30 950 Racisme en Discriminatie

Nr. 565 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2026

In mijn brief van 16 maart 2026 heb ik uw Kamer het zesde evaluatierapport van de European Commission against Racism and Intolerance (hierna ECRI of de commissie), gepubliceerd op 3 maart 2026, aangeboden.1 In deze brief reageer ik mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie op het verzoek van uw Kamer om een kabinetsreactie op de aanbevelingen van ECRI over het Nederlandse discriminatiebeleid en voldoe ik aan mijn toezegging om deze kabinetsreactie voor het einde van het tweede kwartaal met uw Kamer te delen.

Discriminatie en racisme moeten worden voorkomen en bestreden. Vrijheid en gelijkwaardigheid horen voor iedereen te gelden. Hier is het Nederlandse discriminatiebeleid in zijn volle breedte op gericht.

Het rapport

Het evaluatierapport van ECRI bestrijkt drie thema’s waarop alle deelnemende landen worden geëvalueerd: (1) effectieve gelijkheid en toegang tot het recht, (2) haatzaaiende uitlatingen en door haat gemotiveerd geweld en (3) integratie en inclusie. Daarnaast is het onderwerp «het voorkomen en bestrijden van etnisch profileren en andere vormen van discriminerend profileren door overheidsfunctionarissen» opgenomen, hetgeen specifiek betrekking heeft op Nederland. ECRI is een commissie van de Raad van Europa en bestaat uit onafhankelijke experts uit de verschillende lidstaten. Het rapport werd door ECRI onder haar eigen verantwoordelijkheid opgesteld en bestrijkt de periode van eind 2018 tot 3 juli 2025.

De commissie heeft vijftien aanbevelingen gedaan aan Nederland waarvan er twee volgens ECRI prioriteit hebben. Deze twee aanbevelingen betreffen het wettelijk beschermen van de lichamelijke integriteit van intersekse personen en het verbieden van onnodige operaties bij intersekse kinderen (§ 38), en het invoeren van een effectief systeem tegen etnisch profileren bij identiteitscontroles (§ 117). ECRI verzoekt Nederland om prioritaire uitvoering van deze aanbevelingen en zal binnen twee jaar na de publicatie van dit rapport een tussentijds vervolg geven aan haar aanbevelingen.

Gevolgd proces

In reactie op de jaarlijkse rapportage «Mensenrechten in Nederland 2022» van het College voor de Rechten van de Mens van 2022,2 heeft het kabinet toegezegd consultatiemomenten te organiseren binnen verplichte rapportagecycli, in het kader van uniformering van de Nederlandse verdragsrapportagepraktijk.3

Consultatiemomenten stellen maatschappelijke organisaties, belangenbehartigers en andere betrokken partijen in staat om hun expertise, ervaringen en standpunten in te brengen. Alhoewel de monitoringscyclus van ECRI niet kwalificeert als een verplichte verdragsrapportage, ziet het kabinet meerwaarde in het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij het opstellen van een gedegen kabinetsreactie.

Het kabinet heeft omwille hiervan relevante maatschappelijke organisaties aangeschreven voor schriftelijke consultatie. De organisaties Amnesty International, Controle Alt Delete, Monitor Politieke Ontwikkelingen, Collectief Jonge Moslims, NNID, Transgender Netwerk, de Nederlandse Romavereniging, Privacy First en de Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland, hebben hier op gereageerd en het kabinet dankt hen voor het onder de aandacht brengen van hun standpunten en zorgen. Hun inbreng is – waar mogelijk en voor zover deze raakt aan de aanbevelingen die in het rapport gedaan worden – meegenomen in deze kabinetsreactie. De integrale bijdragen van de maatschappelijke organisaties zijn gebundeld en als bijlage aangehecht aan deze brief, met akkoord van betreffende organisaties.

De kabinetsreactie omvat een algemene reactie op de bevindingen in het rapport en afzonderlijke reacties op de specifieke aanbevelingen per onderwerp in de bijlage. De algemene reactie richt zich in het bijzonder op de generieke en departementsoverstijgende maatregelen op het terrein van discriminatiebestrijding. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vervult hierin, als beleidsverantwoordelijk departement voor het generieke discriminatiebeleid en het stelsel van gelijke behandeling, een coördinerende en stelselverantwoordelijke rol. De aanbevelingen van ECRI raken echter meerdere beleidsterreinen. Daarom wordt in de bijlage per aanbeveling nader ingegaan op de inhoudelijke reactie van het kabinet en op de maatregelen die door de betrokken departementen worden getroffen, te weten het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Justitie en Veiligheid (JenV).

Algemene reactie op het zesde monitoringsrapport over Nederland (2018–2025)

Sinds het vijfde monitoringsrapport van ECRI in 2019 hebben er positieve ontwikkelingen in Nederland plaatsgevonden, merkt de commissie in de samenvatting van het rapport op.

Zo is het burgerschapsonderwijs versterkt door middel van de verankering van mensenrechten, is seksuele gerichtheid als grond opgenomen in artikel 1 van de Grondwet en hebben transgender- en intersekse personen financiële compensatie ontvangen voor eerder verplichte, niet-noodzakelijke medische ingrepen. Daarnaast is discriminatie als strafverzwarende omstandigheid wettelijk verankerd, hoeven statushouders niet langer zelf hun inburgeringskosten te betalen en zijn subsidies beschikbaar gesteld voor initiatieven die gemeenschappen van nazaten van tot slaaf gemaakte personen versterken. Ook is het Handelingskader Professioneel Controleren voor de politie en de Koninklijke Marechaussee aangepast, waarbij expliciet is vastgelegd dat ras, etniciteit en herkomst geen rol mogen spelen bij controles.

De commissie juicht deze positieve ontwikkelingen toe en het kabinet zal zich blijven inzetten om de voortgang op deze onderwerpen te bewaken en te bevorderen.

Tegelijkertijd spreekt de commissie ook haar zorgen uit. Zij stelt vast dat het inclusieve onderwijsklimaat voor diverse etnische en religieuze groepen vaak tekortschiet, terwijl pesten en cyberpesten op scholen wijdverbreid blijven. Daarnaast ervaren trans personen nog steeds belemmeringen bij de toegang tot genderbevestigende zorg en zijn onnodige medische ingrepen bij intersekse kinderen niet wettelijk verboden.

Verder signaleert de commissie een toename van haatzaaiende uitlatingen, met name in het politieke debat, de media, het voetbal en online, terwijl discriminerende uitspraken vaak zonder gevolgen blijven en haatmisdrijven vermoedelijk onder gerapporteerd worden. Ook wijst zij op problemen voor migranten en statushouders, waaronder lange wachttijden voor gezinshereniging en ontoereikende opvangomstandigheden. Daarnaast blijft volgens de commissie de positie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners kwetsbaar, vooral vanwege huisvestingsproblemen en een tekort aan standplaatsen. De commissie wijst eveneens op aanhoudende ongelijkheid en structurele discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst, evenals op een toenemende normalisering van vooroordelen en discriminatie jegens moslims.

Tot slot uit zij haar bezorgdheid over discriminerende profileringspraktijken binnen onder meer de politie en de sociale zekerheid, en over algoritmische risicoprofileringssystemen van overheidsinstanties die volgens meldingen nadelige en discriminerende gevolgen hebben gehad voor bepaalde groepen, met name personen met een andere nationale of etnische achtergrond.

De commissie wijst terecht op deze onderwerpen. Discriminatie tast de menselijke waardigheid aan, ondermijnt gelijke kansen en zet de sociale samenhang onder druk. In een democratische rechtsstaat moet iedereen zich vrij, veilig en gelijkwaardig kunnen zijn en voelen, ongeacht herkomst, huidskleur, religie, geslacht, seksuele gerichtheid, handicap, politieke gezindheid of andere persoonlijke kenmerken, in overeenstemming met artikel 1 van de Grondwet en de geldende gelijkebehandelingswetgeving.

Het kabinet beschouwt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminatie als een kerntaak van de overheid. Effectieve discriminatiebestrijding vraagt om een samenhangende aanpak van normstelling, preventie, signalering, meldvoorzieningen, toezicht en handhaving. Vanuit mijn verantwoordelijkheid als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het generieke discriminatiebeleid en het wettelijke kader voor gelijke behandeling werk ik aan verdere versterking van de nationale discriminatie-infrastructuur.

Tegen deze achtergrond richt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich op drie samenhangende onderdelen van dit beleid. Het gaat om: (1) versterking van de rechtsbescherming tegen discriminatie door de overheid, (2) verbetering van de meldinfrastructuur voor discriminatie en (3) versterking van de beleidsadvisering en samenhang in het rijksbrede discriminatiebeleid door de Nationaal Coördinator tegen Racisme en Discriminatie (NCDR).

Allereerst wordt gewerkt aan de versterking van de rechtsbescherming tegen discriminatie door de overheid. Dit richt zich op het verduidelijken en versterken van de juridische norm dat de overheid in al haar handelen gebonden is aan het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in artikel 1 van de Grondwet. Dit verbod richt zich in het bijzonder op de overheid, die geen verboden onderscheid mag maken tussen burgers. Tegelijkertijd is sprake van nieuwe en complexe uitvoeringsvraagstukken, onder meer als gevolg van digitalisering, het gebruik van algoritmes en de risico’s op etnisch profileren en institutionele vooringenomenheid. Hoewel het gebruik van risicoprofielen soms nuttig en effectief wordt geacht, mag dit nooit leiden tot verboden onderscheid. In het verleden hebben we gezien welke desastreuze gevolgen dit kan hebben voor onschuldige burgers, en met name wanneer er geen effectief rechtsmiddel openstaat tegen overheidsoptreden. Deze ontwikkelingen onderstrepen het belang van een expliciete en toegankelijke rechtsbescherming tegen discriminatie door overheidsoptreden. Het kabinet acht het van belang dat discriminatie, waaronder etnisch profileren, effectief kan worden aangepakt en dat gelijke behandeling daadwerkelijk wordt gewaarborgd.

Het streven is in de eerste helft van 2027 een conceptwetsvoorstel gereed te hebben voor internetconsultatie dat de Algemene wet gelijke behandeling uitbreidt met eenzijdig overheidshandelen. Eenzijdig overheidshandelen is het handelen van de overheid jegens burgers waarbij er uitvoering wordt gegeven aan regels, inclusief besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het feitelijk handelen van de overheid. Hiermee wordt beoogd de norm explicieter te maken en burgers de mogelijkheid te bieden om een klacht over vermeend discriminerend handelen door de overheid te laten toetsen door het College voor de Rechten van de Mens.4

Daarnaast wordt gewerkt aan versterking van de meldinfrastructuur voor discriminatie. Voor effectief beleid is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. Uit de Veiligheidsmonitor van het CBS5 blijkt dat slechts één op de tien personen die discriminatie ervaart, hiervan melding doet bij een officiële instantie. Een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur is daarom van groot belang. In Nederland vervullen de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) hierin een centrale rol. Deze 19 organisaties verschillen echter in omvang, inrichting en werkwijze. In de afgelopen jaren is al ingezet op professionalisering, maar verdere versterking is noodzakelijk om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit en meldingstoegankelijkheid te vergroten. Met het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie wordt daarom gewerkt aan de vorming van één door het Rijk gefinancierde centrale ADV met regionale fysieke loketten.6 Verwacht wordt dat deze stelselherziening een belangrijke bijdrage kan leveren aan deskundigheid, vertrouwen en signalering en de verdere versterking van de aanpak van discriminatie ten goede komt. Het concept wetsvoorstel heeft open gestaan voor (internet)consultatie van 23 maart tot 1 juni 2026. De reacties worden in de zomer verwerkt en de verwachting is dat in september de adviesaanvraag aan de Raad van State zal geschieden. Daarnaast werkt het kabinet aan brede publiekscommunicatie, waaronder een landelijke campagne. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.

Tot slot wordt gewerkt aan versterking van de beleidsadvisering en samenhang in het rijksbrede discriminatiebeleid. In dat kader is het kabinet voornemens om de Nationaal Coördinator tegen Racisme en Discriminatie (NCDR) wettelijk te verankeren.7 Met deze verankering wordt de functie structureel geborgd en inhoudelijk herijkt. De NCDR krijgt een expliciet adviserende rol richting het kabinet, gericht op het signaleren van structurele knelpunten, het doen van beleidsaanbevelingen en het bevorderen van samenhang en effectiviteit binnen het rijksbrede discriminatiebeleid. Daarmee verschuift de functie van een tijdelijke, primair agenderende en coördinerende rol naar een structurele adviesfunctie. Zo wordt geborgd dat signalen uit de samenleving en de uitvoeringspraktijk structureel worden vertaald naar beleidsontwikkeling en dat de samenhang in het discriminatiebeleid wordt versterkt.

Discriminatiebestrijding vraagt om een voortdurende inzet

Het kabinet blijft zich inzetten voor een samenleving waarin gelijke behandeling uitgangspunt is en waarin uitsluiting en ongelijke behandeling niet worden geaccepteerd. Het kabinet acht het daarom van groot belang dat discriminatie actief wordt voorkomen, gesignaleerd en aangepakt. Dat vraagt om een gezamenlijke inspanning van overheid, maatschappelijke organisaties, werkgevers, onderwijsinstellingen en burgers. Daarbij is niet alleen handhaving van wet- en regelgeving van belang, maar ook blijvende inzet op bewustwording, preventie, toegankelijkheid en inclusie.

Tegelijkertijd erkent het kabinet dat discriminatie hardnekkig kan zijn en zich soms ook in institutionele of indirecte vormen manifesteert. Een voortdurende kritische reflectie op beleid, uitvoering en maatschappelijke structuren, zoals door ECRI, blijft daarom noodzakelijk. Hoewel de aanbevelingen gedaan in dit rapport geen bindende juridische verplichtingen omvatten, ziet het kabinet het als haar taak om er wel zo veel mogelijk opvolging aan te geven. Het kabinet onderstreept het fundamentele belang van het bestrijden van discriminatie in alle vormen en op alle terreinen van de samenleving. In lijn met het regeerakkoord is het kabinet voornemens om blijvend in te zetten op de door de commissie benoemde vraagstukken.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

BIJLAGEN

Volgnummer

Naam

Classificatie

1.

Specifieke reactie op de aanbevelingen

 

2.

Gebundelde reacties schriftelijk geconsulteerde organisaties

 

3.

Zesde rapport over Nederland - ECRI

 

X Noot
1

Kamerstukken II 2025/26, 30 950 nr. 511.

X Noot
2

«Mensenrechten in Nederland 2022 – De meerwaarde van verdragsrapportages», College voor de Rechten van de Mens, 2023.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 33 826 nr. 54.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 28 481 (30 950), nr. 25 .

X Noot
5

Veiligheidsmonitor CBS 2025.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 30 950, nr. 513.

X Noot
7

Regeerakkoord «Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland» (Regeerakkoord 2026–2030).

Naar boven