Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201730977 nr. 147

30 977 AIVD

Nr. 147 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2016

Op 14 oktober 2014 heeft de Tweede Kamer een motie van de leden Van Oosten en Recourt aangenomen (Handelingen II 2014/15, nr. 13, item 19). Deze motie is destijds voorgesteld bij de behandeling in de Tweede Kamer van een wijziging van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) in verband met het opnemen van een grondslag voor het doorberekenen van kosten verbonden aan het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken. In deze motie wordt de regering verzocht «scherp te monitoren dat bij de aanwijzing van vertrouwensfuncties buiten de overheid kritisch nut en noodzaak worden overwogen en binnen twee jaar de Kamer te informeren welke afname in het aantal vertrouwensfuncties c.q. -onderzoeken door de inzet van scherp aanwijsbeleid door de vakministers is bewerkstelligd» 1.

De (wijziging van de) Wet Veiligheidsonderzoeken, tarifering en nieuwe Leidraad Vertrouwensfuncties worden aangewezen met het oog op het beschermen van de nationale veiligheid, dit is vastgelegd in de Wvo. Daarbij geldt dat het aanwijzen van vertrouwensfuncties als sluitstuk geldt. Pas nadat alle redelijkerwijze anderszins te treffen (beveiligings-)maatregelen zijn getroffen, en er restrisico’s resteren, kan de aanwijzing ervan worden overwogen.

De Wvo bepaalt dat het aanwijzen van vertrouwensfuncties plaatsvindt door de vakminister, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De sluitstukbenadering is verankerd in een nieuwe Leidraad Aanwijzing vertrouwensfuncties die sinds oktober 2014 geldt, waarmee een scherpere aanwijzing wordt bewerkstelligd. Overigens kan het proces om te komen tot aanwijzing van vertrouwensfuncties, alsmede de evaluatie en bijstelling daarvan meerdere jaren beslaan.

De wijziging van de Wvo, die tarifering van veiligheidsonderzoeken mogelijk heeft gemaakt, vloeide mede voort uit een door de AIVD gestarte heroriëntatie op het aanwijzingsbeleid bij vertrouwensfuncties. In samenhang met deze heroriëntatie is onder andere de mogelijkheid voor tarifering van veiligheidsonderzoeken verkend als financiële prikkel om een scherpere aanwijzing van vertrouwensfuncties te bewerkstelligen. In een aantal jaren voorafgaand aan de wetswijziging was sprake van stijgende aantallen vertrouwensfuncties. De doorberekening van de kosten van veiligheidsonderzoeken beoogde, in samenhang met de invoering van een nieuwe Leidraad Aanwijzing vertrouwensfuncties, een verdere aansluiting bij de uitgangspunten van de Wvo, zoals de sluitstukbenadering.

De wetswijziging is per 1 september 2015 in werking getreden, waarna AIVD en MIVD daadwerkelijk zijn begonnen met het tariferen van veiligheidsonderzoeken.

Dit heeft tot gevolg dat per oktober 2016 het tariferen van veiligheidsonderzoeken, als onderdeel van verscherpt aanwijsbeleid, de facto een jaar plaatsvindt.

Bevindingen

In de vitale sectoren is na september 2015 een stijging te constateren van het aantal aangewezen vertrouwensfuncties. Echter, in absolute zin en afgezet tegen de overige categorieën genoemd in deze paragraaf van de brief, gaat het om lage aantallen.

Het aantal bedrijven dat Defensieopdrachten uitvoert (de zogenoemde ABDO2-bedrijven) is sinds september 2015 gestegen. De absolute stijging van het aantal vertrouwensfuncties dat hiermee in dezelfde periode gepaard is gegaan, is laag indien afgezet tegen het totale aantal vertrouwensfuncties bij deze ABDO-bedrijven.

In de burgerluchtvaartsector in Nederland wordt een zogenoemde gebiedsgebonden aanwijzing gehanteerd. Alle functies bij alle bedrijven die op een dergelijk gebied werkzaamheden verrichten, zijn door de Minister van Veiligheid en Justitie als vertrouwensfunctie aangewezen. Door de gebiedsgebonden aanwijzing valt er feitelijk niet te sturen op het aantal aangewezen vertrouwensfuncties. Daar komt bij dat een luchthaven als Schiphol fluctuaties in de personeelsbehoefte kent onder invloed van de economische ontwikkelingen en dientengevolge een (zomer-) seizoensgebonden instroom van werknemers kent.

Tegen deze achtergrond vindt monitoring plaats met cijfers over de daadwerkelijk ten behoeve van luchthavens uitgevoerde veiligheidsonderzoeken. De aantallen uitgevoerde veiligheidsonderzoeken voor de burgerluchtvaartsector stijgen vanaf 2014 tot aan eind 2015. Hierna is echter een dalende trend waarneembaar, die zich in de loop van 2016 verder heeft doorgezet, zij het met seizoensgebonden fluctuaties in de zomermaanden.

Conclusies ten aanzien van de bevindingen

Alles overziende geven de bevindingen een gemengd beeld van de effecten van scherp aanwijsbeleid in de niet-overheid sector. Wijzigingen in de aantallen aangewezen vertrouwensfuncties cq. uitgevoerde veiligheidsonderzoeken dienen dan ook met de nodige nuance te worden bezien.

In de vitale infrastructuur is gedurende de afgelopen twee jaar een aantal functies voor de eerste maal als vertrouwensfunctie aangewezen danwel is de geldende lijst van vertrouwensfuncties aangepast en geactualiseerd. Dit heeft o.m. geresulteerd in een aanpassing van bestaande categorieën vertrouwensfuncties.

Ik constateer dat de beperkte verhoging van het aantal vertrouwensfuncties in de vitale sectoren voortkomt uit meerjarige aanwijzingstrajecten en daarmee in belangrijke mate los staat van de ingevoerde tarifering. Het is mijn beeld dat deze verhoging voortkomt uit reguliere evaluatietrajecten waarbij op een adequate en kritische wijze nut en noodzaak van aanwijzing zijn afgewogen.

De aanwijzing van vertrouwensfuncties bij de ABDO-bedrijven hangt onlosmakelijk samen met werkzaamheden in het kader van Defensiecontracten en vloeit mede voort uit internationale eisen. De invloed van tarifering op de aanwijzing van vertrouwensfuncties is in deze categorie daarom beperkt en wordt hier buiten beschouwing gelaten.

In de burgerluchtvaartsector wordt sinds eind 2015 een dalende trend in de aantallen veiligheidsonderzoeken geconstateerd. Aangezien voor deze sector het zogenoemde gebiedsgebonden aanwijzingsbeleid geldt (alle functies in dit gebied vergen een veiligheidsonderzoek), kunnen fluctuaties in de aantallen veiligheidsonderzoeken meerdere oorzaken hebben. Vanwege het feit dat veiligheidsonderzoeken ook in deze sector nu sinds een jaar worden getarifeerd, is meer tijd nodig om conclusies te kunnen trekken over de oorzaak of oorzaken van de dalende trend. Ik zal de verdere ontwikkelingen op dit terrein volgen.

Al met al kom ik tot de conclusie dat ik op dit moment geen aanleiding heb om te veronderstellen dat de invoering van tarifering tot een perverse prikkel heeft geleid, in de zin dat er in de niet-overheid sector minder vertrouwensfuncties worden aangewezen of veiligheidsonderzoeken worden uitgevoerd dan vanuit het oogpunt van nationale veiligheid verantwoord is. De invoering van de tarifering, in combinatie met de herziene Leidraad Aanwijzing vertrouwensfuncties, waarborgt dat bij de aanwijzing van vertrouwensfuncties op een kritische wijze nut en noodzaak worden bezien. Mijn indruk is dat het besef dat de aanwijzing van vertrouwensfuncties het sluitstuk dient te zijn van beveiligingsmaatregelen, is verbeterd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstuk 33 673, nr. 7

X Noot
2

Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten.