Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730938 nr. 8

30 938
Aanpassing van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening)

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 28 juni 2007

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.2, onderdeel F, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden: Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. Na het voorgestelde tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 3.28, eerste en vierde lid, of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening, geschiedt de onteigening ten name van de Staat en treedt voor toepassing van titel IV telkens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de plaats van de gemeenteraad, van het gemeentebestuur en van burgemeester en wethouders.

B

In artikel 5.3, onderdeel D, wordt in het voorgestelde vijfde lid «Dit artikel blijft» vervangen door: Het eerste en tweede lid van dit artikel blijven.

C

Artikel 6.1, onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626)» vervangen door: als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

2. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten gehoord, kan worden vastgesteld.

3. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten gehoord, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.

D

Artikel 6.3 vervalt.

E

Artikel 7.5, onderdeel H, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 3 komt te luiden:

3. Het zevende lid komt te luiden:

7. Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd is met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven.

2. Onderdeel 4 komt te luiden:

4. Het achtste lid vervalt. Het negende lid wordt vernummerd tot achtste lid.

F

Artikel 7.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «tot wet is verheven en in werking is getreden» vervangen door: tot wet is verheven en artikel I, onderdeel I, van die wet in werking is getreden.

2. Onderdeel C komt te luiden:

C

Onderdeel H wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 3, wordt «het zevende lid» vervangen door: «het zesde lid» en wordt de aanduiding «7.» vervangen door: 6..

2. Onderdeel 4 komt te luiden:

4. Het zevende lid vervalt.

G

Artikel 7.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A, onder 2, komt te luiden:

2. In het elfde lid wordt «artikel 11, elfde en twaalfde lid» vervangen door: artikel 11, tiende en elfde lid.

2. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:

a. Het in onderdeel 1 voorgestelde eerste lid komt te luiden:

1. Voor het gebied dat is begrepen in een vastgesteld wegaanpassingsbesluit geldt dat besluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening.

b. Onderdeel 5 komt te luiden:

5. Het tiende lid komt te luiden:

10. In afwijking van artikel 3.29, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad binnen een jaar nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit vast. Artikel 3.13, derde lid, van die wet is van overeenkomstige toepassing.

c. Toegevoegd wordt een onderdeel, luidende:

6. Het elfde lid vervalt. Het twaalfde lid worden vernummerd tot elfde lid.

H

Artikel 7.9, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het onder 1 voorgestelde derde lid wordt «voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.7 van die wet» vervangen door: voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Onderdeel 4 komt te luiden:

4. Het achtste lid komt te luiden:

8. In afwijking van artikel 3.29, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit vast. Artikel 3.13, derde lid, van die wet is van overeenkomstige toepassing.

3. Toegevoegd wordt een onderdeel, luidende:

5. Het negende lid vervalt. Het tiende lid wordt vernummerd tot negende lid.

I

Artikel 7.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel B, onder 1, wordt «artikel 3,28, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.7 van die wet» vervangen door: artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Onderdeel C, komt te luiden:

C

Artikel 34 komt te luiden:

Artikel 34

In afwijking van artikel 3.29, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad binnen een jaar nadat een in artikel 3, eerste lid, bedoeld besluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig dat besluit vast. Artikel 3.13, derde lid, van die wet is van overeenkomstige toepassing.

J

Na artikel 8.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.2.a

In artikel 36, eerste lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland vervallen de woorden «de Rijksplanologische Commissie,».

K

In artikel 8.8 wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

A1

In artikel 7.1, tweede lid, onder d, wordt in de beschrijving van het begrip «ecologische hoofdstructuur» «de Wet op de Ruimtelijke Ordening» vervangen door: de Wet ruimtelijke ordening.

L

Artikel 8.9 komt te luiden:

Artikel 8.9

Indien het bij koninklijke boodschap van 15 maart 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) (Kamerstukken I 2006/07, 30 489, nr. A) tot wet is verheven en artikel I, onderdeel I, artikel 5.16, in werking is getreden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt in artikel 8.8, onder vernummering van onderdeel A1 tot onderdeel A2, na onderdeel A een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

A1

Artikel 5.16, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 3.1, 3.10, 3.22, 3.23, 3.26, 3.27, 3.28, 3.29, 3.30, 3.33, 3.35, 3.38, 3.40, 3.41, 3.42, 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 van de Wet ruimtelijke ordening;.

2. Onderdeel g vervalt.

M

Artikel 8.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel G wordt onder vernummering van de onderdelen 3 en 4 tot 4 en 5, een onderdeel ingevoegd, luidende:

3. In het tweede lid wordt na het woord «aanwijzing» ingevoegd: , die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is,.

2. Onderdeel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van het eerste en tweede onderdeel tot tweede en derde onderdeel, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «, waarin het project is ingepast,» vervangen door: overeenkomstig dat projectbesluit.

b. In het in het tweede onderdeel (nieuw) voorgestelde nieuwe derde lid wordt «gemeentraad»vervangen door: gemeenteraad.

3. In onderdeel J wordt, onder vernummering van het eerste tot en met derde onderdeel tot tweede tot en met vierde onderdeel, een onderdeel ingevoegd, luidende:

1. In het eerste lid, onder a, wordt de zinsnede «, een projectbesluit daaronder begrepen, of de krachtens zodanig plan gestelde eisen» vervangen door: een inpassingsplan, een projectbesluit onder deze plannen begrepen, of de krachtens zodanige plannen gestelde eisen, een beheersverordening.

4. Onderdeel K wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel 1 komt te luiden:

1. In het tweede lid vervalt onderdeel c; onderdeel d wordt geletterd c; de laatste volzin vervalt.

b. Onder vernummering van de onderdelen 2 en 3 tot de onderdelen 3 en 4 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

2. In het derde lid vervalt onderdeel e; de onderdelen f en g worden geletterd e en f.

5. Na onderdeel K wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

K1

Artikel 3.19, onderdeel b, komt te luiden:

b. blijkt dat de vergunning op grond van artikel 3.16, eerste lid, onder a, of c, had moeten worden geweigerd, dan wel op grond van artikel 3.18, tweede of vijfde lid, had moeten worden aangehouden, en de vergunningverlening tot ontoelaatbaar ernstige, nadelige gevolgen voor een goede ruimtelijke ordening leidt;.

6. In onderdeel L wordt onder vernummering van onderdeel 2 tot onderdeel 3, een onderdeel ingevoegd, luidende:

2. In het vierde lid wordt de tweede volzin vervangen door: Indien de vergunning een woonkeet betreft onderscheidenlijk een bouwwerk dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988, doen burgemeester en wethouders tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de aan beslissing aan de inspecteur onderscheidenlijk de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten.

7. Na onderdeel L worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

L1

In artikel 3.21 wordt aan de tweede volzin toegevoegd: , met dien verstande dat in onderdeel b in plaats van «artikel 3.16, eerste lid, had moeten worden geweigerd, dan wel op grond van artikel 3.18, tweede of vijfde lid, had moeten worden aangehouden» wordt gelezen: artikel 3.20, derde lid, had moeten worden geweigerd.

L2

Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid vervalt.

b. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

c. Aan het vierde lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende: Tevens kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de beschikbaarstelling van de beslissing tot tijdelijke vrijstelling.

8. Onderdeel N komt te luiden:

N

Artikel 3.26 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt «gemeentelijke» geschrapt en wordt na «bestemmingsplan» toegevoegd: of de bestemmingsplannen waarop het betrekking heeft.

b. In het vierde lid, wordt de zinsnede «of in artikel 3.6, eerste lid, gedeputeerde staten in de plaats treden van burgemeester en wethouders» vervangen door: of in artikel 3.6, eerste lid, dan wel in Hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Woningwet, met uitzondering van artikel 57 van die wet, gedeputeerde staten in de plaats treden van burgemeester en wethouders. Gedeputeerde staten verstrekken burgemeester en wethouders de benodigde gegevens, bedoeld in artikel 57 van die wet ten behoeve van aantekening in het openbaar register.

9. Onderdeel O komt te luiden:

O

Artikel 3.28 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt «gemeentelijke» geschrapt en wordt na «bestemmingsplan» toegevoegd: of de bestemmingsplannen waarop het betrekking heeft.

b. In het vierde lid wordt de zinsnede «of in artikel 3.6, eerste lid, hij in de plaats treedt van burgemeester en wethouders» vervangen door: of in artikel 3.6, eerste lid, dan wel in Hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Woningwet, met uitzondering van artikel 57 van die wet, hij in de plaats treedt van burgemeester en wethouders. Onze Minister verstrekt burgemeester en wethouders de benodigde gegevens, bedoeld in artikel 57 van die wet ten behoeve van aantekening in het openbaar register.

10. Onderdeel P kom te luiden:

P

Het tweede lid van artikel 3.29, komt te luiden:

2. De artikelen 3.10 tot en met 3.14, met uitzondering van het vierde en zesde lid van het in artikel 3.11, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 3.8, tweede tot en met zesde lid, en 3.28, vijfde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders, dat in de artikelen 3.13 en 3.14 in plaats van «bestemmingsplan» wordt gelezen: «inpassingsplan», en dat in artikel 3.28, zesde en zevende lid, in plaats van «krachtens het eerste lid vastgesteld inpassingsplan» wordt gelezen: vastgesteld projectbesluit.

11. Aan onderdeel Q wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

4. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

7. Voor zover de verwezenlijking van een onderdeel van het provinciaal ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een gemeente of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

12. Aan onderdeel S wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

4. Onder vernummering van het zevende lid tot achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

7. Voor zover de verwezenlijking van een onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een provincie, gemeente of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

13. Onderdeel U, aanhef, komt te luiden:

Paragraaf 3.6.4 komt te luiden:

14. Onderdeel V, onder 2, komt te luiden:

2. In het tweede lid worden de woorden «de vormgeving en inrichting» vervangen door: de voorbereiding, vormgeving, inrichting, uitvoerbaarheid en beschikbaarstelling.

15. Onderdeel X wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel 2 komt te luiden:

2. In het tweede lid wordt «toepassing aan artikel 3.13» vervangen door: overeenkomstige toepassing aan artikel 3.13, eerste, tweede en vierde lid.

b. Toegevoegd wordt een onderdeel, luidende:

3. In het derde lid wordt de zinsnede «Indien de gemeenteraad een verordening als bedoeld in het tweede lid vaststelt,» vervangen door: Zolang de gemeenteraad nog geen verordening als bedoeld in het tweede lid heeft vastgesteld,.

16. Onderdeel Aa komt te luiden:

Aa

Aan artikel 4.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de vormgeving en beschikbaarstelling van de aanwijzing.

17. Onderdeel Ca, onder 2, komt als volgt te luiden:

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur gegeven regels, bedoeld in artikel 4.2, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

18. Onderdeel Da wordt als volgt gewijzigd:

a. De artikelen 5.3, 5.5 en 5.6 vervallen.

b. Artikel 5.4 wordt vernummerd tot 5.3. In de eerste volzin van dit artikel wordt «dragen» vervangen door: «kunnen» en «over» door: overdragen.

19. Na onderdeel Ea wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Ea1

In artikel 6.4, tweede lid, wordt «zijn mededeling» vervangen door: de mededeling.

20. In onderdeel Fa wordt in het voorgestelde vierde lid, «bestuurorgaan» telkens vervangen door: «bestuursorgaan» en wordt na «de gemeentelijke verordening» ingevoegd: , bedoeld in artikel 6.4, derde lid,.

21. De onderdelen Ga en Ha vervallen.

22. In onderdeel Ia, komt artikel 7.10, eerste lid, te luiden:

1. Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met een bestemmingsplan, een projectbesluit daaronder begrepen, een beheersverordening, een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42, een voorbereidingsbesluit voor zover hierbij toepassing is gegeven aan het derde of vierde lid, een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur, voor zover hierbij toepassing is gegeven aan artikel 4.1, derde of vijfde lid, onderscheidenlijk 4.3, derde of vierde lid, of een aanwijzing voor zover hierbij toepassing is gegeven aan artikel 4.2, derde lid, onderscheidenlijk 4.4, derde lid.

23. Aan onderdeel Ja wordt een volzin toegevoegd, luidende: Na onderdeel b wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.11, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid.

24. Onderdeel Ka komt te luiden:

Ka

Artikel 8.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onder e, wordt «3.33, eerste lid, onder a, b of c, of 3.35, eerste lid, onder a, b of c,» vervangen door: 3.33, eerste lid, onder a of b, of 3.35, eerste lid, onder a of b,.

b. In het tweede lid wordt na «aanwijzing» ingevoegd: als bedoeld in het eerste lid, onder f.

25. Na onderdeel Ka wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ka1

Artikel 8.3 wordt als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid, onder a, wordt «3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder b,» vervangen door: 3.33, eerste lid, onder a, of 3.35, eerste lid, onder a,.

b. in het eerste lid, onder b, wordt «3.33, eerste lid, onder c, of 3.35, eerste lid, onder c,» vervangen door: 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder b,.

26. Onderdeel La komt te luiden:

La

Artikel 8.4 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt na «of 3.29» ingevoegd: of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42.

b. In het derde lid wordt na «aanleg- of sloopvergunning»ingevoegd: dan wel een ontheffing als bedoeld in artikel 3.22 of 3.23.

27. Na onderdeel La wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

La1

Artikel 9.2 vervalt.

N

Artikel 8.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel 1, onder b, komt te luiden:

b. in het vijfde lid wordt «artikel 3.8, tweede lid,» vervangen door: «artikel 3.8, derde lid,» en wordt achter «na vaststelling van het exploitatieplan» toegevoegd: door alle betrokken gemeenteraden.

b. Aan onderdeel 2 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. In het tiende lid (nieuw) wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid.

2. In onderdeel C, onder 3, wordt in het voorgestelde vijfde lid, tussen «wordt» en «aangemerkt» ingevoegd: in elk geval.

O

Artikel 8.16, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1, onderdeel e, wordt «2.2 onderscheidenlijk 2.3» vervangen door: 2.2, 2.3 onderscheidenlijk 5.1.

2. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «of projectbesluit» vervangen door: , projectbesluit of inpassingsplan.

b. In het derde lid wordt «kadastrale kaart» vervangen door: kadastraal overzicht.

3. In artikel 7 wordt «Zij doen van de terinzagelegging mededeling» vervangen door: Zij maken de terinzagelegging bekend.

4. Artikel 9a wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt «10 tot en met 24» vervangen door: 10, 11, 12 en 16 tot en met 24.

b. In het vierde lid wordt na «een exemplaar van het besluit tot aanwijzing» ingevoegd «of voorlopige aanwijzing» en wordt na «ter inschrijving van die stukken in de openbare registers» ingevoegd: en doen mededeling van de aanwijzing of voorlopige aanwijzing aan burgemeester en wethouders van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie waarin de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft zijn gelegen.

c. In het vijfde en zesde lid wordt «10 tot en met 24» telkens vervangen door: 10, 11, 12 en 16 tot en met 24.

d. In het vijfde lid wordt na «uitgeoefend door gedeputeerde staten» ingevoegd: en neemt de provincie de plaats in van de gemeente.

e. In het zesde lid wordt na «Onze Minister» ingevoegd: en neemt de Staat de plaats in van de gemeente, onderscheidenlijk de provincie.

P

Artikel 8.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

A1

In artikel 7b, eerste lid, vervalt «en vijfde lid, met dien verstande dat voorschriften van stedenbouwkundige aard als bedoeld in dat vijfde lid niet van toepassing zijn op het bouwen waarvoor op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist.

2. In onderdeel D wordt, onder vernummering van de onderdelen 1 en 2 tot 2 en 3, een onderdeel ingevoegd, luidende:

1. In het eerste lid, onder c, wordt na «bestemmingsplan» ingevoegd: , een projectbesluit hieronder begrepen,.

3. In onderdeel E, onder 3, wordt «zevende lid»vervangen door: achtste lid.

4. Na onderdeel E wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

E1

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid tot en met vijfde lid komen te luiden:

3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat een ontheffing is verleend als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening dan wel een projectbesluit is genomen als bedoeld in artikel 3.10 van die wet dan wel een besluit is genomen als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, van die wet. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na ontheffing, na een projectbesluit of na een besluit als bedoeld in genoemd artikel 3.38, vierde lid, wordt geacht mede een verzoek in te houden om zodanige ontheffing, zodanig projectbesluit of zodanig besluit.

4. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag binnen vier weken nadat zij de ontheffing hebben verleend.

5. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening of om een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet dan wel een besluit als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, van die wet, wordt de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, indien die afdeling ook van toepassing is op voorbereiding van de beslissing op het verzoek om ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin:

a. wordt op hetzelfde tijdstip als bij de voorbereiding van de beslissing op het verzoek om ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening toepassing gegeven aan artikel 3.11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

b. kunnen in afwijking van artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzen naar voren worden gebracht door een ieder, en

c. beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht binnen vier weken nadat is beslist omtrent de ontheffing, het projectbesluit of het besluit als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid.

b. Het zevende lid komt te luiden:

7. Bij samenloop van een aanvraag om bouwvergunning met een verzoek om een besluit als bedoeld in het derde lid, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning en die omtrent ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening als één besluit aangemerkt.

c. In het negende lid wordt de «Rijksdienst voor de monumentenzorg» vervangen door: de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten.

5. In onderdeel F wordt het voorgestelde artikel 50 als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid vervalt onderdeel c; onderdeel d wordt geletterd c.

b. In het tweede lid vervalt onderdeel e; de onderdelen f en g worden geletterd e en f.

6. In onderdeel H, onder 1, wordt in het voorgestelde tweede lid, na «bedoeld in het eerste lid,» ingevoegd: eerste volzin,.

7. Na onderdeel J wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

J1

Artikel 56a wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt «onderdeel b, c, d of e» vervangen door: «onderdeel c, d of e» en vervalt «, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn».

b. In het derde lid vervalt «, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn».

8. In onderdeel K, tweede lid, komt onderdeel c te luiden:

c. indien blijkt dat de vergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder c of f, had moeten worden geweigerd, dan wel op grond van artikel 50 of 51 had moeten worden aangehouden, en de vergunningverlening tot ontoelaatbaar ernstige, nadelige gevolgen voor een goede ruimtelijke ordening leidt;.

9. In onderdeel L, eerste lid, wordt na «artikel 4.1» en «artikel 4.3» telkens ingevoegd: , derde lid,.

10. Onderdeel M komt te luiden:

M

Na artikel 100a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 100aa

1. Onze Minister kan, indien dat in het belang van een goede ruimtelijke ordening geboden is, vorderen dat het tot intrekken bevoegde bestuursorgaan binnen een door hem te stellen termijn de bouwvergunning intrekt. Indien burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten de beschikking tot intrekking van de vergunning geven, zenden zij daarvan terstond afschrift aan Onze Minister.

2. Indien het bestuurorgaan aan de vordering geen gevolg geeft, kan Onze Minister tot zes weken na het verstrijken van de gestelde termijn een beschikking als bedoeld in het eerste lid geven. Onze Minister zendt van zijn beschikking terstond afschrift aan burgemeester en wethouders.

Artikel 100ab

Gedeputeerde staten kunnen, indien dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening ter behartiging van de provinciale belangen geboden is, burgemeester en wethouders verzoeken binnen een bepaalde termijn de bouwvergunning in te trekken. Indien burgemeester en wethouders de beschikking tot intrekking van de vergunning geven, zenden zij daarvan terstond afschrift aan gedeputeerde staten.

11. Na artikel 100b wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 100ba

Gedeputeerde staten kunnen, indien dat ter behartiging van provinciale belangen is geboden is, burgemeester en wethouders verzoeken binnen een bepaalde termijn gebruik te maken van hun bevoegdheden tot handhaving ter zake van de overtreding van een bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift.

Q

Artikel 8.18 vervalt.

R

In artikel 8.19 wordt in de aanhef «artikel 8.16» telkens vervangen door: «artikel 8.17» , wordt «onderdeel L» vervangen door: «onderdeel J» en wordt de aanduiding «L» vervangen door: J.

S

Aan artikel 9.1.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Regionale belangen, opgenomen in een regionaal structuurplan, worden voor de toepassing van artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening aangemerkt als provinciale belangen.

T

In artikel 9.1.4, tweede lid, wordt de zinsnede «, totdat de termijn, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verstreken.» vervangen door: , met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend.

U

In artikel 9.1.5, tweede lid, wordt «vóór dat tijdstip» vervangen door: binnen een jaar na dat tijdstip.

V

In artikel 9.1.6, tweede lid, wordt «inwerkintreding» vervangen door: inwerkingtreding.

W

Artikel 9.1.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, komt te luiden:

3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 39a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en voor zover nog geen uitvoering is gegeven aan de procedure die beschreven is in paragraaf 2 of 3, genoemd in dat artikel, dan wel in artikel 39n van die wet, zijn op die uitvoering de artikelen 3.35, eerste lid, onder a of b, en vierde lid, en 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op de voorbereiding van een rijksprojectbesluit als bedoeld in artikel 39b van de Wet op de Ruimtelijke Ordening artikel 39c van die wet in samenhang met hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer van toepassing is, geldt na dat tijdstip een milieueffectrapport als bedoeld in laatstgenoemd artikel als een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 3.35, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Handelingen of beslissingen, vóór bedoeld tijdstip ter uitvoering van genoemd artikel 39c genomen, worden na dat tijdstip aangemerkt te zijn genomen door het bestuursorgaan dat toepassing geeft aan artikel 3.35, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

X

Artikel 9.2.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «, totdat de termijn, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verstreken.» vervangen door: , met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Artikel 9.1.4, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Y

In de artikelen 9.4.1, eerste lid, en 9.4.2, eerste lid, komt de tweede volzin telkens te luiden: De termijn, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen.

Z

Na afdeling 9.4 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 9.5 Overgangsrecht Woningwet

Artikel 9.5.1

De Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Toelichting

A

Abusievelijk is in artikel 79 van de onteigeningswet alleen aan de provincie een onteigeningsbevoegdheid toegekend ter uitvoerig van een inpassingsplan of een daaraan voorafgaand projectbesluit en niet tevens aan Onze Minister van VROM bij de uitvoering van diezelfde instrumenten op rijksniveau. Deze omissie wordt nu hersteld.

B

Bij het nader rapport bij het onderhavige wetsvoorstel is toegezegd dat de passende beoordeling bij een structuurvisie zou blijven bestaan. Abusievelijk is aan die toezegging geen uitvoering gegeven. Deze omissie wordt nu hersteld.

C

Een aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht dient ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988 te worden gevolgd door een bestemmingsplan, waarin de bescherming van dat gezicht wordt gewaarborgd in de vorm van een duurzaam en kwalitatief hoogwaardig toekomstperspectief. Als evenwel een bestaand bestemmingsplan de nodige bescherming biedt, kan bij het aanwijzingsbesluit worden bepaald dat geen nieuw bestemmingsplan behoeft te worden vastgesteld.

Door de voorgestelde toevoeging aan het tweede lid wordt nu ook de mogelijkheid geschapen om bij dit besluit te bepalen dat in plaats hiervan ook een beheersverordening mag worden vastgesteld. Hiervan zal sprake kunnen zijn als het te beschermen belang geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vereist, er daarnaast evenmin andere nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden verwacht en derhalve de bestaande situatie overeenkomt met de aanwijzing. Voordat de gemeenteraad een dergelijke verordening vaststelt dient de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten te worden gehoord. Mocht de vastgestelde beheersverordening onverhoopt toch niet de gewenste bescherming bieden, dan bestaat uiteraard de mogelijkheid de gemeente een aanwijzing ingevolge artikel 4.4, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening te geven, waardoor alsnog een beschermend bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Maar ook verder kan de beheersverordening mogelijkheden bieden.

Als in het verleden overeenkomstig de aanwijzing een beschermend bestemmingsplan is gemaakt of bij de aanwijzing een bestaand bestemmingsplan als voldoende bescherming biedend is aangemerkt en dat bestemmingsplan geactualiseerd moet worden, kan het gelet op het karakter van de beheersverordening wenselijk worden geacht om, in plaats van een bestemmingsplan nieuwe stijl, een beheersverordening vast te stellen. Omdat hiertoe destijds onder vigeur van de WRO geen mogelijkheid bestond en dus de aanwijzing geen betrekking kon hebben op een dergelijk sluitstuk, is een hiertoe in het voorgestelde derde lid een regeling opgenomen.

Per geval verdient de vraag of gekozen wordt voor een beschermend bestemmingsplan of een beheersverordening een zorgvuldige afweging. Het doel van de aanwijzing van een, historisch gegroeid of ontworpen, gebied tot beschermd stadsof dorpsgezicht is immers niet de bestaande toestand – een samenstel van historische structuur, functies en beeld – te bevriezen. Wel is het doel te bevorderen dat cultuurhistorische waarden duurzaam worden behouden of dat een zorgvuldige doorontwikkeling plaatsvindt met respect voor de historische waarden. Daartoe kan het nodig zijn bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen die de cultuurhistorische waarden negatief beïnvloeden te weren, waar het anderzijds wenselijk kan zijn bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te stimuleren om ervoor te zorgen dat het beschermde gezicht zijn maatschappelijke vitaliteit behoud. Het gemeentelijk ruimtelijk beleid moet daartoe de juiste voorwaarden scheppen, waarbij naast de cultuurhistorische waarden ook andere maatschappelijke belangen moeten worden meegewogen. Dit vereist per beschermd stads- of dorpsgezicht een specifieke afweging van waarden en belangen, en van de vraag wat vanuit het oogpunt van behoud en ontwikkeling het meest geëigende planologische instrument is: het bestemmingsplan of de beheersverordening.

D

Artikel 6.3 is overbodig geworden; de Wet op de archeologische monumentenzorg is op 21 december 2006 tot wet verheven en zal naar verwachting in de zomer 2007 in werking treden.

E

In artikel 7.5, onderdeel H (wijziging van de Ontgrondingenwet), was nog onvoldoende rekening gehouden met nieuwe weigeringsgronden ingevolge de Wro voor een ontgrondingsvergunning. Zo ontbrak het inpassingsplan. Deze omissie is nu hersteld. Om een lange opsomming van planologische besluiten te voorkomen is gekozen voor de overkoepelende formulering «een ruimtelijk besluit». Hiermee worden niet alleen ruimtelijke besluiten bedoeld die worden genomen op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening maar ook die ruimtelijke besluiten op grond van de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bij de WRO gaat het dan om de ruimtelijke besluiten, genoemd in het huidige artikel 10, zevende en achtste lid, van de Ontgrondingenwet: een bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit en een streekplan. Bovendien wordt in het huidige artikel 10 van de Ontgrondingenwet ook rekening gehouden met redelijkerwijs te verwachten planologische wijzigingen, zoals de inhoud van een ter inzage gelegd ontwerp-bestemmingsplan of ontwerp-streekplan en met de mededeling van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten dat de gemeente respectievelijk de provincie planologische medewerking zal verlenen.

Vertaald naar de Wro gaat het om de volgende situaties: het bestemmingsplan, het voorbereidingsbesluit, een projectbesluit, een inpassingsplan en een beheersverordening alsmede de planologische aanwijzing door provincie of rijk en de provinciale verordening en de algemene maatregel van bestuur, voor zover bij de twee laatst genoemde regelingen toepassing is gegeven aan het derde lid van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wro. Voor de redelijkerwijs te verwachten wijzigingen gaat het niet alleen om een ter inzage gelegd ontwerp voor een bestemmingsplan of inpassingsplan, om een openbaar gemaakt ontwerp voor een planologische verordening of algemene maatregel van bestuur, maar ook om een mededeling dat planologische medewerking zal worden verleend. Deze mededeling kan behalve door burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten nu ook door de Minister van VROM worden gedaan, vanwege de mogelijkheid om een (rijks)inpassingsplan vast te stellen. Om een lange opsomming te vermijden is de aanduiding van deze redelijkerwijs te verwachten ruimtelijke wijzigingen omgezet in: tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven. Uiteraard moet deze «verwachting», net als bij de huidige wettekst, gefundeerd zijn op concrete aanwijzingen. Door de hier besproken herformulering kunnen het zevende en achtste lid worden samengevoegd. Het achtste lid kan hierdoor vervallen.

F

De wijziging onder a doet recht aan de mogelijkheid dat de wijziging van de Ontgrondingenwet gefaseerd in werking kan treden.

De wijziging onder b met betrekking tot artikel 7.6, onder C, is een direct gevolg van de hiervoor onder onderdeel E voorgestelde wijziging van artikel 7.5, onder H, onder 4.

G, H en I

In de Spoedwet wegverbreding, de Tracéwet en de Wet bereikbaarheid en mobiliteit is als uitgangspunt genomen dat de gemeenteraad na een wegaanpassingsbesluit, een tracébesluit onderscheidenlijk een besluit tot plaatsbepaling van een tolpoort het bestemmingsplan met dat besluit in overeenstemming brengt. Dit is een afwijking van het in de Wro vastgelegde stelsel, waarbij het bestuursorgaan dat een projectbesluit heeft genomen ook verantwoordelijk is voor het in overeenstemming brengen van het bestemmingsplan met dat projectbesluit. Duidelijk is naar voren gebracht dat het de gemeenteraad vrij staat om in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vast te stellen. Daartoe is een verwijzing opgenomen naar artikel 3.13, derde lid, van de Wro. In het wetsvoorstel Invoeringswet Wro was aan die andere bevoegdheidstoekenning in de drie bovengenoemde wetten onvoldoende aandacht besteed. Dit wordt in deze drie onderdelen gecorrigeerd. Zo ook is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de onjuiste verwijzing naar het (rijks)inpassingsplan, zoals opgenomen in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Wro, te weten in artikel 7.8, onderdeel B, onder 1, artikel 7.9, onderdeel C, onder 1, en artikel 7.10, onderdeel B, onder 1, ongedaan te maken.

J

De voorgestelde wijziging van de Reconstructiewet Midden-Delfland is een gevolg van het voorstel in onderdeel M, onder aa, waarbij de wettelijke verankering van de RPC in de Wro vervalt. De toelichting op dat onderdeel gaat hierop nader in.

K

De wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (milieueffectrapportage plannen) is op 28 september 2006 in werking getreden. De inhoud van artikel 8.9 van het onderhavige wetsvoorstel kan daarmee als afzonderlijk artikel vervallen maar dient nu als onderdeel van artikel 8.8 (Wet milieubeheer) te worden opgenomen. Dit onderdeel voorziet in deze technische wijziging.

L

Dit wijzigingsvoorstel betreft het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Artikel 8.9 krijgt in onderdeel G een nieuwe invulling en ziet op de situatie dat die wetswijziging eerder tot wet wordt verheven en in werking treedt dan de onderhavige Invoeringswet Wro. Dit in aanvulling op de situatie waarop artikel 8.10 van het wetsvoorstel ziet, waarbij de Invoeringswet Wro eerder tot wet wordt verheven en in werking treedt dan deze wijziging van de Wet milieubeheer.

M

In dit onderdeel is een aantal verbeteringen van artikel 8.13, de Wro, aangebracht.

Onderdelen 1, 16 en 17

De bij deze onderdelen voorgestelde wijzigingen betreffen een verduidelijking door integratie in artikel 3.8, tweede lid van de artikelen 4.2, vijfde lid, en 4.4, vijfde lid, zoals deze in de Invoeringswet in artikel 8.13, onderdelen Aa en Ca, worden voorgesteld. Het gaat hierbij om het volgende.

In de artikelen 4.2 en 4.4 van de Wro is de aanwijzingsbevoegdheid voor gedeputeerde staten en de minister geregeld. Op de voorbereiding van een dergelijke aanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Belanghebbenden kunnen dan zienswijzen indienen. Een dergelijke aanwijzing kan in meerdere of mindere mate concreet zijn en de gemeente meer of minder ruimte laten voor nadere invulling bij de verwerking van de aanwijzing in het bestemmingsplan.

Is de aanwijzing ruim geformuleerd en geeft zij de gemeente speelruimte om haar in het desbetreffende bestemmingsplan in te passen dan zal in eerste, en waarschijnlijk enige, aanleg de gemeente belanghebbende zijn en als zodanig zienswijzen omtrent de aanwijzing kunnen indienen. Tegen een dergelijke ruim geformuleerde aanwijzing, die nog haar vertaling zal moeten vinden in een bestemmingsplan, staat geen zelfstandig beroep open, maar dienen bedenkingen tegen de aanwijzing in het kader van de totstandkoming van dat desbetreffende bestemmingsplan te worden geuit. Een ieder kan dan zijn zienswijzen omtrent het bestemmingsplan inclusief de aanwijzing naar voren brengen. Het nieuwe vijfde lid van de artikelen 4.2 en 4.4, zoals dit in de Invoeringswet wordt voorgesteld, voorziet in deze gang van zaken.

Is de aanwijzing concreet en biedt deze de gemeente geen ruimte voor eigen invulling dan is een opponeren hiertegen in het kader van de totstandkomingsprocedure van het bestemmingsplan weinig zinvol. In zo’n geval is voor belanghebbenden de mogelijkheid zienswijzen omtrent de aanwijzing in te dienen. De kring van belanghebbenden zal in dit geval ongetwijfeld groter zijn dan bij een ruim geformuleerde aanwijzing. Diegenen die zienswijzen hebben ingediend kunnen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder f, van de Wro rechtstreeks beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de aanwijzing.

Bij het beroep tegen het betrokken bestemmingsplan kunnen dan ingevolge artikel 8.2, tweede lid, echter geen gronden worden aangevoerd die in het kader van het beroep tegen de aanwijzing hadden kunnen worden aangevoerd. Dubbel beroep dient immers te worden voorkomen.

Nadere bestudering van de regeling in de artikelen 4.2, vijfde lid, en 4.4, vijfde lid, in relatie tot artikel 3.8, tweede lid, en vragen uit de praktijk hierover hebben tot de conclusie geleid dat overheveling van de inhoud van deze vijfde leden naar artikel 3.8, tweede lid, leidt tot een verduidelijking. In de nota van wijziging is deze overheveling daarom opgenomen.

Onderdeel 2

Het eerste lid betreft een verzelfstandiging van de positie van het projectbesluit ten opzichte van het bestemmingsplan. Deze aanpassing is in de nota naar aanleiding van het verslag onder 7 aangekondigd en uiteengezet.

In het tweede lid wordt een typefout hersteld.

Onderdeel 3

Abusievelijk waren in de weigeringsgronden voor de aanlegvergunning nog niet mede het inpassingsplan, een hierop betrekkinghebbend projectbesluit en de beheersverordening opgenomen. In deze omissie wordt hierbij alsnog voorzien.

Onderdeel 4

In de Invoeringswet is voorgesteld om in artikel 3.18 Wro een aanhoudingsplicht op te nemen ten aanzien van bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsplicht is opgenomen, zolang niet aan die uitwerkingsplicht is voldaan. Doorbreking van die aanhoudingsplicht kan dan geschieden indien een werk waarvoor een aanlegvergunning is vereist niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan dan wel door middel van een projectbesluit. Deze regeling gaat ten onrechte voorbij aan de mogelijkheid, die in de praktijk in veel bestemmingsplannen is opgenomen, om met gebruikmaking van een binnenplanse ontheffing onder bepaalde voorwaarden vooruit te lopen op de totstandkoming van het uitwerkingsplan en aldus het aanlegverbod te ontgaan. Het is geenszins de bedoeling deze mogelijkheid te frustreren. Derhalve zijn de bepalingen die daartoe aanleiding zouden kunnen geven geschrapt.

Voor het bouwverbod is een identieke regeling opgenomen in onderdeel P, onder e.

Onderdeel 5

De aanvulling van artikel 3.19, onderdeel b, van de Wro betreft herstel van een omissie. De achtergrond hiervan is in de nota naar aanleiding van het verslag onder 7 uiteengezet.

Onderdeel 6

Twee verwijzingen naar de Woningwet zijn hier voor de duidelijkheid uitgeschreven.

Onderdeel 7

In onderdeel L1 wordt de intrekkingsgrond verbeterd.

Gebleken is dat de toezending van afschriften van tijdelijke ontheffingen aan de VROM-inspectie voor verzender en ontvanger een bestuurlijke last oplevert die niet door meerwaarde wordt gerechtvaardigd. De verplichting wordt onder L2, onder 1. derhalve geschrapt.

De wijziging voorgesteld onder L2, onder 2, is hiervan een technisch gevolg.

De wijziging onder 3 houdt verband met de mogelijkheid om in de toekomst ook de tijdelijke vrijstelling elektronisch beschikbaar te stellen.

Onderdelen 8 en 9

In de artikelen 3.26, vierde lid, en 3.28, vierde lid, was de bevoegdheid om het inpassingsplan uit te voeren beperkt tot de uitvoeringsbesluiten, genoemd in de Wro: de aanleg- en sloopvergunning en de ontheffingsmogelijkheden. Het inpassingsplan vindt echter in betekende mate uitvoering door de bouwvergunning. In de Invoeringswet was hiertoe al een verwijzing naar artikel 46 van de Woningwet opgenomen. Dit artikel staat echter niet alleen, maar wordt veelal toegepast in samenhang met andere artikelen van Hoofdstuk IV, afdeling 1 van de Woningwet. Het gaat hierbij om een zaken als welstandsbeoordeling, aanhouding van de beslissing op de aanvraag, het verbinden van voorwaarden aan de vergunning, fasering van de vergunning, inschrijving van aangevraagde en verleende bouwvergunningen in het gemeentelijke openbare register en de intrekkingsmogelijkheid.

Onderdeel 10

Voor alle duidelijkheid is het tweede lid van artikel 3.29 technisch gecorrigeerde en geheel uitgeschreven.

Onderdelen 11 en 12

De provinciale en rijks coördinatieregeling voorziet mede in oplossingen voor nimby-achtige situaties. Een onderdeel dat wel bij de nimby-regeling is opgenomen maar hier abusievelijk nog ontbrak, is de mogelijkheid om onevenredige belemmeringen te voorkomen die voortspruiten uit regelingen van andere bestuursorganen, die zijn vastgesteld na de start van de coördinatieregeling. De hier voorgestelde wijzigingen voorzien hierin alsnog.

Onderdeel 13

De aanhef van onderdeel U hield abusievelijk geen rekening met het feit dat het wetsvoorstel 30 218 al in de nieuwe paragraaf Grondgebruik en Grondverwerving voorzag. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Onderdeel 14

Bij de nota van wijziging is abusievelijk het woord «uitvoerbaarheid», dat bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening inzake de grondexpoitatie (Kamerstukken I 2005/06, 30 218, A) aan artikel 3.28 (thans 3.37), tweede lid, is toegevoegd, weggevallen. Dit onderdeel voorziet in herstel hiervan.

Onderdeel 15

Het oogmerk van het derde lid van artikel 3.40 van de Wro is door de voorgestelde nieuwe redactie verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met het oogmerk van artikel 3.13, derde lid, van de Wro.

Onderdeel 18

In de nota naar aanleiding van het verslag wordt onder de punten 3 en 4 uitgebreid ingegaan op de voorgestelde wijzigingen in Hoofdstuk 5 van de Wro. Ik wil op deze plaats graag daarnaar verwijzen.

Onderdeel 19 bevat een redactionele verbetering.

Onderdeel 20

Dit onderdeel bevat een verbetering van een misstelling en een verduidelijking omtrent de bedoelde gemeentelijke verordening.

Onderdeel 21

De onderdelen Ga en Ha van de Invoeringswet Wro beogen de vorderingsbevoegdheid van de Minister van VROM tot intrekking van een aanleg- of sloopvergunning, vervat in artikel 7.6 van de Wro en de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om te verzoeken om zulks te doen, vervat in artikel 7.7 van de Wro, uit te breiden met de bouwvergunning. Bij nader inzien verdient het de voorkeur deze regelingen met betrekking tot de bouwvergunning in de Woningwet op te nemen. Onderdeel q voorziet dan ook in het vervallen van de onderdelen Ha en Ga van de Invoeringswet Wro en onderdeel K, onder d, van deze nota van wijziging voorziet in bedoelde regeling in het kader van de Woningwet.

Onderdeel 22

In onderdeel Ia van de Invoeringswet is een algemene regeling voorgesteld voor een gebruiksverbod bij bestemmings- of inpassingsplannen. Bezien is of de reikwijdte van deze regeling beperkt zou moeten blijven tot bedoelde plannen of dat deze zich niet ook zou moeten uitstrekken tot andere planologische besluiten die een verbodsregime kunnen bevatten. Deze bezinning heeft geleid tot een uitbreiding met niet alleen de beheersverordening, het projectbesluit en het daarmee verwante besluit in de artikelen 3.40, 3.41 of 3.42, maar ook met het voorbereidingsbesluit en de algemene regels, voor zover deze laatste een rechtstreeks toetsingskader met verbod bevatten.

Onderdeel 23

De aanwijzing, bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.11, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid, van de Wro heeft naar haar aard betrekking op een concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is. Binnen het tijdsbestek waarin deze aanwijzing toegepast kan worden past niet een voorbereiding conform afdeling 3.4 van de Awb. Dit is dan ook met zoveel woorden bepaald.

Dit betekent dat tegen een dergelijke aanwijzing in beginsel bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Omdat in een dergelijk geval heroverweging van deze specifieke aanwijzing na een ingediend bezwaar niet tot een ander standpunt zal leiden is om redenen van het voorkomen van bestuurlijke lasten, van valse verwachtingen en omwille van de tijd, de reactieve aanwijzing alsnog uitgesloten van de mogelijkheid om bezwaar te maken. Wel is ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder d, van de Wro een rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk.

Onderdeel 24

In de onderdelen Q, onder 1, en S, onder 1, van de Invoeringswet Wro is voorgesteld onderdeel a in de artikelen 3.33, eerste lid, en 3.35, eerste lid, van de Wro te laten vervallen. Abusievelijk is in dit kader de verwijzing daarnaar in artikel 8.2 van de Wro niet mede aangepast. In onderdeel v, onder 1 wordt hierin nu alsnog voorzien.

Het voorstel onder 2 is een herhaling van onderdeel Ka van de Invoeringswet Wro.

Onderdeel 25

Ook bij dit onderdeel bevat een aanpassing van de verwijzing naar de artikelen 3.33, eerste lid, en 3.35, eerste lid.

Onderdeel 26

In artikel 8.4, tweede lid, van de Wro wordt aan een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot een projectbesluit opschortende werking toegekend. Dit zou echter evenzeer moeten gelden met betrekking tot het met het projectbesluit vergelijkbare besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 of 4.42 waarbij wordt afgeweken van de beheersverordening. Onder 1 wordt in deze omissie voorzien. Onder 2 is de tekst opgenomen van de wijziging van het derde lid van artikel 8.4, zoals deze in artikel 8.13, onderdeel La, van de Invoeringswet was voorgesteld.

Onderdeel 27:

De Rijksplanologische commissie (RPC) is een ambtelijk voorportaal van de Raad voor Duurzame Leefomgeving, een van de zes onderraden van de Ministerraad. Het is niet gebruikelijk om ambtelijke voorportalen een wettelijke grondslag te geven.

De RPC vormde hierop een uitzondering. Deze regeling is thans niet meer in lijn met de recente besluitvorming in het kabinet over de onderraden en de daaraan adviserende ambtelijke voorportalen. Gelet hierop is dan ook besloten de wettelijke verankering van de RPC te schrappen. De RPC wordt samengevoegd met de Rijksmilieuhygiënische commissie (RMC). De Commissie Duurzame Leefomgeving (CDL) die uit deze fusie ontstaat, blijft als voorportaal van de Raad voor Duurzame leefomgeving functioneren. Daarnaast is besloten dat, mochten in een andere onderraad ruimtelijk relevante onderwerpen aan de orde komen, de nieuwe CDL hierover mede kan adviseren.

N wijziging van de Wet ruimtelijke ordening inzake de grondexploitatie.

Onderdeel 1

Dit onderdeel bevat onder 1, naast de bij de Invoeringswet Wro in artikel 8.14, onderdeel A, eerste lid, onder b, al voorgestelde verbetering van een verwijzing in artikel 6.12, vijfde lid, van de Wro, een verduidelijking omtrent de vaststelling van een intergemeentelijk exploitatieplan.

De wijziging voorgesteld onder 2 betreft herstel van een abusievelijk niet doorgevoerde verwijzing.

Onderdeel 2

De toevoeging van de woorden «in elk geval» moet voorkomen dat de gedachte zou kunnen ontstaan dat, in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht slechts degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot betrokken grond of de eigenaar van die grond aangemerkt zou kunnen worden als belanghebbende.

O Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten

Onderdeel 1

Dit voorstel betreft het herstel van een omissie.

Onderdeel 2

1. Ten onrechte was geen rekening gehouden met het inpassingsplan. Dit is alsnog geschied. Dit betekent dat de gemeenteraad een voorkeursrecht kan vestigen op grond van een provinciaal- of rijksinpassingsplan.

2. Met de nieuwe formulering «kadastraal overzicht» wordt nauwer aangesloten bij de gehanteerde begrippen in het kader van het in dit verband relevante project Digitale uitwisseling in ruimtelijke processen (DURP) voor digitale bestemmingsplannen, streekplannen, structuurplannen en pkb’s.

Onderdeel 3

De voorgestelde wijziging bevat een redactionele aansluiting bij de terminologie van de Awb.

Onderdeel 4

1 en 3: de huidige tekst, waarbij ook de artikelen 13, 14 en 15 in de opsomming staan genoemd, impliceert dat een ontheffing van het provinciaal- of rijksvoorkeursrecht kan worden verleend door gedeputeerde staten, hetgeen niet bedoeling is. Met de nieuwe opsomming, waarin deze artikelen niet meer worden genoemd, wordt dit rechtgezet.

De aanvullingen onder 2, 4 en 5, betreffen het herstel van een omissie.

P (Woningwet)

Onderdelen 1 en 7

In artikel 8.17, onderdeel B, van de Invoeringswet Wro is voorzien in het vervallen van de grondslag voor het stellen van voorschriften van stedenbouwkundige aard in de bouwverordening zoals opgenomen in artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet. In de artikelen 7b, 12, 44 en 56a van de Woningwet wordt naar die voorschriften verwezen. De aanpassing van de artikelen 12 en 44 is al in de Invoeringswet Wro opgenomen. In onderdeel P, onder a en g, van deze nota van wijziging wordt alsnog voorzien in de aanpassing van genoemde artikelen 7b en 56a.

Onderdeel 2

Abusievelijk was nagelaten om het projectbesluit als weigeringsgrond voor een bouwvergunning op te nemen. Dit is hierbij hersteld. Voor de redactie is aangesloten bij de corresponderende regeling ten aanzien van de aanlegvergunning in artikel 3.16 van de Wro.

Onderdeel 3 corrigeert de verwijzing naar een vernummerd artikellid.

Onderdeel 4

Deze hier voorgestelde wijziging, onder 1, van artikel 46, derde tot en met vijfde lid, van de Woningwet strekt ertoe de verwijzigingen en de begrippen in artikel 46, zoals dat artikel zal luiden na aanvaarding en inwerkingtreding van het wetsvoorstel houdende wijzigingen van wetstechnische of anderszins van ondergeschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten (Kamerstukken II 2006/07, 30 848, nr. 2), in overeenstemming te brengen met de Wet ruimtelijke ordening.

Ditzelfde geldt voor de wijziging onder 2, die slechts een technische aanpassing bevat van het bij genoemd wetsvoorstel nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 46.

De wijziging onder 3 voorziet in de nieuwe benaming van de Rijksdienst, zoals deze luidt na de fusie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek.

Onderdeel 5

In de Invoeringswet is voorgesteld om in artikel 50 van de Woningwet een aanhoudingsplicht op te nemen ten aanzien van bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsplicht is opgenomen, zolang niet aan die uitwerkingsplicht is voldaan. Doorbreking van die aanhoudingsplicht kan dan geschieden indien het bouwwerk niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan dan wel door middel van een projectbesluit. Deze regeling gaat ten onrechte voorbij aan de mogelijkheid, die in de praktijk in veel bestemmingsplannen is opgenomen, om met gebruikmaking van een binnenplanse ontheffing onder bepaalde voorwaarden vooruit te lopen op de totstandkoming van het uitwerkingsplan en aldus het bouwverbod te ontgaan. Het is geenszins de bedoeling deze mogelijkheid te frustreren. Derhalve zijn de bepalingen die daartoe aanleiding zouden kunnen geven geschrapt.

In de praktijk is ook gesignaleerd dat het vierde lid onduidelijk zou zijn. Hierbij is echter de gebruikelijke formulering gevolgd om dubbeling van procedures te voorkomen. Zienswijzen die in het kader van de bestemmingsplanprocedure in een eerder stadium hadden kunnen worden ingediend, kunnen niet later alsnog worden gehanteerd in een later stadium.

Onderdeel 6

Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 8.18, onderdeel C, en bevat een technische aanpassing.

Onderdeel 7

Dit onderdeel vormt de pendant voor de Woningwet van onderdeel H, onder c. Voor de toelichting hierop wil ik verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag, onder punt 7, waarin uitvoerig de achtergronden van deze wijziging zijn uiteengezet.

Onderdeel 8

De toevoeging van het «derde lid» achter de vermelding van de artikelen 4.1 en 4.3 is een precisering van de weigeringsgrond van een woonvergunning overeenkomstig de weigeringsgrond bij de bouwvergunning; abusievelijk was bij deze weigeringsgrond die precisering nog niet aangebracht.

Onderdeel 9

Dit onderdeel vormt de pendant in de Woningwet van de artikelen 7.6 en 7.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Zie voor een uitgebreide toelichting hierop de nota naar aanleiding van het verslag onder punt 7.

Onderdeel 10

Dit onderdeel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 8.18, onderdeel D.

Q Wijziging van de Woningwet (handhaafbaarheid en handhaving)

Deze wijziging is inmidels tot wet verheven en in werking getreden. Voor zover nodig zijn de onderdelen van dit onderdeel bij deze nota van wijziging in onderdeel K verwerkt.

R

Dit onderdeel strekt tot een correctie van de verwijzing naar een vernummerd artikel en verletterde onderdelen.

S

In de Invoeringswet is in artikel 9.1.2, eerste en vierde lid, een overgangsregeling voor bestaande regionale structuurplannen opgenomen. Zij worden aangemerkt als regionale structuurvisies en houden het rechtsgevolg dat zij voor de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel hadden. Het sluitstuk hiervan is artikel 36n WRO dat voorziet in regionale bemoeienis met gemeentelijke planologische maatregelen. Ingevolge dat artikel kan het regio-bestuur gedeputeerde staten verzoeken een aanwijzing te geven aan een gemeente die onwillig is het regionaal belang, zoals dat is opgenomen in het regionaal structuurplan, in acht te nemen in haar bestemmingsplan. In het nieuw voorgestelde vijfde lid wordt deze tussenstap geschrapt: regionale belangen worden aangemerkt als provinciale belangen, zodat gedeputeerde staten hieraan een titel kunnen ontlenen om rechtreeks hun aanwijzingsbevoegdheid in te zetten zolang het regionaal structuurplan overeenkomstig het vierde lid zijn gelding behoudt.

T

Uit reacties uit de gemeentelijke bestemmingsplanpraktijk is gebleken dat de redactie van artikel 9.1.4, tweede lid, in relatie tot het vierde lid, tot misverstand aanleiding kan geven. Om dit te voorkomen is het tweede lid van artikel 9.1.4 verduidelijkt. Het oude recht blijft van toepassing op oude WRO-plannen of op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel ter inzage gelegd ontwerp hiervoor. Er is dus geen sprake van een «vervallen» van die plannen. Slechts na het tijdstip van inwerkingtreding zal het niet meer mogelijk zijn om vrijstelling te verzoeken van de verplichting het plan na tenminste tien jaar te herzien.

Op dergelijke onder vigeur van de WRO al in procedure gebrachte bestemmingsplannen blijft het oude recht van toepassing. Dit geldt zowel voor de totstandkomingsprocedure als voor de inhoud. Het oude recht betekent dus ook: nog geen legessanctie op een dergelijk WRO-plan, zolang niet een actualiseringsplicht geldt. Pas wanneer de verplichting tot vaststelling van een bestemmingsplan ingevolge het nieuwe stelsel ontstaat treedt die sanctie in. De actualiseringsplicht voor plannen ouder dan 5 jaar treedt ingevolge het vierde lid van artikel 9.1.4 in vijf jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel. Zo geldt ook voor die gebieden binnen de bebouwde kom waarvoor nog geen bestemmingsplan onder de vigeur van de WRO of een daarmee gelijkgestelde planologische maatregel gold een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe Wro. Op dat moment zal ook de sanctieregeling in werking treden. Dit is niet met zoveel woorden in de wet vastgelegd, maar zal tot uitdrukking komen in het inwerkingtredingsbesluit, dat immers een fasering van de inwerkingtreding mogelijk maakt.

U

Bij nader inzien wordt het wenselijk geacht de goedkeuring van uitwerkings- of wijzigingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro niet abrupt op dat tijdstip te beëindigen maar deze nog een jaar nadien aan goedkeuring te kunnen onderwerpen. Aldus wordt een soepeler overgang gewaarborgd van het afbouwen van het toezicht op dergelijke plannen. Deze overgang is ook in lijn met de overgangstermijn die is gekozen voor de goedkeuring bij het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 15, tweede lid, van de WRO en vergunning ingevolge artikel 16 WRO. Deze goedkeuringen vervallen ingevolge artikel 9.1.7, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 9.1.8 van de Invoeringswet Wro eveneens een jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel.

V

Hier is sprake van herstel van een typefout.

W

In artikel 9.1.14 was abusievelijk alleen voorzien in overgangsrecht voor een rijksprojectenprocedure waarbij toepassing wordt gegeven aan paragraaf 2 (rijksprojectbesluit). Voor een procedure waarbij slechts aan paragraaf 3 toepassing wordt gegeven was nog geen overgangsrecht voorzien. Dit wordt in dit onderdeel, onder 1, hersteld.

Een rijksprojectbesluit als bedoeld in artikel 39b WRO kan zijn aangewezen als een besluit bij de voorbereiding waarvan op grond van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit levert een probleem op als het orgaan dat bevoegd was dat besluit te nemen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro al een aanvang had gemaakt met de uitvoering van de m.e.r-procedure, bijvoorbeeld al een startnotitie ter inzage had gelegd of richtlijnen had vastgesteld, maar op dat tijdstip nog geen ontwerp van het besluit ter inzage had gelegd. Het tweede lid van artikel 9.1.14 is dan niet van toepassing. Het onder 2 voorgestelde vierde lid biedt hiervoor een oplossing.

Allereerst wordt bepaald dat als onder vigeur van de WRO er een verplichting bestond om bij de voorbereiding van het rijksprojectbesluit een milieueffectrapport te maken, die verplichting onder vigeur van de Wro gekoppeld is aan de voorbereiding van een het vaststellingsbesluit van een (rijks)inpassingsplan.

Bovendien wordt bepaald dat handelingen of beslissingen uitgevoerd of genomen door het bestuursorgaan dat onder vigeur van de WRO bevoegd was tot het nemen van het rijksprojectbesluit ter uitvoering van die verplichting worden aangemerkt als handelingen en verplichtingen door het bestuursorgaan dat onder het nieuwe stelsel bevoegd is het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan te nemen. Aldus behoeven deze handelingen en beslissingen, die inhoudelijk niet worden gewijzigd, niet opnieuw te worden uitgevoerd, met alle vertraging vandien. Het bestuursorgaan dat onder het oude stelsel bevoegd was tot het nemen van het rijksprojectbesluit is onder het nieuwe stelsel niet zonder meer hetzelfde orgaan. Zo kon een rijksprojectbesluit immers onder omstandigheden alleen genomen door de projectminister, terwijl voor een (rijks)inpassingsplan de Minister van VROM altijd medebetrokken is.

X

De hiervoor voorgestelde wijziging in onderdeel T ten aanzien van bestemmingsplannen wordt in dit onderdeel, onder 1, ten aanzien van stadsvernieuwingsplannen op gelijke wijze voorgesteld.

In artikel 30 van de van de Wet stads- en dorpsvernieuwing zijn stadsvernieuwingsplannen gelijk gesteld met bestemmingsplannen. Derhalve was er bij de Invoeringswet Wro vanuit gegaan dat het overgangsrecht ten aanzien van de aanpassing van bestemmingsplannen van vijf jaar en ouder evenzeer zou gelden voor dergelijke oude stadsvernieuwingsplannen. In de praktijk blijkt hierover evenwel onzekerheid te bestaan. Derhalve wordt in dit onderdeel, onder 2, volledigheidshalve artikel 9.1.4, vierde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard.

Y

De termijn zoals die gold voor inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro wordt door de voorgestelde regeling geëerbiedigd. Gemeenten kunnen volgens hun planning de bestemmingsplanprocedure doorlopen en voortijdig vervallen van het voorkeursrecht voorkomen. Evenmin komt de grondeigenaar voor verrassingen te staan.

Z

De Invoeringswet Wro voorziet in artikel 8.17, onderdeel D, in twee nieuwe toetsingsgronden voor de bouwvergunning. Abusievelijk was ten aanzien van aanvragen om bouwvergunning die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel zijn ingediend, nog geen overgangsregeling hiervoor opgenomen. Dit onderdeel herstelt deze omissie. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat het bij een aanvraag niet noodzakelijkerwijs om een volledige aanvraag behoeft te gaan. Het is mogelijk de aanvraag nog aan te vullen, na de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro, mits het maar gaat om een aanvulling die onder het oude recht ook gebruikelijk was.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer