Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 december 2017
Naar aanleiding van de brief van 13 september jl. over de aanpak van leeftijdsdiscriminatie1 heeft de commissie voor Binnenlandse Zaken mijn voorganger om een aanvullende reactie
inzake de strafrechtelijke aanpak van leeftijdsdiscriminatie gevraagd. De commissie
heeft daarbij verzocht nader in te gaan op de rol die de artikelen 137f, 137g, en
429quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in dit verband zouden kunnen spelen.
Met deze brief geef ik gevolg aan het verzoek.
De genoemde artikelen 137f, 137g en 429quater Sr maken evenals de (kern)artikelen
137c tot en met 137e Sr deel uit van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht die
– in hun onderlinge samenhang – zien op strafrechtelijke bescherming tegen discriminatie
van groepen in onze samenleving op grond van hun ras, godsdienst of levensovertuiging,
hun seksuele gerichtheid of handicap. Tegen deze «discriminatiegronden» wordt soms
als bezwaar aangevoerd dat ze te beperkt zouden zijn; discriminatie om andere redenen
dan de genoemde gronden is niet strafbaar. De vraag richt zich hier in het bijzonder
op het ontbreken van specifieke strafbaarstellingen betreffende discriminatie op grond
van leeftijd.
Dienaangaande stel ik graag het volgende voorop. De wetgever heeft bij het ontwerpen
van de strafbepalingen op het gebied van discriminatie van groepen tot uitgangspunt
genomen dat grote terughoudendheid moest worden betracht. Daarvoor werden verschillende
redenen aangevoerd. In de eerste plaats werd benadrukt dat strafbepalingen ter bescherming
van groepen mensen conflictsituaties in de samenleving beogen te voorkomen. Daarbij
is de rol van het strafrecht echter beperkt en moet worden onderkend dat toepassing
van het strafrecht soms zelfs kan leiden tot verscherping van het conflict. Een tweede
reden voor terughoudendheid betreft het recht op de vrijheid van meningsuiting. Elke
onnodige beperking daarvan dient te worden vermeden. Voorts werd erop gewezen dat
lang niet alle groepen in de samenleving strafrechtelijke bescherming behoeven; voor
die bescherming is minder aanleiding naarmate de groep minder kwetsbaar is of zelf
over middelen beschikt om zich tegen discriminerende handelingen te verweren en tegen
onterechte aantijgingen op te komen. Verder moest rekening worden gehouden met de
mate waarin mogelijke aanvallen op de groep, de participatie van die groep aan de
samenleving daadwerkelijk zouden verstoren – waardoor een scala aan (fundamentele)
rechten van personen die tot die groep behoren in het gedrang dreigt te komen. Ten
slotte speelde ook de mate waarin te verwachten valt dat de samenleving (en overheid)
in voldoende mate corrigerend kan en zal reageren op vormen van discriminatie een
rol. Tezamen hebben deze overwegingen bij de invoering van de huidige bepalingen ter
strafrechtelijke bescherming van groepen tegen vormen van discriminatie telkens aanleiding
gegeven tot terughoudendheid. Het strafrecht vervult duidelijk een rol als ultimum
remedium.
Dit afwegingskader acht ik nu nog steeds steekhoudend en overtuigend als het gaat
om de inzet van het strafrecht bij de aanpak van discriminatie. Dat betekent ook dat
ik, gelet op dit afwegingskader, geen aanleiding zie om te bevorderen dat leeftijd
als discriminatiegrond wordt toegevoegd aan de artikelen 137c tot en met 137e Sr,
noch in de daarmee verbonden artikelen 137f, 137g en 429quater Sr. Als ongewenst maatschappelijk
verschijnsel doet leeftijdsdiscriminatie zich – vooral – voor op de arbeidsmarkt.
Daartegen kan en moet bescherming worden geboden op andere wijze.
Er is in dat verband onder andere regelgeving van kracht die zich richt op het positief
beïnvloeden van het gedrag van werkgevers jegens werknemers van een bepaalde leeftijd.
Het gaat in het bijzonder om de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij
de arbeid (WGBL), waarop reeds is ingegaan in de brief van 13 september 2017. Voorts
is op grond van artikel 611 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een werkgever verplicht
zich als een goed werkgever te gedragen en voor een goede relatie tussen werknemers
onderling te zorgen. De verplichtingen van de werkgever omvatten mede de zorg voor
werknemers van alle leeftijden en het tegengaan van discriminatie. Bij de handhaving
van de zorgplicht van de werkgever spelen ook de medezeggenschapsorganen een belangrijke
rol. De ondernemingsraad werkt ingevolge artikel 12 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 samen met de werkgever bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid.
Bovendien kan deze raad de werkgever aanspreken op zijn verantwoordelijkheid voor
een goede werksfeer, die niet nadelig is voor de veiligheid en gezondheid van zijn
medewerkers, ongeacht hun leeftijd.
Daarmee volstaat in de ogen van het kabinet het huidige wettelijke kader om leeftijdsdiscriminatie
op de arbeidsmarkt tegen te gaan en aan te pakken. Ik voeg daaraan toe dat, mocht
op enig moment worden geconcludeerd dat meer dwingende regelgeving nodig is (met als
uiterste optie ook strafrechtelijke handhaving), het voor de hand ligt om dergelijke
normstelling toe te spitsen op regelgeving inzake gelijke behandeling in het kader
van arbeid.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus