Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200930995 nr. 69

30 995
Aanpak Wijken

nr. 69
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 juni 2009

De algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie1 heeft op 3 juni 2009 overleg gevoerd met minister Van der Laan over:

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 17 februari 2009 over verkenning van de heffingsgrondslag ten behoeve van de bijzondere projectsteun; Betrokkenheid Albert Heijn bij de wijkaanpak (30 995, nr. 64);

– de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 3 april 2009 over huurbescherming voor ondernemers (30 995, nr. 67);

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 27 mei over de stand van zaken met betrekking tot de wijkaanpak (30 995, nr. 68).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van Gent

De griffier van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van der Leeden

Voorzitter: Van Bochove Griffier: Van der Leeden

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Van Bochove, Van der Burg, Depla, Ortega-Martijn, Agema en Jansen,

en de heer Van der Laan, minister voor Wonen, Wijken en Integratie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik open het AO van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie over de wijkaanpak. Ik heet de minister en zijn medewerkers hartelijk welkom, evenals de belangstellenden op de publieke tribune en degenen die via andere media meekijken en -luisteren. Ik heet ook de collega’s welkom. Ik weet niet of dit het hele gezelschap is, maar ik kan u melden dat mevrouw Van Gent, de voorzitter van deze commissie, verhinderd is wegens verplichtingen elders. Mij is verzocht haar te vervangen en ik doe dat met groot enthousiasme en plezier. De spreektijd in eerste termijn is maximaal zes minuten.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. De honderden miljoenen die woningbouwcorporaties jaarlijks in de leefbaarheid in wijken investeren, hebben geen enkel nut. Integendeel: overlast en onveiligheid nemen in sommige gevallen zelfs toe. In de onderzoekswereld in binnen- en buitenland bestond al veel twijfel over de effectiviteit van sociale investeringen op de verbetering van de leefbaarheid in wijken. Voor het eerst is nu een onderzoek uitgevoerd op zeer gedetailleerd niveau, waarin objectief is nagegaan of er een effect is, en zo ja, in welke richting. Het is een duidelijk onderzoek. Sociale investeringen helpen niet; ze werken zelfs averechts. Overige investeringen in barbecues, buurtcomités, buurtregisseurs, speeltuinen, verlichting en overleg met bewoners hebben geen enkel effect op vermindering van de overlast en op onveiligheid. Kan de minister aangeven wat precies de zegeningen zijn van deze wijkaanpak, die miljoenen kost? Er zijn geen socialistische zegeningen; het probleem wordt juist erger. Zelfs sociale investeringen in de vorm van de aankoop van buurthuizen, gezondheidscentra, brede scholen en dergelijke in de wijken hebben geen effect. Wél effect heeft de verkoop van sociale huurwoningen. In mindere mate geldt dit ook voor het onderhoud van gebouwen. Sterker nog: de verkoop van sociale huurwoningen heeft een eigen positief effect, los van de verandering in de bevolkingssamenstelling die daardoor optreedt in de wijk.

Uitsluitend de aanwezigheid van meer mensen met een eigen huis, meer zelfstandige ondernemers en meer mensen met een baan in deze wijken leiden ertoe dat de leefbaarheid verbetert. Het is een pleidooi dat ik hier al jarenlang houd en een onderwerp waar ik aan werk.

De voorzitter: Kennelijk hebt u aan uitlokking gedaan. Ik begin bij mevrouw Ortega-Martijn.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Nee voorzitter, het was geen uitlokking.

De voorzitter: Ik zag twee collega’s onmiddellijk opveren.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Mevrouw Van der Burg verwees zojuist naar een onderzoek. Ik neem aan dat dit het onderzoek van Stichting Atlas voor gemeenten is. Mevrouw Van der Burg spreekt van een gedetailleerd onderzoek, maar de minister heeft heel duidelijk gezegd wat hij vindt van de aantijging dat het allemaal geen effect heeft. Moet ik de conclusie trekken dat mevrouw Van der Burg de minister niet op zijn woord gelooft?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Daar kom ik straks in mijn betoog nog op, maar ik vind dat je een onderzoek moet beoordelen op zijn merites. Ik denk dat dit onderzoek heel gedegen is uitgevoerd. Er staat ook iets in over het effect dat de minister benoemt. Ik zal dat verderop in mijn betoog behandelen. Als mevrouw Ortega-Martijn dan nog een vraag heeft, beantwoord ik die graag alsnog.

De heer Depla (PvdA): Ik heb twee vragen. Kan ik concluderen dat de VVD vindt dat woningbouwcorporaties geen huismeesters mogen aanstellen en niets mogen doen aan het voorkomen van huisuitzetting bij huurschuld? Die vraag kan mevrouw Van der Burg met ja of nee beantwoorden.

Mevrouw Van der Burg vindt dit een heel degelijk onderzoek. Kan zij verklaren hoe het komt dat in dit onderzoek staat dat het schilderen van een huis heel goed is voor de veiligheid, terwijl het aanleggen van verlichting en het plaatsen van een hekwerk voor het achterommetje waar het gespuis zich vaak ophoudt, de veiligheid en de leefbaarheid verslechteren?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik kan mij voorstellen dat woningbouwcorporaties voor hun eigen complexen bijvoorbeeld een conciërge hebben. Dat hoort ook bij het onderhoud van de woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat de buurtregisseur niet zo goed werkt. We moeten heel goed bekijken hoe dat komt en deze conclusie niet zo maar terzijde schuiven.

Dan de acties met betrekking tot huurschuld. Ik heb daarover niets in het onderzoek gelezen, maar de heer Depla mag het mij aanwijzen. Wat was de tweede vraag ook alweer?

De heer Depla (PvdA): De wetenschappers tonen aan dat de buurt veiliger wordt van het schilderen van een kozijn. Als een woningbouwcorporatie echter in dezelfde buurt verlichting aanlegt bij een achterom en een hekwerk plaatst, zodat niet iedereen achterom kan als het donker is, maakt dat de veiligheid in die buurt slechter. Kan mevrouw Van der Burg mij uitleggen hoe dat kan? Zij vindt het zo’n goed onderzoek en zij heeft het vast tot in detail gelezen. Deze vraag kwam bij mij op toen ik het onderzoek las, en er was geen antwoord op.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik heb het onderzoek niet zelf gedaan. Ik hoef dus niet alles uit te leggen, lijkt me. Ik vind het echter inderdaad een goed onderzoek, omdat het heel gedetailleerd is en er zowel wordt gekeken naar de crosssectie-effecten als naar de effecten in de tijd. Dat gebeurt niet in veel onderzoeken. Het heeft verschillende effecten en het is heel belangrijk omdat er veel ruis mee wordt verwijderd. Zoals de heer Depla wellicht weet, ben ik gepromoveerd. Ik heb dus wel enig verstand van zaken in dit opzicht. Een heleboel effecten die normaalgesproken lijken op te treden, kunnen uit het onderzoek gehaald worden. Wat betreft het onderhoud; we weten allemaal dat het feit dat een wijk er netjes uitziet, leidt tot minder verloedering en minder gevoel van onveiligheid. Dat lijkt mij dus niet zo vreemd.

Het helpt niet om meer sociale huurwoningen te bouwen, meer sociale investeringen te doen en meer te verdichten in deze wijken in de vorm van hoogbouw. Dat verergert de problemen, draagt niet bij aan de doelstelling Schoon, heel en veilig en creëert probleemwijken van de toekomst. De VVD is de afgelopen jaren zeer kritisch geweest over de wijkaanpakken van oud-minister Vogelaar en minister Van der Laan. In dit onderzoek wordt gewoon keihard vastgesteld dat geld uitgeven aan buurtbarbecues en buurtregisseurs en het investeren in overlastgevende jongeren in de vorm van bijvoorbeeld kickbokslessen niet werkt. In tegendeel: het verergert de problemen van onveiligheid en overlast. De voorstellen van de VVD om meer sociale huurwoningen te verkopen en ondernemerschap te stimuleren, blijken wel te werken. We hebben daarvoor al eerder moties ingediend, die afgewezen zijn. Het geeft dan ook geen pas – ik kom bij de vraag van mevrouw Ortega – dat de minister voor WWI en de staatssecretaris van EZ de onderzoeksmethodiek in hun brief in één zin diskwalificeren, omdat de uitkomsten hun niet zo goed uitkomen. De onderzoekers hebben allerlei analyses gedaan en concluderen dat de kans dat er wel samenhang zou zijn geweest als de exacte locatie van de investeringen bekend zou zijn, daarmee verwaarloosbaar klein is geworden. Ik kan de plek aanwijzen waar dit staat.

Ik acht de minister hoog en vraag hem dan ook om in het belang van de bewoners van deze wijken en van het effectief inzetten van de schaarse middelen, of hij bereid is om het geld in te laten zetten waar dat het meest effectief is, zeker nu de economische crisis keihard toeslaat in deze kwetsbare wijken. Is de minister bereid om de middelen van corporaties vooral in te zetten op het afmaken van de herstructureringsprojecten, op onderhoud en op het stimuleren van de verkoop van sociale huurwoningen? Openliggende straten, braakliggende terreinen en dichtgespijkerde huizen, zoals in Krooswijk in Rotterdam, dragen straks op vele andere plaatsen in probleemwijken niet bij aan meer leefbaarheid en ondernemerschap in de wijk; integendeel. De minister kan zo het bedrag verdubbelen dat hij vorige week inzette voor de woningmarkt, de wijken en de bouwsector. Is de minister bovendien bereid om vrijkomende gelden voor de sociale investeringen van zijn eigen ministerie in te zetten voor meer veiligheid en het stimuleren van meer ondernemerschap in deze wijken? Dan kan hij wellicht de bezuiniging van minister Ter Horst op politie ongedaan maken.

Tot slot vraag ik aandacht voor het probleem dat alle andere ministeries nu de criteria voor de wijkaanpak gebruiken. Dat klinkt mooi, maar bijvoorbeeld de vijf Ortegagemeenten hebben geen verouderd woningbestand. Zij hebben wel heel veel jongeren die een beroep doen op het onderwijs. Als alle ministeries de criteria voor de wijkaanpak hanteren, komen deze gemeenten in de problemen. Dat lijkt me niet wenselijk. Ik krijg graag de toezegging van de coördinerend minister om hier nader naar te kijken en ervoor te zorgen dat het niet leidt tot het creëren van toekomstige probleemwijken in deze en wellicht ook in andere steden.

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Iedereen wil in een fijne buurt wonen; een buurt waarin je je veilig en thuis voelt. Velen zetten zich daarvoor in. In veel Nederlandse buurten ontstaat zo iets moois, maar in te veel buurten nog niet. Daar zijn de problemen zo groot dat bewoners ze niet zonder steun kunnen oplossen. Daarom is het kabinetsbrede programma Krachtwijken gestart. Want iedere Nederlander verdient een goede buurt. Dat vraagt een lange adem en een effectieve inzet. Het zal lukken, met vallen en opstaan. Als we echter de vele rapporten, het ene wetenschappelijker dan het andere, zien langskomen, kan het idee ontstaan dat het allemaal geen zin heeft. Sommige politieke partijen omarmen deze rapporten, ook al hebben zij ze niet gelezen, om te onderbouwen dat we met de wijkaanpak beter vandaag dan morgen kunnen stoppen. Dat doet zowel de bewoners als de wetenschappers geen recht. Ik geef een voorbeeld. In Nijmegen gaat gemiddeld 51% van de kinderen naar het havo of het vwo. In een van de 40 wijken, Hatert, gaat slechts 17% van de kinderen naar het havo of het vwo. In de achterstandswijken in Nederland blijkt het percentage kinderen dat naar havo of vwo gaat, de helft te zijn van het percentage van alle kinderen in de stad dat naar havo of vwo gaat! De kinderen in deze buurten zijn niet minder intelligent. Waar ligt het dan wel aan? Is het de kwaliteit van de basisscholen in deze buurten? Dit blijkt niet uit de rapporten van de onderwijsinspectie. Er zijn dus andere dingen aan de hand. Ook deze kinderen hebben het recht om via onderwijs de kans te krijgen zich te verheffen en het beter te krijgen dan hun ouders. De wijkaanpak moet hieraan een bijdrage leveren. Sommige wetenschappers zeggen dat de buurt of school er niet toe doet bij de maatschappelijke ongelijkheid in het onderwijs, en dat verandering van de woningvoorraad, zodat mensen die het beter krijgen ook in deze buurten een huis kunnen vinden, dus geen zin heeft. Weer andere wetenschappers zeggen echter dat de buurt of school er juist wel toe doet. Hoogleraar Engbersen schreef in NRC Handelsblad: «De deskundigen die geneigd zijn om school- en buurteffecten te relativeren doen dat niet meer als het gaat om de keuze van de wijk waar ze zelf willen wonen of als het gaat om de keuze van de school voor hun kinderen». Wetenschappelijk zou het er dus niet toe doen, maar als het om henzelf gaat, doet het er wel toe. Blijkbaar is daar toch iets raars aan de hand.

Na het lezen van alle rapporten blijft een vraag hangen: wat werkt het best? Daarom wil ik de minister vragen om de wetenschappers eens uit te nodigen om met elkaar in debat te gaan. Welke conclusies zijn hard, wat vraagt nuancering, wat helpt wel en wat helpt niet? En voor welke zaken weten we het nog niet? We moeten met elkaar op zoek gaan naar wat echt werkt. We kunnen immers elke euro maar één keer uitgeven en we kunnen de bewoners niet in de steek laten.

De kern van de wijkaanpak is een offensief tegen mensen die de boel in de buurt verzieken en een steuntje in de rug voor al die gewone, aardige en goede mensen die er iedere dag weer het beste van weten te maken. En dan is een buurtbarbecue of een Cruijffveldje een prima investering, naast de aanpak van hufters, overlastgevers en criminelen en naast het bieden van steun en opvang aan mensen die het, soms tijdelijk, niet op eigen kracht redden. Als voorbeeld noem ik de brede scholen, waardoor kinderen die van thuis weinig meekrijgen toch de kans krijgen om te sporten of huiswerkbegeleiding te krijgen. Het is een ingewikkelde opgave; een proces van vallen en opstaan. Ik kom soms projecten tegen waarvan ik denk dat ze beter vandaag dan morgen kunnen worden stopgezet: weggegooid geld, onderdeel van een projectencarrousel of projecten die het predicaat «Voor de bewoners, maar zonder de bewoners» verdienen. Dat zijn echter vaker projecten van stichtingen, gemeenten of welzijnsinstellingen dan activiteiten van bewoners zelf. Daarom wil ik graag blijven vasthouden aan geld dat direct naar bewonersinitiatieven gaat. Veel mensen hebben daar moeite mee, omdat er wel eens een euro verkeerd terecht zou kunnen komen. Ik kom in deze categorie echter meer goede projecten tegen dan in andere.

Een probleem is wel de organisatie van de uitvoering van al die wijkplannen. Ik krijg daar veel klachten over en ook de Commissie Budget 40+ wijken kraakt er harde noten over. De commissie stelt: « Wij hebben geconstateerd dat gemeenten met name bij de sociale maatregelen in de wijkaanpak vaak moeite hebben om de interne verkokering te doorbreken». Ik vind het daarom positief dat de minister samen met bewonersgroepen, corporaties, gemeenten en het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken op 10 juni een werkconferentie organiseert om te bekijken hoe de aanpak kan worden verbeterd. Ik word graag geïnformeerd over de uitkomsten, want buurten en hun bewoners krijgen het niet beter als de plannen papieren werkelijkheid blijven. Ik roep de minister op om hierin bij zijn bezoeken in de buurten duidelijk stelling te nemen. Het grootste gevaar bij de wijkaanpak is namelijk dat deze een kwestie van papier blijft en dat mensen geen resultaat zien.

Het is goed dat de eerste 30 mln. voor de wijken buiten de 40 wijken zijn toegekend. Het was een slagvaardige operatie: mensen hebben in maart de plannen kunnen indienen en er viel eind mei al een beslissing. Wel wil ik weten welke rol bewoners bij deze aanvragen gespeeld hebben. Hebben zij er hun handtekening onder gezet, net als bij de wijkactieplannen?

In de begroting kon de minister nog concluderen dat het aantal mensen dat afhankelijk is van een uitkering in de 40 wijken harder daalde dan het gemiddelde in Nederland. Meer mensen aan het werk; daar worden buurten en hun bewoners sterker van. Door de crisis kan dit resultaat wel eens teniet worden gedaan. Tegen die achtergrond is de overeenkomst met Albert Heijn van groot belang. Het is goed nieuws dat de supermarktketen zich in deze buurten gaat vestigen, ook omdat Albert Heijn toezegt mensen uit de buurten aan het werk te helpen. Dit vraagt om een vervolg. Corporaties, bouwbedrijven, plantsoenendienst, welzijnswerk, de gemeentereiniging en sportverenigingen zijn ook allemaal organisaties die actief zijn in de buurt en dus banen voor buurtbewoners hebben. Kan de minister het voortouw nemen om samen met dit soort organisaties te zorgen voor werk voor buurtbewoners, zoals als dat met Albert Heijn is gebeurd?

Van de VVD en de PVV mag er geen euro overheidsgeld besteed worden aan activiteiten waarbij meisjes en jongens gescheiden sporten. Mag ik deze partijen er op wijzen dat alleen korfbal dan nog in aanmerking komt voor overheidsgeld? Pannavoetbal is ook een doorn in het oog van de VVD. Het zou vernederend zijn; weggegooid geld. En wat treft nu? Vanuit Arsenal, Liverpool, Celtic en Glasgow Rangers zetten voetbalprofs het pannavoetbal in om buurten met elkaar te verbinden, in navolging van wat wij in Nederland doen, in plaats van elkaar met geweld te bestrijden in de postcodeoorlogen. Ook in Belfast gebeurt dat. Ik ben daarom ook zeer enthousiast over het feit dat acht grote profclubs in Nederland, van FC Twente tot mijn eigen FC Utrecht en PSV, hun activiteiten in de aandachtswijken intensiveren vanwege bewezen succes. Dat laat zien dat daar ook mooie dingen mogelijk zijn.

De heer Jansen (SP): Ter geruststelling van de heer Depla kan ik melden dat het damesvoetbal ook erg in de lift zit. De dames kunnen ook een pannaatje maken.

De heer Depla (PvdA): Ik ben daar erg voor, maar ik hoor wel eens dat partijen vinden dat sporten die voor mannen en vrouwen gescheiden zijn, geen overheidsgeld mogen krijgen. Ik ben eens gaan nazoeken bij welke sport mannen en vrouwen wel gemengd sporten; ik kon alleen korfbal vinden. Het is een goede zaak dat de gemeente er door middel van subsidies voor zorgt dat er in de buurten gesport kan worden. Dat geldt net zo goed voor voetbal als voor bijvoorbeeld mijn eigen sport, waterpolo. Ik vind het interessant dat de liberale partijen blijkbaar vinden dat er in Nederland geen sporten meer mogen plaatsvinden die niet gemengd zijn.

De voorzitter: Wij hebben intussen een heel lijstje gemaakt van sporten die ook gemengd zijn; we kunnen u dus even helpen.

De heer Depla (PvdA): O, ik ben benieuwd of dat net zulke opwindende sporten zijn als korfbal! Mevrouw Agema (PVV): Ook ik heb met veel plezier tien jaar lang gevoetbald. Wij zien daar bij de PVV geen probleem in. De heer Depla gooit echter een heleboel zaken op één hoop.

De heer Depla (PvdA): Daar hebt u nooit last van.

Mevrouw Agema (PVV): De PVV wil geen gescheiden loketten bij gemeenten en geen gescheiden inburgeringcursussen. Dat is namelijk apartheid in optima forma. In deze stukken lezen we bijvoorbeeld dat er een hangplek wordt gecreëerd alleen voor allochtone vrouwen. Wat gebeurt er als ik daar voor de deur sta? Mag ik er dan niet in omdat ik geen allochtone vrouw ben? Voor de sport geldt het volgende. Als je 20 mln. extra geeft alleen voor sport voor allochtone kinderen, hoe zit het dan met al die autochtone kinderen in achterstandswijken? De PvdA zou, net als de PVV, moeten zeggen: nee, het geld moet bestemd worden voor alle kinderen die het moeilijk hebben, in plaats van alleen aan allochtone kinderen.

De heer Depla (PvdA): Het doet mij deugd dat mevrouw Agema mij verwijt dat ik alles op één hoop gooi. Het biedt perspectief dat ook zij signaleert dat dit wel eens gebeurt. In dit geval doe ik het echter niet, want het geld dat ging naar bewonersinitiatieven en wijkgericht werken, gaat ook naar sport. Haar voorganger de heer Madlener zei altijd dat er geen euro mag gaan naar gescheiden loketten en gescheiden inburgeringcursussen. Hij begon altijd met het noemen van die twee zaken, maar uiteindelijk kwam daar ook de sport bij, bijvoorbeeld pannatoernooien. Ik vind het goed dat kinderen sporten, dat we Cruijffveldjes aanleggen en dat er mensen zijn die de kinderen begeleiden. Ik wil dat kinderen sporten. Als mevrouw Agema dat ook vindt, zijn we het met elkaar eens en zijn we voortaan weer enthousiast over het inzetten van bewonersbudgetten voor wat bewoners graag willen, namelijk activiteiten in de buurt. Niet voor allerlei welzijnswerk van stichtingen, maar ook gewoon voor sportieve activiteiten. Ik ben blij dat de ban in ieder geval wat de PVV betreft opgeheven is. Nu alleen de VVD nog.

Mevrouw Agema (PVV): Nee, we zijn het volstrekt met elkaar oneens. Uw staatssecretaris Bussemaker heeft 20 mln. uitgetrokken voor sport alleen voor allochtone jongeren. Dat willen wij niet. Kinderen zijn voor ons gelijk en vooral alle achterstandskinderen zouden gelijk behandeld moeten worden. Het bedrag van 20 mln. willen wij inzetten voor alle kinderen en niet alleen voor allochtone kinderen. Daarin zijn we het dus volstrekt met elkaar oneens.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De heer Depla zei dat wij tegen apartheid van mannen en vrouwen zijn. Wij hebben heel duidelijk gewezen op de inburgeringcursussen en op gescheiden loketten, waarbij zelfs de loketten voor vrouwen eerder dichtgingen zodat zij voor de mannen konden gaan koken. Ja, inderdaad, daar zijn wij heel erg op tegen. Wij hebben ook heel duidelijk onze vraagtekens bij het bij voorkeur promoten van bepaalde sporten.

De heer Depla (PvdA): Ik ben blij dat de VVD een stapje terug doet. De heer De Krom zei namelijk dat pannavoetbal vernederend was. Mevrouw van der Burg zei dat jongeren die kickboksen alleen maar meer gaan slaan in plaats van minder. Als ik de leden van de VVD-fractie bezig hoor over dit soort zaken, krijg ik altijd de indruk dat zij bij de gymles op de lagere school het laatst gekozen werden en daarom niets met sport hebben. Mensen die een beetje verstand van sport hebben, zien juist dat kickboksen en judo bij uitstek sporten zijn waardoor kinderen gedisciplineerder raken, in plaats van dat ze er een bende van maken. Daarom vind ik het zo goed dat profs van de acht voetbalclubs hun verantwoordelijkheid nemen en met jongeren in de buurten gaan sporten. Wat is er mooier dan de boksschool in Bos en Lommer, waar jongeren die er anders een bende van maken, weer op het rechte pad worden gebracht? Ik vind dat mooie dingen. De VVD moet niet doen alsof het de verkeerde weg is.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Als een debat persoonlijk wordt, hebben mensen vaak geen argumenten meer. Ik laat de uitspraken van de heer Depla dus maar voor zijn rekening. Ik vind ze echter niet erg sterk. Ik heb altijd geleerd dat mensen zich bij judo leren beheersen en leren in welke situaties ze hun vaardigheden mogen gebruiken. Waarom kunnen jongeren dus niet op judo, als dat door iedereen op die manier wordt gebruikt? Waarom moet het kickboksen zijn, waarmee je iemand ook helemaal verrot kunt slaan als je je niet kunt beheersen?

De voorzitter: Deze vraag mag kort beantwoord worden, ook al ligt hij helemaal buiten de orde van het debat.

De heer Depla (PvdA): Zal ik hem dan niet beantwoorden?

De voorzitter: Dat is aan u, maar u mag hem kort beantwoorden.

De heer Depla (PvdA): De discussie over het verschil tussen kickboksen en judo is interessant en ik wil haar graag voeren, maar ik denk niet dat iemand erop zit te wachten.

Ik heb nog twee vragen. Ten eerste: hoe staat het met het eerlijker maken van de Vogelaarheffing? Ten tweede: hoe staat het met het lokale handvest bij sloop en renovatie, waarmee bewoners meer zeggenschap krijgen bij de verbouwing van hun buurt? De brief over kleine ondernemers geeft aan hoe belangrijk dat is. De staatssecretaris van Economische Zaken verwijst in de brief naar de verantwoordelijkheid van gemeenten en corporaties, maar als er niets is afgesproken, zijn de kleine ondernemers de dupe die jarenlang in de buurt zijn gebleven en die zijn doorgegaan tegen de stroom in.

We moeten onverdroten doorgaan met de verbetering en verandering van de woningvoorraad, in nauwe samenhang met een beleid ter verbetering van het onderwijs, de werkgelegenheid en de leefbaarheid. Bewoners hebben er recht op dat we ze niet in de steek laten en nu niet weer na twee jaar ophouden. We moeten doorgaan met het verbeteren van hun situatie.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Het is goed om te zien dat de wijkaanpak nu op koers ligt. Ook op verschillende werkbezoeken zie ik dat mensen enthousiast zijn. De urgentie is inmiddels tot op alle niveaus doorgedrongen. We zijn er natuurlijk nog niet, maar we zitten op de goede weg. De ChristenUnie-fractie juicht toe dat vaart is gemaakt met de selectie van projecten. Wat opvalt, is de goede balans tussen de verschillende categorieën. Dat doet mij deugd, want hiermee wordt tegemoetgekomen aan een punt van zorg, namelijk dat er nieuwe achterstandswijken zouden ontstaan. Door de manier waarop de wijkaanpak wordt uitgevoerd, is onze zorg in ieder geval iets verminderd.

Ik heb nog wel behoefte aan een toelichting op de manier waarop de selectie is verlopen, meer specifiek de weging van criteria. Zijn er überhaupt wegingsfactoren toegepast? Ik wens namelijk niet te worden geconfronteerd met allerlei discussies over de transparantie van de selectie, zoals we die hebben gehad over de wijkplannen. Ik wil niet dat die discussie wordt overgedaan.

Het is goed dat de minister wil inzetten op kennisdeling en uitwisseling en op een systeem van twinning, want we hoeven het wiel natuurlijk niet opnieuw uit te vinden. Ik vraag de minister wel om in de derde tranche gemeenten aan te moedigen om met plannen te komen die een innovatieve en onorthodoxe aanpak kennen. Is het misschien een idee om in de derde tranche voor dit soort plannen bij uitzondering een iets hoger maximumbedrag af te spreken?

Het is jammer dat de Ortegagemeenten er later zijn bijgekomen, waardoor zij geen plannen hebben kunnen indienen. Is er een mogelijkheid dat zij dit alsnog kunnen doen? Volgens mijn berekening is er namelijk 4 mln. over.

Ik krijg graag een reactie van de minister op het voorstel van de Commissie Budget 40+ wijken om de interne verkokering te doorbreken. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Depla hierover.

Mijn volgende punt is de wetenschappelijke commissie die ingesteld zal worden om de kwaliteit en de uitkomsten van de lokale beleidsevaluatie te toetsen. Het doet ons goed dat er nu op ingezet gaat worden, omdat wij anders steeds weer worden geconfronteerd met allerlei onafhankelijke onderzoeken die aangeven dat er geen sprake is van effecten. Wanneer wordt de commissie ingesteld en welke termijn zullen haar werkzaamheden beslaan? Wanneer kunnen we de resultaten verwachten?

De minister geeft in zijn brief van 17 februari aan dat hij stevig gaat inzetten op het betrekken van het bedrijfsleven. Inmiddels heeft hij in een andere brief gezegd dat er voortgang is gemaakt met Albert Heijn. Ook zegt de minister dat er op dit moment andere grote bedrijven zijn die zich hieraan graag verbinden. Is het misschien een idee dat de minister zich hierin proactiever opstelt en niet wacht tot bedrijven naar hem toe komen? Het is namelijk heel erg belangrijk om vooral grote bedrijven mee te krijgen in dit traject.

Mijn volgende punt betreft de bewonersorganisaties. Ik ben een heleboel bewoners tegengekomen die heel erg enthousiast zijn om in een bewonersorganisatie plaats te nemen. Vaak zijn die bewonersorganisaties echter geen afspiegeling van de wijk. Is het mogelijk om ervoor te zorgen dat deze organisaties een betere afspiegeling worden? De organisaties vinden het namelijk zelf best vervelend. Ik heb een wijk geadopteerd in Rotterdam. Die wijk heeft een bewonersorganisatie die heel actief is en graag meer mensen van niet-Nederlandse origine wil aantrekken, zodat men met elkaar kan optrekken om de problemen te tackelen.

Mijn laatste punt is de Vogelaarheffing. De voorgangster van de minister heeft indertijd ingegrepen, omdat er geen overeenstemming was bereikt met corporaties. Wat is op dit moment de stand van zaken?

De voorzitter: Gezien het groeiende aantal aanwezige leden beweegt de spreektijd richting de vijf minuten, maar ik zal daarmee coulant omgaan.

Mevrouw Agema (PVV): Voorzitter. «Wonen, Wijken en Integratie». Die woorden geven aan hoe het huidige kabinet aankeek tegen integratie. Het was een stenenprobleem. Het was de schuld van de architectuur. In de grote waanzin om toch maar iets te doen aan de integratieproblemen, zien we nu het volgende kolderieke gebeuren. Nu is het de supermarkt, namelijk supermarktketen Albert Heijn, die moet gaan helpen om de problemen aan te pakken. Albert Heijn moet de integratieproblemen gaan oplossen. Wat ons betreft is het echter nog altijd: de straat uit, de wijk uit, het land uit. Dat moeten we doen met tuig dat keer op keer met politie en justitie in aanraking komt. Laat de grootgrutter zich alsjeblieft bezighouden met de wekelijkse bonuskorting. Dan blijf ik er ook graag komen.

Natuurlijk juichen wij het toe als bedrijven besluiten om zich nog meer als goede buurtbewoners te gedragen en als de minister hen hiertoe wil aanzetten. De minister moet echter vooral iets doen voor de kleine ondernemers die door het leegroven en beroven van hun winkels de Vogelaarwijken uitvluchten en al uitgevlucht zijn. Help de supermarkten die te kampen hebben met rovers, die met winkelkarren vol met spullen de winkel uitrennen! Het is ontstellend om te lezen dat de beurs wordt getrokken om allochtone ondernemers te bevoordelen. Ik vind het leuk hoor, een Turkse supermarkt en ik kom er af en toe graag. Ik vind het echter van de gekke dat kleine autochtone ondernemers decennialang het veld hebben moeten ruimen, omdat zij niet konden opboksen tegen de grote ketens en hun zaak niet meer konden verdedigen tegen berovingen, en zij geen enkele steun kregen en gewoon konden verrekken. Voor allochtone ondernemers wordt nu een blik aan reddingsmateriaal opengetrokken en toegeworpen.

De heer Depla (PvdA): Ik heb de stukken van staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken gelezen. Ik lees daarin over allerlei maatregelen voor veiligheid van ondernemers en over microkrediet, maar ik zie niets specifieks voor allochtone ondernemers. Volgens mij gaat het om kleine ondernemers in de buurten. Kan mevrouw Agema mij vertellen waar staat vermeld dat er geld specifiek en uitsluitend naar allochtone ondernemers gaat?

Mevrouw Agema (PVV): Ik citeer: « Zo heeft men in Rotterdam beleid dat erop is gericht om allochtone ondernemers te behouden voor de wijk. Corporaties helpen in diverse steden allochtone ondernemers om mee te groeien met de wijk (...) Verder zijn er begeleidingsprogramma’s. Zo zijn er in meerdere van de aandachtswijken winkelstraat-managers en winkelcoaches aangesteld, die startende en kleine (allochtone) ondernemers adviseren over verbeteringen in het management van hun winkel (inrichting, assortiment, reclame, bedrijfsvoering) ...».

De heer Depla (PvdA): Volgens mij staat echter nergens dat het expliciet voor allochtonen is. Dat geldt zowel voor het microkrediet als voor het geld voor ondernemers die veiligheidsplannen indienen als voor de subsidie voor ondernemers die gezamenlijk hun winkelstraat verbeteren.

Mevrouw Agema (PVV): Ik heb keurig antwoord gegeven op de vraag van de heer Depla. Ik heb ook nog eens geciteerd uit de brief van staatssecretaris Heemskerk waarin het staat. Ik ga graag door met mijn betoog.

Er zijn enkele relevante rapporten verschenen en de minister heeft een enthousiaste brief geschreven over zijn ervaringen. Hij is niet enthousiast over het rapport De baat op straat, waarin wordt geconstateerd dat sociale investeringen van woningbouwcorporaties nergens meetbare effecten hebben opgeleverd; een treurige conclusie. Ik ben het met de minister eens, omdat wordt aangetoond dat de honderden miljoenen euro’s voor de prachtwijken weggegooid geld zijn. Dat gebeurt op een zeer objectieve manier, namelijk via concrete, meetbare resultaten met betrekking tot overlast, verloedering en onveiligheid. De minister komt in zijn reactie niet met meetbare effecten. Hij heeft het over «energie» en ondersteunt daarmee onbedoeld de conclusies van het rapport dat hij wil ondermijnen. Dat is goed, maar waarom brengt hij de andere criteria ter sprake zonder daarbij de gunstige meetbare effecten aan te tonen? «Energie» kun je niet aantonen. Is het misschien omdat meetbare effecten van dergelijke investeringen ook op de andere criteria nooit aan te tonen zijn? Het zou me niet verbazen, evenmin als het mij verbaast dat de minister zo enthousiast is over het rapport Bijvangsten van beleid, waarin wordt betoogd dat beleid geheel ten onrechte wordt beoordeeld op de doelen die men met dat beleid voor ogen had toen men besloot het te gaan voeren. Het beleid heeft immers ook andere, onbedoelde gevolgen, die best wel eens gunstig zijn.

Dit zijn 50 bladzijden prietpraat over ondernemers die elkaar door activiteiten in de wijkaanpak ontmoeten en die samen nieuwe projecten opzetten, over fysieke projecten in aandachtswijken die de ontwikkeling van kunst en cultuur stimuleren en over succesvolle projecten die leiden tot spillovereffecten. Geen objectieve cijfers, maar door de onderzoekers geciteerde, geselecteerde verhalen van mensen uit de wijken. Volgens de onderzoekers is het een vernieuwende, brede manier van beleidsevaluatie, maar volgens ons is het een stap terug van meetbare resultaten naar louter praatjes. En praatjes vullen geen gaatjes.

De heer Depla (PvdA): Mevrouw Agema heeft het rapport blijkbaar goed bestudeerd. Zij concludeert dat in het rapport duidelijk staat dat al die investeringen in leefbaarheid door corporaties zinloos zijn. Vindt zij dat corporaties geen geld voor bewoners mogen steken in huismeesters die bijvoorbeeld voor oudere bewoners lampen indraaien, zodat zij langer thuis kunnen blijven, die zorgen dat iedereen zich aan de huisregels houdt en die iets doen aan schuldhulpverlening, zodat mensen niet op straat worden gezet? Mogen corporaties daaraan volgens mevrouw Agema wel of niet hun geld besteden?

Als het onderzoek zo geweldig is, hoe komt het dan dat het schilderen van je kozijn een buurt wel veiliger maakt, terwijl het aanleggen van verlichting en een hek, zodat rotjochies niet achterom kunnen, slecht is voor de veiligheid. Kan mevrouw Agema mij dat uitleggen?

Mevrouw Agema (PVV): Het verwisselen van een lampje behoort tot de basistaken van een corporatie, lijkt mij. Laten we die basistaken daar alsjeblieft ook laten.

De heer Depla (PvdA): Volgens de onderzoekers mogen de corporaties dat nu juist niet doen. Dat hebben ze uitgezocht: het geld dat in heel Nederland aan huismeesters wordt besteed, hebben ze bij elkaar opgeteld. Wat mevrouw Agema zegt, vind ik ook. Wij zijn het met elkaar eens, maar in het onderzoek wordt geconcludeerd dat huismeesters het vooral niet moeten doen, omdat het slecht is voor de veiligheid.

Mevrouw Agema (PVV): Ik vind dat wij daarover in de Kamer helemaal niet moeten praten. Een corporatie gaat zelf over het onderhoud en over het vervangen van lampjes in haar portieken. Ik vind dit echt een flauwekulelement in deze discussie. We moeten het hier niet hebben over de basistaken van de corporaties.

En dan over die lik verf. Het rapport De baat op straat heeft duidelijk aangetoond dat daarvan eigenlijk helemaal geen concrete uitkomsten te verwachten zijn. Sterker nog: ik denk echt niet dat Mohammed Bouyeri de moord op Theo van Gogh echt niet had gepleegd als zijn deur een extra likje verf had gekregen.

De heer Depla (PvdA): Het frappante is nu net, dat in het onderzoek dat mevrouw Agema zo geweldig vindt, wordt geconcludeerd dat het schilderen van een huis wél goed is voor de verbetering van de veiligheid, terwijl het aanleggen van verlichting of hek voor een achterom níet helpt voor de veiligheid. We zijn het weer eens, alleen moet mevrouw Agema een andere conclusie trekken.

Mevrouw Agema (PVV): Nee, ook hierover zijn wij het natuurlijk weer verschrikkelijk met elkaar oneens. Mijn fractie ziet namelijk geen enkele uitkomst uit al die investeringen. Het zijn niet de stenen die de schuld moeten krijgen; het zijn de mensen die de straten onveilig maken. Het tuig moet van de straat. Dat moet opgepakt worden en als het met politie en justitie in aanraking blijft komen, rest nog maar één ding: de straat uit, de wijk uit en het land uit.

Het is teleurstellend maar niet verrassend dat ook de minister zelf zijn toevlucht moet nemen tot loze praatjes als hij in zijn jubelende brief vertelt over de ervaringen tot nu toe: veel voortvarendheid, enthousiasme alom, er is kennis opgedaan, er zijn ervaringen gedeeld! Het belang van samenhang en integraliteit wordt breed gezien en er is urgentie, maar er zijn geen relevante resultaten te melden. Of moeten we werkelijk als relevant beschouwen wat de minister onder het kopje «Eerste zichtbare resultaten» opsomt? De deelname van profvoetballers aan projecten is natuurlijk een middel en geen resultaat. Dat huisbezoeken van ambtenaren in een bepaalde straat hebben opgeleverd dat de bewoners per huishouden nu gemiddeld jaarlijks €1000 meer aan toeslagen verzilveren, is toch niet echt de kracht die we in de wijken wilden opwekken? Het toont eerder aan dat de krachtwijkbewoners hulp nodig hebben bij het ophouden van hun hand. De rest van de paragraaf bestaat uit een opsomming van investeringen die als resultaat van een aanpak worden gepresenteerd, maar dat er honderden miljoenen worden geïnvesteerd, was slechts de inzet. Het doel was: sterke, vitale, krachtige wijken. Wat we krijgen, zijn gesubsidieerde verflagen en palliatieve propaganda voor een beleid dat, zonder dat de uitvoerders het lijken te beseffen, morsdood is.

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Ik was afgelopen vrijdag op bezoek in de wijk Op de Heide in Tegelen. Dat is een van de «net niet»-wijken die ik de afgelopen jaren heb bezocht; toevallig de vijfentwintigste. Eigenlijk blijkt iedere keer weer dat de problematiek in die wijken heel veel lijkt op de problematiek die door het kabinet voor de 40 wijken op de agenda is gezet. Overigens is het prima dat er voor die 40 wijken extra aandacht komt, maar de SP-fractie heeft vanaf het begin gezegd dat het erg dom is om ons te concentreren op die 40 wijken en intussen de rest te laten verslonzen. Dat is precies wat er dreigt te gebeuren. Ook de financiële instrumenten die het kabinet erbij inzet – de wijkenheffing/Vogelaarheffing is al genoemd – zorgen voor een perverse vorm van solidariteit waarbij arme corporaties buiten de 40 wijken moeten betalen aan rijke corporaties binnen de 40 wijken. Dat is inmiddels ook onderbouwd door het Centraal Fonds Volkshuisvesting. De enige die misschien iets in die logica ziet, is de minister. Hij heeft het aan mij nog nooit kunnen uitleggen en aan anderen volgens mij ook niet. Als de grondslag voor de wijkenheffing niet snel verandert, kan zij maar beter helemaal worden afgeschaft. Wat ons betreft, werkt het zo voor geen meter.

Tijdens mijn werkbezoek sprak ik onder meer met de wijkagent en met zijn plaatsvervanger. Die laatste vertelde mij dat hij dezelfde problemen tegenkomt als zijn collega’s in de grote steden, maar dat hij een gebied onder zijn hoede heeft van de hele voormalige gemeente Tegelen. Dat is een gebied van ongeveer 5 bij 10 kilometer met ongeveer 20 000 inwoners. De term «wijkagent» is in dit geval een eufemisme. Hij had drie weken geleden van de korpsleiding gehoord dat de beloofde extra agenten uit het plan voor de 500 wijkagenten van minister Ter Horst – onderdeel van het regeerakkoord – er bij nader inzien niet zouden komen, waardoor een aantal mensen die intern hadden gesolliciteerd om als wijkagent aan de slag te gaan, teleurgesteld moesten worden. Ik weet niet wat ervan klopt. Graag hoor ik van de minister of hij er iets over weet. Als dit waar is, lijkt het me een heel slechte ontwikkeling. Het geeft ook aan hoe belangrijk het is om een gereedschapskist te hebben die we afhankelijk van de problematiek in wijken kunnen uitpakken. We moeten geen harde knip leggen tussen de 40 gemeenten die er wel bijhoren en de rest. Dat is de grote fout die is gemaakt.

Ik geef nog een voorbeeld uit het werkbezoek aan Op de Heide in Tegelen. Ik sprak daar met twee dames die twee jaar geleden hebben meegedaan met Het Beste Buurtplan van de NCRV. Het doel daarvan was het stimuleren van bewonersinitiatieven. De dames zijn als zevende geëindigd in de landelijke competitie. In december vorig jaar hebben zij een subsidieverzoek ingediend bij de gemeente Venlo, in het kader van de voucherregeling. Ze wachten nog steeds. Volgens hen duurde het zo lang omdat de gemeente Venlo in haar oneindige wijsheid had besloten om het geld te besteden aan zaken die de gemeente zelf leuk vond, in andere wijken. Dat staat haaks op de intentie van de regeling, want die zou toch van onderop gebruikt worden. De SP zet wel eens vraagtekens bij het vaststellen van draagvlak, maar hiervoor hebben 1000 mensen hun handtekening gezet. In een wijk van 3000 inwoners lijkt het draagvlak dus wel aanwezig. Het is maar een voorbeeld, maar het geeft wel de problematiek weer.

Ik kom bij de economische component van dit overleg. Mijn collega mevrouw Gesthuizen heeft een halfjaar geleden het rapportje Help, mijn winkel wordt gerenoveerd aangeboden aan de staatssecretaris van Economische Zaken. Hij is er vandaag niet bij, maar zijn brief staat wel op de agenda. Hij reageert daarin onder andere op het rapport. Wij zijn erg teleurgesteld over zijn reactie, want de staatssecretaris zegt eigenlijk dat hij wel iets zou kúnnen doen aan het beschermen van kleine ondernemers tegen belachelijke huurverhogingen – meer dan 300% erbovenop na een stadsvernieuwing – maar dat niet wil. Hij zegt dat hij de huurcontracten slechts kan beschermen wanneer sprake is van zwaarwegende redenen. Klaarblijkelijk zijn die in dit geval niet aan de orde. Ook de SP-fractie zou willen dat het beginsel van contractvrijheid voldoende basis is om de markt zelf de prijs van vraag en aanbod te laten bepalen. Helaas bewijzen vastgoedbeheerders, waaronder zelfs woningcorporaties in Amsterdam, echter dat de praktijk weerbarstiger is. De SP-fractie denkt dat er aanleiding is om eens iets te doen aan de verbetering van de rechtspositie van de kleine ondernemers. Zij zijn mede het cement van de buurt.

De staatssecretaris van Economische Zaken laat in zijn brief ook weten dat hij de oneerlijke huurverschillen tussen de kleine huurders en de grote ketens als Albert Heijn niet wil aanpakken. Die kleine buurtwinkels betalen per vierkante meter in hetzelfde winkelcentrum meer dan Albert Heijn, omdat die keten landelijke inkoopkracht heeft en bij institutionele beleggers afdwingt dat hij minder mag betalen. De rekening wordt vervolgens doorgeschoven naar de kleine winkelier die twee panden verderop zit. Wat ons betreft, is dat absoluut onacceptabel. Ik snap echt niet dat dit kabinet, dat serieus werk wil maken van de wijkaanpak, hieraan niets doet.

Het lijkt mijn fractie niet meer dan logisch dat bij het aflopen van een huurcontract – dat is bij winkels na vijf jaar – de zittende huurder het eerste recht heeft om het contract te verlengen. Wij zien niet in waarom het ordentelijk regelen van dergelijk recht de huurmarkt zou doen blokkeren. Wellicht kan de minister dat namens zijn collega toelichten. De SP acht het niet verantwoord om de kleine ondernemer voor ieder geschil naar de rechter te sturen. Dat is ook heel erg duur als je geen toevoeging hebt. Het zou voor iedereen beter zijn als duidelijk is waar zowel de huurder als de verhuurder aan toe is. Dat kan beter in de wet worden geregeld, in plaats van te worden overgelaten aan de rechter.

Voorzitter: Depla

De heer Van Bochove (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie heeft kennisgenomen van de verkenning van het Centraal Fonds Volkshuisvesting naar aanleiding van de vraag of het mogelijk is om de grondslag aan te passen voor de heffing bijzondere projectsteun. De minister concludeert op basis van de rapportage dat er geen aanleiding is om de heffingsgrondslag te wijzigen. De CDA-fractie heeft nog eens goed naar de stukken gekeken en komt op basis van de gegevens tot dezelfde conclusie. De verschillen zijn marginaal en een aanpassing zou leiden tot slechts zeer kleine veranderingen. De vraag blijft wel wanneer de minister nu eindelijk komt met een aanpassing van de Vogelaarheffing, die hij eerder aankondigde. We begonnen al ruim een halfjaar geleden. Wat mij betreft, geldt het volgende criterium: Aedes geen tijd, dan ook geen invloed meer op het beleid. De minister zei gisteren dat Aedes al maanden niet meer aanspreekbaar is. Wat mij betreft heeft de corporatie haar rechten dus gewoon verspeeld. Overigens heeft de CDA-fractie al eens een voorstel gedaan voor een andere heffing. Die kan vandaag worden ingevoerd.

De CDA-fractie stelt met tevredenheid vast dat bij de betrokkenheid van supermarkten bij de wijkaanpak een behoorlijke stap in de gewenste richting wordt gezet. Wij hebben waardering voor de inzet van een bedrijf als Albert Heijn en voor de minister, die dit met het bedrijf heeft bewerkstelligd. Als één schaap over de dam is, moeten er echter meer volgen. Denk aan andere supermarkten, maar ook aan het scala aan andere bedrijven dat in de wijk actief is. Voetbalverenigingen doen mee; waarom anderen niet? Wanneer kunnen we resultaten zien?

Van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de minister van VROM, heeft de CDA-fractie met instemming kennisgenomen. Enerzijds is het kabinet overtuigd van het belang van het ook na renovatie voortbestaan van kleine ondernemingen, vaak winkels, in de aandachtswijken. De leefbaarheid in de achterstandswijken kan en moet op die manier worden vergroot. Het renoveren van de buurt is een van de te nemen maatregelen. Anderzijds zegt het kabinet dat nieuwe wettelijke maatregelen niet nodig zijn, omdat Nederland op dat punt de zaak op orde heeft. In de brief verwijst het kabinet met name naar de rol van gemeenten hierin. Graag hoor ik van de minister hoe hij de gemeenten nog eens nadrukkelijk gaat wijzen op de belangrijke rol die zij kunnen spelen bij het behouden van kleine ondernemers en ondernemingen tijdens, voor en na renovatie van winkelcentra of bedrijfsruimten. Overigens geldt dit niet voor alle gemeenten. Voor wat betreft de toezeggingen wil ik graag weten hoe lang het onderzoek naar het verlagen van de drempel naar de bedrijfshuuradviescommissies voor kleine ondernemers gaat duren. Wanneer kunnen daarvoor concrete maatregelen beschikbaar zijn? Ook zal worden onderzocht of het mogelijk is om tot een gedragscode te komen bij voorgenomen renovatie van winkel- en/of bedrijfsruimten. Wanneer is dat onderzoek afgerond en op welk moment voorziet de minister rapportage over de uitkomsten aan de Kamer?

Graag reageer ik ook op de jongste brief van de minister over de wijkaanpak. Er spreekt enthousiasme en betrokkenheid uit die brief. Het refereren aan goede ervaringen staat haaks op verschenen rapporten. Rapporten zijn over het algemeen fragmentarische weergaven van de werkelijkheid, omdat ze vaak deelaspecten behandelen. De manier waarop dat gebeurt, leidt bij mij tot het nodige onbegrip, zoals bij het rapport De baat op straat. De heer Depla heeft hiervan al een paar voorbeelden genoemd. Laat ik even citeren uit het rapport Monitor krachtwijken van de gemeente Utrecht, dat ik vanochtend kreeg aangereikt: «Over het geheel genomen zijn de ontwikkelingen in de krachtwijken zonder meer positief. Kanaleneiland en Hoograven zijn de krachtwijken waar geen enkele van de gekozen indicatoren de verkeerde kant op gaat. De andere krachtwijken, Overvecht, Ondiep en Zuilen-Oost, laten een gevarieerder beeld zien, waarbij meer indicatoren een gunstige dan een ongunstige ontwikkeling laten zien. Belangrijkste positieve ontwikkeling is dat in álle krachtwijken de toekomstverwachting voor de buurt in 2008 stijgt». Ik word zo langzamerhand een beetje moe van al die rapporten over dit onderwerp. Partij A wil partij B overtreffen; enthousiasme versus cynisme. Ik nodig de minister uit om te komen met een overallbenadering, een integrale kijk op hoe het nu precies staat met de ontwikkelingen in de wijken; een beter rapport dan vanuit één specifieke invalshoek. We zijn in de wijken bezig op een heleboel terreinen en beleidsvlakken. Als we in die wijken zijn, ontmoeten we zeer veel enthousiaste, betrokken mensen en organisaties. Ik begrijp nooit hoe het enthousiasme van mensen, aantoonbare verbeteringen en een rapport als dat van de gemeente Utrecht zo haaks kunnen staan op bijvoorbeeld de resultaten van het onderzoek De baat op straat. Graag hoor ik van de minister hoe hij het enthousiasme van alle betrokkenen zal vertalen in een beeld dat, naast de dingen die verkeerd gaan, ook de winstpunten op een adequate manier aanreikt.

Ik heb nog een opmerking over het budget voor de 40 wijken. Ik complimenteer de minister met de aanpak hiervan. Ik constateer dat de minister de motie van de Kamer heeft uitgevoerd zoals de Kamer dat wilde. Ik bemerk bij gemeenten en bewoners enthousiasme hiervoor, omdat ze zich serieus genomen voelen en als het ware in een nieuwe categorie worden erkend en herkend. Ik ben benieuwd hoe het straks met de derde tranche gaat. Ik nodig de minister nadrukkelijk uit om het enthousiasme bij de overige gemeenten die kunnen meedoen, op een goede manier te stimuleren en die gemeenten erop te wijzen dat de winstpunten van de operatie Budget 40+ wijken ook voor hen kunnen gelden. Dat zal hen er ongetwijfeld toe brengen om goede plannen in te dienen.

Mijn laatste vraag betreft de Voorjaarsnota. Daarin staat dat het geld voor de bewonersorganisaties naar het gemeentefonds gaat, en ook het overige geld voor de wijken. Wij hebben in verschillende AO’s geconstateerd dat wij over geld dat via het gemeentefonds wordt overgeheveld naar de gemeenten, een geweldige discussie kunnen voeren. Het voorbeeld is zojuist genoemd. Wat gaat er nu met het geld gebeuren? Hoe zit het met de vouchers? Krijgen de bewoners het geld? Wat betekent «ook het overige geld voor de wijken»? Om welke bedragen gaat het? Wat is nog de invloed van de minister hierop, en daarmee de mogelijkheid tot controle en invloed van de Kamer? Hoe wordt bewerkstelligd dat de gelden voor bijvoorbeeld bewoners daadwerkelijk worden besteed en terechtkomen op de manier die de minister en zijn voorgangers hebben aangekondigd?

Voorzitter: Van Bochove

Minister Van der Laan: Voorzitter. Ik wil de Kamerleden graag danken voor hun inbreng, zowel voor de positieve opmerkingen, die ik gelukkig duidelijk heb gehoord, als voor de kritiek. Dan kunnen wij daarover discussiëren en kijken of wij een stap verder kunnen komen. Ik heb een spreektijd die langer is dan u verwacht, voorzitter, zodat ik hem zal inkorten. De Kamer heeft veel en zinnige opmerkingen gemaakt, waar ik graag op in wil gaan. Dat kan het best door met iets algemeens te beginnen.

Sommige kritiek is fundamenteel afwijzend, omdat die heel andere uitgangspunten hanteert, wat ik respecteer. De Kamer zou de aanpak van de wijken die bovenop het stedenbeleid komt misschien, gelet op de gemaakte opmerkingen, kunnen zien als een soort piramide waarbij het van immaterieel naar materieel toe gaat. Ik kijk niet naar een spreker in het bijzonder, want ik heb geen enkel vooroordeel over de bereidheid daarin mee te gaan. Bij de hoogste top van de piramide, het meest immateriële, schiet mij een voorbeeld te binnen. Ik ben nu 53 jaar, en een jaar of 35 heb ik iets te maken met stedelijke politiek in Amsterdam. Het meest nutteloze en tevens allerbeschaafdste wat ik ooit heb gezien, is het volgende. In Amsterdam, een stad waarover velen van u ongetwijfeld allerlei slechte dingen weten te zeggen, maar die zijn nu even niet ter zake, komen voor iemand die is overleden en geen nabestaanden heeft, dragers en een stadsdichter, die in de boekenkast en de CD-verzameling kijkt, op grond waarvan hij een beeld kan krijgen van de persoon die is overleden. Dan wordt die persoon vervolgens begraven door vier uitdragers, plus de stadsdichter die een gedicht heeft gemaakt. Er is niemand die daarvan een cent voordeel heeft. De overledene heeft dat uiteraard niet, maar er zou eens iemand bij de nabestaanden op kunnen duiken die daarmee wordt geconfronteerd, die daar geen cent voordeel van heeft en dan weet in welke omstandigheden zo iemand is begraven, en die daaraan mogelijk enorme troost kan ontlenen. Dit is een voorbeeld van «uiterst nutteloos, uiterst beschaafd».

Een laag daaronder is wat ik heb gezien in de wijken op het gebied van kunst. U kunt heel goed volhouden dat het geen enkele zin heeft kunstprojecten uit te voeren en toch een goede stedelijke vernieuwing van de grond te krijgen, maar ik vind het fantastisch dat een tamelijk kansloze wijk als Charlois een stichting B.A.D. heeft die het volgende heeft uitgehaald. Toen ik het hoorde, heb ik een half uur zitten lachen, zo treffend vond ik het. Daar had je veel hangjongeren bij een door hen gekraakte oude school, waar men last van had. Toen hebben ze de gevel vijftig meter verderop nagebouwd. Toen ze ermee klaar waren, was het ontzettend spannend om te zien of die hangjongeren de nieuwe nagemaakte gevel zouden volgen. Verdomd, die hangjongeren vonden het leuk om vijftig meter verderop te staan, bij die artificiële nagebouwde gevel. Voor degene die gaat zeggen dat dat een zinloos project is, zeg ik: akkoord. Maar wat doet het in zo’n buurt? Het laat zien dat je door uit de gewone doos te klimmen iets tot stand kunt brengen. Ik kan u nog tien andere kunstprojecten noemen, maar omwille van de tijd doe ik dat niet. In Maastricht heeft een opbouwwerkster een brug geslagen tussen kunstenaars en kinderen met problemen. Zij is een postiljon d’amour geworden in een voormalige pizzeria, die nu is verbouwd tot een plek waar kinderen dag in, dag uit komen om te leren tekenen, te boetseren, maar tegelijkertijd ook de taal te leren spreken en normen en waarden uitgelegd te krijgen. Het swingt daar. Je moet genuanceerd durven kijken naar de waarde van de dingen.

Mevrouw Agema vroeg wat je hebt aan achter-de-deurprojecten, zoals in Arnhem. Ik was erg onder de indruk van die projecten, en ik zal uitleggen waarom. Ik liep door Arnhem en werd door een directeur van een corporatie gewezen op een straat waar 100 gezinnen wonen. Door dat project kwam men erachter dat die mensen gemiddeld €1000 aan toeslagen per jaar lieten liggen. Ik weet niet of het vooral allochtonen of autochtonen waren, want dat interesseert mij en ik hoop mevrouw Agema geen snars. Dat is een enorme bijdrage aan armoedebestrijding. Die invulling van de leefbaarheid gebeurt ook met brede scholen. Het is ontzettend belangrijk dat kinderen die uit de bocht vliegen, van acht uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds op school zitten. Na schooltijd leren ze daar sporten en krijgen ze muziekles. Dat is zeer waardevol.

Daaronder ligt het niveau van de stenen, waar het overigens echt niet alleen om te doen is. Een van de succesfactoren van de wijkaanpak is namelijk dat er gecombineerd aandacht is voor stenen en sociale activiteiten. Toen ik op het ministerie aantrad, vond ik dat er te weinig waardering was voor de herstructurering van de steden, oftewel de fysieke aanpak. Alsof dat iets van alle tijden was. Het mooie van de wijkaanpak is nu juist dat wordt gekozen voor een gecombineerde aanpak. Ik ben geen uitvinder van de wijkaanpak, en ik ben aangetreden nadat die op de rails was gezet. Maar met een paar kritiek- en aandachtspunten ben ik redelijk geïmponeerd door de beweging onder bewoners, gemeenten en corporaties. Dat enthousiasme is er, de mensen durven naar andere werkmethoden te grijpen. Een belangrijk voorbeeld is het nieuwe welzijnswerk. In de jaren tachtig hebben wij dat wegbezuinigd, en in de woestijn hebben ze hun les geleerd. Ze praten nu niet meer over de revolutie, maar over hoe je partnership tot stand brengt en afrekent op prestaties. Dat vind ik een van de winstpunten. Ik heb een hele reeks voorbeelden, die ik nu niet zal noemen. Wel heb ik de neiging ze op te schrijven. Het is goed om ook een lijstje te maken van dingen die niet goed gaan.

De heer Van Bochove heeft zorgen geuit over de financiën, voortvloeiend uit formuleringen in de Voorjaarsnota. Ik geloof niet dat het door hem genoemde probleem bestaat, maar ik zal het nagaan. Ik geloof dat wij daarop via de bestuurlijke afspraken, de charters en de wijkactieplannen voldoende sturing houden. Bovendien moeten gemeenten zich verantwoorden via hun raden.

De heer Depla (PvdA): Een van onze belangrijkste vertrekpunten was dat de bewoners zelf konden beslissen hoe ze buurtbudgetten konden aanwenden. Alleen het afgelopen jaar zou het nog gebeuren volgens de wensen van de gemeenten. Aan die gewenste koers willen wij vasthouden.

Minister Van der Laan: Dat kan ik u heel hard toezeggen. Het ministerie let daar goed op. Ik ga nu zeggen dat alle muizen wit zijn, zodat ik een probleem heb als er straks een zwarte opduikt. Volgens mij gebeurt het in de achttien gemeenten alleen daar waar bewoners instemmen met de methodiek zonder vouchers ook zonder vouchers. In al die gevallen is toestemming van de bewonersorganisaties nodig, maar ook verleend. Wij blijven er bovenop zitten.

Ik snap de vragen over De baat op straat. Eerst wil ik zeggen waarom er op dat rapport echt wel reële kritiek mogelijk is. Ik ben niet gepromoveerd op onderzoeken, maar ik heb wel gezond verstand. Het is een onderzoek dat zich baseert op 2005/2006, terwijl de wijkaanpak van dit kabinet in de loop van 2007 van start is gegaan. Daar zit toch minstens een probleempje. Je moet dan kijken naar die elementen die al voor de wijkaanpak bestonden, wat erg ingewikkeld is. Het is dus lastig te hanteren voor de wijkaanpak zelf. Verder hadden de onderzoekers moeite om de investeringen in beeld te brengen en te projecteren op de gebieden waarom het ging, en om dan te zeggen of daar iets meetbaar is gebeurd. Dat hebben ze zelf ook aangegeven. Ze hebben aangenomen dat de middelen evenredig zijn verdeeld. Maar de grap van de wijkaanpak is nu juist dat de corporaties daarin niet evenredig investeren. Wij kunnen het er niet over oneens zijn dat het juist gaat om het richten van de investeringen. Het misschien wel belangrijkste punt: zij hebben bekeken wat het doet voor criminaliteit en overlast, maar leefbaarheid is veel breder dan dat. Het omvat de bouw van brede scholen en gezondheidscentra en de door de Kamer tamelijk gehate buurtbarbecues en andere zaken. Ten slotte, maar niet de minste: Kanaleneiland is een voorbeeld van een zeer kleine verbetering op criminaliteit en overlast. Het is daar afgevlakt en gaat daar een heel klein beetje de goede kant op. Dat spoort met wat de bewoners er zelf van vinden. Ik heb zelf met 40 bewoners aan tafel gezeten, die op de vraag of het beter ging, een jaar na de bijeenkomst met de vorige minister, moesten gokken wat ze daar als groep van vonden. Toen bleek dat iedereen vond dat het sterk verbeterd was, en dat de wijk zelf er beter aan toe was. Zij gaven de wijk gemiddeld meer dan een zeven. Daar was overigens een minister aanwezig die dat tevoren goed had gegokt. Laten wij voorzichtig zijn met onderzoeken, en vooral met onderzoeken die mensen over zichzelf doen. Wij hebben een heel circus van barometers, monitors en wetenschappers die dit nog eens controleren. Voor de zomer wordt de commissie waarnaar mevrouw Ortega vroeg ingesteld, juist om eens orde te scheppen op dit punt, zodat wij niet in de kranten nu eens dit en dan eens dat lezen. Er is een eerder onderzoek van de Universiteit van Utrecht. In tegenstelling tot uit De baat op straat komt uit dat onderzoek dat het niet veel zin heeft in stenen te investeren. Voor wie het niet gelooft: ik heb het rapport ter beschikking. In een zekere state of mind heb ik wel eens gezegd: je moet die onderzoeken ontzettend goed lezen en je moet ze vervolgens ontzettend goed opbergen. Verder moet je je als minister ontzettend goed afvragen of je ze allemaal wel moet financieren, want Den Haag zou Den Haag niet zijn als die onderzoeken niet ontzettend vaak door onszelf werden gefinancierd.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik ben het er uiteraard mee eens dat de data uit 2005 en 2006 kwamen. Ik vind dat eerder een sterk dan een minder sterk punt, want het geeft aan dat de sociale investeringen kennelijk geen effect hebben. Des te meer reden om daar heel kritisch naar te kijken, want wij investeren nu nog meer daarin, dus laten wij zorgen dat het wel effect heeft. Over de problemen in die wijken zijn wij het eens.

U zei dat de onderzoeken niet gericht zijn. Uiteindelijk komt men tot de conclusie dat de kans verwaarloosbaar klein is. U zegt tot mijn vreugde dat u daar in de toekomst met betrokkenen nader naar gaat kijken. Ik wil namelijk dat het geld effectief wordt besteed. Criminaliteit en overlast zijn in deze probleemwijken wel een heel belangrijke factor. Daar moeten wij dus succes boeken, want als daar geen rust is, hebben wij een probleem. Bent u bereid om dit onderzoek heel serieus te nemen, want er worden wel heel veel dingen uitgesloten, zodat wij in de toekomst wel tot goede uitkomsten komen en weten waar het wel en niet rendeert?

Minister Van der Laan: Mevrouw Van der Burg spreekt erg zakelijk en toekomstgericht. De heer Depla vroeg waarom ik niet eens met alle onderzoekers om tafel ga zitten om zaken compatible te maken, zonder de wetenschappelijke onafhankelijkheid van de onderzoekers aan te tasten. Deze zaken verbind ik graag met elkaar, en zeg dat toe aan mevrouw Van der Burg. Misschien mag ik haar, hoewel ik van mijn moeder heb geleerd dat het onbeleefd is, een wedervraag stellen: zou u bij een volgend onderzoek niet direct willen reageren als het in uw straatje past? Wij moeten daar erg voorzichtig mee omgaan. Ik wil u niet de mond snoeren, maar een beetje tact naar elkaar toe bij het omgaan met dit soort onderzoeken zou dezerzijds op prijs worden gesteld.

De heer Depla (PvdA): Fijn dat u de onderzoekers om de tafel wilt krijgen. Ik heb dat onderzoek van de Universiteit van Utrecht erop nagelezen, en wij moeten oppassen dat onderzoek onrecht aan te doen, waardoor wij missen wat het ons te bieden heeft. Die wetenschapper zegt namelijk wel degelijk dat stedelijke herstructurering ervoor zorgt dat huishoudens met middeninkomens worden aangetrokken, gevolgd door een aantal aanscherpingen. Inderdaad moeten wij niet alleen ieder onderzoek dat in onze argumentatie past omarmen. Wij kunnen ons niet permitteren dit experiment nog langer te laten voortslepen.

Minister Van der Laan: Het is terecht wat u zegt. Als je de publiciteit rondom het Utrechtse onderzoek, door henzelf gegenereerd, legt naast de genuanceerde tekst van het onderzoek krijg je twee totaal verschillende dingen. Dat onderstreept wat ik net zei over het omgaan met dat soort onderzoeken. Ik zeg nadrukkelijk toe dat wij met alle onderzoekers en de wetenschappelijke commissie om de tafel gaan zitten, om te bezien hoe wij dingen zo compatible mogelijk kunnen maken en daaruit zoveel mogelijk lering kunnen trekken.

Ik kom toe aan de wijkbudgetten. Tegen de heer Jansen zeg ik dat daar een zorgpunt zit als het gaat om de wijkaanpak. Ik vind de wijkaanpak goed, en wij plegen extra inzet op de ergste wijken, maar de ervaring leert dat er buiten die 40 wijken nog andere wijken zijn met bijna vergelijkbare problemen. Wij moeten onszelf de eis stellen dat wij nooit, in ons enthousiasme om de ergste 40 wijken te helpen, iets zullen doen wat de andere wijken schade berokkent. Sterker nog: onze taak is om die andere wijken mee te sleuren in wat wij bereiken in de aanpak van de 40 wijken. Zo kijk ik er beleidsmatig naar. Gelukkig hebben wij daarbij al een aantal dingen weten te bereiken. De eerste 30 mln. is in onze terminologie de eerste tranche, waarop nog een tweede volgt. Die eerste tranche is nu verdeeld. Alle gemeenten die een aanvraag hebben ingediend, komen op 10 juni bij elkaar, waarbij afspraken worden gemaakt over kennisdeling en «twinning», dus het combineren van een aandachtswijk met een wijk die daar niet onder valt. Wij hebben een garantieplicht om ervoor te zorgen dat ieder ding dat wordt gevonden in de wijkaanpak en zonder veel geld in een andere wijk nuttig kan zijn, daar wordt aangewend. Er worden al heel wat dingen doorverteld, of dat staat te gebeuren, en daar kom ik snel op terug. De gemeenten hebben hierin een belangrijke taak. De Ortegagemeenten doen ingevolge de Kamermotie volgend jaar mee in de volgende ronde.

Een van de zeven experimenten in het kader van de wijkaanpak gaat over bewonersparticipatie. Dit gaat precies over de vraag die mevrouw Ortega stelde, en die ik bij alle wijkbezoeken steeds heb gehoord. Het gaat om de actieve mensen die er alles voor doen om anderen erbij te betrekken, maar daar matig in slagen. Een voorbeeld: als automobilist stop je wel eens voor een zebra voor een voetganger die kennelijk erg lang heeft moeten wachten, waarna hij kwaad wordt op jou. Dat is geen intelligente reactie van zo’n oversteker, maar het is wel heel natuurlijk. Daaraan moet ik denken als ik kijk naar die actieve bewoners: als je er iemand niet op aan moet kijken dat verbreding niet lukt, is het wel zo’n wel actieve bewoner. Ik hoop dat het experiment snel iets oplevert, ook als het gaat om de afspiegeling van bewoners. Ik kom daar graag snel op terug. Een van de randvoorwaarden is de betrokkenheid van bewoners. Bij alle gehonoreerde plannen zijn bewoners betrokken geweest. Wel zit er verschil in het moment waarop zij worden betrokken. Gemeenten die bewoners specifiek hebben betrokken bij de indiening van een plan voor het wijkbudget zijn Tilburg, Sittard, Leiden, Helmond, Heerlen, Haarlem, Emmen, Den Bosch, Breda, Almelo en Venlo. Er zijn nog plannen die door bewoners zijn ondertekend, waarbij het gaat om Breda, Emmen, Sittard en Geleen. Bij de presentatie van de plannen waren bewoners aanwezig uit Almelo, Breda, Den Bosch, Haarlem, Heerlen en Leiden. Op andere momenten in het traject zijn nog: Lelystad, Amersfoort, Zwolle en Hengelo. Er zou nog een bullit kunnen worden toegevoegd met gemeenten waar de bewoners niet betrokken zijn. Maar ik ga ervan uit dat in alle gemeenten de bewoners erbij zijn betrokken, en dat is goed nieuws.

De heer Van Bochove vroeg nog welke andere bedrijven zijn betrokken bij de wijkaanpak, en er is gevraagd of ik daar proactief in wil zijn. Dat wil ik graag zijn. Overigens ben ik dat ook een beetje geweest bij Albert Heijn, omdat ik toevallig uit een vorig leven de baas van Albert Heijn ken. Er waren op het ministerie allang contacten tussen Albert Heijn en de wijken. Waarom? Wij willen daar geen euro staatssteun in stoppen. Ik heb gemerkt dat, als er in een wijk een vestiging van Albert Heijn is, dit voor bewoners een teken is dat het nog goed gaat. Als die vestiging verdwijnt, wordt dat ervaren als een heel groot verlies. De aanwezigheid van een vestiging van Albert Heijn wordt ervaren als een graadmeter voor de situatie in een wijk. In Arnhem en Deventer was er in bepaalde wijken groot verdriet over het vertrek van Albert Heijn. Ik vind het verantwoord dat wij als departement proberen dit soort bedrijven, die het imago hebben dat ze alleen in een buurt zitten als het daar een beetje gaat, juist qua overlast en criminaliteit, te behouden. Een winkel houdt het niet vol als er steeds wordt gestolen, maar diefstal vindt niet alleen bij kleine winkels, maar ook bij de grotere winkels plaats, die dan vertrekken. Wij vragen ze niet te vertrekken, en dat ze een extra inzet willen plegen op schoon, heel en veilig, beveiliging en stagecontracten is alleen maar goed. De bedrijven die zich nu hebben gemeld, zijn Fortis, IBM, Danone en een outlet van het Kruitvat, genaamd Prijsmepper. Ik zeg de Kamer toe dat ik daarin zo actief mogelijk zal zijn, ook door te zeggen dat ieder bedrijf welkom is. Ik heb gezegd dat elke kunstenaar welkom is in die buurten, maar daar zal ik geen woord meer aan wijden. Hetzelfde geldt natuurlijk voor dit soort bedrijven.

Ik vind de wijkeconomie een belangrijk, onderontwikkeld kind in de wijkaanpak. Ik was erg blij toen staatssecretaris Heemskerk dit jaar vijf keer met mij mee wilde naar de wijken. Die afspraken zijn ingeboekt, wat ik fantastisch vind. Ik wil hetzelfde doen met staatssecretaris Bijleveld, staatssecretaris Klijnsma en minister Rouvoet. Minister Klink is al mee geweest en met minister Hirsch Ballin heb ik door Eindhoven gezworven. Ik wil minister Ter Horst meenemen naar de plekken waar de groepen zitten waarover mevrouw Agema zich druk maakt et cetera.

Aan de brief van staatssecretaris Heemskerk over kleine ondernemers heb ik niet meegeschreven, omdat een geachte fractiegenoot van de heer Jansen het tijdens een AO over economie in de wijken relevant vond om te refereren aan het feit dat oud-kantoorgenoten van mij een corporatie hadden bijgestaan. In het licht van de zorgen over belangenverstrengeling leek het raadzaam daarvan afstand te houden. De staatssecretaris heeft die brief samen met minister Cramer gestuurd. Ik heb die brief uiteraard wel gelezen, en ik wil vanaf nu – in de hoop op het volste vertrouwen van de SP– mij bezig gaan houden met deze thematiek. Een heel flauwe grap: boeven vang je met boeven. Ik zou het als Kamerlid juist fijn vinden als de minister, afkomstig uit de advocatuur en daar soms grote woningbouwcorporaties geholpen hebbend, zich persoonlijk bemoeit met de problematiek van de kleine ondernemers. Mag ik de heer Jansen dat aanreiken?

De heer Jansen (SP): Zodra de minister boeven gaat vangen, heeft hij mijn volle steun!

Minister Van der Laan: Hier wordt de discussie heel ingewikkeld! Ik vind dat overigens wel een adequate reactie. De staatssecretaris heeft toegezegd een gedragscode te ontwikkelen. De andere meer vergaande maatregelen, die de staatssecretaris niet nodig en disproportioneel vindt, laten wij even liggen. Ik zeg de Kamer toe dat ik snel zal starten met bespreking van de gedragscode. Terecht zegt de heer Van Bochove dat de eerste verantwoordelijkheid bij de gemeenten ligt. Daarna kijken wij hoe wij met betrokkenen beter dan nu het geval is kunnen zorgen voor de kwetsbare ondernemers. Hoewel niemand op dit punt iets fouts doet, is het punt wel terecht. Als er een renovatie voorbijkomt, is de huur zoveel hoger dat veel van die kleine winkeliers dat niet kunnen opbrengen. Dus kunnen gemeenten helpen door ervoor te zorgen dat ze naar de oude gebouwen toe kunnen gaan, en dat er gedifferentieerd mag worden in vierkante meters.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Wil de minister ook kijken naar de planschade die optreedt? Als zo’n wijk wordt geherstructureerd en het gaat langer duren, is dat een groot probleem voor de kleine ondernemers, want ze krijgen minder klandizie. Vaak wordt daar helemaal geen rekening mee gehouden.

Minister Van der Laan: Ik denk dat u hier een heel belangrijk punt aan de orde stelt. U en andere Kamerleden zullen heel goed weten dat er een uitermate verfijnde jurisprudentie is over wanneer wel en wanneer niet. Als de overheid een heel klein openingetje biedt, is dat in de praktijk een enorme sluis, waarover je van tevoren goed moet nadenken. Ik zal hierover nadenken en er bij u op terugkomen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Het gaat mij erom dat gemeenten zich bewust worden van de effecten voor ondernemers. Vaak wordt daar heel makkelijk aan voorbij gegaan. Dat betekent dat ze omliggen, nog voordat er maatregelen voor hen zijn genomen. Alleen al bewustzijn, en wel zo snel mogelijk.

Minister Van der Laan: Het is logisch om de kleine winkeliers en hun problemen hierbij mee te nemen. Ik was even huiverig op het punt van het bedenken van maatregelen, maar dat vraagt u niet.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Niet in eerste instantie. In eerste instantie bewustzijn, en als het allemaal lang duurt moet in redelijkheid over maatregelen worden nagedacht, maar dat is wat anders.

Minister Van der Laan: Het eerste zeg ik u toe.

De heer Depla (PvdA): Wij hebben om een lokaal handvest voor bewoners en corporaties gevraagd. Kan dat ook gelden voor winkeliers, zodat vooraf over eventuele problemen wordt nagedacht, in plaats van achteraf?

Minister Van der Laan: U kunt de brief hierover binnen twee weken verwachten. En uw vraag om die brief aan te vullen met informatie over het laatste aspect ...

De heer Depla (PvdA): Die brief moet u niet aanvullen, want dan duurt het weer langer. In overleg met staatssecretaris Heemskerk en wellicht corporaties ...

Minister Van der Laan: Een soort handvest.

De heer Depla (PvdA): Precies, om te voorkomen dat iedere keer het wiel opnieuw wordt uitgevonden.

Minister Van der Laan: Het verschil tussen een gedragscode, die wij al hebben toegezegd, en een handvest kan nooit zo groot zijn dat wij het daarover niet eens worden. Ja, ik wil daar graag positief naar kijken.

De heer Jansen (SP): Ik tel mijn zegeningen: het is een stapje in de goede richting dat wordt gewerkt aan een gedragscode. Op welke termijn ligt er een concept? Meer principieel: bij huurders van woningen hebben wij gekozen voor bescherming van de zwakke partij en voor een wettelijk verankerde verhuiskostenvergoeding. Als een gedragscode geld gaat kosten, worden betrokkenen namelijk minder enthousiast. Hoe gaat u dit probleem tackelen om te voorkomen dat een jaar wordt verspeeld?

Minister Van der Laan: Een jaar verspelen? Nee, wij gaan kijken of wij de gemeenten die regierol kunnen laten spelen, om ervoor te zorgen dat alle mogelijke praktische oplossingen ook aan bod komen. Daar zullen afspraken met de woningbouwcorporaties wat mij betreft bij horen, maar ik kan dat nu niet helemaal invullen. Wetswijziging is sowieso een traject van jaren. U praat hier met iemand die jarenlang actie heeft gevoerd voor de verbetering van de huurbescherming, dus u praat niet met een tegenstander daarvan. Maar het is een heel zware ingreep in de contractsvrijheid, die als uitgangspunt in deze situaties wel kan dienen. Wij hebben het hier nog steeds over economie en bedrijven. Maar met het verlenen van hulp beginnen wij met de gedragscode. Ik zal de Kamer hier zo snel mogelijk bij betrekken. Het is reëel om te zeggen dat zo’n concept, dus het werkmodel, er snel na de zomer moet zijn.

Een voorwaarde voor de inzet van bewonersbudgetten is dat ze worden ingezet om bewonersinitiatieven te stimuleren en dat zij bijdragen aan de leefbaarheid en de sociale cohesie.

De heer Jansen (SP): Mijn vraag was of het gemeenten is toegestaan te compartimenteren? Daardoor kunnen goede voorstellen uit andere wijken niet in aanmerking komen.

Minister Van der Laan: Het blijft aan gemeenten om te bepalen in welke wijken dat geld wordt ingezet. Wat de heer Jansen vertelt, klinkt wat zorgelijk. Wij zullen dat nagaan. De heer Depla vroeg of wij de Kamer kunnen informeren over de uitkomsten van de conferentie van 10 juni. Wij zullen ervoor zorgen dat de Kamer zo snel mogelijk na die 10e juni een verslag krijgt.

De heer Jansen sprak over een perverse vorm van solidariteit. De enige die daarvan de logica inziet, zei hij, is de minister. Ik heb altijd zakelijke en door mij zeer gewaardeerde discussies met de heer Jansen, maar in dit geval slaat hij de plank verschrikkelijk mis. Toen ik aantrad als minister ben ik zo ongeveer begonnen met te zeggen dat ik wel enige inconsistentie zag in de wijkheffingen. Inmiddels informeer ik overal waar ik kom hoe dat zit, waarvan ik verslag doe aan de Kamer. Zo had ik gevonden dat een arme corporatie in Noordwijkerhout een stuk grond aan zich voorbij heeft zien gaan, omdat een rijkere corporatie die wel actief is in de structureringswijken daar een miljoen kon investeren, terwijl die armere corporatie krachtens de wijkenheffing verplicht is een bijdrage te leveren. Dit is nu een voorbeeld van niet-consistent beleid. Ik ga op zoek naar een betere oplossing.

De heer Van Bochove heeft de andere kant op overdreven, want hij vraagt «wanneer komt de minister nu eindelijk met de door hem aangekondigde wijziging van de wijkenheffing.» De heer Jansen en de heer Van Bochove moeten eens samen een biertje gaan drinken, want zij hebben een totaal andere visie op wat er is gebeurd. Ik heb helemaal niet toegezegd dat ik de wijkenheffing ga wijzigen. Ik heb gezegd dat ik deze inconsistentie zie, die leidt tot veel geruzie tussen corporaties en Rijk, samen met discussies over de VPB en het inflatievolgend huurbeleid. Met betrokkenen ga ik op zoek naar een werkzame oplossing. Onderdeel van dat gesprek is de vraag of wij kunnen komen tot een situatie waarin de corporaties zelf zeggen, zonder dat wij daarvoor een tot ruzie aanleiding gevende nationale heffing instellen, dat zij het beter kunnen. Zij organiseren dan zelf de solidariteit, en wel op zo’n manier dat alle wijken hun handtekening onder de charters volkomen kunnen nakomen. Wij gaan immers niet de bewoners en de gemeenten teleurstellen. Dat gesprek ben ik aangegaan. Ik ben wel aangelopen tegen het fenomeen dat er binnen Aedes een forse structuurverandering is: men wil meer optreden als een soort branchebehartiger, die niet de branche vertegenwoordigt in de onderhandelingen. Intussen was er ook een bestuurswisseling, waardoor bij het naderen van de bewuste dag de onderhandelaars minder durfden af te spreken. Het nieuwe bestuur is nu bezig zich in te werken, dus mijnheer Van Bochove heeft gelijk dat er nu een gat is, wat ik heel erg betreur. Ik weet niet hoe het gaat lopen met Aedes, dat verdeeld is in de grote en de kleine corporaties. Wij zullen zien hoe dat gaat. De heer Van Bochove zei dat de situatie kan ontstaan dat wij onze eigen gang moeten gaan en een andere manier moeten vinden voor goed overleg met de corporaties. Ik sta open voor ieder idee. Wij denken aan een toogdag voor alle corporaties en aan regionale overleggen. Wij moeten een oplossing vinden voor dit probleem. Ik doe een oproep aan Aedes om te voorkomen dat een situatie optreedt waaraan de heer Van Bochove refereerde. Anders hoop ik dat ik met steun van de Kamer op zoek mag naar alternatieve overlegstructuren, om te zorgen dat wij niet langer tijd verliezen.

De heer Jansen (SP): Waarom schuift u de verantwoordelijkheid naar Aedes toe? De wijkheffing met de knip bij 40 wijken werkt sowieso averechts, los van de dekking. Het is het rondpompen van geld, van de ene verkeerde partij naar de andere verkeerde partij. U kunt daar toch mee stoppen?

Minister Van der Laan: Dat vind ik geen terechte omschrijving van de wijkheffing. Ik heb het over deze wijkheffing of een betere, want ik sluit absoluut niet uit dat ze beter kan, met minder inconsistenties. Maar dat de regeling nu aanvaardbaar is, komt omdat ze 75 mln. oplevert voor de 72 corporaties die actief zijn in de 40 wijken in de 18 gemeenten. Ik wil de pijn eruit halen waar die ten onrechte te zwaar drukt, maar ik wil in ieder geval dat de uitvoering van de wijkplannen heilig is, want daar hebben wij onze handtekening onder gezet. Nu intrekken van de wijkheffing zonder te weten wat ervoor terugkomt, zou niet erg intelligent zijn.

De heer Jansen (SP): Volgens mij waren het 50 corporaties in 40 wijken. Daarvan zijn er twee arm, zes te rijk en de rest is in balans. Met andere woorden: daar wordt een niet bestaand probleem opgelost, maar ondertussen hebben arme corporaties buiten die 40 wijken daar heel veel last van. Dat is toch erg onlogisch?

Minister Van der Laan: Het zijn er 72. Toen ik tegen dit probleem aanliep, heb ik de vraag gesteld hoeveel van die 72 corporaties zonder wijkheffing zichzelf kunnen redden, en hoeveel je er overhoudt die zijn aangewezen op solidariteit van de collega’s. Het antwoord daarop was, niet in aantallen corporaties, maar in aantallen euro’s, dat ongeveer 50 van de 75 mln. zichzelf redt, en dat voor 25 mln. een andere vorm van solidariteit moet worden gevonden.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voordat de wijkenheffing werd geïntroduceerd, lag er een voorstel van Aedes dat de corporaties het onderling zouden oplossen. Dat is toen afgewezen, want er vond onvoldoende verevening plaats, maar het bedrag zal wel op tafel komen. Is dat nog bespreekbaar voor u?

Minister Van der Laan: Blijkbaar ben ik daarnet niet duidelijk geweest. Ik bedoelde te zeggen dat ik vier keer om de tafel heb gezeten met Aedes om te kijken of wij tot een soort alomvattend crisisakkoord konden komen. Er komt EIA-geld aan, wij zijn bereid de borgingsgrens van de WSW te verhogen, en wij willen kijken naar de salarissen en de wijkenheffing. Net voordat wij onze handtekening hadden kunnen zetten is dat overleg opgehouden, vanwege de toen aanstaande bestuurswisseling. Maar daar was niet alleen de wijkenheffing bespreekbaar, nee, ik heb hard gezocht naar een betere oplossing voor de wijkenheffing. Daarom was ik niet enthousiast over de brief van Aedes die de Kamer in afschrift heeft gekregen. Daarin werden precies die punten genoemd die ik op tafel had gelegd om te bereiken dat zij zouden zeggen: wij doen twee keer 100 000 woningen extra energiebesparing en wij nemen de wijkenheffing weer voor onze eigen rekening, wij lossen dat op. Nu krijgen wij zo’n niet charmante brief van Aedes.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik ga vooral in op de onderwerpen die niet zijn behandeld. Ik heb een vraag gesteld over de veiligheid in de wijken, en de bezuinigingen van minister Ter Horst. De heer Jansen gaf het voorbeeld van wijkagenten die niet komen. Dit is een basispunt om die wijken qua leefbaarheid «de berg op te krijgen». Verder heb ik over de criteria voor de Ortegagemeenten gevraagd of die voor alle departementen op dezelfde manier moeten worden toegepast. Anders gaat straks al het geld naar die 40 probleemwijken, terwijl wij problemen creëren voor andere wijken. Wat de toezegging over het brede onderzoek betreft: ik denk dat dat heel goed zou zijn, juist omdat meetbare resultaten erg belangrijk zijn om nu eens eindelijk uit de discussie te komen.

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Ik ben blij met de antwoorden, en met de toezegging om alle wetenschappers rond de tafel te krijgen, omdat wij dan beter te weten kunnen komen wat wel en niet helpt, zodat wij in een zo kort mogelijke tijd met zo min mogelijk geld een zo optimaal mogelijk resultaat voor de bewoners kunnen bereiken, zodat zij zich in hun buurt veilig en thuis voelen. De handtekeningen die zijn gezet onder de wijkactieplannen mogen niet in gevaar komen, en voor de rest is elke oplossing bespreekbaar. De minister noemde het voorbeeld uit Noordwijkerhout, en ik ken voorbeelden uit andere delen van het land.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Hoe gaat de minister aanmoedigen dat er meer innovatieve plannen komen?

Mevrouw Agema (PVV): Voorzitter. Toen de minister begon over kunst, moest ik meteen denken aan de Jacob van Lennepkade. Daar hangt een mooie muurschildering, met vrouwelijk naakt. Op aandringen van een paar moslima’s moesten er blokjes over de vrouwelijke delen worden geplaatst. Dat is ook kunst, maar dan de andere kant op. De minister zegt dat er in de wijken een flow is en dat hij geïmponeerd is. Ik denk dat hij vooral in de ban is geraakt van het vrolijkheidscircus dat altijd wordt opgetuigd als er een minister met auto met chauffeur zo’n wijk binnen komt rijden. Maar dat soort flow en energie is natuurlijk niet meetbaar. Hij lijkt in de ban te zijn van een soort tsjakka. Deze minister is een positiviteitsgoeroe, misschien nog wel groter dan Emile Ratelband. Maar als De baat op straat wordt uitgebracht, is dat kritiek, die onderuit moet worden gehaald. Dan gaat het niet over de periode waarin wij zijn begonnen met de wijkaanpak. Ik pak de bronnen erbij: elf van de bronnen uit De baat op straat gaat wel degelijk over onderzoeken die plaatsvonden in 2007 en 2008. Ik zou graag zien dat onze minister zakelijk was, dat hij weet dat hij wordt gezien als een wandelende moneybelt en dat hij waar voor ons geld gaat vragen.

De heer Jansen (SP): Voorzitter. Dank voor de beantwoording. Wat de economie in de wijk betreft, wachten wij met belangstelling de voorstellen na de zomer af. Het is goed dat de minister zeer actief op zoek gaat naar draagvlak, ook bij corporaties, maar dat hem dat niet moet belemmeren te doen wat nu al nodig is. Als iets niet functioneert, moet hij gewoon zelf knopen doorhakken. Hij moet niet gaan lijken op zijn voorganger.

Minister Van der Laan: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de reacties.

Ik ben erg blij met de aansporing om, ondanks het zoeken naar draagvlak, verder te gaan en zo nodig mijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Hoe duidelijker wij zijn, hoe eerder wij dat draagvlak krijgen, maar anders desnoods niet. Ik vind dit een heel prettige uitkomst, want ik wil niet verhelen dat ik wekenlang heb lopen dubben over het doorbreken van die impasse. Dit is heel prettig om te horen.

Tegen mevrouw Van der Burg: wat er precies gaat gebeuren op het gebied van bezuinigingen, wordt bekend gemaakt bij de presentatie van de begroting in september. Veiligheid is cruciaal in de wijkaanpak. De Ortegagemeenten mogen niet de dupe worden van de wijkaanpak. Hierover zal ik als permanent aandachtspunt de Kamer informatie geven. Dankzij de wijkaanpak kunnen wij het ook beter doen in de Ortegagemeenten. De heer Depla dank ik voor zijn steun. Mevrouw Ortega idem. Wat mevrouw Agema betreft: het wordt tijd, zeg ik heel eigenwijs, dat zij ook eens hoort wat ik inhoudelijk haar kant op zeg, waar zij het mee eens zou kunnen zijn, tenzij zij zich heeft voorgenomen het nooit met mij eens te zijn. Wat zo’n muurschildering op de Jacob van Lennepkade betreft: ik ken die muurschildering niet. Als het klopt wat mevrouw Agema daarover zegt, vind ik dat foute boel. Zij heeft mij enkele malen over integratie horen praten, en op 18 juni gaan wij praten over allerlei zaken. Op dit punt vindt mevrouw Agema, als de feiten zo simpel liggen als zij aangaf, mij aan haar kant. Maar doe dat recht, en maak mijn verhaal niet bespottelijk met zo’n voorbeeld, waarmee ik het eens ben.

Mevrouw Agema (PVV): Dat was niet mijn bedoeling. Als je een incident aangrijpt om aan te geven dat het in het algemeen goed gaat, kun je eenzelfde incident aangrijpen om aan te geven dat het generiek niet goed gaat. Dan zijn we weer in balans. Het spijt mij, maar fundamenteel zullen wij het altijd oneens blijven. Het gaat niet om de stenen, het gaat om de mensen, om de veiligheid in de wijken, waarvoor onvoldoende aandacht is.

Minister Van der Laan: Ik ben het totaal niet oneens met het laatste wat mevrouw Agema zegt. Mensen mogen met mij best in discussie gaan of zelfs ruzie hebben, maar daar zijn er twee voor nodig. Ik heb geen ruzie met mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV): Dat heb ik ook niet.

De voorzitter: Hier groeit iets moois!

Minister Van der Laan: Ik vind onderzoeken heel waardevol. Daarom hebben wij redelijk verbeten gereageerd, met de systematische kritiek die ik net noemde. Maar als mevrouw Agema mij erop kan betrappen dat ik positieve onderzoeksresultaten zomaar neerleg, zonder kritiek, of negatieve resultaten met systeemkritiek probeer weg te poetsen, mag zij mij slaan. Ten slotte: tussen mevrouw Agema en mij zal het nooit iets worden als zij mij nog één keer vergelijkt met Emile Ratelband.

Toezeggingen

– De conceptgedragscode om de positie van de kleine ondernemers te versterken wordt kort na het zomerreces naar de Kamer gestuurd, waarbij de problematiek van de planschade zal worden meegenomen.

– De uitkomsten van de conferentie van 10 juni zullen zo spoedig mogelijk naar de Kamer worden gestuurd.

– De Kamer zal nader worden geïnformeerd over de Ortegagemeenten, met name als het gaat om het hanteren van criteria.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Van Gent (GroenLinks), voorzitter, Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), Poppe (SP), Weekers (VVD), ondervoorzitter, Dijsselbloem (PvdA), Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Van der Ham (D66), Sterk (CDA), De Krom (VVD), Verdonk (Verdonk), Jansen (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Wolbert (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Bouchibti (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV) en Van Toorenburg (CDA).

Plv. leden: Bilder (CDA), Dibi (GroenLinks), Timmer (PvdA), Kant (SP), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Haverkamp (CDA), Pechtold (D66), Blanksma-van der Heuvel (CDA), Nicolaï (VVD), Neppérus (VVD), De Wit (SP), Voordewind (ChristenUnie), Heijnen (PvdA), Zijlstra (VVD), Vietsch (CDA), Leerdam (PvdA), Ulenbelt (SP), Madlener (PVV), Willemse-van der Ploeg (CDA) en Karabulut (SP).