nr. 74
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN, WIJKEN EN INTEGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 oktober 2009
Tijdens het AO Stedenbeleid van 22 september jl. heb ik toegezegd
te komen met een voorstel over de opzet van de tweede tranche van het «Budget
40+ wijken». Dit voorstel treft u aan in deze brief.
Het kabinet is gestart met de wijkenaanpak omdat te veel wijken achterop
waren geraakt ten opzichte van de stad. Werkloosheid, huiselijk geweld, integratieproblemen,
schooluitval en overlast stellen in ruim 100 wijken de leefbaarheid op de
proef, met consequenties voor de vitaliteit van de gehele stad.
Er is gekozen voor extra aandacht voor 40 wijken met de grootste opeenstapeling
van problemen. Deze hebben een achterstand ten opzichte van het stadsgemiddelde.
Doelstelling is om deze wijken binnen 8 tot 10 jaar om te vormen tot vitale
woon-, werk- en leefomgevingen, waar het prettig wonen en werken is en waar
mensen betrokken zijn bij de samenleving.
Mijn inzet is deze aanpak vol te houden, te verdiepen en te verbreden.
Deze problemen beperken zich niet tot de 40 wijken van de wijkenaanpak, maar
doen zich voor in veel meer wijken in Nederland. Uw Kamer heeft bij motie
speciaal aandacht gevraagd voor wijken in de overige steden binnen de G31
(in de eerste tranche van het budget), maar ook voor de wijken in gemeenten
buiten de G31 (in de tweede tranche) (TK 2007–2008, 30 995, nr. 47).
Voor deze wijken is in totaal € 60 miljoen gereserveerd.
Conform uw motie zijn de G31 eind vorig jaar uitgenodigd om plannen in
te dienen voor de eerste tranche. Het proces rond de beoordeling van de plannen
en de verdeling van het budget is door de inschrijvende gemeenten als zeer
prettig ervaren en heeft tot enthousiasmerende plannen geleid. Er sprak bezieling
uit en de wil om er ècht wat van te maken. Met de gekozen werkwijze
(presentatie aan een commissie onder leiding van Doekle Terpstra), is een
kwaliteitsimpuls aan de plannen gegeven. In totaal hebben 15 wijken binnen
de G31 gelden ontvangen voor de uitvoering van plannen om hun wijk te verbeteren
(zie ook het eindadvies van de commissie, TK 2007–2008, 30 995,
nr. 68). Bij de beoordeling van de tweede tranche zal ik
deze werkwijze continueren en de commissie opnieuw verzoeken de plannen op
kansrijkheid te beoordelen.
Tijdens de bijeenkomst in juni van dit jaar, die de start van de uitvoering
van de 1e tranche markeerde, hebben alle G31 een intentieverklaring ondertekend
waarbij kennisdeling centraal staat. De kennis die opgedaan wordt met de wijkenaanpak
is van grote waarde en moet ten goede komen aan alle wijken waar problemen
zijn.
U hebt met uw motie ook aandacht gevraagd voor die wijken in gemeenten
buiten de G31 die met problemen kampen. Voor de tweede tranche ligt daar ook
de focus. In mijn voorstel richt ik mij op die wijken waar de grootste problemen
zijn, om versnippering van het budget tegen te gaan. Ik ga uit van gebieden
met een minimale omvang van 1000 inwoners, omdat ik ervan uit ga dat gemeenten
een kleinere wijk zelf, dus zonder extra rijkssteun, kunnen aanpakken.
Opzet tweede tranche
Voor inzicht in de urgentie heb ik mij gebaseerd op cijfers uit de Leefbaarometer.
De Leefbarometer is een in opdracht van VROM ontwikkeld en breed gedragen
instrument dat zicht geeft op de mate waarin de leefomgeving aansluit bij
de voorwaarden en behoeften die mensen daar aan stellen (denk daarbij aan
veiligheid, sociale samenhang, voorzieningen, etc.). De Leefbaarometer geeft
gegevens van 2006 en 2008 èn de verwachte ontwikkeling en is vrij benaderbaar
via internet (www.vrom.nl/leefbaarometer.nl).
Volgens de Leefbarometer, zijn er – buiten de 40 wijken en buiten
de wijken die in de 1e tranche gehonoreerd zijn – nog ongeveer 100 wijken
te vinden waarbinnen minimaal 1000 mensen in gebieden wonen die een stapeling
van problemen kennen. Van die 100 wijken ligt 30% buiten de G31. Ik
wil de 20 gemeenten waar deze wijken liggen, uitnodigen om een plan in te
dienen (maximaal één plan per gemeente)1.
Omdat ik dit budget zie als een impuls, zal ik een eis van co-financiering
stellen, en het budget maximaliseren op € 1 miljoen per plan voor
wijken groter dan 1000 inwoners en € 2 miljoen per plan voor wijken
groter dan 2500 inwoners.
Het is mijn wens om het budget dat resteert ook ten goede te laten komen
aan gebieden met leefbaarheidsproblemen die binnen de G31 liggen. Ik stel
daarbij voor, dat zij een plan kunnen indienen voor een wijk groter dan 2500
inwoners, omdat deze steden in verhouding groter zijn.
Dat betekent dat nog eens 13 gemeenten een plan kunnen indienen, eveneens
voor € 2 miljoen per plan2.
Andere gemeenten in Nederland die menen dat de cijfers uit de Leefbaarometer
op basis waarvan ik de problematiek beoordeel op de een of andere manier niet
correct zijn, kunnen eveneens een aanvraag indienen, waarin zij gemotiveerd
aangeven waarom zij toch in aanmerking zouden moeten komen voor toekenning
van subsidie.
Criteria toekenning tweede tranche
De criteria waar de ingediende plannen aan moeten voldoen blijven dezelfde
als bij de eerste tranche:
• het dient te gaan om wijken met substantiële en cumulatieve
problemen op meerdere terreinen van de wijkenaanpak op het gebied van wonen,
werken, leren en opgroeien, integreren en veiligheid;
• gemeenten die willen indienen, moeten een plan maken op wijkniveau
met corporaties en andere relevante (lokale) partijen, waaronder bewoners;
• er dient sprake te zijn van co-financiering: de bijdrage is maximaal
50% van de totale kosten (onrendabele toppen en kosten van de sociale
en economische activiteiten) van het totale plan tot genoemd maximum van 1
of 2 miljoen euro per plan (afhankelijk van de grootte van de wijk).
Tevens wijzig ik een aantal criteria en voeg ik er toe:
• in de wijken moeten buiten de G31 tenminste 1000 mensen wonen in
gebieden die volgens de Leefbaarometer, leefbaarheidsproblemen kennen en tenminste
2500 als het gaat om wijken binnen de G31;
• in de aanvraag dient aangegeven te staan, hoe de gemeente de leerervaringen
in deze aanpak wil toepassen in hun overige wijken en hoe ze wil bijdragen
aan de landelijke verspreiding van de kennis die zij in de wijkenaanpak opdoet;
• in de aanvraag dient aangegeven te staan, wat het multiplier-effect
van de subsidie is, oftwel, welke investeringen van andere partijen worden
uitgelokt met de subsidie.
planning
Ik streef ernaar, dezelfde tijdlijn aan te houden als voor de eerste tranche.
Dat wil zeggen:
| november 2009 | Openstelling budget voor
gemeenten. |
| november 2009 | Voorlichtingsbijeenkomst
voor gemeenten. |
| 1 maart 2010 | Deadline planindiening. |
| april 2010 | Presentatie van plannen
door gemeenten aan commissie. |
| mei 2010 | Opstelling advies van commissie
aan minister. |
| 1 juni 2010 | Besluit minister over
toekenning. |
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
E. E. van der Laan
BIJLAGE 1
Lijst gemeenten
