is een toegangsvereiste om een beroepen wegens niet tijdig beslissen in te stellen bij de rechtbank. UHT heeft tot nu toe 711 beroepen wegens niet tijdig beslissen ontvangen. UHT monitort de instroom nauwgezet. Volgens het meest aannemelijke scenario blijft het aantal ingebrekestellingen in de komende maanden hoog, in de 11e Voortgangsrapportage wordt daar nader op ingegaan. Er dient rekening mee te worden gehouden dat het bereiken van een omslagpunt ook gevolgen kan hebben voor de verwachtingen. De verwachte instroom van beroepen wegens niet tijdig beslissen is de komende maanden 300 per maand. Die verwachtingen worden steeds gemonitord om te bezien of bijstellingen in de rede liggen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of hierdoor het beginsel first in, first out onder druk komt te staan. Het klopt dat door de prioritering aan de hand van rechterlijke uitspraken er sprake van is dat UHT niet meer alle ouders op basis van het first in first out principe kan behandelen bij de integrale beoordelingen. Het leidt er toe dat de bestaande capaciteit van UHT wordt aangewend in een andere behandelvolgorde. Die wordt steeds meer bepaald door de opvolging van door de rechter opgelegde nadere termijnen. Voorzien wordt dat dit er in augustus toe leidt dat er geheel geen zaken meer conform het first in first out principe behandeld kunnen worden. Snel daarna zal vervolgens de door de rechter opgelegde termijnen van veelal 10 tot 12 weken niet meer kunnen worden gehaald en worden er – in toenemende mate – dwangsommen verbeurd. Tot op heden (peildatum 24-06-2022) is wegens een ingebrekestelling in 1.557 gevallen een dwangsom betaald voor een totaalbedrag van € 2.212.101. Wegens overschrijding van de rechterlijke beslistermijn na een beroep wegens niet tijdig beslissen is tot op heden in 5 gevallen een dwangsom uitgekeerd voor een totaalbedrag van € 7.800.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen tenslotte of er zicht is op het totaal aan teruggevorderde toeslagen bij ouders die € 30.000 hebben ontvangen van de Catshuisregeling. Het is bekend wat de totale hoogte van het bedrag aan terugvorderingen van kinderopvangtoeslag is bij ouders. Dat is weergegeven in onderstaande tabel. Daarbij moet wel worden vermeld dat er in deze cijfers geen specificatie is gemaakt naar toeslagjaren waar het herstel op is gericht. Ook is er in deze cijfers geen onderscheid gemaakt tussen terechte en onterechte terugvorderingen. Het totale bedrag aan terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag geeft daarom ook geen betrouwbaar beeld van de hoogte van de compensatie.

Tabel terugvorderingen KOT bij ouders die Catshuisregeling ontvangen hebben

Hoogte totale KOT-terugvorderingen

Aantal ouders (peildatum 01-07-2022)

€ 0 – € 1.000

754

€ 1.001 – € 5.000

2.653

€ 5.001 – € 10.000

3.857

€ 10.001 – € 20.000

6.466

€ 20.001 – € 30.000

4.254

Hoger dan € 30.000

7.219

Vragen en opmerkingen van het lid Omtzigt

Het lid Omtzigt heeft kennisgenomen van de herijking van het proces rondom de hersteloperatie kinderopvangtoeslag

Hij waardeert een aantal maatregelen die gaan over beter contact met ouders en emotioneel herstel bij ouders en kinderen. Een van de belangrijkste redenen voor een herijking zou in zijn ogen moeten zijn het weer in control komen van het hele proces van herijking. Op dit moment wordt er werkelijk geen enkele wettelijke termijn gehaald en lopen de wachttijden voor bijvoorbeeld de integrale beoordeling op tot drie tot vier jaar, terwijl gewoon een wettelijke termijn van toepassing is van zes maanden (die eenmalig met zes maanden verlengd kan worden).

Die wettelijke termijnen zijn er in de ogen van dit lid natuurlijk niet voor niets: justice delayed is justice denied. En dat geldt natuurlijk extra voor de 19.500 mensen die niet in aanmerking komen voor de Catshuisregeling en jaren moeten wachten op de integrale beoordeling. Het gevolg is dat private schuldeisers de invorderingen weer opstarten met alle gevolgen van dien.

Het lid Omtzigt wijst erop dat de wettelijke termijnen niet gehaald worden en dat de wachttijden voor integrale beoordeling oplopen tot drie of vier jaar. Hij vraagt welke boodschap het kabinet heeft voor de groep mensen die niet in aanmerking komen voor de Catshuisregeling en jaren moeten wachten op integrale beoordeling. Ouders die zich aanmelden krijgen binnen 6 maanden de eerste toets of ze in aanmerking komen voor de Catshuisregeling. Als dat zo is ontvangen zij € 30.000 en worden hun schulden aangepakt en komen ze in aanmerking voor brede ondersteuning. Het kabinet betreurt het dat het lang kan duren voordat de integrale beoordeling is afgerond. Het kabinet blijft onderzoeken of en hoe de afhandeling kan worden versneld. Zo wordt gekeken of we specifieke groepen eerder kunnen beoordelen. Bijvoorbeeld als duidelijk is dat een ouder echt niet gedupeerd is, omdat hij of zij geen kinderen heeft. Mensen die zich hebben aangemeld, kunnen wel al terecht bij UHT voor acute financiële hulp en bij hun gemeente voor brede ondersteuning op de vijf leefgebieden.

Het lid Omtzigt wijst erop dat dat artikel 41, tweede lid, van het Europees Handvest het recht op behoorlijk bestuur bevat, waaronder: »het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim.» Dit lid vraag hierbij op welke wijze alle mensen die gedupeerd zijn, binnen een redelijke termijn inzage kunnen krijgen in hun dossier, zoals beloofd door voormalig Staatssecretaris Snel? Het kabinet onderschrijft het belang om binnen een redelijke termijn dossiers te verschaffen aan ouders. Dat kan, ondanks de inspanningen op het gebied van opschaling, wegens capaciteitsgebrek in veel gevallen niet worden waargemaakt. Waar mogelijk wordt gezocht naar verbetermaatregelen, zie hiervoor de 10e Voortgangsrapportage. Ook in de 11e Voortgangsrapportage zal hier nader op worden ingegaan.

Het lid Omtzigt verwacht bij een herijking de volgende zaken:

  • Een plan met concrete doelen. Dus hoeveel mensen worden in welk kwartaal integraal beoordeeld, hoeveel mensen krijgen hun dossier in welk kwartaal en hoeveel mensen kan de Bezwaar Advies Commissie en de Commissie Werkelijke Schade elke maand beoordelen?

  • Een begroting voor het aantal benodigde mensen bij UHT (waar het verloop groot is) en de manier waarop deze mensen geworven worden;

  • Een begroting met de financiële middelen die UHT nodig heeft en die de gemeentes nodig hebben in het totaal.

Hierbij vraagt het lid Omtzigt of het kabinet bereid is die zaken alsnog in een plan (inclusief totaalbegroting) en tijdlijn te zetten. Het lid Omtzigt zal er dit keer niet bij vragen om de beoogde tijdlijnen te vergelijken met eerdere tijdlijnen, omdat hij ondertussen wel begrijpt dat die niet worden gehaald. Het kabinet informeert de Kamer regulier via de Voortgangsrapportages en de stand van zaken brieven over een groot deel van de door het lid Omtzigt gevraagde zaken. Hierbij probeert het kabinet een balans te vinden in de omvang en gedetailleerdheid van de informatie en de hoeveelheid werk die hiermee gemoeid is voor de uitvoeringsorganisatie.

Het lid Omtzigt vraagt verder welke begroting is opgesteld voor het benodigd aantal mensen bij UHT en welk percentage van de totale begroting gereserveerd is voor de € 70 miljoen voor dwangsommen. Het parlement wordt continue middels de reguliere begrotingscyclus en de voortgangsrapportages op de hoogte gehouden van de actuele budgetten die benodigd zijn voor de hersteloperatie Toeslagen. Na de eerste suppletoire begroting en Voorjaarsnota 2022 is – onder voorbehoud van parlementaire autorisatie – in totaal € 5.717 miljoen beschikbaar voor de hersteloperatie Toeslagen. Van dit bedrag is € 958 miljoen beschikbaar voor de apparaatsuitgaven, waarvan € 886 mln. beschikbaar is voor UHT. Het beschikbare budget van dwangsommen van € 70 miljoen is 1,2% van het totale budget van € 5.717 miljoen.

Het lid Omtzigt vraagt ook of het voor dwangsommen gereserveerde bedrag niet kan worden besteed aan extra maatregelen voor een deugdelijke afwikkeling. Het kabinet is het met het lid Omtzigt eens dat we bij voorkeur publiek geld inzetten om deugdelijk af te wikkelen in plaats van dwangsommen betalen. Tegelijkertijd is een dwangsom een sanctie in ons rechtssysteem dat gericht is op het beëindigen van een bepaalde ongewenste situatie. Het kabinet blijft onderzoeken of en hoe de afhandeling kan worden versneld en bij voorkeur natuurlijk binnen de daarvoor geldende termijnen. Daarbij worden alle mogelijke maatregelen ingezet. Ondanks die maatregelen zal een reservering voor de betaling van dwangsommen nodig blijven. Hierover bent u geïnformeerd bij de 10e Voortgangsrapportage en ook in de 11e Voortgangsrapportage zal hier aandacht aan besteed worden.

Het lid Omtzigt vraagt hoeveel betrokkenen de rechter hebben verzocht UHT op te dragen een besluit te nemen. UHT heeft tot op heden van 658 belanghebbenden 711 beroepen wegens niet tijdig beslissen ontvangen (sommige belanghebbenden wachten op meerdere besluiten waarop niet binnen de wettelijke termijn is beslist).

Het lid Omtzigt vraagt wat er gedaan gaat worden om deze toenemende aantallen fictieve weigeringsprocedures te voorkomen. Er zijn geen generieke maatregelen om dat te voorkomen. Ouders hebben het recht om beroepen niet-tijdig in te dienen en het is niet mogelijk om integrale beoordelingen binnen de huidige wettelijke termijnen af te ronden. Een van de redenen daarvoor is de tijd en capaciteit die nodig is om de eerste toets af te ronden en op die manier gedupeerde ouders zo snel mogelijk te helpen. Voorafgaand aan de beschikking in de integrale beoordeling worden belangrijke stappen gezet. Naast de forfaitaire toekenning van € 30.000,–, gaat het daarbij om voor gedupeerde ouders om kwijtschelding van publieke schulden, overname van achterstanden bij private schulden en om hulp op de vijf leefgebieden. Waar mogelijk wordt ingezet op versnelde afhandeling in de integrale beoordeling, vereenvoudigde afdoening in bezwaar en het voorkomen van samenloop tussen procedures (zoals tussen eerste toets en integrale beoordeling en tussen integrale beoordeling en werkelijke schade). Urgente gevallen krijgen nog steeds voorrang, zodat er voor acute gevallen een andere ingang aanwezig blijft dan het instellen van een beroep niet-tijdig. Verder is het van belang ouders een zo realistisch mogelijk beeld van het proces en de vervolgstappen te schetsen. Gegeven de achterstanden en het niet halen van de beslistermijnen bij de integrale beoordeling en in bezwaar, blijft de verwachting echter onveranderd dat het aantal beroepen niet-tijdig zal blijven toenemen. Het kabinet blijft kijken naar verbetermogelijkheden in de verschillende processtappen en zet ook in op pilots zoals met betrekking tot mediation en vso’s.

Het lid Omtzigt vraagt verder of onderkend wordt dat de rechters bij gebrek aan beschikbare dossiers of niet tijdige beslissingen door Toeslagen de verzoeken van betrokkenen gaan toewijzen. Het gebrek aan capaciteit om dossiers te lakken en vervolgens beschikbaar te stellen kan zorgen voor vertraging in procedures. Rechters wijzen verzoeken van ouders toe om bij het uitblijven van een beslissing een beslistermijn op te leggen onder straffe van het verbeuren van een dwangsom. Deze beroepen niet-tijdig worden in toenemende mate ingediend en als de wettelijke termijn is verstreken, worden deze beroepen ook gegrond verklaard.

Het lid Omtzigt vraagt of de Belastingdienst gaat voldoen aan uitspraken van rechters ter zake. Zo nee, waarom niet en hoeveel beroepszaken verwacht het kabinet komend jaar. De beslistermijnen die door rechters worden opgelegd worden nu in de meeste gevallen nog gehaald. Als het aantal beroepen niet-tijdig verder blijft toenemen, wordt in augustus een omslagmoment voorzien. De behandelcapaciteit van UHT voor het oppakken van integrale beoordelingen wordt dan geheel aangewend voor beroepen niet-tijdig, behoudens urgenties. Snel daarna zullen ook de termijnen van veelal 10 tot 12 weken die door de rechter worden opgelegd niet meer worden gehaald. Dat betekent dat er dwangsommen worden verbeurd, bij verdere stijging van het aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen in toenemende mate. UHT doet haar uiterste best het aantal dwangsommen te voorkomen dan wel beperkt te houden, onder meer door de rechter om ruimere termijnen te vragen. UHT heeft tot nu toe (peildatum 24 juni 2022) 711 beroepen wegens niet tijdig beslissen ontvangen. UHT monitort de instroom nauwgezet. Volgens het meest aannemelijke scenario blijft het aantal ingebrekestellingen in de komende maanden hoog. Er dient rekening mee te worden gehouden dat het bereiken van een omslagpunt ook gevolgen kan hebben voor de verwachtingen. De verwachte instroom van beroepen wegens niet tijdig beslissen is de komende maanden 300 per maand. Die verwachtingen worden steeds gemonitord om te bezien of bijstellingen in de rede liggen. Hierover bent u geïnformeerd bij de 10e Voortgangsrapportage en ook in de 11e Voortgangsrapportage zal hier aandacht aan besteed worden.

Het lid Omtzigt vraagt waarom er niet gekozen wordt voor een korte behandelingsprocedure. Dit is geen kwestie van niet kiezen, het kabinet blijft zoeken naar mogelijkheden voor kortere behandelingsprocedures. Als er bij een integrale beoordeling een PZB-er aan een zaak is toegewezen, volstaat in de regel een termijn van twaalf weken. De tijd tot een ouder aan de beurt is bij de integrale beoordeling zorgt met name voor de lange behandelduur. Waar mogelijk wordt ingezet op versnelling van de procedures, bijvoorbeeld in urgente situaties of door direct uitsluitsel te geven na de beoordeling van de eerste toets.

Het lid Omtzigt vraagt verder of de Staatssecretaris het er mee eens is dat gehanteerde wachttermijnen strijd opleveren met het Europees Handvest. Het Europees Handvest is van toepassing als het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gelegd. In het Handvest is ook een codificatie van bepalingen uit het EVRM opgenomen, waaronder artikel 6 EVRM. Daaruit vloeit, voor een eerlijke procedure, recht op toegang tot het dossier voort.

De toegang tot dossiers laat te lang op zich wachten, de problemen die daarmee bestaan zijn in eerdere voortgangsrapportages toegelicht. In de 11e Voortgangsrapportage wordt nader op deze problematiek en de mogelijkheden om te versnellen ingegaan. Dat dossiers langer op zich laten wachten dan wenselijk betekent evenwel niet onmiddellijk dat er sprake is van strijd met internationale verplichtingen. Zo worden bijvoorbeeld beslistermijnen in bezwaar niet gehaald omdat de aanlevering van dossiers niet snel genoeg plaatsvindt. Dat dossier is nodig voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar, om die bezwaarprocedure op een zorgvuldige wijze af te kunnen handelen. Bij de afhandeling van dossiers geven we sinds kort prioriteit aan de behandeling van bezwaardossiers. Bij de verdere afhandeling van de procedure heeft de ouder toegang tot zijn dossier, waardoor afhandeling in lijn met de hier bedoelde rechtsbeginselen plaats kan vinden.

Het lid Omtzigt vraagt tevens of al contact gezocht is met de rechterlijke macht om hen te waarschuwen en afspraken te maken. Over de toename van het aantal beroepszaken wordt regelmatig gerapporteerd, onder meer in het kader van de 10e Voortgangsrapportage. Een toenemend aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen levert niet alleen uitdagingen op voor UHT, maar ook voor de rechterlijke macht. We zien in voorkomende gevallen dat de behandelduur bij rechtbanken toeneemt. Over de procesmatige aspecten hiervan is UHT in contact met de rechterlijke macht.

Het lid Omtzigt vraagt ook naar het moment waarop het kabinet in staat is zelf aan de wettelijke termijnen te voldoen. Als gevolg van de grote toestroom aan aanvragen en bezwaren is door UHT tot op heden op circa 30.000 aanvragen voor een integrale beoordeling (IB) niet binnen de wettelijke termijn van één jaar beslist. UHT verwacht dat in 2022 voor nog eens ongeveer 10.000 IB de beslistermijn zal verstrijken. Ook daarna zal UHT in de overgrote meerderheid van de gevallen niet aan de wettelijke termijnen kunnen voldoen. Voor de eerste toets worden wettelijke termijnen in de regel gehaald. Onder meer in de 10e Voortgangsrapportage is aangegeven dat de termijnen voor bezwaar niet worden gehaald en is ingegaan op de prognose en randvoorwaarden om die termijnen wel te halen. In de 11e Voortgangsrapportage zal daar nader op worden ingegaan. Voor het afhandelen van werkelijke schade geldt dat in de 10e Voortgangsrapportage is aangegeven dat de gemiddelde doorlooptijd van de procedure bij CWS 8 maanden is. Dit is langer dan de beoogde termijn van 3 tot 6 maanden, maar blijft binnen de termijn van één jaar.

Het lid Omtzigt wijst erop dat meer dan de helft van de mensen nu wordt afgewezen voor de Catshuisregeling en vraagt of systematisch wordt gekeken waarom mensen zich hebben aangemeld. Als burgers zich melden en niet als gedupeerde worden aangemerkt, wil dat niet zeggen dat ze geen problemen hebben. Ook wie geen recht heeft op een herstelregeling kan serieuze problemen hebben. Burgers melden zich aan omdat zij bijvoorbeeld financiële problemen hebben door een terugvordering van de kinderopvangtoeslag ontstaan door een hoger vastgesteld definitief inkomen, door een stopzetting van de kinderopvangtoeslag door de ouder zelf, of het betreft een verlaging op basis van informatie van DUO of de kinderopvangorganisatie. Ook problemen bij de andere toeslagen of overheden zijn redenen waarom mensen zich aanmelden. Er wordt niet systematisch gekeken waarom mensen zich aanmelden. Aan deze groep niet-gedupeerden wordt wel ook gevraagd of de gegevens doorgegeven mogen worden aan de gemeente. Zo komen deze burgers ook in beeld bij de gemeente en kan de gemeente reguliere hulp aanbieden. Ook vraagt hij of er onbekende hardheden bekend zijn geworden en of er zaken zijn die voor toeslaggerechtigden structureel onduidelijk of onrechtvaardig worden gevonden. Er zijn tot op heden geen onbekende hardheden bekend geworden. Het kabinet blijft dit monitoren.

Tot slot vraagt het lid Omtzigt te reflecteren op de aard van bedragen die worden uitgekeerd en de wetsovertredingen van de Belastingdienst5 waaruit dat voortvloeit. Uitgangspunt is uiteraard is dat de Belastingdienst zich aan alle wet- en regelgeving houdt. Situaties waarin de Belastingdienst niet in overeenstemming met de wet handelt of heeft gehandeld, zijn ongewenst en de inzet is en blijft deze zo snel en zorgvuldig mogelijk op te lossen.6 In de brief van 12 maart 2021 is aan de Kamer medegedeeld dat het niet mogelijk is om een eenduidig en volledig overzicht te geven van alle gevallen en situaties waarin de Belastingdienst (mogelijk) niet in overeenstemming met de wet heeft gehandeld.7 Wel bevat de brief van 12 maart 2021 een aantal illustratieve voorbeelden waarin de Belastingdienst niet in overeenstemming met de wet heeft gehandeld. Een aantal hebben betrekking op de problemen met de kinderopvangtoeslag en daarvoor loopt nu de hersteloperatie.

Het is, als gezegd, staand beleid om als zich nieuwe gevallen voordoen of naar boven komen waarin de Belastingdienst niet in overeenstemming met de wet heeft gehandeld, de Kamer hierover steeds te informeren. Dit gebeurt waar relevant via de jaarlijks voorziene Stand van de Uitvoering, in het kader van voortgangsrapportages of waar nodig via separate tussentijdse brieven.


X Noot
1

Kamerstuk 31 066, nr. 1003.

X Noot
2

Kamerstuk 31 066, nr. 1026.

X Noot
3

Kamerstuk 31 066, nr. 933

X Noot
5

Onder Belastingdienst verstaan we hier uiteraard ook Toeslagen.

X Noot
6

Antwoord op vragen van de leden Omtzigt en Leijten over het verweer van de Staat in de artikel 12-procedure omtrent de vervolging van de Belastingdienst (Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 3183).

X Noot
7

Kamerstuk 31 066, nr. 800.

Naar boven