Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201530991 nr. 20

30 991 Beleidsdoorlichting Economische Zaken

Nr. 20 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 31 maart 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 19 december 2014 inzake de Beleidsdoorlichting Energieartikel (artikel 14) (Kamerstuk 30 991, nr. 17).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 30 maart 2015. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De adjunct-griffier van de commissie, Haveman-Schüssel

1

Wat zijn de belangrijkste lessen uit deze beleidsdoorlichting voor u? En op welk wijze gaat u die betrekken en verwerken in het Energierapport 2015?

Antwoord

De beleidsdoorlichting heeft in grote mate de lessen bevestigd die de afgelopen jaren zijn getrokken en op basis waarvan verbeteringen in instrumenten zijn en worden doorgevoerd, zoals ik die in mijn brief heb benoemd1. De vormgeving van beleid, het concreet benoemen van meetbare doelstellingen en het belang van monitoring en regelmatige tussenevaluaties van instrumenten zijn elementen die in de toekomst meer aandacht vragen. Zoals ik in mijn brief heb benoemd, speelt het Integrale Afwegingskader (IAK) dat sinds enkele jaren verplicht wordt toegepast bij nieuw beleid en beleidsinstrumenten hierbij een belangrijke rol. Verder moeten er voldoende gegevens worden bijgehouden, zoals nu gebeurt in de Nationale Energie Verkenning (NEV). Deze lessen uit de beleidsdoorlichting betrek ik dus al breed in het beleid. Vanzelfsprekend neem ik deze lessen ook mee bij het opstellen van het Energierapport 2015.

2

Kunt u toelichten hoe u de plannen van de Europese Commissie voor een Energie Unie en de uitkomsten van de VN-klimaatconferentie, die eind 2015 plaatsvindt in Parijs, in het Energierapport 2015 in gaat bedden?

Antwoord

De Energie Unie vormt één van de vijf prioriteiten van de nieuwe Commissie die vorig jaar is aangetreden. Het doel van de Energie Unie is te zorgen voor een betaalbare energievoorziening, het verminderen van de energieafhankelijkheid van de Europese Unie en een toekomstbestending klimaatbeleid. De Energie Unie bestaat uit vijf dimensies die onderling verbonden zijn: het verbeteren van de energievoorzieningszekerheid, het voltooien van de interne energiemarkt, het realiseren van energiebesparing, het CO₂-vrij maken van de economie en het stimuleren van onderzoek en innovatie in de energiesector. De Europese Commissie benoemt in haar mededeling per dimensie verschillende acties die grotendeels in 2016 en 2017 gerealiseerd dienen te worden. In de mededeling over de Energie Unie worden ook de EU2030 doelen, die zijn afgesproken bij de Europese Raad van oktober jl. benoemd. Het gaat dan om het doel van «ten minste 40% CO₂-reductie», het doel van 27% hernieuwbare energie op Europees niveau en het Europese indicatieve doel van 27% energiebesparing.

In december 2015 vindt in de VN klimaatconferentie plaats in Parijs. Bij deze conferentie moet overeenstemming worden bereikt over een nieuw mondiaal klimaatakkoord onder het VN klimaatverdrag. De Europese Raad van oktober 2014 heeft bepaald dat de Europese Unie in deze onderhandelingen inzet op het realiseren van ten minste 40% CO₂-reductie in 2030 binnen de EU (ten opzichte van 1990).

De Europese inzet voor de onderhandelingen in Parijs en de plannen voor de Energie Unie, waaronder de EU2030 doelen zoals afgesproken in de Europese Raad, vormen de kaders waar het energierapport rekening mee zal houden.

3

Wanneer zal het Energierapport 2015 aan de Kamer worden aangeboden?

Antwoord

Publicatie van het Energierapport is eind 2015 voorzien.

4

Wordt de evaluatie van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie+ (SDE+) in 2016 afgerond zoals op p. 238 van het rapport van SEO economisch onderzoek (SEO) staat vermeld of in 2015 zoals op p. 239 staat vermeld?

Antwoord

Zoals in de begroting van mijn ministerie voor 2015 is aangegeven, wordt de evaluatie van de SDE+ in 2016 afgerond.

5

Klopt het dat in de Nationale Energie Verkenning (NEV) 2014 bij het doelbereik van 14% aandeel duurzame energie voor 2020 en 16% voor 2023 al rekening is gehouden met de SDE+ en overige bestaande en voorziene instrumenten en maatregelen?

Antwoord

Ja, in de berekeningen is uitgegaan van vaststaand en voorgenomen beleid, inclusief de SDE+. Daarbij moet worden opgemerkt dat in de NEV 2014 de beleidsinzet om tot 14 en 16% hernieuwbare energie te reiken nog niet ten volle was meegenomen, waaronder de beoogde kostenreductie wind op zee en het realiseren van 6000 MW wind op land.

6

Acht u het noodzakelijk om extra maatregelen te nemen om de ambitie van 14% duurzame energie voor 2020 en 16% voor 2023 te halen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden voorbereid?

Antwoord

In 2016 wordt het Energieakkoord geëvalueerd. Op dat moment zal besloten worden of extra maatregelen nodig zijn om de doelen van 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023 te halen. Tot dat moment is het van belang dat alle partijen de afgesproken maatregelen daadkrachtig implementeren.

7

Welke hiaten in het onderzoek zijn door bureauonderzoek en interviews opgevuld?

Antwoord

In Bijlage IV bij de rapportage is een overzicht gegeven van de beschikbare evaluaties die zijn betrokken in de beleidsdoorlichting. Op de terreinen waar geen evaluaties beschikbaar waren, is door SEO bureauonderzoek uitgevoerd of zijn gesprekken gevoerd met personen die betrokkenen waren of zijn bij de uitvoering van de instrumenten, vooral binnen het Ministerie van Economische Zaken en binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Voorbeelden hiervan zijn de voorlichting door Milieu Centraal, het windenergiebeleid en instrumenten van het internationale energiebeleid. Met behulp van deze gesprekken kon het «zachte» bewijsmateriaal voor de doorlichting worden verdiept.

8

Welke weging heeft SEO aan de verschillende instrumenten gegeven, waardoor uiteindelijk het eindoordeel is gegeven dat uw inzet in redelijke mate heeft bijgedragen aan de drie operationele doelstellingen? Was er verschil in weging van de instrumenten?

Antwoord

SEO heeft gekeken welke instrumenten de kern van het operationele doel vormden, of sprake was van dubbelingen of onderlinge tegenstrijdigheden in beleidsinstrumenten en wat het budgettaire beslag van instrumenten was.

9

Hoe gaat u in de toekomst om met het door het Centraal Planbureau (CPB) en SEO geconstateerde probleem dat langlopende en niet-verplichte doelstellingen lastig te evalueren zijn?

Antwoord

Ik herken het door het CPB en SEO geconstateerde probleem dat het minder eenvoudig is om een doelstelling te evalueren wanneer de einddatum van deze doelstelling buiten de te onderzoeken periode valt. Desalniettemin kan dan nog altijd de doelmatigheid en doeltreffendheid van instrumenten onderzocht worden. Ook wanneer een doelstelling niet verplicht is, is wel degelijk te onderzoeken of de gekozen beleidsinstrumenten geschikt zijn om deze doelstelling te realiseren. Het CPB geeft dit ook en wijst erop dat voor het evalueren van een niet-verplichte doelstelling andere keuzes bij de beleidsdoorlichting gemaakt moeten worden dan bij verplichte doelstellingen. Er moet bijvoorbeeld meer gekeken worden naar individuele beleidsinstrumenten en er moeten keuzes worden gemaakt voor een meetbaar subdoel of anderszins meetbare variabele waarop de analyse kan worden gebaseerd.

10

Hoe houdt u rekening met de langetermijneffecten van beleid op het gebied van energie? Zijn daar analyses van?

Antwoord

Bij de ontwikkeling en opzet van nieuwe beleidsinstrumenten wordt uiteraard rekening gehouden met de mogelijke langetermijneffecten van het beleid. Ik laat me bij de beleidsvorming ook voeden door inzichten van Nederlandse en buitenlandse kennisinstellingen. Bovendien worden doorgaans langetermijnanalyses opgesteld om Europese beleidsvoornemens op het gebied van klimaat en energie door te rekenen op hun gevolgen voor Nederland. Om beter zicht te houden op de langetermijnontwikkelingen in het energiedomein heb ik het initiatief genomen om jaarlijks een Nationale Energieverkenning (NEV) te laten maken, waarvan vorig jaar de eerste editie is uitgekomen.

11

Hoe kunt u afgerekend worden op het doel van 2% energiebesparing? Welke doelen worden aan deze ambitie gekoppeld voor de komende jaren?

Antwoord

In het Energieakkoord zijn twee doelen op het terrein van energiebesparing afgesproken: gemiddeld 1,5% energiebesparing per jaar en 100 PJ energiebesparing per 2020. Ik ben volledig gecommitteerd aan het behalen van deze doelen. De NEV en de rapportages van de Borgingscommissie Energieakkoord geven inzicht in het realiseren van de doelen. In 2016 zullen we het Energieakkoord evalueren en de stand opmaken of de doelstelling al gehaald worden.

12

Wat wordt er gedaan om ervoor te zorgen dat er meer dataverzameling komt voor «hard» bewijsmateriaal bij het volgende onderzoek?

Antwoord

Zowel bij de vormgeving van beleid als bij evaluaties zullen de vraagstukken die spelen bij het meten van doeltreffendheid en doelmatigheid beter geadresseerd worden. Hiertoe zorg ik onder meer voor regelmatige monitoring van de uitvoering en resultaten van beleid, bijvoorbeeld door middel van de NEV. In bepaalde gevallen zal het lastig blijven om hard bewijsmateriaal te krijgen en effecten en kosten te koppelen, bijvoorbeeld als het internationaal overleg betreft. Het is wel mijn streven om dit zoveel mogelijk te doen.

13

Waarom was er regelmatig geen uitspraak mogelijk over de doelmatigheid van de instrumenten? Wat zegt dit over de meetmethodes die zijn gebruikt om de effectiviteit te meten? Wat zegt dit over de instrumenten zelf? Moeten de meetmethodes dan niet aangepast worden? Of moeten de instrumenten aangepast worden?

Antwoord

Om de doelmatigheid van beleidsinstrumenten te beoordelen moet er voldoende inzicht bestaan in de relatie tussen de effecten van het beleid en de kosten van het beleid. Bovendien moet beoordeeld kunnen worden of hetzelfde effect bereikt had kunnen worden tegen lagere kosten. In een aantal gevallen kon er geen uitspraak gedaan worden over doelmatigheid omdat aan deze twee voorwaarden niet voldaan kon worden, zoals bij het Europese energie-overleg (Gasplatform en Energieplatform). De mate waarin de relatie tussen effecten en kosten kon worden beoordeeld verschilt per instrument.

Bij de beleidsdoorlichting zijn de meest optimale meetmethodes toegepast, maar hieraan zitten ook beperkingen. Zo geeft SEO in de opzet van de evaluatie aan dat bijvoorbeeld sociale experimenten per definitie zijn uitgesloten bij een ex-post beleidsdoorlichting omdat deze vormgegeven hadden moeten worden bij de introductie van nieuw beleid. SEO heeft daarom meestal uitspraken gedaan over de aannemelijkheid van doeltreffendheid op basis van «hard» of «zacht» bewijsmateriaal. Het element «tijd» speelt hierbij ook een rol; sommige beleidseffecten worden pas na langere tijd duidelijk. Het is dus zaak de factor «tijd» adequaat mee te nemen bij evaluaties.

Uit de beleidsdoorlichting blijkt eens te meer dat beleidsinstrumenten die «ad hoc»

tot stand kwamen, minder doeltreffend en doelmatig waren dan gewenst. Sinds enkele jaren wordt het Integrale Afwegingskader (IAK) verplicht toegepast bij nieuw beleid en beleidsinstrumenten. Dit is een belangrijk hulpmiddel om instrumenten zorgvuldiger in te bedden in het passende instrumentenpakket. Het IAK is ook een manier om het advies van SEO uit te voeren om bij het formuleren van beleid te zorgen voor concrete en liefst meetbare doelstellingen.

14

Kan de Kamer ervan uitgaan dat bij een tweede integrale beleidsdoorlichting van het energiebeleidsartikel het wel mogelijk is om instrumenten en doelstellingen te evalueren op doelmatigheid en doeltreffendheid, iets wat SEO in deze doorlichting door gebrek aan monitoringsinformatie niet altijd even goed kon doen?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 13.

15

Hoe schat u de statistische validiteit in van de conclusies betreffende de doeltreffendheid en doelmatigheid omtrent de onderzoeken naar de drie hoofdpunten?

Antwoord

De beleidsdoorlichting is, ook naar de mening van het Centraal Planbureau (CPB) dat de beleidsdoorlichting als onafhankelijke deskundige heeft beoordeeld, vrijwel volledig conform de eisen uit de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek uitgevoerd. De kanttekeningen van het CPB bij de uitvoering van de beleidsdoorlichting hebben betrekking op de beschrijving van neveneffecten van het beleid. Er is geen reden om de validiteit van de conclusies in twijfel te trekken.

16

Hoe schat u de statistische betrouwbaarheid van de conclusies betreffende de doeltreffendheid en doelmatigheid omtrent het onderzoek naar de drie hoofdpunten?

Antwoord

Gezien het oordeel van het CPB over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting, heb ik geen reden om aan de (statistische) betrouwbaarheid van de conclusies te twijfelen.

17

Kunt u aangeven waarom veel beleid op het gebied van verduurzaming van de energieproductie zowel op doelmatigheid als doeltreffendheid matig tot slecht scoort en waarom u dit beleid desondanks continueert?

Antwoord

Van de twaalf instrumenten op het gebied van verduurzaming van energieproductie scoren twee instrumenten in de beleidsdoorlichting slecht op zowel doeltreffendheid als doelmatigheid. Beide instrumenten (regeling duurzame warmte en de regeling E-aansluiting) zijn begin 2011 stopgezet. De Subsidieregeling Duurzame Elektriciteitsproductie (SDE) scoort op doeltreffendheid en doelmatigheid matig en diens voorganger (MEP) scoorde goed op doeltreffendheid maar slecht op doelmatigheid. De MEP is vanaf 2008 vervangen door de SDE, en de SDE is in 2012 gewijzigd in de SDE+. Bij de vormgeving van de SDE respectievelijk de SDE+ is lering getrokken uit de ervaringen met de MEP, respectievelijk de SDE.

18

Kunt u aangeven hoeveel mensen er verantwoordelijk zijn voor dit jarenlange ondoelmatige en ondoeltreffende beleid op het gebied van verduurzaming van de energieproductie en hoeveel daarvan er nu nog werkzaam zijn op het ministerie of diensten die onder uw verantwoordelijkheid vallen?

Antwoord

Ik deel de mening niet dat uit de doorlichting geconcludeerd kan worden dat op het gebied van verduurzaming van de energieproductie sprake was van jarenlang ondoelmatig en ondoeltreffend beleid.

19

Kunt u aangeven of u wijzigingen gaat aanbrengen in het bestaande beleid gezien de matige tot slechte scores op veel vlakken, maar met name op het gebied van verduurzaming van de energieproductie?

Antwoord

De conclusies die uit de beleidsdoorlichting naar voren komen bevestigen de lessen die de afgelopen jaren al zijn getrokken. Bij de meest bepalende beleidsinstrumenten voor de drie operationele doelen zijn verbeteringen doorgevoerd of zijn deze in voorbereiding: de wijzigingsvoorstellen voor de elektriciteit- en gaswetgeving worden op dit moment afgerond; in de mijnbouwwetgeving worden nog wijzigingen doorgevoerd; het innovatiebeleid is in de loop van 2011 herzien met het Topsectorenbeleid als resultaat; en de SDE+ heeft in 2011 de SDE vervangen.

20

Leidt deze beleidsdoorlichting tot een wijziging in het beleid? Zo ja, bij welke onderdelen daarvan?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 19.

21

Kwalificeert u de informatie over doeltreffendheid en doelmatigheid van het energiebeleid als voldoende?

Antwoord

Ja.

22

Is de informatie over het energiebeleid naar uw mening voor Kamerleden voldoende meetbaar?

Antwoord

De informatie aan de Kamer over de voortgang van de uitvoering van het energiebeleid was voor verbetering vatbaar. Mede om deze reden heb ik het initiatief genomen om jaarlijks een Nationale Energieverkenning (NEV) te laten maken, waarvan vorig jaar de eerste editie is uitgekomen. De NEV is een belangrijk monitoringsinstrument en beantwoordt aan de behoefte aan meetbare informatie over het energiebeleid.

23

Kunt u op alle beleidsterreinen inzake energie aangeven in welke mate voldaan is aan de meetbaarheid van doeltreffendheid, doelmatigheid en heeft bijgedragen aan de operationele doelstellingen van het energiebeleid?

Antwoord

Deze informatie vormt de kern van de rapportage van de beleidsdoorlichting en het SEO-onderzoek. Ik verwijs hiervoor dan ook naar deze stukken.

24

Kunt u reageren op het feit dat het instrument «verduurzaming energieproductie» (MEP, SDE en SDE+) slechts matig scoort op doeltreffendheid en niet als doelmatig wordt ervaren in de onderzoeksperiode? Welke middelen gaat u inzetten om de score hiervan te verbeteren?

Antwoord

Aan het eind van de onderzoeksperiode is het instrument «verduurzaming energieproductie» hervormd tot de huidige SDE+, waarin de lessen van de MEP en de SDE zijn verwerkt. De evaluatie van de SDE+ zal in 2016 worden uitgevoerd, deze was geen onderdeel van de beleidsdoorlichting. In dit verband is het vermeldenswaardig dat de Europese Commissie de SDE+ als een voorbeeld beschouwt voor andere lidstaten als instrument voor het bevorderen van hernieuwbare energie.

25

Gaat u zaken als welvaartsinterpretatie voor doeltreffendheid en doelmatigheid bij beleidsdoorlichtingen betrekken zodat de langetermijneffecten inzichtelijk gaan worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Op grond van de sinds begin dit jaar gewijzigde Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) is er meer ruimte om in beleidsdoorlichtingen in te gaan op de bijdrage van het beleid aan bredere kabinetsdoelstellingen en daarmee voor de «welvaartsinterpretatie» van de RPE, zoals het CPB deze noemt.

26

Geldt de conclusie dat doordachte beleidsinstrumenten betere resultaten geven dan ad hoc beleidsinstrumenten alleen voor energie of ook voor alle beleidsterreinen?

Antwoord

Deze conclusie heeft in dit geval betrekking op het energiebeleid, maar het ligt mijns inziens voor de hand dat doordachte beleidsinstrumenten bij alle beleidsterreinen betere resultaten zullen geven.

27

Hoe zal de intensievere samenwerking tussen beleid en uitvoering gestalte krijgen?

Antwoord

Goede samenwerking tussen beleid en uitvoering is een continu proces. Ik geef dit onder andere vorm door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in een vroeg stadium te betrekken bij het opzetten van nieuwe beleidsinstrumenten en door op regelmatige basis overleg te voeren over de gang van zaken bij de uitvoering van bestaande instrumenten.

28

Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat er uitspraken worden gedaan op basis van onderzoek waarvan u al zegt dat het onderzoek bij veel onderdelen voldoende bewijsmateriaal ontbreekt om stevige conclusies te kunnen trekken?

Antwoord

Hierbij werd gedoeld op het niet altijd voorhanden zijn van hard bewijsmateriaal, vooral bij de toets van doelmatigheid van het beleid. Ondanks deze inherente beperking, ben ik van mening dat de informatie over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het energiebeleid voldoende is voor het trekken van conclusies.

29

Biedt de NEV voldoende informatie over het succes van het energie-innovatiebeleid?

Antwoord

In de NEV 2014 is een eerste analyse van het energie-innovatiebeleid opgenomen. Voor de NEV-analyse geldt op dit vlak een ingroeimodel. De intentie is dat de analyse jaar-op-jaar wordt uitgebreid. In de NEV 2015 worden hiertoe nadere stappen gezet.

30

Waarom is de doeltreffendheid van het Besluit energie-infrastructuur slecht? Op welke manier gaat hier in de wetgevingsagenda STROOM (stroomlijning, optimalisering en modernisering) rekening mee gehouden worden?

Antwoord

Het Besluit aanleg energie-infrastructuur (BAEI) is in 2006 geëvalueerd (Kamerstuk 30 991, nr. 2). De conclusie van die evaluatie dat het BAEI geen meerwaarde heeft, is in de beleidsdoorlichting herhaald. Het BAEI blijkt, hoewel het een beperkte theoretische meerwaarde heeft om de toepassing van hernieuwbare energie mogelijk te maken, weinig praktische waarde te hebben voor het bevorderen van duurzaamheid bij de aanleg van energie-infrastructuur. Er zijn geen aanwijzingen dat het BAEI heeft geresulteerd in kostenreducties bij de aanleg van energie-infrastructuur. De regeling sorteert nauwelijks effect omdat er vrijwel geen gebruik van wordt gemaakt en doordat energieproductie niet binnen de regeling valt. Bovendien is het BAEI een minder geschikt instrument om de duurzaamheid te bevorderen door de complexiteit van de eventueel te volgen openbare procedure en de afbreukrisico’s die betrokken partijen daarbij ervaren. In de wetgevingsagenda STROOM komen de regels uit het BAEI dan ook niet terug. Wel zal STROOM de mogelijkheid bieden een afwegingskader te maken voor de keuze tussen elektriciteits-, gas- en/of warmtenetten.

31

Op welke wijze wordt binnen STROOM deregulering en dejuridisering aangepast ten opzichte van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet?

Antwoord

Deregulering en dejuridisering worden vormgegeven door het stroomlijnen, optimaliseren en moderniseren van de regelgeving. Het stroomlijnen ziet op het beter laten aansluiten van de Nederlandse regelgeving op de Europese richtlijnen en verordeningen. Ook wordt betere aansluiting gezocht bij algemene wetten zoals het Burgerlijk Wetboek. Op deze manier worden verschillen in regelgeving weggenomen en wordt de complexiteit teruggebracht.

Het optimaliseren ziet op het effectiever en efficiënter invullen van de doelstelling van de energieregelgeving: een betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een evaluatie van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet door de Autoriteit Consument & Markt van april 2012. Op basis hiervan wil ik een aantal regels herzien om de regeldruk te verlagen. In eerste instantie betreft dit met name regels op het gebied van tariefregulering, maar in een latere fase ook op het gebied van consumentenbescherming en codes. Daarnaast wordt een wetsvoorstel gemaakt met een heldere indeling en afbakening. Dit laatste is in de huidige wetten door veelvuldige en opeenvolgende wijzigingen niet meer het geval. De duidelijkheid die hiermee geboden wordt draagt bij aan dejuridisering.

Het moderniseren ziet op het gereed maken van het wettelijk kader voor de uitvoering van het Energieakkoord, zoals het net op zee, en voor de toekomstige uitdagingen van het energiesysteem, bijvoorbeeld door meer experimenteerruimte en ruimte voor tijdelijke taken van netbeheerders.

32

Wat wordt bedoeld met de zin dat «bij nieuw aan te leggen energie-infrastructuur te kunnen afwijken van de exclusiviteit van het netbeheer»?

Antwoord

De zin beschrijft de achtergrond van het Besluit aanleg energie-infrastructuur (BAEI). Bij de totstandkoming van het BAEI in 2001 was de aanname dat duurzame initiatieven geremd zouden kunnen worden door het handelen van netbeheerders. Het BAEI bood gemeenten daarom de mogelijkheid onder voorwaarden anderen toe te staan een net aan te leggen, om zo vrije nettoegang tegen redelijke tarieven en voorwaarden te garanderen. Nadien is de Europese en Nederlandse regulering geëvolueerd. Vrije nettoegang tegen redelijke tarieven en voorwaarden wordt nu gegarandeerd door de regulering van netbeheerders en het toezicht daarop alsmede door de eisen die door middel van de Wet Onafhankelijk Netbeheer aan netbeheerders worden gesteld. Daarnaast wordt in het wetsvoorstel STROOM expliciet opgenomen dat de netbeheerder enkel wettelijke taken uitvoert. De achtergrond van het BAEI is dus achterhaald en het besluit bleek praktisch niet uitvoerbaar. Om die reden komen de bepalingen uit het BAEI ook niet terug in STROOM.

33

Hoe zou een eventuele prijsprikkel er uit zien bij TNO-AGE?

Antwoord

Door de aard van de werkzaamheden beschikt TNO-AGE over concurrentiegevoelige informatie van onder meer tal van oliemaatschappijen. Vanwege de vertrouwelijkheid en exclusiviteit van de informatie is TNO-AGE afgeschermd van de bredere TNO-organisatie. TNO-AGE verricht de werkzaamheden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). De activiteiten van TNO-AGE vallen uiteen in het opslaan en verwerken van mijnbouwdata en -informatie, het adviseren op het gebied van vergunningverlening en het uitvoeren van onderzoeken waarvoor specifieke expertise is vereist.

De onderzoekers stellen in de evaluatie van TNO-AGE dat een prijsprikkel voor TNO-AGE om doelmatig te werken ontbreekt. Zoals zij aanbevelen, zal ik daarom nadrukkelijker aandacht geven aan een efficiënte uitvoering van de projecten. Dit zal ik doen door naast het werkplan voor 2015, inhoudelijke en financiële wijzigingen ten opzichte van dit initiële werkplan uitvoeriger te monitoren. Het voordeel hiervan is dat gedurende het jaar een beter totaaloverzicht verworven kan worden over de activiteiten en de wijze waarop die aan de doelstellingen bijdragen.

Betere monitoring draagt bij aan een beter inzicht in de werkzaamheden in relatie tot de kosten (uren en tarieven) van de advisering door TNO-AGE. Op deze wijze wordt ook sterker gestuurd op de doelmatigheid. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt met TNO-AGE gesproken over de gemaakte uren. Op basis van ervaringen uit het verleden kan een goede inschatting worden gemaakt van de input die nodig is voor het geleverde resultaat. Aangezien TNO en het Ministerie van Economische Zaken een algemene raamovereenkomst hebben waarin onder meer de tariefstelling voor de TNO-advisering (in den brede) is bepaald, zijn de tarieven in de evaluatie TNO-AGE buiten beschouwing gelaten. Net als momenteel de praktijk is, worden wijzigingen in het werkplan en nieuwe afspraken met TNO-AGE besproken in kwartaalgesprekken.

34

Bent u content met het feit dat u in redelijke mate heeft bijgedragen aan het bevorderen van de voorzieningszekerheid? Zo ja, waarom? Zo niet, wat gaat u er aan doen om uw bijdrage te verbeteren?

Antwoord

De voorzienings- en leveringszekerheid is goed op orde. TenneT heeft in haar jaarlijkse rapport over de leveringszekerheid de verwachte ontwikkeling van het binnenlandse productieaanbod ten opzichte van de binnenlandse vraag naar elektriciteit in beeld gebracht2. Hieruit blijkt dat het Nederlandse elektriciteitssysteem voor de periode tot en met 2021 beschikt over een vermogensoverschot van circa 3,5 GW aan productievermogen om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag naar elektriciteit. Hiernaast is Nederland goed verbonden met haar buurlanden in Noordwest-Europa omdat TenneT in het verleden veel geïnvesteerd heeft in interconnectieverbindingen. Dit draagt bij aan het vergroten van de leveringszekerheid doordat Nederlandse marktpartijen hiermee ook beschikking krijgen over elektriciteit uit buurlanden. Hiernaast werkt TenneT de komende jaren aan uitbreiding van de verbindingen met Duitsland, België en Denemarken.

Wat betreft gas heb ik in de bijlage bij mijn brief van 7 oktober 2014 over het aardgasbeleid3 aangegeven dat de gasrotondestrategie tot de beoogde resultaten heeft geleid. De indertijd geformuleerde acties zijn inmiddels nagenoeg afgerond. Deze hebben bijgedragen aan een goed functionerende gasmarkt en de voor de lange termijn leveringszekerheid noodzakelijke gasbuffers (opslagen, LNG-installatie) en verbindingen met gasbronnen elders in de wereld.

Verder is sinds 2009 de Rijkscoördinatieregeling (RCR) op grote energie-infrastructuurprojecten van kracht. Na de inwerkingtreding van de Rijkscoördinatieregeling is de besluitvorming van een aantal projecten afgerond in de periode 2009–2012: Randstad 380kV Zuidring, stikstofbuffer Heiligerlee, gasleiding Bornerbroek-Epe, gasopslag Bergermeer, windpark Zuidlob en windpark Noordoostpolder. Het gaat om projecten die een grote bijdrage leveren aan de energievoorziening maar tegelijkertijd ook in meer of mindere mate een impact op de leefomgeving hebben.

Zoals aangekondigd in mijn brief van 13 oktober 20144 zal ik in 2015 een evaluatie uitvoeren ten aanzien van de Rijkscoördinatieregeling. Eind dit jaar verwacht ik uw Kamer de evaluatie van de Rijkscoördinatieregeling toe te kunnen sturen.

35

Is te achterhalen of het convenant actieve benutting vergunningen heeft veroorzaakt dat vergunninghouders vrijwillig delen van hun vergunningsgebied hebben teruggegeven of overgedragen hebben aan derden?

Antwoord

Het is niet met zekerheid te zeggen of dit convenant vergunninghouders heeft geprikkeld om door hen niet benutte delen van vergunningsgebieden vrijwillig terug te geven of over te dragen of dat dit het gevolg is van mijn bevoegdheid om tot gebiedsverkleining over te gaan. Bovendien kan het ook zijn dat andere omstandigheden aanleiding zijn geweest voor teruggave of overdracht van delen van vergunningsgebieden.

36

Waarom blijft u inzetten op een instrument (convenant actieve benutting) dat niet alleen niet doeltreffend is, maar ook nog eens lastig meetbaar is? Is wellicht een middel dat betere resultaten zal leveren?

Antwoord

Het convenant actieve benutting vergunningen moet in samenhang worden bezien met de financiële maatregel (investeringsaftrek) ter stimulering van investeringen in marginale gasvoorkomens op het Nederlands deel van het continentaal plat. Evenals het convenant stimuleert ook die maatregel een actieve benutting van vergunningen voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen op het continentaal plat.

Om te beoordelen of en zo ja in welke mate het convenant en de financiële stimuleringsmaatregel hebben bijgedragen aan realisatie van de doelstelling van actieve benutting van vergunningsgebieden door de vergunninghouder heb ik besloten om deze instrumenten in de loop van 2015 nader te evalueren, samen met Nogepa (de betrokken organisatie van operators in de opsporing en winning van aardolie en aardgas), TNO en EBN.

37

Bent u bereid te bewerkstelligen dat er een prijsprikkel wordt ingevoerd bij de gasrotonde? Op welke wijze denkt u op dit gebied scherper te monitoren en waarop wordt gemonitord?

Antwoord

Ik zie geen aanleiding voor het invoeren van een prijsprikkel. Marktpartijen die gebruik maken van voorzieningen die kunnen worden gerekend tot de gasrotonde, bijvoorbeeld de transportinfrastructuur, gasopslagen en de LNG-terminal, betalen daarvoor aan de eigenaar of beheerder van die voorzieningen.

38

Wordt de evaluatie van de SDE+ in 2016 afgerond zoals op pagina 238 van het SEO-rapport staat vermeld of in 2015 zoals op pagina 239 staat vermeld?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 4.

39

Waarom zijn de doeltreffendheid en doelmatigheid van Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en SDE volgens SEO matig tot slecht? Waarom zijn er geen tussendoelen? Waarom is het effect van SDE op innovatie niet onderzocht?

Antwoord

SEO geeft aan dat de MEP-regeling doeltreffend is geweest maar niet op een doelmatige manier is uitgevoerd. De SDE was volgens SEO matig doeltreffend en matig doelmatig. SEO stelt dat de doelmatigheid van zowel de MEP als de SDE matig was, omdat met deze regelingen niet per se de meest kosteneffectieve technieken werden gestimuleerd. In plaats van te sturen op kosteneffectiviteit is door budgetplafonds per technologie richting gegeven aan de keuze voor specifieke technieken voor hernieuwbare energieproductie. De doelmatigheid van de MEP en de SDE werd ook negatief beïnvloed omdat bij de bepaling van de subsidie per eenheid energie onvoldoende rekening werd gehouden met de energieprijsontwikkeling.

In het geval van de SDE was de matige doelmatigheid ook een gevolg van een dubbele doelstelling. De SDE moest bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie, maar ook aan het bevorderen van innovatie. Het stimuleren van innovatieve technieken gaat niet noodzakelijkerwijs samen met kosteneffectieve productie van hernieuwbare energie. Vandaar de conclusie dat de SDE het beste kon worden toegespitst op de doelstelling van kosteneffectieve productiebevordering van hernieuwbare energie. Dit is doorgevoerd met de aanpassing van de SDE in de SDE+. Voor de beleidsdoorlichting had dit tot gevolg dat verder niet is onderzocht wat het specifieke effect van de SDE op innovatie is geweest.

Het stellen van harde tussendoelen is niet zinvol, omdat rekening moet worden gehouden met de relatief lange doorlooptijd van hernieuwbare energieprojecten. In de SDE+ wordt rekening gehouden met een periode van maximaal vier jaar voor de realisatie van een project vanaf het moment dat de subsidiebeschikking afgegeven wordt. Dat neemt niet weg dat de voortgang van projecten intensief wordt gemonitord. Hierover wordt onder ander gerapporteerd via de rapportages hernieuwbare energie van RVO5 en de NEV.

40

Op welk moment in 2016 zal de evaluatie van het Energieakkoord plaatsvinden?

Antwoord

Het exacte moment dat het Energieakkoord in 2016 geëvalueerd wordt is nog niet vastgesteld. Het ligt echter voor de hand om de evaluatie gelijktijdig te laten lopen met de NEV 2016, die in het najaar van 2016 uitkomt en inzicht zal geven in de voortgang in het behalen van de doelen in 2020 en 2023.

41

Kunt u aangeven of het mogelijk is om slechte ondoelmatige uitgaven met betrekking tot de MEP en SDE+ terug te vorderen, te stoppen of in te perken?

Antwoord

Ik ga ervan uit dat de vragensteller doelt op de SDE en niet op de SDE+, aangezien de SDE+ in de beleidsdoorlichting niet is onderzocht.

Een subsidiebeschikking is een besluit van de subsidieverlener waaraan de subsidieontvanger rechten kan ontlenen. Deze zijn juridisch bindend. Van een betrouwbare overheid mag verwacht worden dat deze haar afspraken nakomt. Indien niet wordt voldaan aan de gestelde subsidieverplichtingen, heb ik de bevoegdheid om boetes op te leggen of subsidies geheel of gedeeltelijk in te trekken en/of terug te vorderen. Waar dit aan de orde is, maak ik van deze bevoegdheid gebruik. De ondoelmatigheid van een instrument is echter geen legitieme reden om bij een individueel project kosten terug te vorderen of betalingen stop te zetten. Ondoelmatigheid van een instrument is een risico voor de subsidieverlener en is niet te toe te rekenen aan individuele subsidieontvanger.

42

Kunt u aangeven in hoeverre er nu nog sprake is van overwinsten door subsidiëring middels de nog lopende MEP en SDE+ projecten en kunt u daarbij een indicatie geven over de omvang hiervan?

Antwoord

MEP-projecten kregen een vaste opslag op de elektriciteitsprijs. Het feit dat er sprake was van een vaste opslag heeft ertoe geleid dat MEP-projecten in jaren met een hoger dan verwachte elektriciteitsprijs relatief gunstig af waren. Dit onbedoelde effect was het gevolg van het feit dat de elektriciteitsprijs die in de MEP gehanteerd werd, gebaseerd was op een conservatieve inschatting van de toekomstige elektriciteitsprijs. Op basis van de huidige, lage, elektriciteitsprijs komt de voor de project-eigenaren gunstige situatie overigens niet of slechts in zeer beperkte mate voor. Dit onbedoelde effect van de werking van de MEP is in de SDE en de SDE+ gecorrigeerd, doordat in deze instrumenten het subsidiebedrag wordt jaarlijks aangepast aan de werkelijke energieprijs.

43

Zal het onderzoek over vijf jaar wél het effect van de SDE(+) op innovatie onderzoeken?

Antwoord

De SDE+ is in zijn huidige vorm niet gericht op het stimuleren van innovatie, maar richt het zich enkel op het stimuleren van de meest kostenefficiënte opties van duurzame energieproductie. Ik loop verder niet vooruit op de precieze vraagstelling van de volgende beleidsdoorlichting betreffende het energiebeleid.

44

Hoe is de conclusie uit de NEV 2014 dat met bestaand en voorgenomen beleid de doelen voor duurzame energie niet worden gehaald meegewogen in de evaluatie?

Antwoord

De beleidsdoorlichting heeft betrekking op de periode 2007–2012. Conclusies uit de NEV 2014 zijn dan ook niet meegenomen in de beleidsdoorlichting.

Vraag 45

Kunt u het effect van de niet in de NEV 2014 meegewogen maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de doelen voor duurzame energie in 2020 en 2023 toch binnen bereik komen, op een rijtje zetten en de effecten kwantificeren?

Antwoord

Een aantal maatregelen uit het Energieakkoord is niet in de NEV 2014 meegenomen, omdat ze nog niet voldoende waren uitgewerkt. In de Uitvoeringsagenda 2015 die ik naar uw Kamer heb gestuurd (Kamerstuk 30 196, nr. 296) is door de partijen van het Energieakkoord afgesproken dat gepoogd wordt om alle afspraken uit het Energieakkoord zodanig uit te werken dat ze meegerekend kunnen worden in de NEV 2015. Ik zie dan ook geen toegevoegde waarde om dit zelf voor die tijd nog te doen.

46

Waarom is er in de evaluatie geen aandacht voor de neveneffecten van het energiebeleid, zoals het CPB adviseert?

Antwoord

Het CPB constateert niet dat er geen aandacht was voor de neveneffecten van het energiebeleid, maar dat de beleidsdoorlichting een uitgebreidere beschrijving had mogen bevatten van de neveneffecten. Daarbij wijst het CPB onder meer op de interacties tussen energiebesparing en het emissiehandelssysteem enerzijds en energiebesparing en verduurzaming van de energieproductie anderzijds. Het CPB noemt ook de interactie tussen energiebesparing en voorzieningszekerheid. Het klopt dat deze specifieke neveneffecten in de beleidsdoorlichting niet zijn beschreven. SEO besteedt wel aandacht aan het emissiehandelssysteem en de invloed van de daarin vastgestelde CO2-prijs op de werking van nationale instrumenten. SEO gaat ook in op de mate van interactie en overlap tussen de beleidsvelden en constateert daarbij dat de beleidsdoelstellingen van de eerste twee operationele doelen leiden tot op zichzelf staande instrumenten die voorwaardenscheppend zijn. Zij richten zich bijvoorbeeld op goed werkende markten, doelmatige bodemwinning en adequate infrastructuur wat zou kunnen leiden tot meer energieconsumptie. Dit kan een effect hebben op het behalen van de doelen in de derde operationele doelstelling van het energiebeleid. De effecten van deze interacties worden niet verder uitgediept, omdat het evaluerende onderzoek waarop de beleidsdoorlichting is gebaseerd deze interacties ook niet beschrijft. Het advies van het CPB om meer aandacht te besteden aan neveneffecten zal wel worden meegenomen in de vormgeving van toekomstige evaluaties van beleidsinstrumenten en in de vormgeving van de beleidsinstrumenten zelf.

47

Levert het Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE-)convenant betere resultaten dan het Benchmark-convenant?

Antwoord

Ja, het Benchmark-convenant heeft in de periode van 1999 tot en met 2007 een energie-efficiëntieverbetering in de industrie gerealiseerd van gemiddeld 0,5% per jaar. Voor de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE)-convenant was dit 1,3% per jaar voor de periode 2010 tot en met 2013.

48

Waarom is de doelstelling van het Nationaal Plan van Aanpak windenergie (NPAW) nooit bereikt?

Antwoord

De doelstelling uit het NPAW was het realiseren van 2000 MW extra windvermogen in de periode 2008–2011. In de praktijk was in die jaren sprake van een toename van in totaal 447 MW. Een aantal factoren speelde hierbij een rol, waaronder de economische crisis, de publieke opinie rond windenergieprojecten, de hoge kosten van participatie en het feit dat de toen geldende subsidieregelingen niet optimaal in het voordeel van wind op land werkten.

Met de Structuurvisie Windenergie op land, die in 2014 aan uw Kamer is gezonden, en afspraken tussen Rijk en provincies, is de doelstelling van het beleid aangepast en zijn de voorwaarden geschapen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van tenminste 6000 MW aan windturbines operationeel is. Momenteel is 42% van de doelstelling gerealiseerd.

49

Waarom heeft SEO de Innovatieagenda Energie (IAE) niet kunnen beoordelen?

Antwoord

Met de overgang van het instrument Innovatieagenda Energie (IAE) naar het Topsectorenbeleid is de centrale monitoring van de IAE in het gedrang gekomen. Hierdoor kon SEO geen aanvullend onderzoek naar de IAE doen in het tijdsbestek dat ter beschikking stond voor de doorlichting. In 2015 zal alsnog een evaluatie van de IAE worden uitgevoerd.

50

Waarom heeft u er niet voor gekozen om de Mijnbouwwet te evalueren, wetende dat de laatste evaluatie in 2007 heeft plaatsgevonden?

Antwoord

De beleidsdoorlichting heeft betrekking op de periode 2007–2012. De Mijnbouwwet werd in de evaluatie uit 2007 beoordeeld als effectief en efficiënt, waarbij sommige elementen nog konden worden verbeterd. Deze verbeteringen zijn sindsdien in gang gezet, zoals het vrijgeven van slapende delen van vergunningen met het oog op doelmatige winning. De effecten van deze verbeteringen zouden in de periode van de beleidsdoorlichting nog niet gemeten hebben kunnen worden, omdat deze pas aan het einde van deze periode werden geëffectueerd.

51

Wat staat in de Mijnbouwwet opgenomen en wat zijn de afspraken met de Tweede Kamer inzake evaluaties van de Mijnbouwwet?

Antwoord

Artikel 191 van de Mijnbouwwet bepaalt dat er binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gezonden. Hieraan is met de evaluatie van de Mijnbouwwet in 2007 uitvoering gegeven. Bij de behandeling van de Mijnbouwwet zijn geen nadere afspraken gemaakt met uw Kamer over een algemene evaluatie van de Mijnbouwwet. Zoals in mijn aanbiedingsbrief bij de beleidsdoorlichting al is aangegeven worden nog steeds verbeteringen in de Mijnbouwwet doorgevoerd. Met betrekking tot aardwarmte bleek het vergunningstelsel van de Mijnbouwwet onvoldoende aan te sluiten bij de kenmerken van de opsporing en winning van aardwarmte en het beleid om aardwarmte te stimuleren. Er wordt daarom gewerkt aan een eigen vergunningenregime voor aardwarmte. Andere wijzigingen van de Mijnbouwwet zijn een gevolg van de implementatie van Europese regelgeving of hebben te maken met nieuwe inzichten. Het betreft onder andere de implementatie van de offshore safety-richtlijn en een voorstel om meer sturing te kunnen geven bij mijnbouwactiviteiten. Hierin worden ook een aantal maatregelen die volgen uit het OVV-rapport meegenomen. Een alomvattende evaluatie van de Mijnbouwwet in de komende jaren komt vanwege deze nog lopende verbeteringstrajecten dan ook te vroeg.

52

Bent u het eens met de impliciete aanname van SEO en CPB dat doelstellingen altijd verplicht moeten zijn om geëvalueerd te kunnen worden?

Antwoord

Nee. Ook wanneer een doelstelling niet verplicht is, is wel degelijk te onderzoeken of de gekozen beleidsinstrumenten geschikt zijn om een doelstelling te realiseren. Zoals het CPB terecht aangeeft, betekent het evalueren van een niet-verplichte doelstelling wel dat tijdens de beleidsdoorlichting bepaalde keuzes gemaakt moeten worden om de beleidsdoorlichting mogelijk te maken. In plaats van de algemene doelstelling wordt dan op het niveau van beleidsinstrumenten geëvalueerd en worden keuzes gemaakt voor een meetbaar subdoel of anderszins meetbare variabele waarop de analyse kan worden gebaseerd.

53

Waarop vindt u dat u afgerekend mag worden bij de niet-verplichte doelstelling om 2% energiebesparing per jaar te behalen? Voelt u zich gecommitteerd aan deze doelstelling als u dit doel formuleert in uw beleid en begroting?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 11.

54

Waarom kan de wet onafhankelijk netbeheer niet worden geëvalueerd? Behalve Delta en Eneco voldoen alle energiebedrijven toch aan deze wet?

Antwoord

Gelet op het feit dat belangrijke onderdelen van de Wet onafhankelijk netbeheer (Won) onverbindend zijn en over de Won een rechtszaak loopt bij de Hoge Raad, is het niet mogelijk nu uitspraken te doen over de effectiviteit van de Won.

55

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over het besluit of een aparte doorlichting, van beleid dat over een langere termijn dan vijf jaar wordt gemeten, meerwaarde heeft?

Antwoord

Het is het voornemen om in de loop van 2018 de volgende beleidsdoorlichting van het energieartikel uit te voeren, over de periode 2013–2017. In de voorbereiding hiervan zal bezien moeten worden of het meerwaarde heeft de operationele doelstelling «het bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening» apart ter hand te nemen. Ik verwacht uw Kamer hierover in de begrotingsvoorbereiding voor 2018 te kunnen informeren.

56

Waarom kiest u ervoor de Mijnbouwwet te wijzigen zonder voorafgaande evaluatie?

Antwoord

De wijzigingen in de Mijnbouwwet zijn deels gebaseerd op de evaluatie van de Mijnbouwwet uit 2007. Zie verder mijn antwoord op vraag 51.

57

Op welke studies en ervaringen baseert u zich bij het wijzigen van de Mijnbouwwet als een evaluatie ontbreekt?

Antwoord

Zie mijn antwoord op de vragen 51 en 56.

58

Wanneer gaat u de Mijnbouwwet evalueren?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 51.

59

Hoe verhoudt uw weigering om nader onderzoek te doen naar kosten en baten van de gasrotonde zich tot uw uitspraak dat deze goed zou zijn voor de voorzieningszekerheid en economisch perspectief zou bieden? Waar baseert u dit oordeel op?

Antwoord

SEO gaf in overweging aanvullend onderzoek te doen naar de effecten van gedane investeringen ten behoeve van de gasrotonde. Het gaat hierbij niet om investeringen van de overheid maar van de markt. De overheid wil deze investeringen faciliteren met behulp van het beleidskader dat de gasrotonde biedt, zodat Nederland ook in de toekomst een belangrijke rol kan spelen in de gasvoorziening van Noordwest-Europa. Overigens heb ik in 2010 uitgebreid onderzoek laten doen naar de kosten en baten van de gasrotonde door de Brattle Group6. Daarnaast heb ik de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd over de voortgang van de gasrotonde. Dit is voor het laatst gebeurd in de bijlage bij mijn brief van 7 oktober 2014 over het aardgas beleid7.

Voor een apart, aanvullend onderzoek naar de kosten en baten van de gasrotonde zie ik geen aanleiding.

60

Klopt het dat u miljarden euro’s heeft uitgegeven in het kader van de gasrotondestrategie? Hoeveel is dit precies?

Antwoord

Nee, dit klopt niet. Via het energieartikel zijn in de periode 2007–2012 enkele beleidsonderbouwende studies en de activiteiten van het Overlegplatform Gasrotonde gefinancierd. Daarnaast zijn via de opdracht van mijn ministerie aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland middelen ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van programma’s, studies en projecten die deels te relateren zijn aan de gasrotonde maar daar niet altijd geheel aan toe te rekenen zijn. Het betrof een inventarisatie van de Gaskennisinfrastructuur (2011), het Projectbureau Nieuw Aardgas in 2011 en 2012 en het Programma Gasrotonde Innovatie (2012). In totaal betreffen deze uitgaven een bedrag van bijna € 2 mln.

In het kader van het regionale economische beleid is daarnaast in 2009 een subsidie van € 10 miljoen verstrekt voor het uitvoeren van het meerjarige onderzoekstraject Energy Delta Gas Research (2009–2015). Dit betreft interdisciplinair onderzoek naar de marktontwikkelingen en de voorwaarden voor productie en toepassing van nieuwe en uit het buitenland afkomstige gassen, en de inpassing van gas in een geïntegreerd energiesysteem, als achtervang voor het aanbod uit hernieuwbare energiebronnen. Het project sluit aan bij de doelstelling van de gasrotondestrategie door het waarborgen van de leidende kennispositie van Nederland rond de rol van gas in de energietransitie.

61

Hoe verhoudt uw opmerking dat de uitvoering van de gasrotondestrategie primair aan de markt is, zich tot de Rijksuitgaven die in dit kader zijn gedaan?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 60.

62

Wanneer zal de evaluatie van de SDE+ aan de Kamer worden aangeboden?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 4.

63

Kunt u aangeven of u de suggestie van SEO en CPB wil overnemen om in het vervolg bij ex-post evaluaties van het energiebeleid ook een doorkijk te maken naar de te verwachten langetermijneffecten van het beleid?

Antwoord

De monitoring van het energiebeleid door middel van de NEV zal naar verwachting een goede basis bieden om bij de volgende beleidsdoorlichting en evaluaties van beleidsinstrumenten een doorkijk naar de langetermijneffecten van het beleid te kunnen maken.

64

Met wie zijn interviews gehouden en met welk doel?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 7.

65

Wat doet u met de constateringen dat de doelen voor de concurrentie op de kleinverbruikers- en groothandelsmarkt voor gas en elektriciteit en de niet voltooide integratie van de Noordwest-Europese markt nog niet zijn bereikt?

Antwoord

Ik zie de conclusies van de beleidsdoorlichting als een aanmoediging om het ingezette beleid door te zetten. Sinds de marktopening in 2004 is 55% van alle Nederlanders minstens een keer overgestapt van energiecontract. Met een jaarlijks overstappercentage van rond de 12,5% heeft Nederland één van de hoogste overstapcijfers in Europa. Er zijn in 2014 veel nieuwe leveranciers op de markt gekomen die een breed scala aan producten aanbieden. De consument heeft dus echt wat te kiezen. Ondanks de toegenomen concurrentie is er echter nog steeds sprake van een geconcentreerde markt. Het marktaandeel van de drie grote energieleveranciers is rond de 80%. Om de competitie op de markt verder te versterken is het belangrijk dat de consument op basis van de juiste informatie bewuste keuzes kan maken, of dat nu leidt tot een overstap of juist niet. Ik zet mij daarom samen met de ACM en de energiebedrijven in voor meer transparantie, zodat de consument aanbiedingen tussen energieleveranciers beter kan vergelijken, onder andere door het bieden van een Aanbod op Maat.

Op het terrein van concurrentie op de groothandelsmarkt en verdere marktintegratie in Noordwest-Europa stelt de beleidsdoorlichting dat de Elektriciteitswet goed functioneert, maar dat de doelstellingen niet voor 100% worden bereikt. In de periode 2007–2012 is flinke vooruitgang geboekt bij de integratie van groothandelsmarkten in de Noordwest-Europese regio. Sinds eind 2010 is er sprake van volledige marktkoppeling van de zogenaamde «day-ahead» markten in Noordwest-Europa. Deze marktkoppeling is sinds februari 2014 bovendien sterk verbeterd door de invoering van een systeem van prijskoppeling waarbij de beschikbaarheid van grenscapaciteit in de regio door één centraal systeem wordt berekend. De beschikbare capaciteit kan hierdoor efficiënter worden verdeeld. In de afgelopen jaren is gewerkt aan deinvoering van het zogenoemde «flow based»-marktkoppelingssysteem. Bij «flow based» marktkoppeling kan de interconnectiecapaciteit nog efficiënter worden benut door rekening te houden met de fysieke stromen en mogelijkheden per verbinding in de regio. Invoering staat gepland voor het voorjaar van 2015. Dit systeem zal bijdragen aan extra marktintegratie in de regio.

De groothandelsmarkt voor gas heeft sinds de wijziging van de Gaswet in 2011 waarbij het onderscheid tussen de markt voor hoogcalorisch gas en de markt voor laagcalorisch gas kwam te vervallen en tevens de aflevering van gas op de handelsplaats (Title Transfer Facility) in plaats van op aansluitingen werd bevorderd, een grote ontwikkeling laten zien. Over 2013 en 2014 zien we dan ook een sterke groei van de handel op de TTF waardoor de liquiditeit van de gasmarkt inmiddels sterk is toegenomen. De TTF vervult daarmee een voorbeeldrol in de EU, zoals ook blijkt uit het recent door de Europese toezichthouder ACER gepubliceerde Gas Target Model8.

66

Welke lessen trekt u uit de constatering in de beleidsdoorlichting dat sprake is van onduidelijkheid in het toezicht over de rollen en verantwoordelijkheden tussen de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa, nu: Autoriteit Consument en Markt) en uw ministerie?

Antwoord

In de energieregelgeving worden kaders gesteld waarbinnen de nationale toezichthouder zijn (regulerings-)taken zoals toebedeeld op basis van Europese regels, moet kunnen uitvoeren. Die kaders kunnen ook van invloed zijn op de wijze waarop de taken door de toezichthouder worden uitgevoerd, maar kunnen niet zo ver gaan dat de toezichthouder wordt beperkt in zijn onafhankelijke en zelfstandige oordeelsvorming bij het uitvoeren van de reguleringstaken. De toezichthouder is immers een zelfstandig bestuursorgaan, dat op onafhankelijke wijze opereert binnen de kaders die in de regelgeving zijn vastgelegd. De precieze grens tussen de afbakening van beider bevoegdheden is in sommige gevallen echter niet scherp te trekken. Het Europese recht en de Europese Commissie geven niet op een voor ieder concreet geval toepasbare wijze aan waar deze grens loopt. Bij het opstellen van een nieuwe Elektriciteits- en Gaswet (STROOM) is daarom in samenwerking met de ACM gekeken naar deze bevoegdheidsvraag en is een heldere rol- en taakverdeling in het wetsvoorstel vastgelegd. Het wetsvoorstel ligt ter advisering voor bij de Raad van State en zal naar verwachting dit voorjaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

67

Hoeveel overheidsmiddelen zijn uitgegeven aan het convenant actieve benutting vergunningen?

Antwoord

Buiten de personele inzet vanuit mijn ministerie bij de totstandkoming van dit convenant en bij de behandeling van verzoeken tot splitsing en gedeeltelijke overdracht van winningsvergunningen, zijn er geen overheidsmiddelen besteed aan dit convenant.

68

Waarom oordeelt zowel SEO als u dat het convenant actieve benutting vergunningen niet doeltreffend is, maar wel matig doelmatig? Zijn de uitgaven voor dit convenant niet hoe dan ook onnodig geweest als het doel niet is bereikt?

Antwoord

SEO geeft aan dat het convenant, omdat hiervoor geen kosten zijn gemaakt, als matig doelmatig beoordeeld kan worden. In de loop van dit jaar zal nader worden geëvalueerd wat de effecten zijn geweest van het convenant en in welke mate de gestelde doelstelling is bereikt. Het is op dit moment prematuur om te veronderstellen dat de inzet voor het realiseren van dit convenant onnodig is geweest.

69

Bent u van plan om het effect van het convenant actieve benutting in de toekomst wel beter te volgen? Zo nee, waarom niet? Waarom kiest u niet voor een alternatief instrument om actieve benutting van inactieve vergunningsgebieden directer en effectiever te stimuleren?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 36.

70

Wat verklaart dat bij de operationele doelstelling voorzieningszekerheid veertien van de negentien instrumenten niet konden worden beoordeeld op doelmatigheid? Wat zegt dit over de voorzieningszekerheid?

Antwoord

Om de doelmatigheid van beleidsinstrumenten te beoordelen moet er voldoende inzicht bestaan in de relatie tussen de effecten van het beleid en de kosten van het beleid. Bovendien moet beoordeeld kunnen worden of hetzelfde effect bereikt had kunnen worden tegen lagere kosten. In een aantal gevallen kon er geen uitspraak gedaan worden over doelmatigheid omdat aan deze twee voorwaarden niet voldoen kon worden. De mate waarin de relatie tussen effecten en kosten kon worden beoordeeld verschilt per instrument. Zo kon over de doelmatigheid van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet wel een uitspraak gedaan worden, maar bleek dat bij de Mijnbouwwet geen recente evaluatie voorhanden was om harde uitspraken te kunnen doen over doelmatigheid in de periode 2007–2012. Bij de gasrotonde was een integrale uitspraak over doelmatigheid niet mogelijk omdat niet op alle onderdelen van de gasrotondestrategie een uitspraak mogelijk was over de doeltreffendheid.

Ik wijs er op dat de evaluatie van de Mijnbouwwet van 2007 heeft geleid tot het doorvoeren en voorbereiden van verbeteringen. De effecten van de al doorgevoerde verbeteringen zouden in de periode van de beleidsdoorlichting nog niet gemeten kunnen worden, omdat deze pas aan het einde van de doorlichtingsperiode werden geëffectueerd. SEO merkt hierbij op dat er geen aanwijzingen zijn voor ondoelmatige bodemwinning in deze periode. Wat betreft de Rijkscoördinatieregeling (RCR) zijn in de periode 2009–2012 projecten afgerond die een belangrijke bijdrage leveren aan de energievoorziening en ook op het terrein van de gasrotonde zijn naar mijn mening belangrijke resultaten behaald (zie ook mijn antwoord op vraag 34).

71

Hoe gaat u er voor zorgen dat de instrumenten op de operationele doelstelling voorzieningszekerheid in de toekomst wel beter op doelmatigheid kunnen worden beoordeeld?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 13.

72

Kent energie-innovatie in het Topsectorenbeleid energie wel meetbare doelstellingen, zodat evalueren in de toekomst mogelijk wordt? Zo ja, welke doelstellingen?

Antwoord

Het Topsectorenbeleid energie heeft als doel de transitie naar een duurzame energiehuishouding te versnellen, waarmee nieuwe bedrijvigheid wordt gecreëerd en Nederland internationaal concurrerend blijft. Om dit te bereiken stimuleert het Topsectorenbeleid innovaties. Om de voortgang richting dit doel inzichtelijk te maken kijken we naar een aantal kwantitatieve variabelen, zoals de CO2-emissiereductie, de energiebesparing door middel van energie-efficiëntieverbetering, de export, en de werkgelegenheid. De verschillende TKI’s hebben op deze variabelen aparte ambities geformuleerd. Hiermee sluit het Topsectorenbeleid energie aan bij de bredere doelstellingen die in het Energieakkoord gesteld zijn.

73

In hoeverre is het nodig om innovatie met als doel kostendaling in de exploitatie meer te stimuleren om de ambities in 2020 en 2023 te halen?

Antwoord

Innovatie die in de exploitatiefase leidt tot kostendaling van de productie van hernieuwbare energie maakt het mogelijk dat deze productie kan worden gerealiseerd met minder subsidies vanuit de SDE+. De doelstellingen uit het Energieakkoord kunnen daarmee op kosten-effectievere wijze worden gerealiseerd. Daarom wordt innovatie die dit effect heeft onder een aantal randvoorwaarden vanuit de SDE+ gestimuleerd. Sinds 2012 heb ik hiervoor jaarlijks € 50 miljoen beschikbaar gesteld. Ook de Topsector Energie zet met haar specifieke regelingen onder andere in op het realiseren van een kostendaling voor technologieën die nu nog relatief duur zijn. Het kabinet is van mening dat met deze inzet het innovatiebeleid op een goede wijze bijdraagt aan het realiseren van de doelen uit het Energieakkoord en een intensivering hiervan niet nodig is. In 2016 gaan we met alle betrokken partijen het Energieakkoord zoals afgesproken evalueren en zullen we bekijken waar eventuele intensiveringen nodig zijn, mocht blijken dat we de doelstellingen onverhoopt nog niet halen.

74

Kunt u een overzicht geven van de meetbare doelstellingen van energie-innovatie in het Topsectorenbeleid?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 72.

75

Waarom zijn de neveneffecten van het energiebeleid niet uitgebreider beschreven in deze doorlichting?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 46.

76

Op welke wijze geeft u bij een volgende beleidsdoorlichting de neveneffecten wel een plaats?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 46.

77

Kunt u aangeven of en op welke wijze de opgetreden neveneffecten van het energiebeleid er toe nopen om het beleid te wijzigen?

Antwoord

Zie mijn antwoord op vraag 46.


X Noot
1

Kamerstuk 30 991, nr. 17.

X Noot
2

TenneT, Rapport Monitoring Leveringszekerheid 2013–2029, juli 201.

X Noot
3

Kamerstuk 29 023, nr. 176.

X Noot
4

Kamerstuk 33 612, nr. 46.

X Noot
6

Rapport «Economic Impact of the Dutch Gas on the Netherlands»; Kamerstuk 29 023, nr. 78.

X Noot
7

Kamerstuk 29 023, nr. 176.