Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201930950 nr. 160

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 160 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 februari 2019

Uw Kamer heeft bij brief van 28 december jl. verzocht om een schriftelijke reactie naar aanleiding van het bericht «De documentaire Verdacht brengt etnisch profileren pijnlijk in beeld». Met onderhavige brief geef ik gevolg aan uw verzoek. De documentaire laat het verhaal horen van mensen die het gevoel hebben gediscrimineerd te zijn door de politie. Ik vind het pijnlijk wat deze mensen hebben meegemaakt. Ik sta voor een rechtsstaat met een rechtvaardige overheid die een samenleving waarborgt waaraan alle burgers op basis van gelijkwaardigheid kunnen deelnemen. De politie heeft met de geïnterviewde personen, afgezien van een aantal van wie de identiteit niet bekend is, gesproken over de controles en hoe die door hen ervaren zijn. Ook heeft de politie contact met de makers van de documentaire om te bespreken op welke wijze de documentaire een plek kan krijgen in het curriculum en overigens kan worden besproken binnen de politie-organisatie.

De politie beschikt als vertegenwoordiger van de overheid over bevoegdheden die diep kunnen ingrijpen in levens van burgers. De politie wil voorkomen dat zij onderscheid maakt bij (proactief) politieoptreden zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging is. Dat is van cruciaal belang voor de legitimiteit van het optreden van de politie, het maatschappelijk vertrouwen van een ieder in de politie en de effectiviteit van het politieoptreden. Uit eerder onderzoek1 blijkt niet dat er sprake is van een trend van (onbewuste) discriminatie, maar dat het probleem niet ontkend kan worden. Politiemedewerkers blijken zich er niet altijd van bewust te zijn wat een staandehouding voor mensen in het algemeen en personen met een andere etnische achtergrond in het bijzonder betekent.

Om mogelijke vooroordelen en (onbewuste) discriminatie aan te pakken, zijn er in het meerjarige programma van de politie «De Kracht van het Verschil» uiteenlopende maatregelen geformuleerd en geïmplementeerd. Zo is er een handelingskader proactief controleren2 opgesteld dat inmiddels in alle eenheden is geïntroduceerd. Politiemedewerkers worden getraind in de toepassing ervan. Aan de MEOS-applicatie is een functie toegevoegd waarmee politiemedewerkers op basis van autokentekens kunnen achterhalen of een auto al eerder aan de kant is gezet en aldus de afweging kunnen maken of het in de rede ligt om de auto wederom aan de kant te zetten. De werking van het handelingskader in combinatie met de MEOS-app wordt op dit moment onderzocht door de Politieacademie bij tien basisteams. Daarnaast is de aandacht voor diversiteit en discriminatie in het algemeen in het basispolitieonderwijs versterkt en wordt er ingezet op een meer diverse samenstelling van het politiepersoneel. De politie.nl-app is uitgebreid zodat burgers op laagdrempelige wijze een klacht kunnen indienen over een in hun ogen onterechte staandehouding. In het jaar 2017 heeft de politie zesenveertig klachten ontvangen en in 2018 drieënveertig. De politie neemt de klachten serieus. Zij heeft voor de behandeling van klachten een procedure in het leven geroepen die is gericht op het herstel van het vertrouwen van de burger in de politie en op het uitgangspunt dat de politie kan leren van klachten.

Met de onder de vlag van het programma «De Kracht van het Verschil» ingezette beweging wordt er gewerkt aan het voorkomen van (onbewuste) discriminatie. Voldoende tijd en ruimte zijn echter randvoorwaarden om de benodigde verandering te bewerkstelligen. Aangezien het hier met name gaat om een proces van bewustwording en gedragsaanpassing heeft de politieorganisatie tijd nodig om de verandering te internaliseren. Het programma «De Kracht van het Verschil» wordt dit jaar voortgezet. Zoals ik uw lid Den Boer (D66) heb toegezegd zal ik de interne evaluatie van het programma met de Korpschef bespreken en u daarover informeren3.

De Korpschef en ik blijven in gesprek over de ontwikkelingen op dit terrein. In de zomer van dit jaar zullen de resultaten van het onderzoek van de Politieacademie beschikbaar komen. Dat lijkt mij dan ook het moment om te bekijken waar wij staan en of er aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn. Ook kan dan worden bekeken of de door de politie genomen maatregelen bij andere organisaties die onder mijn verantwoordelijkheid functioneren, kunnen worden ingevoerd. Zoals toegezegd op 11 december jl. tijdens het mondelinge vragenuur (Handelingen II 2018/19, nr. 34, item 4) zal ik u in de zomer van 2019 nader informeren.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 30 950, nr. 105.

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1118.

X Noot
3

Handelingen II 2018/19, nr. 34, item 4.