31 031 IXB
Jaarverslag en slotwet ministerie van Financiën 2006

nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 juni 2007

De vaste commissie voor Financiën1, heeft over het jaarverslag 2006 van het Ministerie van Financiën (Kamerstuknummer 31 031 IXB, nr. 1) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd.

Deze vragen, alsmede de daarop bij brief van 7 juni 2007 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Blok

De griffier van de commissie,

Berck

1

Wat heeft de val van het kabinet en de daarop volgende controversieelverklaring van enkele onderwerpen voor gevolgen gehad op de uitkomsten van de jaarverslagen?

Het controversieel verklaren van enkele onderwerpen heeft tot gevolg gehad dat deze onderwerpen zijn aangehouden voor behandeling in het parlement. Het betreft hier onder meer de wetsontwerpen «Wet tuchtrechtspraak accountants» en implementatie «Europese richtlijn inzake overnamebiedingen». De uitvoering van deze onderwerpen heeft daarmee vertraging opgelopen. In het jaarverslag IX-B is dit aangegeven bij het beleidsterrein Financiële markten.

2

Hoeveel fte en geld, uitgesplitst naar departement en beleidsterrein, kost de beleidsverantwoording in de huidige vorm de Rijksoverheid?

Binnen de departementen zijn de directies Financieel-Economische Zaken (FEZ) en de Departementale Auditdiensten (DAD) bezig met de verantwoording van het beleid. De beleidsverantwoording is onderdeel van het begrotingsproces en daarmee een continue proces. Dit vindt zijn weerslag in de budgettaire nota’s door het jaar heen en de departementale jaarverslagen. Niet alle beschikbare tijd wordt echter besteed aan de verantwoording van beleid, ook in de ondersteuning van beleidsdirecties bij de beleidsvoorbereiding hebben de FEZ-directies en DAD’s een belangrijke rol. Het is onduidelijk welk deel van de tijd wordt besteed aan verantwoording en welk deel aan voorbereiding/ondersteuning. Daarom kan geen goede inschatting van de kosten voor beleidsverantwoording worden gemaakt. Overigens kan dit ook per ministerie zeer verschillend uitpakken. Voor meer informatie over de kosten van de FEZ-directies en de DAD’s verwijzen wij u naar de departementale jaarverslagen.

3

Hoe kan het dat wordt gemeld dat de doelstelling met betrekking tot. Corporate Governance is gehaald, terwijl het onderwerp nog nooit zo prominent op de maatschappelijke agenda heeft gestaan?

Het onderwerp corporate governance staat niet voor het eerst hoog op de agenda. Eigenlijk is sinds de vaststelling van de Code Tabaksblat (eind 2003) en de aanpassing van de wetgeving op het terrein van governance (2004) het onderwerp politiek een belangrijk issue. Sinds 2003 bevat de beleidsbegroting van Financiën prioriteiten op het terrein van corporate governance en daarmee specifieke doelstellingen op het terrein voor corporate governance. In 2006 is die doelstelling gehaald.

4

Kan een overzicht worden gegeven van de diverse ramingen van inkomsten, uitgaven en saldo van het Rijk (bij Miljoenennota, Voorjaarsnota, Vermoedelijke Uitkomsten, Najaarsnota, Voorlopige Rekening, Rijksjaarverslag)?

Wat verklaart het enorm grote verschil tussen de aanvankelijke raming (tekort van 1,8% BBP) en realisatie (overschot van 0,6%) van het feitelijk saldo? Worden voor de ramingen steeds dezelfde methoden gevolgd? Heeft een dergelijk groot verschil zich eerder voorgedaan?

In tabel 1 staat de ontwikkeling van het feitelijk EMU-saldo 2006 ten opzichte van de ontwerpbegroting 2006.

Tabel 1: EMU-saldo 2006 (in % BBP, raming versus realisatie)

 2006
EMU-saldo Ontwerpbegroting 2006– 1,8%
Inkomsten1,4%
Gasbaten0,4%
Saldo lokale overheden0,3%
Uitgaven0,1%
Overig (o.a. kas-transverschillen en FES)0,2%
EMU-saldo Financieel Jaarverslag 20060,6%

Bij de verschillende budgettaire nota’s over 2006 werden de budgettaire kerngegevens als volgt geraamd (zie tabel 2).

Tabel 2: Budgettaire kerngegevens 2006 in miljarden euro

 OB 06VJN 06MN 07NN 06VR 06FJR 06
1. Netto-uitgaven onder het kader RBG-eng– 97,3– 97,5– 97,7– 97,6– 97,4– 97,4
2. Netto begrotingsgefinancierde uitgaven SZA– 15,0– 14,8– 14,6– 14,5– 14,614,6
3. Netto uitgaven niet relevant voor enig kader*– 12– 14,5– 14,9– 13,5– 10,0– 9,8
4. Netto begrotingsgefinancierde uitgaven– 124,3– 126,8– 127,2– 125,6– 121,9– 121,8
       
5. Belastingen115,1120,3124,0126,4126,9126,8
6. Uitgavenreserve0,20,00,00,00,0 
7. Overig– 0,12,64,92,8– 0,7– 0,1
8. EMU-saldo Centrale Overheid– 9,1– 3,81,73,64,35,0
       
9. EMU-saldo Lokale Overheid– 1,6– 1,6– 1,6– 1,6– 1,1– 0,2
       
10. EMU-saldo Sociale Fondsen1,50,00,20,2– 0,8– 1,7
       
11. EMU-saldo (- = tekort)– 9,2– 5,40,32,22,43,1
EMU-saldo in %BBP– 1,8%– 1,0%0,1%0,4%0,5%0,6%
       
BBP (in miljarden euro’s)504520529529529528

* Excl. aflossing en uitgifte vaste schuld

Voor de ramingen worden ieder jaar dezelfde methoden gebruikt. Verschillen tussen de ramingen bij ontwerpbegroting en de realisaties komen vaker voor. In het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2005 (pag. 40, box 2.2.1) staat een passage over de trefzekerheid van de ramingen van het EMU-saldo. Daarin zijn ook verschillen tussen de ramingen en realisaties weergegeven over de afgelopen 10 jaar.

In het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2006 (hoofdstuk 2) staat een nadere toelichting bij de diverse uitgaven- en ontvangstenontwikkelingen.

5

De doelstelling ten aanzien van administratieve lastenreductie zou zijn behaald. Maar met 16% wordt achtergebleven ten opzichte van de geplande 19% voor 2006. Kan worden toegelicht of de voorziene reductie voor 2007 met 25% wordt behaald?

De in het jaarverslag gemelde realisatie van € 2,6 miljard (16%) komt nagenoeg overeen met de verwachting die in de Miljoenennota voor 2007 en de kabinetsbrief van oktober 2006 over administratieve lasten voor bedrijven aan de Tweede Kamer is gecommuniceerd (in deze rapportages werd uitgegaan van 16,4% voor 2006).

Tijdens het AO van 26 april jl. over de aanpak van het nieuwe kabinet voor de vermindering van regeldruk voor bedrijven, is afgesproken met de Tweede Kamer dat in de kabinetsbrief van juni, waarin de aanpak van het kabinet voor de komende periode wordt beschreven, tevens inzicht wordt gegeven in het eindresultaat van het vorige kabinet. Daarbij zullen de reductiemaatregelen van de maanden januari en februari nog tot de resultaten van het vorige kabinet worden gerekend.

De maatregelen die verder op de rol stonden voor 2007 blijven in het kader van de verlichting van regeldruk onverminderd belangrijk en het kabinet zal deze dan ook implementeren. Deze maatregelen maken onderdeel uit van het nieuwe kabinetsprogramma zoals dat dus binnenkort aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden.

6

De administratieve lasten zijn met 16% gereduceerd, waar 19% was voorgenomen. Welke gevolgen heeft het verschil voor 2007 en verdere jaren?

Dat klopt. Het kabinet verwacht dat de opgelopen achterstand in 2007 wordt ingelopen. Voor een toelichting op het verschil tussen de 16% en 19% verwijs ik naar het antwoord op vraag 28 hieronder.

7

In 2006 is sprake geweest van een feitelijk begrotingsoverschot van 0,6%. Voor welk deel is deze verbetering toe te wijzen aan meevallers bij de belastingsontvangsten en gasbaten, en wat waren de belangrijkste tegenvallers?

Zie het antwoord op vraag 4.

8

Kan uitvoeriger worden aangegeven hoe de toezegging inzake het kritisch volgen van het bezoldigingsbeleid vorm heeft gekregen bij organisaties waarin de Staat deelnemingen heeft en welke resultaten dat had?

De Staat heeft het bezoldigingsbeleid bij staatsdeelnemingen tot op heden beoordeeld op de volgende punten, te weten:

– de staatsdeelnemingen zouden niet voorop moeten lopen met het salaris en dat is vertaald in de voorwaarde dat maximaal de mediaan van de vergelijkingsgroep wordt uitbetaald;

– de vergelijkingsgroep op basis waarvan het salaris van de Raad van Bestuur wordt bepaald dient representatief te zijn en dat betekent dat bij het samenstellen van de vergelijkingsgroep dat niet alleen naar grotere bedrijven moet worden gekeken, maar dat wordt gekeken naar omzet, aantal werknemers, risicoprofiel etc.;

– de doelstellingen op basis waarvan de variabele beloning wordt uitgekeerd dienen inzichtelijk en voldoende ambitieus te zijn, daarnaast moet inzichtelijk zijn wat de omvang van de variabele beloning is.

Het is aan de Raad van Commissarissen (RvC) om het beloningsbeleid op te stellen en dit aan de aandeelhouders voor te leggen. De aandeelhouders hebben het recht om het beloningsbeleid al dan niet vast te stellen. In een aantal gevallen heeft de Staat als aandeelhouder het beloningsbeleid niet vastgesteld omdat het niet voldeed aan de voorwaarden die de Staat stelt. De RvC heeft vervolgens ná overleg met de aandeelhouder(s) een aangepast beleid voorgesteld dat uiteindelijk wel is vastgesteld. Aanpassingen lagen op het vlak van het deel van het salaris dat variabel is, het ambitieniveau van de doelstellingen en de samenstelling van de vergelijkingsgroep.

Ik bezie thans of er verdere aanpassingen mogelijk en noodzakelijk zijn ten aanzien van het beloningsbeleid.

9

Kan, uitgesplitst naar departement en beleidsterrein, worden aangeven wat de eindstand van de administratieve lastenverlichtingsoperatie per 31-12-2006 was? Welk effect heeft de val van het kabinet en de daarop volgende controversieelverklaring gehad op de te bereiken doelstellingen op het gebeid van de reductie van administratieve lasten?

Ja, de informatie die Financiën ontvangt van departementen voor het opstellen van het totaalbeeld bevat de ontwikkeling van administratieve lasten per beleidsterrein (Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2006). Zie bijgevoegd overzicht.

Het effect van de controversieelverklaring op de te bereiken doelstellingen is niet in beeld gebracht. Voor 2006 zijn de gevolgen naar verwachting beperkt geweest, aangezien het gerealiseerde niet veel afweek van de – voor de val – verwachte reductie. Voor 2007 is er mogelijk wel een effect van vertragingen in sommige wetsontwerpen, waardoor minder zeker is of lastenreductie voor eind 2007 gerealiseerd zullen worden. Een dossier waarbij dit speelt is bijvoorbeeld de Omgevingsvergunning van VROM. Desalniettemin verwachtten de departementen op 1 januari 2007 de doelstelling eind 2007 te halen.

Bijlage Realisatie administratieve lasten per beleidsterrein d.d. 31–12–2006

DepBeleidsterrein2006
BZKDGKB/Bestuurlijke en Financiele organisatie0
 DGMOS/Arbeidszaken Openbare Sector0
 DGV/Brandweer en GHOR0
 DGV/Nationale Veiligheid0
 DGV/Politie– 14
Totaal BZK – 14
EZBEB8
 CBS5
 CBS met aanpassing nulmeting3
 Energie– 2
 Marktordening4
 Ondernemerschap en innovatie9
 overigen0
 Telecom en post13
Totaal EZ 40
FINBeleidsterrein Algemene en bijzondere fiscale wetten10
 Beleidsterrein Douane en accijnzen56
 Beleidsterrein financiële markten0
 Beleidsterrein Gedragstoezicht68
 Beleidsterrein inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting44
 Beleidsterrein Integriteitstoezicht9
 Beleidsterrein Loonheffing en afdrachtvermindering267
 Beleidsterrein Omzetbelasting234
 Beleidsterrein Prudentieel toezicht32
 Beleidsterrein Wet financiële betrekkingen in het buitenland65
Totaal FIN 786
JUSprivaatrecht154
 Staats- en bestuursrecht6
 Totaal JUS160
LNVDierenwelzijn2
 Diergeneesmiddelen0
 Diergezondheid43
 Diervoeders– 3
 Gewasbescherming– 2
 Mest109
 overigen2
 Visserij0
Totaal LNV 150
OCenWBeleidsterrein Cultuur en Media0
 Beleidsterrein DGHBW0
Totaal OCenW 0
SZWArbeidsmarkt & Bijstand27
 Arbeidsomstandigheden204
 Arbeidsverhoudingen22
 Europese dossiers0
 Werknemersverzekeringen281
 Totaal SZW534
VenWAlgemeen (arbeidstijdenwet)0
 Binnenvaart1
 Gevaarlijke stoffen1
 Goederen(weg)vervoer69
 Luchtvaart0
 Overige Reducties & toenames1
 Personenvervoer0
 Spoor0
 Waterstaat22
 Wegenverkeersrecht39
 Zeevaart38
Totaal VenW 172
VROMAfval1
 Bodem3
 Bouwen11
 Geluid0
 Huurwetgeving en corporaties21
 ICT3
 Inrichtingen80
 Landbouw42
 Planstelsels en luchtkwaliteit0
 Ruimtelijke regelgeving0
 Stoffen en Producten0
Totaal VROM 161
VWSGezondheidsbescherming101
 Gezondheidszorg463
 Maatschappelijkezorg20
 Medische ethiek en Overige3
 Overige Reducties & toenames43
Totaal VWS 630
Eindtotaal 2 618

10

Welk bedrag aan heffingskortingen – bedoeld als inkomensondersteuning – kon niet worden verrekend?

Van de heffingskortingen met een inkomensondersteunend karakter kan € 253 miljoen niet worden verzilverd.

11

Om een indicatie te geven van de compliance wordt gebruik gemaakt van onderzoeken in het kader van de Fiscale Monitor. Kan nader worden toegelicht hoe de mening wordt beïnvloed door de prestaties van de Belastingdienst en andere factoren?

Het is niet bekend in hoeverre de mening van burgers en bedrijven over compliance wordt beïnvloed door de prestaties van de Belastingdienst. In de Fiscale Monitor wordt gevraagd naar èn de mening van burgers en bedrijven over de Belastingdienst èn naar hun algemene mening over nalevinggedrag (compliance). Er wordt niet gevraagd naar het verband tussen deze twee vragen.

12

In 2006 is € 35 mln. meer dan voorzien uitgegeven door taakuitbreiding als gevolg van nieuwe fiscale wetgeving en de uitvoering van het VPB-pakket. Hoe is dit bedrag precies verdeeld en was deze taakuitbreiding niet te voorzien geweest?

Het bedrag kon bij indiening van de begroting nog niet worden aangegeven. De middelen zijn tussentijds bij Voorjaarsnota 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 560, nr. 1) aan de begroting van de Belastingdienst toegevoegd. Het totaalbedrag is onderverdeeld in taakuitbreiding als gevolg van nieuwe fiscale wetgeving, zoals het Belastingplan 2006 en de uitvoering van het VPB-pakket (€ 20 mln.), en investeringen in detectiesystemen voor de Douane (€ 15 mln.).

13

Er is in 2006 € 16 mln. meer uitgegeven aan personele uitgaven door de instroom van nieuwe medewerkers. Kan een overzicht worden gegeven van de instroom en de daarmee gepaard gaande extra kosten?

De meeruitgaven voor personeel ad. € 16 mln. bestaan uit twee categorieën. Ten eerste is er € 10 mln. meer uitgegeven voor het aantrekken van vast personeel voor het versterken van het toezicht. Het betreft ongeveer 350 extra medewerkers. Ten tweede is er € 6 mln. meer uitgegeven voor het inhuren van extra uitzendkrachten voor het onvoorzien meerwerk bij Toeslagen.

14

De ervaren snelheid van de afhandeling bij de Belastingdienst is verder verslechterd. Kan dit nader worden toegelicht? Wat wordt ondernomen om de streefwaarde op dit punt te halen?

Er lijkt een discrepantie te bestaan tussen de ervaren snelheid bij de afhandeling van aangiften enerzijds en feitelijke afhandeling anderzijds. Wat het laatste betreft blijkt uit de door de Belastingdienst gemeten kengetallen over de mate van tijdigheid van afhandeling van aangiften en bezwaarschriften dat het percentage tijdig afgehandelde aangiften in 2006 licht is gestegen ten opzichte van 2005 (Beheersverslag Belastingdienst 2006, tabel 4). Echter, zoals uit de Fiscale Monitor blijkt (tabel 3) ervaren vooral particulieren deze tijdigheid anders. De aandacht van de Belastingdienst voor tijdige afhandeling blijft daarom onverminderd hoog. De vereenvoudigingsoperatie Belastingdienst voor de komende jaren richt zich dan ook niet alleen op automatisering, maar voorziet ook in oplossingen voor knelpunten en wensen voor zowel burgers als bedrijfsleven op terreinen als digitale dienstverlening, klachtbehandeling en bereikbaarheid.

15

Waarom lukt het bij een aantal gemeenten, waaronder enkele met een fiscaal handhavingstekort, nog steeds niet om bestuurlijk de handen op elkaar te krijgen voor een convenant?

In de hier bedoelde gevallen kijkt de gemeente anders aan tegen het al dan niet bestaan van vrijplaatsen binnen hun grenzen. In de praktijk wordt de Belastingdienst bij een enkele gemeente geconfronteerd met gebrek aan bereidheid om de samenwerking te zoeken. In dergelijke gevallen wordt het gesprek met de desbetreffende gemeente op een later moment voortgezet, bijvoorbeeld op het moment dat zich concrete problemen voordoen. Dit kan er dan toe leiden dat alsnog een samenwerkingsconvenant wordt afgesloten. Indien een gemeente echt alle medewerking weigert, wordt in overleg met BZK bekeken hoe de gemeente daarop kan worden aangesproken.

16

Waarom zijn de kosten in het kader van een soepele overgang naar de euro voor 2006 zo hoog geraamd? Wat is de reden van de blijvend hoge stand van deze post?

Het opgenomen bedrag betreft apparaatsuitgaven en hebben geen betrekking op uitgaven voor de soepele overgang naar de euro, die overigens in 2006 nihil waren.

17

Er is een tegenvaller van € 4,8 mln. doordat er meer guldenmunten zijn ingeleverd bij de DNB dan voorzien. Waar worden de munten boekhoudkundig gezien geboekt die niet worden ingeleverd?

Tot 31 december 2006 konden er guldenmunten worden ingeleverd en daarna niet meer. Er is daarom geen betalingsverplichting opgenomen op de saldibalans 2006.

18

Kan een overzicht worden gegeven van de totale toezichtskosten en de totale nalevingskosten zoals die de afgelopen 5 jaar gemaakt en veroorzaakt zijn door de AFM en DNB?

Onderstaand een overzicht van de kosten die de toezichthouders op de financiële markten, waaronder de voormalige Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), de afgelopen jaren hebben gemaakt.

JaarDNB*PVKAFMTotaal
2002**€ 35,1 mln. € 31,1 mln. 
2003**€ 34,8 mln. € 28,6 mln. 
2004€ 84,2 mln. € 42,0 mln. € 126,2 mln.
2005€ 87,9 mln. € 55,8 mln. € 143,7 mln.
2006€ 90,4 mln. € 73,2 mln. € 163,6 mln.

* M.i.v. 2004 incl. de toezichtstaken van de voormalige PVK

** Tot 2004 heeft DNB de kosten van het toezicht niet doorberekend aan marktpartijen. Hierdoor heeft DNB de kosten van de ondersteunende afdelingen, zoals die van de huisvesting, niet doorberekend aan de te onderscheiden hoofdtaken.

Een schatting van de nalevingskosten die de afgelopen vijf jaar zijn veroorzaakt door DNB en de AFM is lastig te maken, een analyse gedeeld door de sector. Anders dan bijvoorbeeld het geval is met betrekking tot administratieve lasten, bestaat er geen eenduidige berekeningsmethodiek voor het meten van nalevingskosten. Struikelblok daarbij is onder andere gebleken dat moeilijk inzicht is te verkrijgen in de kosten die door regelgeving worden veroorzaakt en kosten die samenhangen met de normale bedrijfsuitoefening van een onderneming.

Mede om die reden is door het vorige kabinet ook besloten om met betrekking tot het terugdringen van nalevingskosten een andere spoor te volgen dan het geval was bij de beperking van de administratieve lasten.

In samenspraak met de sector is vorig jaar een overzicht opgesteld van de bestaande nalevingskosten die door de sector als het meest bezwarend en/of irritant worden ervaren. Dit overzicht heeft geleid tot een aantal concrete voorstellen ter beperking van nalevingskosten met name op het terrein van integriteitswetgeving (bijvoorbeeld samenhangend met de invoering van het Burger Service Nummer en met de zogenaamde Consumer Due Diligence-regelgeving). Ook is onder andere invulling gegeven aan een wens van de sector om toezichthouderregelingen met betrekking tot integriteitsgevoelige functies en incidenten in de Wet financieel toezicht te vervangen door principlebased in plaats van rule based geformuleerde AMvB’s.

19

Waarom worden er nog altijd honderdduizenden 1 en 2 eurocentmunten geproduceerd?

In 2006 zijn 1 en 2 eurocentmunten geproduceerd ten behoeve van muntsetjes en muntrolpakketten. Bij verzamelaars bestaat behoefte aan deze munten, dit betekent dat de geproduceerde 1 en 2 eurocentmunten in verzamelingen terecht komen en niet in de circulatie.

20

Kan een overzicht worden gegeven van de rendementen die de afgelopen 5 jaar door de Staat gemaakt zijn op haar deelnemingen? Kan hierbij de waarde van de deelnemingen en de waardestijging in de afgelopen 5 jaar ook worden aangegeven?

Voor een overzicht van de rendementen en de waardecreatie verwijs ik u naar de jaarverslagen zoals door de Staat opgemaakt voor de portefeuille van deelnemingen. Zie hiervoor de Kamerstukken II 2006/07, 28 165 nr. 55, 28 en 16.

21

Van welke deelneming heeft de Staat in 2006 agio ontvangen, en wat is de reden voor deze terugstorting geweest?

Sinds 2003 ontvangt de Staat agiostortingen van de NV Westerscheldetunnel. De oorspronkelijke investering in de aanleg van de Westerscheldetunnel is door een aandelenparticipatie van de Staat en de provincie Zeeland gefinancierd, gedeeltelijk in de vorm van een agiostorting. De investering wordt in een tolperiode van in beginsel 30 jaar terugverdiend door middel van dividendontvangsten. De volledige winst wordt uitgekeerd als dividend. Het meerdere van de jaarlijkse positieve kasstroom van de NV gaat naar haar aandeelhouders in de vorm van een terugstorting van agio.

22

Kan een nadere toelichting worden gegeven op de lagere afdracht van Holland Casino? Voor welk deel is dit te wijten aan de verhoging van de kansspelbelasting?

Met ingang van 1 januari 2006 bedraagt het tarief van de kansspelbelasting 40,85% (daarvoor 33,33%). Het effect is ruim € 20 mln. De Staat ontvangt dus meer belastingafdrachten en minder winstafdracht.

23

Is het puur toeval dat het moment van «maximalisatie van de verkoopopbrengst» van de aandelen TNT (21 november) en de aandelen KPN (22 november) vlak vóór de TK-verkiezingen in 2006 (22 november) plaatsvond?

Ja. Op 22 september heeft de Staat het restant van haar aandelen in KPN verkocht en op 21 november het restant in aandelen TNT.

Het beleid van het vorige kabinet was gericht op afstoting van haar aandelenbelangen, zodra er geen (publiek) belang meer gediend was bij handhaving van het aandelenbelang.

Bij KPN werd verkoop lange tijd gehinderd door een zogenaamde lock-up bepaling. De Staat had zich in het kader van een eerdere transactie verbonden aan het gedurende een bepaalde periode niet opnieuw aanbieden van aandelen. Dit ter ondersteuning van het slagen van de eerdere transactie. Bij TNT vormde de overdracht van het bijzonder aandeel aanleiding voor de verkoop.

Nadat er geen belemmeringen meer bestonden voor vervreemding heeft het kabinet de mogelijkheid tot verkoop overwogen gegeven de prevalerende marktomstandigheden, waarbij de Staat zich heeft laten adviseren door onafhankelijke financiele adviseurs. De marktomstandigheden waren in het algemeen in het najaar van 2006 gunstig. Dit heeft geresulteert in de uitvoering van de twee transacties.

Het uitvoeren van transacties is een zakelijke exercitie. Politieke overwegingen zijn niet in de besluitvorming betrokken.

24

Hoe is het lage aantal PPC’s te verklaren en hoe komt het dat het aantal gevallen waarin op basis van een PPC wordt besloten tot toepassing van PPS laag blijft?

De Public Private Comparator (PPC) is een belangrijk instrument bij het creëren van een pijplijn (deal flow) van PPS-projecten. Een PPC is een op bedrijfseconomische beginselen gebaseerd onderzoek en maakt inzichtelijk, of het opzetten van het project in een PPS-variant (in het bijzonder Design-Build-Finance-Maintain-Operate ofwel DBFM/O) een betere prijs/kwaliteit-verhouding (meerwaarde) biedt ten opzichte van een traditionele uitvoering van het betreffende project. Een PPC onderzoek moet worden uitgevoerd indien een investeringsbeslissing hoger ligt dan € 112,5 mln. voor infrastructuur en € 25 mln. voor rijksgebouwen (de «PPC-regel»). Het hebben van een deal flow voor PPS-projecten is nodig om een volwassen markt voor PPS-projecten tot stand te brengen en in stand te houden: pas dan komen werkelijk alle voordelen van dit soort projecten tot zijn recht.

Het aantal PPC’s is afhankelijk van het aantal investeringsbeslissingen dat de afzonderlijke departementen per jaar nemen. Het aantal investeringsbeslissingen kan per departement per jaar fluctueren. Bijvoorbeeld, het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft in 2005 over slechts 3 projecten met een investeringsbedrag van boven de € 112,5 mln. besloten en in 2006 over 6 projecten. Bij de Rijksgebouwendienst is dit juist andersom: hier zijn in 2005 veel, en in 2006 weinig, investeringsbeslissingen van boven de € 25 mln. voorbereid.

Het ministerie van V&W en de Rijksgebouwendienst passen sinds 2005 de PPC-regel toe ten aanzien van hun investeringsbeslissingen. Het ministerie van Defensie is pas vanaf 2007 gehouden om de PPC-regel in te bedden in zijn besluitvorming aangaande investeringen. Scholen en ziekenhuizen vallen buiten de PPC-regel: het uitvoeren van een PPC-onderzoek in deze sectoren, hoewel gestimuleerd vanuit het ministerie van Financiën, vindt plaats op vrijwillige basis. Dat toepassing van de PPC-toets niet verplicht is, is terug te zien in de cijfers. De oprichting van het PPS service center voor scholen is bedoeld om aan de vrijwillige toepassing van PPC en PPS-methodieken een nieuwe stimulans te geven.

Het aantal projecten, waarbij op basis van een PPC tot toepassing van PPS (DBFM/O) wordt overgegaan, is laag. De uitvoerende departementen zijn verplicht om de PPC-regel uit te voeren maar zijn zelf verantwoordelijk voor de beslissing om PPS (DBFM/O) toe te passen. Zij moeten deze beslissing om al dan niet PPS (DBFM/O) methodiek toe te passen, motiveren. Er worden verschillende redenen gegeven voor het niet toepassen van PPS (DBFM/O) ondanks een positieve uitkomst van de uitgevoerde PPC-toets, waaronder: een te lage, verwachte opbrengst; te hoge risico’s; te grote complexiteit en/of te veel kans op vertraging. In zulke gevallen lijkt het terugvallen op traditionele uitvoering van dergelijke projecten meer zekerheid te bieden. Ook speelt een rol dat de uitvoering van PPS-projecten andere kennis en vaardigheden vereist dan de traditionele projecten: die specifieke PPS-kennis en vaardigheden zijn weliswaar binnen de Rijksoverheid in opbouw (onder andere door interdepartementale samenwerking) maar ze zijn momenteel schaars. Dit verhoogt de transactiekosten voor de aanbestedende diensten (door bijvoorbeeld inhuur externen) en geeft daarmee een ander argument om voor een traditionele variant te kiezen. Bij de Rijksgebouwendienst speelt een rol dat sommige cliënten geen toepassing van PPS (DBFM/O) willen.

Het Ministerie van Financiën werkt eraan om het afwegingskader op basis van de PPC-methodiek te herzien en verder te ontwikkelen. De praktijk laat bijvoorbeeld zien dat PPC-ramingen aan de voorzichtige kant zijn. Uit de lopende projecten blijkt verder dat gesignaleerde obstakels veelal niet specifiek aan PPS gerelateerd zijn maar veel eerder een algemene aard hebben. Het is mogelijk om die obstakels ook binnen de PPS-methodiek (DBFM/O) op te lossen mits de juiste expertise wordt ingezet en er voldoende kennisuitwisseling alsmede dialoog plaatsvindt. Daarnaast is het van belang om de toepassing van de PPC-regel, en de daarop gebaseerde besluitvorming, onderdeel te maken van de verantwoordingcyclus. Momenteel wordt gewerkt om dit voor de betrokken departementen te borgen voor de interne verantwoording. Wat betreft de externe verantwoording is in het AO PPS van 31 januari jongstleden door de ministers van Financiën, V&W en VROM toegezegd, dat de departementen de verantwoording over toepassing van de PPC delen met de Tweede Kamer om te komen tot een transparante communicatie over de toepassing van PPC-regel.

25

Wat gaat de minister doen om te grote verschillen in de realisatie en de raming van de inkomsten en uitgaven van de EKV te voorkomen?

In 2006 zijn onder andere Nigeria, Rusland, Algerije en Brazilië overgegaan tot het vervroegd aflossen van hun schulden wat leidde tot hoger dan verwachte schaderestituties, namelijk € 907 mln. waar € 222 mln. was begroot. Dit was de belangrijkste oorzaak van het forse verschil tussen raming en realisatie op artikel 5 van de begroting IXB. Het is nauwelijks te voorspellen of en zo ja, wanneer een land zijn schulden vervroegd wil aflossen. Aan beslissingen om vervroegd af te lossen liggen immers complexe economische en politieke overwegingen ten grondslag die voor derde landen moeilijk kenbaar en in te schatten zijn. Een verschil tussen realisatie en raming is daarom ook in de toekomst niet te vermijden. De verwachting is wel dat, gezien de omvang van de vorderingen die thans nog in de portefeuille zitten, 2006 gemeten over een langere periode als uitschieter beschouwd kan worden.

26

Waarom kon de structurele overschrijding van het Budgettair Kader Zorg niet worden voorkomen? Welke beheersinstrumenten ontbraken?

De overschrijding is veroorzaakt doordat zowel bij de huisartsen als in de curatieve en langdurige zorg een groter beroep op de zorg is gedaan dan was verwacht. Er geldt een recht op gezondheidszorg, dus er is (afgezien van een beperkt remmend effect van bijvoorbeeld de no-claim teruggaveregeling in de zorgverzekeringswet en de eigen bijdragen in de AWBZ) geen beheersinstrument waarmee overschrijdingen kunnen worden voorkomen. Door het afsluiten van convenanten met de zorgaanbieders en de zorgverzekeraars is wel de uitgavenontwikkeling in de laatste jaren lager uitgekomen dan in de periode voor 2004, maar uiteindelijk prevaleert het recht op zorg. Voor de komende periode wordt beheersing van de uitgavenontwikkeling nagestreefd door verbetering van de prikkelstructuur.

27

Indien een overschrijding binnen een begrotingskader (Zorg) meerdere jaren achter elkaar plaatsvindt, wanneer wordt de raming dan aangepast?

Het Centraal Planbureau raamt bij het begin van een kabinetsperiode de (zorg)uitgaven voor de middellange termijn in de MLT. Dit betreft een beleidsarme raming, op basis van de meest recente inzichten en macro-economische trends. Voor deze kabinetsperiode is de volumeontwikkeling van de zorg in de MLT geraamd op 2,8% per jaar. Als het begrotingskader wordt overschreden, wordt de uitgavenraming aangepast. Hierbij worden maatregelen getroffen om binnen het afgesproken kader te blijven.

28

Wat zijn de oorzaken van het niet realiseren van de verwachte administratieve lasten vermindering?

Het verwachte beeld voor 2006 is opgesteld voorafgaand aan de MJN 2006. Zoals gezegd ging het hier – evenals bij begrotingen – om schattingen. Als gevolg van voortschrijdend inzicht is dit beeld in de loop der tijd aangepast. De neerwaartse bijstelling in het beeld over 2006 is al aangekondigd in de MJN 2007 en de kabinetsbrief over administratieve lasten uit oktober 20061. De mutaties die hebben plaatsgevonden in het beeld kunnen in de volgende categorieën worden ingedeeld:

1. veranderingen in realisatie van maatregelen voor 2006, bijvoorbeeld omdat de realisatie in de praktijk anders uitpakt dan verwacht

2. maatregelen die van 2005 naar 2006 zijn verschoven

3. maatregelen uit 2006 die naar 2007 of later zijn verschoven

4. toenamen als gevolg van nieuw beleid die bij het opstellen van de MJN 2006 nog niet in beeld waren.

Substantiële wijzigingen zijn steeds in de Financieel Jaarverslagen van het Rijk toegelicht. Meer in detail wordt verwezen naar de departementale jaarverslagen.

29

Welk bedrag aan teveel verstrekte voorschotten huurtoeslag in 2006 verwacht de minister terug te kunnen vorderen in 2007?

Vanaf juni van dit jaar zal de Belastingdienst de toeslagen over 2006 definitief toe gaan kennen. Het streven is medio oktober het overgrote deel van alle toeslagen definitief te hebben vastgesteld. Dit betekent dat alle teveel verstrekte voorschotten huur- en zorgtoeslag in 2007 moeten zijn teruggevorderd of verrekend. De enige uitzondering hierop is dat mensen een terugbetalingsregeling kunnen hebben, waardoor gedeelten van de terugbetaling ook nog na 2007 plaatsvinden.

30

Welk bedrag aan teveel verstrekte voorschotten zorgtoeslag in 2006 verwacht de minister terug te kunnen vorderen in 2007?

Vanaf juni van dit jaar zal de Belastingdienst de toeslagen over 2006 definitief toe gaan kennen. Het streven is medio oktober het overgrote deel van alle toeslagen definitief te hebben vastgesteld. Dit betekent dat alle teveel verstrekte voorschotten huur- en zorgtoeslag in 2007 moeten zijn teruggevorderd of verrekend. De enige uitzondering hierop is dat mensen een terugbetalingsregeling kunnen hebben, waardoor gedeelten van de terugbetaling ook nog na 2007 plaatsvinden.

31

Gaat de minister alsnog toetsen hoe hoog de werkgeversbijdragen in 2005 en 2006 zijn geweest ten aanzien van de kinderopvangtoeslag?

Voor 2006 wordt de opgave van de werkgeversbijdragen gecontroleerd. Voor de opgegeven werkgeversbijdragen 2005 zal dit niet meer gebeuren.

32

Betekent het bedrag aan voorschotten Kinderopvang bij Toeslagjaar 2005 dat voor een bedrag van € 543 mln. nog geen definitief uitsluitsel is gegeven aan de betrokken ouders?

Het bedrag van € 543 mln. representeert voorschotten op aanvragen tegemoetkomingen kinderopvang 2005, die in 2006 nog niet definitief afgewikkeld konden worden. Dat betekent dat voor deze toeslaggerechtigden nog niet is vastgesteld waar ze werkelijk recht op hadden in 2005. De belangrijkste reden hiervan is dat ultimo 2006 in een groot aantal gevallen de definitieve aanslag Inkomstenbelasting 2005 nog niet was opgelegd. Op basis van de Wet Kinderopvang moet voor de definitieve vaststelling getoetst worden aan het definitieve inkomen 2005. Een andere reden is dat in een groot aantal gevallen de definitieve opgaaf tegemoetkoming kinderopvangtoeslag 2005 erg laat door de toeslaggerechtigden is ingediend.


XNoot
1

Samenstelling;

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Vendrik (GL), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (CU), Kortenhorst (CDA), Van der Burg (VVD), Van Dijck (PVV), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dam (PvdA), Halsema (GL), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot (VVD), Van Gerven (SP), De Vries (CDA), Van Hijum (CDA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Vacature (CDA), Anker (CU), Mastwijk (CDA), Schippers (VVD), De Roon (PVV), Smeets (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA) en Spekman (PvdA).

XNoot
1

«Dit willen we nog even kwijt...; Vermindering administratieve lasten voor het bedrijfsleven», Kamerstukken II 2006/07, 29 515, nr. 162, bijlage.

Naar boven