30 977
AIVD

nr. 18
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2008

1. Inleiding

Tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer op 3 september jl. (30 977, nr. 12) heb ik toegezegd de Kamer nader te zullen informeren over het verloop van de uitvoering van de notificatieplicht door de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, in het bijzonder de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Hetgeen omtrent de AIVD wordt opgemerkt geldt mutatis mutandis voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Het notificatiebeleid van beide diensten wordt immers nauw afgestemd. In het onderstaande zal ik eerst aangeven wat onder de notificatieplicht dient te worden verstaan en waarom deze indertijd in de WIV 2002 is opgenomen (paragraaf 2 en 3). Vervolgens zal ik ingaan op de uitoefening van de notificatieplicht en de toepassing van de wettelijke regeling inzake uitstel, afstel en verval van notificatie (paragraaf 4). Hierna wordt ingegaan op een aantal van de tot nu toe opgedane ervaringen met het notificatie-onderzoek (paragraaf 5). Tot slot rond ik mijn beschouwing af met de constatering dat het nu nog te vroeg is om aan de notificatieplicht en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd conclusies te verbinden. Eind 2009, mede in aanmerking nemend het voornemen van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) om met betrekking tot de uitvoering van de notificatieplicht in de praktijk in haar eerstvolgend jaarverslag te rapporteren, lijkt me dan ook het moment aangebroken om bij het instrument notificatie stil te staan (paragraaf 6).

2. De notificatieplicht: wat houdt deze in?

Op 29 mei 2002 is de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) in werking getreden. In artikel 34 van deze wet is de zogeheten notificatieplicht neergelegd. Deze plicht houdt het volgende in. De voor de desbetreffende dienst verantwoordelijke minister dient vijf jaar na beëindiging van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 23, eerste lid (het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen), 25, eerste lid (het afluisteren van (tele)communicatie), 27, derde lid, onder a en b (de selectie op identificerende gegevens van een persoon of organisatie dan wel op een nummer als bedoeld in de Telecommunicatiewet of een technisch kenmerk) alsmede artikel 30, eerste lid (binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner), te onderzoeken of van de uitoefening van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid een verslag kan worden uitgebracht: de notificatie. De notificatie heeft dus slechts betrekking op de toepassing van enkele bijzondere bevoegdheden en niet op alle bijzondere bevoegdheden die de AIVD en MIVD op grond van de WIV 2002 ter beschikking staan. Op de hieraan ten grondslag liggende redenen ga ik hierna nog nader in. Het schriftelijke notificatieverslag wordt uitgebracht aan de persoon ten aanzien waarvan de bijzondere bevoegdheid is toegepast. De inhoud van het verslag is in artikel 34, derde lid, van de Wiv 2002 limitatief bepaald. Het verslag bevat uitsluitend de gegevens betreffende de identiteit van de betrokken persoon, een aanduiding van de bijzondere bevoegdheid die ten aanzien van betrokkene is toegepast (volstaan wordt met de aanduiding van het relevante wetsartikel), de persoon of instantie die voor de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid toestemming, machtiging dan wel last heeft verleend, de datum waarop dit is gebeurd en de periode gedurende welke de bevoegdheidsuitoefening heeft plaatsgevonden en, indien de bevoegdheid betrekking had op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, een aanduiding van de woning waarin is binnengetreden.

In de wet is tevens voorzien in de mogelijkheid tot uitstel, afstel dan wel verval van de verplichting om een verslag uit te brengen; daarop wordt hierna nog separaat ingegaan. Zoals eerder aangegeven ontstaat de onderzoeksplicht («Kan er een verslag worden uitgebracht?») pas vijf jaar na beëindiging van de toepassing van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid. Dat betekent, nu de Wiv 2002 op 29 mei 2002 in werking is getreden, dat eerst vanaf 29 mei 2007 daadwerkelijk een onderzoeksplicht is ontstaan1. In de gevallen waarin blijkt dat er nog niet kan worden genotificeerd omdat daarmee inzicht wordt gegeven in het actuele kennisniveau van de dienst, vindt uitstel plaats en dient een jaar later opnieuw te worden onderzocht of tot notificatie kan worden overgegaan. In de gevallen waarin geconstateerd wordt dat er sprake is van één van de wettelijk vastgelegde afstelgronden, vindt afstel plaats; er wordt dan geen verslag uitgebracht en er is ook geen onderzoeksplicht meer. Voorts kan sprake zijn van verval van de verplichting om een verslag uit te brengen indien de betrokkene niet meer is te traceren dan wel is overleden. Tot slot wordt opgemerkt dat ingevolge de wet in de gevallen dat het uitbrengen van een verslag niet mogelijk is, dit dient te worden medegedeeld aan de Commissie van Toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) onder vermelding van de motivering; inmiddels worden ook de gevallen van uitstel (waartoe de wet niet verplicht) op gelijke wijze aan de CTIVD gemeld.

3. De notificatieplicht: waarom opgenomen in de Wiv 2002?

In het aanvankelijk bij koninklijke boodschap van 7 februari 1998 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel voor een (nieuwe) wet op de inlichtingen- en Veiligheidsdiensten2 was (nog) niet voorzien in een notificatieplicht. Zoals indertijd in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel was uiteengezet zou pas met een concrete uitwerking van de in de wet op te nemen notificatieplicht worden gekomen, indien de toentertijd aanhangige voorstellen tot herziening van artikel 12 en 13 Grondwet in tweede lezing zouden zijn aanvaard. Op grond van de parlementaire behandeling van het voorstel voor een nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft de regering echter indertijd gemeend deze koppeling los te moeten laten en is bij nota van wijziging1 de notificatieplicht reeds eerder in het wetsvoorstel opgenomen. Daarmee werd tegemoet gekomen aan een breed in de Tweede Kamer levende wens terzake. De notificatieplicht werd in dat voorstel beperkt tot die gevallen waarin de Grondwet reeds tot notificatie verplichtte, te weten artikel 12 Grondwet, en waarin deze – naar toenmalig redelijke verwachting – in de toekomst toe zou gaan verplichten, te weten ook in het kader van het in artikel 13 Grondwet te regelen recht op vertrouwelijke communicatie. Weliswaar was het toentertijd ingezette traject tot herziening van artikel 13 Grondwet beëindigd door intrekking van het desbetreffende verklaringsvoorstel op 28 mei 19992 en zou de daarin voorgestelde verplichting tot notificatie vooralsnog niet grondwettelijke worden vastgelegd, echter de stellige verwachting bestond dat de door de regering ingestelde Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk (commissie Franken) met een nieuw voorstel voor artikel 13 Grondwet zou komen waarin ook de notificatieverplichting zou zijn opgenomen. Uit het uitgebrachte advies bleek dit later ook.

De (bestaande) notificatieplicht in artikel 12 Grondwet en de indertijd voorgenomen introductie van een notificatieplicht in artikel 13 Grondwet verklaart ook waarom de in artikel 34 van de WIV 2002 opgenomen notificatieplicht zich niet tot de toepassing van alle bijzondere bevoegdheden uitstrekt, maar dat deze slechts betrekking heeft op die bijzondere bevoegdheden waarmee de in artikel 12 en 13 Grondwet neergelegde grondrechten worden beperkt.

Overigens wordt opgemerkt dat de regering zich altijd op het standpunt heeft gesteld dat uit de artikelen 8 en – in het bijzonder – 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – in het bijzonder het Klass-arrest – de verplichting tot het introduceren van een notificatieverplichting niet voortvloeide. Zoals indertijd door de regering is uiteengezet staat het landen natuurlijk vrij om waar het gaat om het verlenen van rechtsbescherming tegen inbreuken op grondrechten van burgers een verdergaande bescherming te bieden dan waar het EVRM strikt genomen toe verplicht. De invoering van een notificatieplicht is daarvan een voorbeeld. Daarmee wordt de burger waar het gaat om de (controle op de) activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten een extra mogelijkheid geboden om diens uit artikel 8 en 13 EVRM toekomende grondrechten (nog) beter te effectueren.

In het kader van de parlementaire behandeling van het voorstel voor een nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is voorts op verzoek van de Kamer onderzocht hoe elders in Europa wordt voorzien in de notificatie. Uit het onderzoek is gebleken dat alleen Duitsland een vergelijkbare regeling heeft3.

4. De uitoefening van de notificatieplicht en de toepassing van de wettelijke mogelijkheden tot uitstel, afstel en verval

De AIVD heeft een geautomatiseerd systeem ontwikkeld dat aangeeft wanneer de verplichting tot het instellen van een notificatieonderzoek ontstaat (de Bevoegdhedenkaart). Alsdan wordt gestart met verzamelen van de relevante informatie, de beoordeling daarvan in het licht van de vigerende wettelijke bepalingen (met inbegrip van de daarin voorziene wettelijke mogelijkheden tot uitstel, afstel en verval), hetgeen uiteindelijk resulteert in een voorstel betreffende het notificeren. Het voorstel kan inhouden dat er genotificeerd kan worden, maar ook dat er sprake is van een uitstel- of afstelgrond dan wel dat de verplichting tot het uitbrengen van een verslag vervalt. Dit voorstel wordt voorgelegd aan de dienstleiding van de AIVD, die in mandaat terzake een besluit neemt. Zoals eerder aangegeven wordt de CTIVD in alle gevallen waarbij (nog) geen notificatieverslag wordt uitgebracht daarvan gemotiveerd op de hoogte gesteld.

Het onderzoek naar de vraag of een notificatieverslag kan worden uitgebracht komt in de praktijk neer op de toets of één van de in artikel 34 WIV 2002 neergelegde gronden tot uitstel, afstel dan wel verval van de notificatieplicht van toepassing is.

Met de in de wet opgenomen gronden terzake heeft de wetgever naar mijn mening een verantwoorde balans tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene enerzijds en het waarborgen van de nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten anderzijds weten te creëren.

Bij de toets of er grond bestaat voor uitstel van het uitbrengen van een notificatieverslag, gaat het om beantwoording van de vraag of met notificatie zicht wordt gegeven op het actueel kennisniveau van de dienst. In artikel 34, zesde lid, WIV 2002 wordt dienaangaande bepaald dat het uitbrengen van een verslag wordt uitgesteld, indien de desbetreffende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend in het kader van een onderzoek, waaromtrent verstrekking van gegevens aan de betrokken persoon, indien deze op het moment van onderzoek een aanvraag als bedoeld in artikel 47 WIV 2002 – verzoek om inzage in hem betreffende persoonsgegevens – zou hebben ingediend, deze ingevolge artikel 53 WIV 2002 zou moeten worden geweigerd. Dit criterium is derhalve gelijk aan dat welke van toepassing is bij de beoordeling van inzageverzoeken op grond van hoofdstuk 4 van de WIV 2002. De wettelijke waarborgen tot geheimhouding, vastgelegd in hoofdstuk 4 van de WIV 2002 worden bevestigd door de Raad van State en het EHRM in de jurisprudentie betreffende het inzagerecht; geheimhouding van bronnen, actueel kennisniveau, de werkwijze van de dienst en de persoonsgegevens van derden. (Zie onder meer ABRvS, 14 januari 2004, 200301254/1 en EHRM, 5 april 2005, nr. 9940/04). Op het moment dat wordt vastgesteld dat door het uitbrengen van een notificatieverslag zicht wordt gegeven op het actueel kennisniveau van de dienst, wordt de notificatie uitgesteld en zal na een jaar opnieuw dienen te worden bezien of tot notificatie kan worden overgegaan. Het is evident dat de toepassing van deze uitstelgrond een cumulerend effect kan hebben op het aantal jaarlijks te beoordelen notificatiedossiers.

Naast een toets aan de hiervoor bedoelde uitstelgrond is ook voorzien in een toets aan een aantal in de wet gedefinieerde afstelgronden (in de wet overigens aangeduid als gronden tot verval). In artikel 34, zevende lid, WIV 2002 is terzake bepaald dat de verplichting tot onderzoek – en daarmee de verplichting tot uitbrengen van een notificatieverslag – vervalt indien het uitbrengen van een dergelijk verslag naar redelijke verwachting ertoe leidt dat (a) bronnen van een dienst, daaronder begrepen inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, worden onthuld, (b) betrekkingen met andere landen en met internationale organisaties ernstig worden geschaad, dan wel (c) een specifiek toepassing van een methode van een dienst of de identiteit van degene die de betrokken dienst behulpzaam is geweest bij de toepassing van de methode worden onthuld. Zoals uit de wettelijke formulering blijkt, kan de aanwezigheid van een dergelijke afstelgrond reeds worden vastgesteld voorafgaand aan het onderzoek of tot notificatie kan worden overgegaan. Dat hangt samen met het feit dat de desbetreffende afstelgronden van dien aard zijn dat indien eenmaal is vastgesteld dat daaraan wordt voldaan deze vervolgens ook blijven gelden. In de praktijk betekent dit dat veelal op het moment dat één van de voor notificatie in aanmerking komende bijzondere bevoegdheden wordt aangevraagd, reeds dan al aangegeven kan worden (al is het maar in indicatieve zin) dat een afstelgrond van toepassing is. Dit wordt in de eerder genoemde bevoegdhedenkaart vermeld. Wel is het zo dat na de periode van vijf jaar (wanneer de onderzoeksplicht ontstaat) opnieuw wordt getoetst of de afstelgrond inderdaad (nog) aanwezig is.

De door de dienst toe te passen vervalgrond is gebaseerd op artikel 34, vijfde lid, WIV 20002, waarin in algemene zin wordt bepaald dat de verplichting voor het uitbrengen van een verslag vervalt op het moment dat is vastgesteld dat zulks redelijkerwijs niet mogelijk is. Het gaat hier concreet om de situatie dat de betrokken persoon waaraan het verslag zou moeten worden uitgebracht niet te traceren valt, dan wel is gebleken dat deze is overleden. Bij het traceren van de betrokken persoon wordt gebruik gemaakt van de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). Notificatie kan echter ook aan de orde zijn met betrekking tot personen die buiten Nederland verblijven. Het traceren van dergelijke personen is uitermate lastig en brengt – indien notificatie al niet afstuit op bijvoorbeeld de grond dat met notificatie mogelijkerwijs de betrekkingen met andere landen ernstig worden geschaad – in ieder geval niet met zich mee dat in andere landen een uitgebreide zoektocht naar betrokkene zou moeten worden ondernomen1.

5. Opgedane ervaringen met het notificatie-onderzoek

Notificatieonderzoeken blijken in de praktijk allerminst een routinematig karakter te hebben. Het is bovendien een arbeidsintensieve aangelegenheid. Bij de AIVD is ten behoeve van de uitvoering van de notificatieverplichting voorzien in een aparte unit, welke is ondergebracht bij de centrale juridische afdeling; op deze wijze is ook de aansluiting bij het inzagebeleid verzekerd, waarbij zoals eerder is aangegeven een (juridische) toets aan dezelfde soort gronden tot afstel en uitstel plaatsvindt.

Bovendien moet ervan uitgegaan worden dat zodra een notificatieverslag aan een persoon wordt uitgebracht, deze zal overgegaan tot het indienen van een verzoek tot inzage in de omtrent hem door de dienst verwerkte gegevens. Nog afgezien van de mogelijkheid van het indienen van een klacht. Notificatie, zeker als deze een substantiële omvang krijgt, kan dus – maar zal naar stellige verwachting ook – leiden tot een cascade van (juridische) procedures. Zoals ik in het Algemeen Overleg van 3 september jl. heb aangegeven is er echter tot op heden nog geen sprake geweest van het uitbrengen van enig notificatieverslag; niettemin meen ik deze verwachting wel uit te kunnen spreken voor het geval het eenmaal zover komt.

De praktijk van inmiddels meer dan 18 maanden onderzoek wijst ook uit dat het vaststellen of een bepaalde grond tot uitstel of afstel aan de orde is geen sinecure is, nu daarbij – overigens net zoals bij inzage – het relevante feitencomplex in zijn geheel dient te worden bezien en er een redelijke inschatting dient te worden gemaakt met betrekking tot de vraag of, en zo ja, welke grond van toepassing is.

Vooral waar het de inzet van bijzondere bevoegdheden in het kader van de bestrijding van het terrorisme betreft is het vaak complex en buitengewoon tijdrovend om te beoordelen of het uitbrengen van een notificatieverslag met zekerheid niet tot onthulling van de identiteit van een bron zal leiden. Bij twijfel zal steeds onder verwijzing naar de plicht tot bronbescherming afstel van de notificatie worden voorgesteld. De plicht tot bronbescherming, zeker waar het gaat om menselijke bronnen, is immers absoluut. Een vergelijkbare problematiek doet zich voor bij onderzoeken in de sfeer van rechts en links gewelddadig politiek activisme.

Met betrekking tot onderzoeken in de sfeer van contra-inlichtingen, waarbij buitenlandse mogendheden zijn betrokken, is de verwachting dat de afstelgrond ex artikel 34, zevende lid, aanhef en onder b, van de WIV 2002 frequent ingeroepen zal moeten worden. De mogelijk ernstige schade aan de betrekkingen met andere landen en met internationale organisaties zullen aan het uitbrengen van een notificatieverslag in dergelijke gevallen in de weg staan Met een zorgvuldige uitvoering van de notificatieplicht wordt ook anderszins het belang van goede internationale betrekkingen gediend. In algemene zin geldt dus dat voorkomen moet worden dat door notificatie de taakuitvoering van de dienst en daarmee de nationale veiligheid in gevaar komt. Dat verklaart ook de «redelijkheidstoets» bij de afstelgronden: zodra naar redelijke verwachting van één van de daar genoemde gronden sprake is, vindt afstel plaats.

Ik wil thans nog kort stil staan bij een enkel vraagstuk in relatie tot de eerdergenoemde gronden van verval. Zoals aangegeven dient om betrokkene te kunnen notificeren, deze traceerbaar te zijn. In lang niet alle onderzoeken blijkt dit mogelijk. Een burger is gehouden zelf ervoor zorg te dragen dat zijn gegevens juist in de GBA zijn opgenomen. Laat hij of zij dit achterwege dan is een overheidsinstantie niet gehouden extra inspanningen te plegen om hem of haar alsnog te traceren. Bij de parlementaire behandeling van artikel 34 is gesteld dat een redelijke inspanning dient te worden betracht om een betrokkene alsnog te traceren, wanneer hij of zij niet blijkt voor te komen in de GBA. De praktijk heeft inmiddels uitgewezen dat een redelijke inspanning in feite impliceert dat een bevoegdheid wordt ingezet, die uitsluitend is bedoeld voor het inwinnen van inlichtingen in het kader van de taakuitvoering van de diensten. Daarenboven kan allerminst met zekerheid worden gesteld dat met een redelijke inspanning daadwerkelijk ook de juiste gegevens worden verkregen. De GBA is immers het basissysteem waaraan andere systemen zijn gerelateerd. Blijkt een betrokkene niet traceerbaar via de GBA dan wordt definitief geen notificatieverslag uitgebracht.

In de praktijk is ervoor gekozen om voordat wordt onderzocht of er een uitstel- of afstelgrond aanwezig is, eerst te onderzoeken of betrokkene traceerbaar is. Het is immers niet efficiënt om eerst de overige onderdelen van het notificatie-onderzoek te verrichten om vervolgens na afloop daarvan te moeten vaststellen dat het eventuele resultaat daarvan (notificatieverslag) nimmer aan betrokkene kan worden uitgebracht, omdat deze niet te traceren valt dan wel inmiddels is overleden.

Zoals ik in het Algemeen Overleg van 3 september jl. heb aangegeven was op dat moment nog geen enkel notificatieverslag uitgebracht. Daar is op dit moment (nog) geen wijziging in opgetreden. Wat betreft het aantal notificatieonderzoeken kan ik het volgende mededelen. Ik kan publiekelijk geen concreet getal noemen van het aantal notificatieonderzoeken, omdat een dergelijk getal in combinatie met cijfers omtrent de mate waarin een uitstel-, afstel- of vervalgrond aan de orde is, inzicht geeft in de omvang waarin in een bepaalde periode de onder de notificatieplicht vallende bijzondere bevoegdheden zijn ingezet, terwijl voorts aan de hand van de ingeroepen grond tot uitstel of afstel een indicatie kan worden verkregen om wat voor soort onderzoeken het in casu gaat. Zeker indien dergelijke informatie vervolgens op jaarbasis beschikbaar zou komen en naast andere (publiekelijk) beschikbare informatie (zoals het jaarverslag van de AIVD) wordt gelegd.

Dergelijke vertrouwelijke informatie kan uiteraard wel zonder bezwaar ter kennisneming van de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer worden gebracht. Wel kan ik enig inzicht geven in de mate waarin – in de periode tot 1 november 2008 – de onderscheiden gronden tot uitstel, afstel en verval toepassing hebben gevonden. De uitstelgrond is in 38% van de gevallen toegepast (notificatie geeft zicht op actueel kennisniveau), de afstelgrond in 25% van de gevallen (notificatie zou kunnen leiden tot o.a. schade aan de betrekkingen met andere landen, zicht op bronnen) en de grond tot verval in 37% van de gevallen (betrokkene is niet traceerbaar).

6. Tot slot

Tijdens het Algemeen Overleg van 3 september jl. met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werd verondersteld dat het achterwege blijven van notificatie te wijten zou kunnen zijn aan een te grote «speelruimte» in de wet. Ik deel die mening niet. Naar mijn mening heeft de wetgever een goede balans weten te vinden tussen enerzijds het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang van het waarborgen van de nationale veiligheid. Een wijziging daarin, gericht op een verruiming van de notificatiemogelijkheden, brengt naar mijn mening die balans in gevaar. Daar komt bij dat gelet op de relatie met het inzagebeleid (de toepassing van de uitstelgrond «actueel kennisniveau»), een dergelijke wijziging ook daarvoor rechtstreeks gevolgen zal hebben. Er zou dan ook inhoudelijk naar het instrument notificatie als zodanig moeten worden gekeken en de daarmee opgedane ervaringen. Zoals eerder in deze brief aangegeven, vloeit een notificatieplicht niet voort uit het EVRM of de jurisprudentie van het EHRM. Nederland gaat dus wat dat betreft verder dan waartoe het EVRM verplicht. Voorts moet worden vastgesteld dat in Europa naast Nederland alleen Duitsland een vorm van notificatie kent.

Op de vraag naar nut en noodzaak van notificatie, mede in het licht van het geheel aan (andere) mechanismen gericht op het verlenen van (rechts)bescherming van de burger tegen inbreuken op grondrechten van burgers, zou geen taboe moeten rusten. Voor een dergelijke discussie is het overigens nu nog te vroeg. Er is pas sinds 18 maanden ervaring opgedaan met de notificatieverplichting en voorts moet de eerste notificatie nog plaatsvinden. Het lijkt mij dat eind 2009 het moment aanbreekt om een (tussen) balans op te maken. Daar komt bij dat de CTIVD in haar jaarverslag over de periode 2007–2008 heeft aangekondigd om in het jaarverslag over de periode 2008–2009 nader in te zullen gaan op de uitvoering van de notificatieplicht in de praktijk. Het lijkt me dat de bevindingen van de CTIVD in deze discussie meegenomen moeten worden.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst


XNoot
1

Voor de inwerkingtreding van de WIV 2002 door de diensten uitgeoefende bijzondere bevoegdheden zijn ingevolge artikel 99 WIV 2002 van de notificatieplicht uitgesloten.

XNoot
2

Kamerstukken II 1997/1998, 25 877, nrs. 1–2.

XNoot
1

Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 9.

XNoot
2

Kamerstukken II 1998/1999, 25 443, nr. 40d.

XNoot
3

Kamerstukken II 1999/2000, 25 877, nr. 8.

XNoot
1

Dit is in lijn met hetgeen terzake in het kader van de parlementaire behandeling van het voorstel van wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met de Tweede Kamer is gewisseld; zie Kamerstukken II, 25 877, nr. 8, p. 92.

Naar boven