Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630950 nr. 80

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 80 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2015

Uw kamer heeft het kabinet verzocht om een kabinetsreactie op de aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie. Met deze brief voldoen ik en de Minister van Buitenlandse Zaken aan dat verzoek. Deze kabinetsreactie gaat mede uit namens mijn ambtsgenoten van Veiligheid en Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wonen en Rijksdienst en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie

Racisme, dat wil zeggen discriminatie op grond van afkomst, huidskleur, of religie is sinds jaar en dag één van de meest voorkomende discriminatiegronden in Nederland. Het is iets waar veel Nederlanders veelvuldig, soms zelfs dagelijks, mee te maken hebben. Racisme is verboden en bijzonder pijnlijk voor diegenen die het treft en hun naaste omgeving. Het belemmert mensen in hun volledige deelname aan de maatschappij en in hun zelfontplooiing. Het kabinet spant zich daarom in om racisme te voorkomen en te bestrijden.

Het kabinet beschouwt de aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie als een ondersteuning van de huidige inzet en stimulans om de aanpak van racisme in Nederland verder te verbeteren.

De Verenigde Naties (VN) hebben een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming en bevordering van universele mensenrechten en een internationaalrechtelijk kader ter bestrijding van rassendiscriminatie. Ook in Nederland is deze invloed duidelijk zichtbaar. Artikel 1 van onze Grondwet, dat bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden en dat discriminatie verboden is, is mede geïnspireerd door de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948. De discriminatieverboden in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en het Wetboek van Strafrecht zijn mede gebaseerd op het Internationale Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie (IVUR) van de VN dat het Koninkrijk op 24 oktober 1966 ondertekende en dat op 9 januari 1972 in Nederland in werking trad.

Er zijn decennia voorbij sinds de ondertekening van het IVUR en de totstandkoming van specifieke discriminatieverboden, maar de strijd tegen racisme is daarmee nog niet voorbij. Wetten beschermen tegen onrecht, maar voorkomen vooroordelen of onbewuste rassendiscriminatie niet. De uitbanning hiervan vergt een voortdurende inzet vanuit overheid en maatschappij. Het is van groot belang dat het principe van non-discriminatie niet alleen is verankerd in wetgeving maar dat het ook door de samenleving wordt omarmd. Dat vraagt om continue aandacht en een gezamenlijke aanpak maar ook tijd en een omslag in denken.

De rol van het VN-comité tegen rassendiscriminatie als toezichthouder van het IVUR past hierbij. Met alleen de ondertekening van een verdrag zijn staten niet klaar; de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie vereist een voortdurende inzet. Vanuit dat oogpunt verwelkomt Nederland de aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie dan ook als een bijdrage ten behoeve van de versterking van de aanpak tegen rassendiscriminatie in Nederland. In grote lijnen komen haar aanbevelingen overeen met, en ondersteunen de inzet van het kabinet. Op enkele thema’s verschilt de visie van het kabinet met de aanbevelingen van het VN-comité.

Het VN-comité vraagt in haar aanbevelingen aandacht voor zeer uiteenlopende vraagstukken, zoals op het terrein van inburgering, de bevordering van de onderwijs- en arbeidsmarktpositie van mensen met een migrantenachtergrond, asielbeleid en het maatschappelijke debat in Nederland, waaronder het vraagstuk Zwarte Piet. Het kabinet reageert op de aanbevelingen in de bijlage van deze brief1. Hieronder treft uw Kamer de waardering van de aanbevelingen van het VN-comité, die meer direct de onderliggende uitgangspunten van de aanpak van dit kabinet tegen rassendiscriminatie, raken. Het gaat hierbij om meer principiële vragen als of de aanpak van racisme een apart actieprogramma nodig heeft, wanneer en op welke manier aandacht nodig is voor specifieke kwetsbare groepen en hoe de samenwerking met het maatschappelijk middenveld wordt vormgegeven.

Bijzondere aandacht voor racisme als onderdeel van een bredere aanpak

Het VN-comité tegen rassendiscriminatie beveelt aan dat er een apart actieprogramma tegen de bestrijding van rassendiscriminatie wordt opgesteld. Met het VN-comité tegen rassendiscriminatie is het kabinet van mening dat de aanpak van racisme bijzondere en herkenbaar aandacht verdient. Dit impliceert volgens het kabinet echter niet dat er hier een apart actieprogramma voor dient te worden opgesteld. Het kabinet hecht juist aan een breed antidiscriminatieprogramma dat alle gronden, waaronder ras, bestrijkt omdat er veel overeenkomsten zijn in de onderliggende mechanismes die ten grondslag liggen aan het ontstaan van vooroordelen en discriminatie. Een effectieve aanpak overstijgt daarnaast ook vaak de specifieke gronden van discriminatie. Zoals bijvoorbeeld in het geval van arbeidsmarktdiscriminatie door het bij aanbestedingen uitsluiten van bedrijven die veroordeeld zijn voor discriminatie. Maar ook in het zorg dragen voor laagdrempelige antidiscriminatie voorzieningen, waar iedereen, ongeacht de specifieke discriminatiegrond, terecht kan voor melding en advies. De aanpak van discriminatie op grond van afkomst, religie en huidskleur, zal daarom nadrukkelijk specifieke attentie worden gegeven in het nieuwe actieprogramma tegen discriminatie dat de Kamer is toegezegd in het najaar van 2015.

Generieke aanpak en aandacht voor specifieke groepen

Het VN-comité tegen rassendiscriminatie doet verschillende aanbevelingen, waarin zij oproept tot specifieke aandacht voor de versterking van de positie van etnische minderheden, zoals onder meer in het bijzonder ten aanzien van Roma en Sinti, en mensen van Afrikaanse afkomst. Het leidend uitgangspunt van het kabinet is dat generiek overheidsbeleid, diensten en instellingen, op bijvoorbeeld het vlak van arbeidsmarkt, onderwijs en huisvesting voor alle burgers in Nederland toegankelijk zijn en hen gelijke kansen voor ontwikkeling biedt. Het kabinet erkent met het VN-comité tegen rassendiscriminatie dat er echter ook aandacht nodig is voor de positie van specifieke kwetsbare groepen, en achtergrondfactoren en vormen van discriminatie, zoals moslimdiscriminatie, antisemitisme en anti-zwart racisme. Dit vertaalt zich in sommige gevallen in meer specifieke maatregelen en in investeringen in kennis over de positie van bepaalde groepen in de Nederlandse samenleving, alsmede in- en uitsluitingprocessen die hierin een rol spelen, zoals bijvoorbeeld door de periodieke SCP integratie rapportages en onderzoek naar ervaren discriminatie, en monitors m.b.t. de positie van Roma en Sinti. In het kader van de Nederlandse invulling van het VN-decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst zal zo ook een studie worden gedaan naar de in VN-verband gebruikte term Afrofobie. In de bijlage bij deze brief wordt een nadere toelichting gegeven op de hoofdlijnen van de Nederlandse invulling van het VN-decennium2.

Dialoog met maatschappelijke organisaties

Het VN-comité tegen rassendiscriminatie is een voorstander van verplichte consultatie van maatschappelijke organisaties op lokaal en nationaal niveau. Ook het kabinet hecht sterk aan een actieve dialoog met de samenleving over integratievraagstukken en in het bijzonder de discussie en samenwerking met maatschappelijke (zelf)organisaties over discriminatie. In het tegengaan van vooroordelen en de vergroting van bewustwording van processen van in- en uitsluiting en het bevorderen van onderling begrip, is maatschappelijk initiatief ook van grote waarde. Het kabinet kiest hierbij echter voor een flexibele dialoog waarbij afhankelijk van het onderwerp en de probleemstelling de meest relevante gesprekspartners uitgenodigd worden voor overleg. Met deze flexibele dialoog staat de overheid op een actievere wijze in contact met de samenleving.

Voor een effectieve aanpak van discriminatie is het ook van belang dat met een grotere kring van betrokkenen wordt gesproken en samengewerkt zoals sociale partners, individuele werkgevers, professionals, instellingen, en religieuze leiders. Daadwerkelijke verandering in gang zetten vereist een breed maatschappelijke beweging voor de verwezenlijking van gelijke kansen en een inclusieve samenleving. Discriminatie gaat ons immers allemaal aan en behelst ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Tot slot

In de bijlage3 wordt nader ingegaan op hoe de verschillende aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie een stimulans kunnen zijn om de aanpak van racisme in Nederland verder te verbeteren. Nederland zal, zoals door VN-comité gevraagd is, volgend jaar een beperkte rapportage indienen en in 2019 een volledige rapportage opstellen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl