Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201830950 nr. 142

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 142 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 december 2017

Naar aanleiding van de brief van 13 september jl. over de aanpak van leeftijdsdiscriminatie1 heeft de commissie voor Binnenlandse Zaken mijn voorganger om een aanvullende reactie inzake de strafrechtelijke aanpak van leeftijdsdiscriminatie gevraagd. De commissie heeft daarbij verzocht nader in te gaan op de rol die de artikelen 137f, 137g, en 429quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in dit verband zouden kunnen spelen. Met deze brief geef ik gevolg aan het verzoek.

De genoemde artikelen 137f, 137g en 429quater Sr maken evenals de (kern)artikelen 137c tot en met 137e Sr deel uit van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht die – in hun onderlinge samenhang – zien op strafrechtelijke bescherming tegen discriminatie van groepen in onze samenleving op grond van hun ras, godsdienst of levensovertuiging, hun seksuele gerichtheid of handicap. Tegen deze «discriminatiegronden» wordt soms als bezwaar aangevoerd dat ze te beperkt zouden zijn; discriminatie om andere redenen dan de genoemde gronden is niet strafbaar. De vraag richt zich hier in het bijzonder op het ontbreken van specifieke strafbaarstellingen betreffende discriminatie op grond van leeftijd.

Dienaangaande stel ik graag het volgende voorop. De wetgever heeft bij het ontwerpen van de strafbepalingen op het gebied van discriminatie van groepen tot uitgangspunt genomen dat grote terughoudendheid moest worden betracht. Daarvoor werden verschillende redenen aangevoerd. In de eerste plaats werd benadrukt dat strafbepalingen ter bescherming van groepen mensen conflictsituaties in de samenleving beogen te voorkomen. Daarbij is de rol van het strafrecht echter beperkt en moet worden onderkend dat toepassing van het strafrecht soms zelfs kan leiden tot verscherping van het conflict. Een tweede reden voor terughoudendheid betreft het recht op de vrijheid van meningsuiting. Elke onnodige beperking daarvan dient te worden vermeden. Voorts werd erop gewezen dat lang niet alle groepen in de samenleving strafrechtelijke bescherming behoeven; voor die bescherming is minder aanleiding naarmate de groep minder kwetsbaar is of zelf over middelen beschikt om zich tegen discriminerende handelingen te verweren en tegen onterechte aantijgingen op te komen. Verder moest rekening worden gehouden met de mate waarin mogelijke aanvallen op de groep, de participatie van die groep aan de samenleving daadwerkelijk zouden verstoren – waardoor een scala aan (fundamentele) rechten van personen die tot die groep behoren in het gedrang dreigt te komen. Ten slotte speelde ook de mate waarin te verwachten valt dat de samenleving (en overheid) in voldoende mate corrigerend kan en zal reageren op vormen van discriminatie een rol. Tezamen hebben deze overwegingen bij de invoering van de huidige bepalingen ter strafrechtelijke bescherming van groepen tegen vormen van discriminatie telkens aanleiding gegeven tot terughoudendheid. Het strafrecht vervult duidelijk een rol als ultimum remedium.

Dit afwegingskader acht ik nu nog steeds steekhoudend en overtuigend als het gaat om de inzet van het strafrecht bij de aanpak van discriminatie. Dat betekent ook dat ik, gelet op dit afwegingskader, geen aanleiding zie om te bevorderen dat leeftijd als discriminatiegrond wordt toegevoegd aan de artikelen 137c tot en met 137e Sr, noch in de daarmee verbonden artikelen 137f, 137g en 429quater Sr. Als ongewenst maatschappelijk verschijnsel doet leeftijdsdiscriminatie zich – vooral – voor op de arbeidsmarkt. Daartegen kan en moet bescherming worden geboden op andere wijze.

Er is in dat verband onder andere regelgeving van kracht die zich richt op het positief beïnvloeden van het gedrag van werkgevers jegens werknemers van een bepaalde leeftijd. Het gaat in het bijzonder om de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL), waarop reeds is ingegaan in de brief van 13 september 2017. Voorts is op grond van artikel 611 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een werkgever verplicht zich als een goed werkgever te gedragen en voor een goede relatie tussen werknemers onderling te zorgen. De verplichtingen van de werkgever omvatten mede de zorg voor werknemers van alle leeftijden en het tegengaan van discriminatie. Bij de handhaving van de zorgplicht van de werkgever spelen ook de medezeggenschapsorganen een belangrijke rol. De ondernemingsraad werkt ingevolge artikel 12 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 samen met de werkgever bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid. Bovendien kan deze raad de werkgever aanspreken op zijn verantwoordelijkheid voor een goede werksfeer, die niet nadelig is voor de veiligheid en gezondheid van zijn medewerkers, ongeacht hun leeftijd.

Daarmee volstaat in de ogen van het kabinet het huidige wettelijke kader om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan en aan te pakken. Ik voeg daaraan toe dat, mocht op enig moment worden geconcludeerd dat meer dwingende regelgeving nodig is (met als uiterste optie ook strafrechtelijke handhaving), het voor de hand ligt om dergelijke normstelling toe te spitsen op regelgeving inzake gelijke behandeling in het kader van arbeid.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 30 950, nr. 140.