nr. 5
BRIEF VAN DE RAAD VAN ECONOMISCH ADVISEURS (REA)
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 februari 2007
Vorige week woensdag, d.d. 24 januari 2007, heeft de Raad van Economisch
Adviseurs (REA) het rapport «De lof der eenvoud» doen uitkomen
waarvan een van de kernconstateringen was dat de overheid zelf niet weet hoe
groot zij is. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)
heeft gisteravond, d.d. 29 januari 2007, een reactie gegeven op dit advies
en de minister plaatst vraagtekens bij het gebruikte cijfermateriaal. Om onze
stelling te onderbouwen dat het zicht op de overheid beperkt is hebben wij
eind vorig jaar gegevens van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) opgevraagd en gebruikt (in een bijlage1
treft u de precieze brief en bijlage die de secretaris-generaal van BZK op
23 november 2006 aan de REA gestuurd heeft). Het ministerie erkent dat
er mogelijk hiaten in de data zitten en dat het schetsen van een beeld van
de overheid, vooral op het terrein van zelfstandige bestuursorganen (zbo’s),
een moeizame affaire is. Wij hebben onze conclusies gebaseerd over de omvang
van de overheid door de kale cijfers van het ministerie van BZK te gebruiken
om zo duidelijk te maken dat er vele conclusies vallen te trekken op basis
van deze imperfecte kennis. Daarbij zijn we ervan uitgegaan dat voor zover
er geen opgave was van de omvang van de relevante zbo in het beginjaar 2001,
dit door het Ministerie van BZK bij de registratie van de ministeries en agentschappen
was meegenomen. Verzelfstandigingen zullen immers gepaard gaan met rechtspersoonwisselingen
en dan ligt het in de lijn der verwachting dat een organisatie in twee verschillende
jaren onder twee verschillende noemers kan verschijnen. Men kan twee wegen
bewandelen met de data van het ministerie van BZK: (1) ze niet gebruiken omdat de feitelijke kennis over de omvang van zbo’s
zo gering is dat iedere conclusie een stap in het duister is. (2) ze wel gebruiken
en alle hiaten voor lief te nemen om zo de gebrekkige kennis van de omvang
van de overheid te illustreren. De Raad heeft bewust voor de laatste stap
verkozen, waarbij wordt aangetekend dat de Raad geen conclusies pretendeert
te trekken of zbo’s al dan niet doelmatig zijn of dat personeelsontwikkelingen
bij zbo’s gerechtvaardigd zijn in het licht van die doelmatigheid. Dat
vraagt immers veel meer kennis dan het ministerie van BZK kan verstrekken.
In het stuk stellen wij dat het personeel bij zbo’s sterk
is toegenomen op basis van tabel 1 in het onderhavige advies. Wij wijzen in
het advies erop dat we ook de nodige twijfels hebben over de cijfers van BZK
met betrekking tot zbo’s. In het advies noemen we immers ook dat er
duidelijk hogere ramingen over de omvang van de zbo’s circuleren (zie
bijvoorbeeld Kraan, 2006, blz. 226, geciteerd in het REA-advies).
Onze twijfel over de omvang van de zbo’s wordt verder gevoed door
het verschil tussen de ramingen voor de omvang van zbo’s voor het jaar
2005. In de brief van de secretaris-generaal van BZK wordt een totale omvang
van zbo’s aangegeven van 56 534 fte ultimo 2005, terwijl de brief
van de Minister van BZK, d.d. 29 januari 2007, een raming van de omvang
van zbo’s van 48 784 fte bevat (zie aldaar, tabel 2). Een verschil
van maar liefst 7750 fte voor een raming van hetzelfde ministerie voor nagenoeg
hetzelfde jaar. Als men de oude zbo-cijfers uit het REA-advies aanhoudt dan
blijkt over de periode 2003–2005 het personeelsvolume van zbo’s
met ruim 4 procent is toegenomen. Het ministerie demonstreert echter met een
iets gewijzigde periodesamenstelling dat het personeelsvolume met 9,7 procent
is afgenomen. Het feit dat men conclusies zo sterk kan laten kantelen onderstreept
nogmaals onze stelling dat het zicht op de overheid sterke verbetering verdient.
Er bestaat voorts ook enige onduidelijkheid over het gekozen beginjaar
2001. De Raad heeft in haar verzoek aan het ministerie van BZK gevraagd om
een zo lang mogelijke reeks over de omvang van de overheid. In onderling overleg
zijn de Raad en het Ministerie van BZK toen uitgekomen op het beginjaar 2001.
Daarbij is de Raad ervan uitgegaan dat het ministerie voldoende vertrouwen
had over dit beginpunt om cijfers aan te leveren. Het is de Raad er niet om
te doen om het huidige demissionaire kabinet de maat te nemen, maar om een
algemeen probleem te duiden dat verbonden is aan ieder kabinet, namelijk dat het zicht op de overheid mistig is en dat gegeven
die mistigheid iedere gewenste conclusie getrokken kan worden die men wil.
De overheid wordt daarmee ongrijpbaar. Het is daarom van het hoogste belang
dat de mistigheid rond de overheid, vooral met betrekking tot de omvang van
zbo’s, wordt opgeheven. Deze constatering is door velen voor ons gemaakt
en het geeft te denken dat de vooruitgang in registratie zeer moeizaam verloopt.
Om de stilstand in registratie te doorbreken is het van belang dat onder andere
een nieuw op te richten Parlementair Onderzoeksbureau (POB) zulke basale zaken
onderzoekt en aan de kaak stelt, zodat de overheid geprikkeld wordt om uit
zichzelf dit soort zaken te onderzoeken.
C. G. Koedijk.
Voorzitter REA
Van Dalen.
Secretaris REA