30 938
Aanpassing van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 28 juni 2007

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over haar bevindingen inzake bovenvermeld wetsvoorstel. Ik ga hieronder in op de opmerkingen en vragen waartoe het wetsvoorstel de leden van de commissie aanleiding heeft gegeven.

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie geven aan kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel. Naar hun oordeel voorziet het wetsvoorstel in de noodzakelijke aanpassing van bestaande wetgeving ten behoeve van de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze leden onderstrepen het grote maatschappelijke belang van een zorgvuldige, maar vooral ook zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de Wro. Immers de Wro maakt een meer adequate aanpak en realisatie van de ruimtelijke ordening mogelijk, hetgeen van directe invloed is op het verminderen van de bestuurlijke drukte en een meer slagvaardig optreden van de overheid ten behoeve van een beter woon-, werk- en leefklimaat.

De leden van de PvdA-fractie geven aan met belangstelling kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel en nog enkele nadere opmerkingen en vragen te hebben.

Ook de leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel dat voorziet in het gewenste nieuwe kader voor de inrichting van ruimtelijk Nederland.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden geven aan veel waarde te hechten aan de uitvoering van de Nota Ruimte. Hiervoor is volgens deze leden spoedige invoering noodzakelijk van de nieuwe Wro, met haar nieuwe stelsel van bevoegdheden, wettelijke figuren en procedures. De invoeringswet draagt bij aan een soepele overgang van het oude naar het nieuwe stelsel. Ook bewerkstelligt het een vereenvoudiging van de huidige goedkeuringsprocedure in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Interimwet Stad en Milieu-benadering. Deze leden geven aan desondanks enkele opmerkingen te hebben bij het wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie geven aan eveneens met belangstelling te hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie tenslotte, hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij stellen dat de Wro op tal van terreinen gerelateerd is aan andere wetten en regelingen. Ten gevolge van de invoering van de Wro behoeven al deze wetten en regelingen aanpassing, welke aanpassingen met dit wetsvoorstel worden gerealiseerd. Deze leden geven aan in te stemmen met de doelstellingen, waarbij de aanpassingen van bestaande wetgeving geen verschuivingen van bevoegdheden beogen, de overgangsbepalingen een zo soepel mogelijke overgang van het oude naar het nieuwe stelsel effectueren en de intrekkingsbepalingen bijdragen aan een overzichtelijker stelsel van wetgeving.

Ik ben verheugd te constateren dat een groot aantal fracties het voorliggende wetsvoorstel positief benadert. Zoals enkele fracties reeds constateren, beoogt het wetsvoorstel een zo soepel mogelijke overgang te regelen van de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) naar de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro).

2. Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden

Onder verwijzing naar het motto «Samen werken, samen leven», zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat de overheid bondgenoot van open land en groene steden is. Ruimtelijke ordening moet het publieke belang veiligstellen, ook daar waar de ordening langs de lijnen van het private initiatief verloopt. Deze leden willen dat de samenwerking tussen gemeenten onderling wordt gestimuleerd. Zij vragen of de regering kan aangeven op welke wijze binnen de Invoeringswet gezorgd wordt dat gemeenten in gezamenlijkheid ruimtelijke ontwikkelingen vormgeven, zeker daar waar het om het bouwen van woningen en het aanleggen van nieuwe bedrijventerreinen gaat? De ruimtelijke hoofdstructuur is onvoldoende helder. Zij vragen of de Invoeringswet voldoende aanknopingspunten biedt om inhoud te geven aan de regiefunctie van de rijksoverheid.

De leden van de SP-fractie constateren dat de Wro een grote mate van afstemming en samenwerking tussen verschillende overheden impliceert. Deze leden zien echter de handvatten hiervoor niet terug in het wetsvoorstel en vragen of hierdoor geen patstelling zal ontstaan, die vervolgens naar de mening van deze leden uiteindelijk weer zal leiden tot veel tekentafelretoriek. Deze leden stellen dat de inrichting van het Groene Hart laat zien wat daar in de praktijk van komt. Er zijn vele bestuurslagen en particuliere partijen bij het Groene Hart betrokken. Prachtige ambities en plannen worden opgesteld en ondertussen slibt het Groene Hart gewoon dicht. De leden van de SP-fractie zien daarom graag meer regie op de ruimtelijke inrichting van ons land. Zijn vragen of de regering van mening is dat een beoordelingstructuur op subsidiariteit en complementariteit moet bepalen welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor programma’s en projecten. Zo de regering deze mening is gedaan, vragen de leden van de SP-fractie hoe dat vorm moet krijgen en zo dit niet het geval is, waarom niet?

De opvatting van de aan het woord zijnde leden over de noodzaak van samenwerking en afstemming van het ruimtelijk beleid tussen gemeenten onderschrijf ik geheel. Immers, veel ruimtelijke opgaven gaan over de lokale of gemeentelijke grenzen heen. In de stedelijke gebieden zijn de gemeentegrens overschrijdende vraagstukken over het algemeen manifester, waardoor met name daar een op elkaar afgestemd planologisch beleid des te meer wenselijk is. Maar ook in de meer landelijke gebieden spelen bovengemeentelijke ruimtelijke vraagstukken, zoals de vraag hoe de behoeften aan woningbouw, landbouw en veeteelt, recreatie of natuur kunnen worden geaccommodeerd. Een evenwichtige beantwoording door gemeenten van ruimtelijke vraagstukken kan volgens mij niet zonder een regionale oriëntatie en dikwijls ook een regionale strategische aanpak en afstemming. Het kabinet hecht belang aan een goede samenwerking van gemeenten, zowel in de sterk verstedelijkte zones als in de plattelandsgebieden, zodat een gezamenlijke visievorming op de ruimtelijke ontwikkeling van het stedelijk netwerk en van de andere gebieden tot stand komt. De behoefte aan een bovenlokale strategische visie zal in de toekomst nog manifester worden. Ik zie dan ook overal in het land dat deze regionale afstemming gestalte krijgt in de vorm van structurele of projectgerichte overlegvormen, waaraan dikwijls ook vertegenwoordigers van de provincie deelnemen.

Voor structurele samenwerkingsvormen biedt de Wet gemeenschappelijke regelingen toereikende mogelijkheden om tot regionale samenwerkingsverbanden te komen. Voor de regio’s waarin de samenwerking bij en de afstemming van het ruimtelijk beleid urgent is, kent die wet sinds 1 januari 2006 een voorziening om die samenwerking ook een verplichtend karakter te geven. Dit heeft vorm gekregen in het nieuwe hoofdstuk XI «Plusregio’s». Op die specifieke vorm van regionale samenwerking ga ik hierna onder punten 3 en 4 nog nader in.

Waar dat aan de orde is kunnen gemeenten gezamenlijk het regionale en het lokale ruimtelijk beleid op één lijn brengen. De vorm van die samenwerking en beleidsafstemming (van strategische allianties tot verplichtende samenwerkingsafspraken, neergelegd in een gemeenschappelijke regeling krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen) heeft de wetgever overgelaten aan de decentrale overheden.

De Wet ruimtelijke ordening biedt een toereikende opzet om het ruimtelijke beleid op regionaal niveau af te stemmen. Zo voorziet de Wet ruimtelijke ordening in artikel 2.1, vierde lid, in de mogelijkheid dat de raden van samenwerkende gemeenten gezamenlijk een structuurvisie kunnen vaststellen.

Waar gemeenten niet in staat blijken te zijn intergemeentelijke strategische visie te ontwikkelen of zich onttrekken aan de mogelijk voor een gemeente onaantrekkelijke uitkomst van een regionaal afwegingsproces, zal de provincie haar verantwoordelijkheid kunnen nemen. De provincie is in beginsel het aangewezen bestuurlijke niveau voor bovenlokale ruimtelijke vraagstukken en ontwikkelingen. Vanzelfsprekend is dat een provinciebestuur in gevallen waarin het ziet dat een bovenlokaal beleid niet van de grond komt, door middel van bestuurlijk overleg de gemeenten op hun verantwoordelijkheid zal wijzen, en hen zal aansporen om tot een regionaal ruimtelijk beleid te komen. In regio’s waar de noodzaak voor een regionaal beleid manifest is maar dit om welke reden ook ontbreekt, zal het provinciaal bestuur zijn verantwoordelijkheid kunnen nemen door zelf voor de desbetreffende gedeelten van de provincie een structuurvisie vast te stellen.

Uit de inbreng van de leden van zowel de PvdA- als de SP-fractie lees ik een bezorgdheid over de regiemogelijkheden die de Rijksoverheid heeft om het door het Rijk voorgestane beleid in de praktijk te (doen) realiseren. Ik deel die bezorgdheid niet: de Wet ruimtelijke ordening biedt naar het oordeel van het kabinet toereikende mogelijkheden om bestuurlijke en wettelijke bevoegdheden in te zetten om het Rijksbeleid te doen doorwerken in het beleid van gemeenten en provincies en waar dat nodig is rijksbelangen veilig te stellen. Momenteel wordt bij het ministerie van VROM en overigens ook door een groot aantal provincies voorgesorteerd op de komst van de nieuwe Wro. Het gaat daarbij om het instrumenteren van het rijks- en provinciaal beleid met de bevoegdheden van de nieuwe Wro. De suggestie van de leden van de SP-fractie om een beoordelingstructuur op subsidiariteit en complementariteit te ontwikkelen, aan de hand waarvan bepaald moet worden welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor programma’s en projecten acht ik dan ook niet noodzakelijk.

3. De thans door de regering voorgestelde regeling in hoofdstuk 5 Wro (memorie van toelichting 2.1.2)

Onder paragraaf 2 van het verslag vragen de leden van de CDA-fractie zich af of ten aanzien van de voorgestelde invulling van hoofdstuk 5 van de Wro gekozen is voor een juiste aanpak. Het kabinet heeft blijkens de memorie van toelichting zich gebaseerd ophet overleg dat in 2002 plaatsgevonden met IPO, VNG en de kaderwetgebieden ten aanzien van de taakverdeling in de ruimtelijke ordening. Nadien zijn vele discussies en ontwikkelingen gevolgd over onder meer bestuurlijke effectiviteit, democratische besluitvorming, procedures, wet- en regelgeving op het terrein van de ruimtelijke ordening. Deze leden zijn benieuwd of de regering heeft geverifieerd of de opvattingen in 2002 van partijen nog actueel zijn en vragen zich af of het niet beter zou zijn geweest om eerst de discussie over de toekomst van het middenbestuur in Nederland af te ronden alvorens nieuwe wetgeving te introduceren die de bevoegdheden van het middenbestuur wijzigt. Deze leden hebben daarover grote twijfels en geven aan zich daarom vooralsnog hiermee niet te kunnen verenigen.

Ook de leden van de ChristenUnie-fractie memoreren dat het kabinet over de voorgestelde invulling van hoofdstuk 5 Wro, in 2002 bestuurlijk overleg heeft gevoerd met VNG en IPO en dat dat overleg tot overeenstemming heeft geleid. Zij constateren echter ook dat in weerwil daarvan rond de Wgr-plusregio’s nog steeds, of weer, uiteenlopende opvattingen blijken te leven. Deze leden baseren dit oordeel op de reacties die zij van zowel het IPO als van verschillende afzonderlijke provinciebesturen ontvingen. Die leden vragen naar het oordeel van het kabinet met betrekking tot de door het IPO uitgesproken voorkeur om hoofdstuk 5 voorlopig «leeg» te laten en invulling daarvan mede afhankelijk te maken van de discussie in het kader van de inrichting van het (midden)bestuur. Dit provinciale pleidooi spreekt de leden van de ChristenUnie-fractie in ieder geval aan. Deze leden achten de Wro of de invoeringswet niet het forum om een dergelijke principiële discussie te voeren. Het «procedurevoorstel» van het IPO voorkomt vergaande vertraging van de inwerkingtreding van zowel de Wro als de Invoeringswet Wro. Tot het moment dat beleidsmatige keuzes zijn gemaakt over het middenbestuur kunnen provincies en Wgr-plusregio’s op basis van samenwerking de zich voordoende problemen tot oplossing brengen.

De opmerkingen van de leden van de fracties van het CDA en van de ChristenUnie hangen nauw samen met de aantekeningen die deze andere leden van de commissie hebben laten opnemen onder paragraaf 4 van het verslag. Om pragmatische redenen geef ik er de voorkeur aan om de bovengestelde vragen daarbij te betrekken en van een reactie te voorzien.

4. Nieuwe ontwikkelingen ter zake van het middenbestuur en de richtinggevende uitspraken van de Tweede Kamer over de bevoegdheden van de Wgr-plusregio’s (memorie van toelichting 2.1.3)

De leden van de fractie van het CDA wijzen op de mede namens het CDA ingediende motie Lenards c.s. d.d. 14 februari 2006 (28 916 nr. 29), waarin de regering wordt verzocht niet met nadere voorstellen te komen voor extra bevoegdheden voor intergemeentelijke openbare lichamen, zoals Wgr-plusgebieden, op het gebied van de ruimtelijke ordening. Die leden willen weten waarom het kabinet er niet voor kiest om conform deze motie hoofdstuk 5 ongewijzigd te laten. Zij achten dit voor de hand liggend omdat in het debat over deze motie een grote kamermeerderheid zich ondubbelzinnig heeft uitgesproken tegen een uitbreiding van wettelijke bevoegdheden van plusregio’s. Bovendien wordt naar de mening van de leden van de CDA-fractie in het wetsvoorstel geen bijdrage geleverd aan het punt in het regeerakkoord waarin wordt gesteld dat vermindering van bestuurlijke drukte wordt bevorderd door het aantal bestuurslagen dat zich met een bepaald onderwerp bemoeit stelselmatig te verminderen.

Deze leden vragen ook of het in democratisch opzicht niet ongewenst is om bevoegdheden over te dragen aan de besturen van plusregio’s, zeker daar waar het gaat om bij wet de provincies te verplichten een deel van hun bevoegdheden af te staan? Immers, de in hoofdstuk 5 bedoelde bevoegdheden zijn rechtstreeks bindend voor burgers en anderen. Gemeente- en provinciebesturen worden rechtstreeks democratisch gekozen, en besturen van plusregio’s niet.

Die fractieleden vragen of het wettelijk verplicht opleggen van het maken van een knip in de ruimtelijke ordening tussen het regionale belang (verantwoordelijkheid plusregio) en het bovenregionale belang (verantwoordelijkheid provincie) contraproductief kan werken voor de beleidsdoelstellingen om: bestuurlijke drukte te verminderen, de ruimtelijk fysieke opgaven voortvarend en zonder vertraging te realiseren, en voor burgers en anderen om de duidelijkheid op dat terrein te vergroten. Zij zijn verder benieuwd of het kabinet de mening van die leden deelt dat het voor een spoedige inwerkingtreding van de Wro beter ware om vanuit die optiek vooralsnog hoofdstuk 5 van de Wro niet te wijzigen middels de onderhavige Invoeringswet.

De leden van de PvdA-fractie oordelen dat de provincie uiteindelijk het bevoegd gezag is over het te voeren ruimtelijk beleid voor zover dat de provinciale belangen raakt. In hun ogen dienen Wgr-plusgebieden zich binnen die kaders te bewegen. Provincies moeten leidend zijn ten aanzien van de kaders voor een eigenstandig ruimtelijk beleid. Deze leden zijn van mening dat provincies onvoldoende instrumenten in handen hebben om adequaat regie te voeren. Met de voorgestelde regeling inhoudende dat provincies voor langere tijd verordenings- en aanwijzingsbevoegdheden delegeren aan regio’s en dat de regio’s de formele bevoegdheid krijgen tot het nemen van een projectbesluit, achten deze leden onvoldoende gevolg gegeven aan de uitvoering van de motie van het lid Lenards c.s., waar ook de leden van de CDA-fractie op wezen.

De leden van de SP-fractie delen de mening van het Interprovinciaal Overleg over de sluipende uitbreiding van taken en bevoegdheden van de plusregio’s dat haar beslag krijgt in hoofdstuk 5 van de Wro. Verplichte delegatie van provinciale en gemeentelijke taken en geldstromen aan deze ondemocratische vierde bestuurslaag is ongewenst. Deze leden verzoeken de regering het oordeel van de vaste kamercommissie Binnenlandse Zaken en de minister van Binnenlandse Zaken te vragen over dit voorstel van wet, alvorens ze een definitief oordeel kan vellen over de rol en bevoegdheden van deze plusregio’s. Zij zien een betere oplossing in provinciale gebiedscommissies die de belangen van de betreffende plusregio’s beoordelen en behartigen. Geldstromen die specifiek aan de regio toekomen kunnen via die commissie gestroomlijnd worden. Zij vragen het kabinet een reactie te geven op deze variant.

Ook de leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dit wetsvoorstel de positie van plusregio’s ongewenst fors versterkt, ten koste van de positie van de provincies. Zij memoreren eveneens aan de motie Lenards c.s. Hoewel er feitelijk geen sprake is van «dubbel werk», omdat de provincie haar bevoegdheden (verplicht) overdraagt aan de plusregio en dezelfde bevoegdheid dus niet bij twee verschillende bestuurslagen ligt, hebben deze leden moeite met dit onderdeel van het wetsvoorstel. Het tast de positie van het provinciebestuur aan en gaat lijnrecht in tegen de vrijwel kamerbreed aangenomen motie Lenards c.s. Zij zien graag een nadere argumentatie van het kabinet waarom het ervoor heeft gekozen te handelen in strijd met de motie Lenards c.s. en waarom zoveel waarde wordt gehecht aan het compromis tussen IPO en VNG uit 2003, dat het IPO ondertussen heeft opgezegd. Deze leden zien graag een visie op het middenbestuur in ons land, wat betreft de bevoegdheidsverdeling van de taken rond de ruimtelijke ordening.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering haar keuze om hoofdstuk 5 wél in te vullen motiveert tegen de achtergrond van de recentelijk gestarte politieke en bestuurlijke meningsvorming over de toekomst van het zogenaamde middenbestuur. Deze leden vragen ten aanzien van de lopende discussie over de inrichting van het middenbestuur het kabinet bereid is de benadering van de gezamenlijke provincies over te nemen, d.w.z. het leeg laten van hoofdstuk 5, en dit door middel van een nota van wijziging duidelijk te maken. Deze leden achten dit een begaanbare weg omdat ook de regering in de memorie van toelichting aangeeft dat de discussie over het middenbestuur kan leiden tot een heroriëntatie van de Wro en de invoering daarvan.

Over de beantwoording van de vele indringende vragen van de leden van de Commissie en de heldere politiek-bestuurlijke standpunten die de afzonderlijke fracties in hun vragen hebben verwoord heb ik overleg gevoerd met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). In reactie op de vraag van de leden van de SP-fractie, kan ten overvloede worden opgemerkt dat de onderstaande beantwoording door de staatssecretaris van BZK wordt onderschreven.

Ik constateer op basis van de hierboven weergegeven inbreng dat een grote meerderheid van de commissie grote aarzelingen heeft bij de keuze die de regering heeft gemaakt over de regeling van bevoegdheden voor de Wgr-plusregio’s in het wetsvoorstel, in het bijzonder de verplichte delegatie van provinciale bevoegdheden in het wetsvoorstel. Met de fractie van de ChristenUnie ben ik van mening dat de nieuwe Wro niet het forum zou moeten zijn om die principiële discussie over de Wgr-plus te voeren. In dat verband wordt ook door de CDA-fractie verwezen naar de discussie over het middenbestuur. Het coalitieakkoord maakt duidelijk dat een grootschalige structuuraanpassing niet voor de hand ligt. De discussie over het middenbestuur is daarmee nu niet aan de orde.

De aangetoonde meerwaarde van de samenwerking in de stedelijke gebieden heeft geleid tot de wettelijke regeling voor de plusregio’s in de Wet gemeenschappelijke regelingen, die per 1 januari 2006 in werking is getreden1. Het is in dat licht begrijpelijk dat de regering bij haar afwegingen in de fase van de totstandkoming van het wetsvoorstel zich voor een belangrijk deel heeft laten leiden door de uitkomst van de beraadslagingen tussen IPO, VNG en de voormalige Kaderwetgebieden en de Ministers van BZK en VROM in 2002 en 2003 over de onderlinge relaties tussen de gemeenten, regio’s en de provincie ter zake van de ruimtelijke besluitvorming. Uitgangspunt was en is dat dubbel werk of onnodige afhankelijkheden zouden worden vermeden en een heldere complementariteit tussen de plusregio’s en de provincies zou worden bereikt. Die uitkomst was immers ook de basis voor het toenmalige wetsvoorstel Wgr-plus, dat door beide Kamers is aanvaard.

Zoals door de leden van de VVD-fractie in hun bijdrage wordt onderkend, voorkomt de voorgestelde bevoegdhedenregeling van de Wgr-plus regio’s een drie- of viervoudige nevenschikkende ordening of stapeling van bevoegdheden, waardoor er extra bestuurlijke competenties worden gecreëerd, en voorkomt het voorstel dat dezelfde werkzaamheden door regio en provincie worden uitgevoerd. In die zin kan de regeling in de ogen van het kabinet bijdragen aan het voorkomen van «bestuurlijke drukte». Ik ben verder ook van mening dat de voorgestelde regeling van bevoegdheden in de Wgr-plus regio’s perspectief biedt om op regionaal niveau voortvarend de ruimtelijke opgaven aan te pakken en tegenstellingen tussen gemeenten op te lossen. De eenduidige afbakening van bevoegdheden tussen het regionaal en provinciaal bestuur draagt bij aan de duidelijkheid voor burgers en bedrijven. Daarom onderschrijf ik niet de aarzelingen die de leden van de CDA-fractie in hun bijdrage ten aanzien daarvan hebben verwoord.

Met het geheel leeg laten van hoofdstuk 5 Wro worden evenwel ook elementen ongeregeld gelaten die in de ogen van het kabinet niet gemist kunnen worden. In het bijzonder wijs ik hierbij op het volgende. Hoe ook gedacht kan worden over de bestuurlijke organisatie in de stedelijke gebieden, over de noodzaak van een regionale strategie en aanpak van grote opgaven, op het terrein van wonen, bedrijven, infrastructuur en groen is eigenlijk iedereen het eens. De toekomst van de centrumsteden wordt bepaald door de vitaliteit en leefbaarheid daarvan. Die worden bepaald door sterk samenhangende factoren, zoals gedifferentieerde woningbouw, levendige centra, potentievolle werkgelegenheid. De steden kunnen dat niet alleen bewerkstelligen en zijn voor het realiseren van deze doelen mede afhankelijk van de randgemeenten. Omgekeerd zijn deze voor veel voorzieningen afhankelijk van de centrumstad. Concurrente ontwikkelingen tussen de gemeenten die afbreuk doen aan de noodzakelijk gemeenschappelijke opgaven moeten worden voorkomen en vergen ook een regionale regie. Bovendien leiden de afzonderlijke ruimteclaims voor de toekomstige ontwikkelingen tot complexe bovenlokale afwegingsstructuren.

In verband hiermee hebben de staatssecretaris van BZK en ik getracht in overleg met het IPO en de VNG in het licht van de opmerkingen van uw Kamer in het verslag over het onderhavige wetsvoorstel tot een voor ieder bevredigende regeling in de Wro te komen. Ik ben verheugd dat dit is gelukt. De in de nota van wijziging voorgestelde regeling, die ook zal worden opgenomen in de bestuursakkoorden tussen rijk en gemeenten en rijk en provincies, houdt het volgende in.

Het kabinet is van mening dat het wenselijk is de verplichte samenwerking, zoals geregeld via het hoofdstuk XI Plusregio’s van de Wet gemeenschappelijke regelingen, ook voor de ruimtelijke ordening in te vullen. Daarom is het noodzakelijk dat de in die regio’s samenwerkende gemeenten verplicht moeten blijven gezamenlijk een ruimtelijk beleid te formuleren en dit vast te leggen in een regionale structuurvisie. Daarmee wordt tevens een verdere invulling gegeven aan artikel 118 Wgr.

Ook is het buitengewoon wenselijk dat het de deelnemende gemeenten mogelijk wordt gemaakt voor concrete ontwikkelingsprojecten de bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen en projectbesluiten en in het verlengde daarvan andere bevoegdheden zoals het exploitatieplan over te dragen aan de regio. Immers, voor gemeentegrensoverschrijdende regionale gebiedsontwikkelingen (bijv. een nieuwe regionale woninguitleglocatie, industrieterrein) kan het buitengewoon efficiënt zijn dat niet meerdere gemeenten elk de afzonderlijke samenhangende besluiten moeten nemen maar dat dit kan worden gedaan door één bestuur. Dit vergt een wettelijke basis. Daarmee wordt ook ook aansluiting gevonden bij het gemeenschappelijk grondbeleid dat krachtens artikel 119 Wgr verplicht is en bij hoofdstuk 6 «Grondexploitatie» van de Wro waarin bij amendement de mogelijkheid is gecreëerd voor bovenplanse verevening bij gebiedsontwikkeling, mits hiervoor een basis is gelegd in een structuurvisie. Met het voorgaande wordt materieel de status quo gehandhaafd.

Het kabinet is van mening dat het voor de regionale aanpak van opgaven noodzakelijk kan zijn dat een provincie en een plusregio desgewenst verdergaande afspraken kunnen maken. Daarom biedt het kabinet de provincies de mogelijkheid om op vrijwillige basis hun verordende bevoegdheid op grond artikel 4.2 Wro in het belang van een goede regionale ruimtelijke ordening aan een plusregio over te dragen.

Om de voorgaande redenen stel ik voor de eerste twee artikelen van de in het wetsvoorstel opgenomen invulling van hoofdstuk 5 Wro te handhaven en het oorspronkelijke artikel 5.4 te wijzigen in een zgn. kan-bepaling. Als sluitstuk van de regeling en in aansluiting op het Coalitieakkoord stel ik vast dat indien een individuele gemeente binnen een regio zich onverhoopt niet gebonden mocht achten aan het gezamenlijk overeengekomen regionale beleid en uitvoeringsbesluiten (bijvoorbeeld besluiten tot vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluiten) neemt die met dit beleid in strijd zijn, het nationale belang met het oog op een goede ruimtelijke ordening mij ertoe kan noodzaken gebruik te maken van mijn interventiebevoegdheden op basis van de Wro.

Het kabinet zal de voorgaande regeling betrekken in de evaluatie van de Wgr-plus en deze evaluatie vervroegen naar 2009 (in plaats van de in de Wgr genoemde uiterste termijn van 2011). Hierbij wordt bezien of provincies, regio’s en gemeenten, gegeven de mogelijkheden die hoofdstuk 5 biedt, gezamenlijk een goede taak- en bevoegdheidsverdeling weten te organiseren opdat een adequaat ruimtelijk beleid wordt gerealiseerd. Per provincie/plusregio kan – gelet op de problematiek en onderlinge verhoudingen – tot een maatwerkoplossing worden gekomen.

Naar aanleiding van de vraag van de CDA-fractie over bestuurlijke drukte in relatie tot de Wgr-plus merk ik op dat naar mijn oordeel het thans voorgestelde wettelijke kader voor partijen voldoende ruimte biedt om hier in concrete zin afspraken over te maken. De complexiteit van de ruimtelijke ordening, met name in de randstad, vraagt naar mijn oordeel dan ook om maatwerk en differentiatie. De voorgestelde regeling biedt naar mijn oordeel alle ruimte om gegeven de specifieke regionale problematiek en verhoudingen tot maatwerkafspraken te komen op het terrein van bevoegdheidsverdelingen tussen provincie, regio en gemeenten. Het is dus niet meer zo dat alle plusregio’s via de wetgever bevoegdheden krijgen, maar dat decentrale partijen gezamenlijk verantwoordelijk worden voor een goede afbakening. De wijze waarop zij daaraan invulling geven, zal worden meegenomen bij de evaluatie van de Wgr-plus, die in 2009 zal plaatsvinden. Voor deze benadering pleit mijns inziens ook dat het lastig blijkt om op rijksniveau tot een eensluidende visie met een lange houdbaarheid te komen over de wijze van inrichting in met name de grootstedelijke gebieden in de randstad.

5. Omzetten van Wro-instrumenten in bestaande wetgeving (memorie van toelichting 3.1)

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe landelijk vastgesteld beleid doorwerkt. De juridische doorwerking kan worden bereikt door het stellen van algemene regels bij amvb of provinciale verordening, het geven van een aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan. Deze leden vragen op welke wijze en door wie hierop wordt toegezien: is hier het ministerie van VROM leidend, of toetsen de provincies gemeentelijke plannen aan landelijk beleid? Deze leden constateren dat in de huidige WRO de provincie bestemmingsplannen en bestemmingsplanwijzigingen toetst aan het streekplan. Zij vragen op welke wijze en door welke instantie in de nieuwe Wro plannen worden getoetst. Voorts vragen deze leden of er daarbij een onderscheid bestaat waar het nationale plannen betreft (structuurvisies, PKB’s) en provinciale plannen? Op welke wijze wordt gehandeld als een ontwerpbestemmingsplan níet in overeenstemming is met een landelijke structuurvisie, bijvoorbeeld wanneer een venster op de snelweg wordt bebouwd?

In antwoord op deze vragen merk ik het volgende op. Eén van de kernelementen van de Wet ruimtelijke ordening is dat op elk overheidsniveau de verplichting rust de hoofdlijnen van het op dat niveau te voeren ruimtelijk beleid neer te leggen in een structuurvisie. Van belang is het tevens te onderkennen dat dat document tevens een beeld moet geven hoe die overheid zich voorstelt dat beleid te verwezenlijken. Voor die overheid is een structuurvisie het beleidskader en het richtinggevend kader voor haar bestuurlijk handelen en is zij formeel-juridisch niet bindend voor andere overheden. Zoals de leden van de PvdA-fractie terecht stellen, wordt de vrije beslissingsruimte van andere overheden strikt juridisch gezien niet ingekaderd door een structuurvisie maar door normstelling, opgenomen in een amvb of een verordening. Dit wordt ook in de structuurvisie aangekondigd. Ook onder de huidige WRO heeft een planologische kernbeslissing van het Rijk of een streekplan van de provincie strikt juridisch geen «verticale doorwerking». Dat karakter hebben alleen de als zodanig aangemerkte elementen daarvan: de concrete beleidsbeslissingen (cbb’s). Lang niet alle pkb’s of streekplannen bevatten dergelijke elementen. Zo bevat de thans vigerende Nota Ruimte geen cbb’s. Zoals ook onder de huidige WRO zullen de structuurvisies van het Rijk en de provincies politiek-bestuurlijk van groot gewicht zijn en zullen de andere overheden deze visies wel degelijk bij de opstelling van hun beleid en bij het nemen van uitvoeringsbesluiten betrekken. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze bestuurlijke doorwerking onder de nieuwe Wro anders zal worden. In de praktijk zal een andere overheid bij het opstellen van haar ruimtelijke plan niet voorbij willen gaan aan het beleid van een hogere overheid neergelegd in een structuurvisie. Hiermee kan worden voorkomen dat achteraf bestuurlijke conflicten ontstaan met de hogere overheid en dat dwingend instrumentarium wordt ingezet, zoals de aanwijzing en de bevoegdheid tot het vaststellen van een inpassingsplan.

De nieuwe Wro gaat er vanuit dat elke overheidslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijke beleid. Die verantwoordelijkheid impliceert dat bij de vaststelling van een structuurvisie rekening wordt gehouden met de taken en verantwoordelijkheden die andere overheidsniveaus binnen ons overheidsbestel dragen. Zoals bij de vaststelling van een nationale structuurvisie vanzelfsprekend rekening wordt gehouden met belangen en posities van gemeenten en provincies, zal bij een provinciale structuurvisie rekening worden gehouden met rijksbelangen en met gemeentelijke verantwoordelijkheden. Bestuurlijk overleg en afstemming tijdens het totstandkomingsproces van structuurvisies biedt waarborgen voor consistentie van overheidsbeleid op de te onderscheiden niveaus. Formele toezichtsarrangementen zijn hierbij niet noodzakelijk.

De juridische borging van essentiële elementen wordt, zoals hierboven gesteld, bewerkstelligd door algemene regels. Uitvoeringsbesluiten van andere overheden moeten hiermee in overeenstemming zijn. Omdat die regels strekken ter bescherming van gedefiniëerde belangen, zullen bestuurders die respecteren. Waar dat niet het geval zou zijn, biedt het systeem van de totstandkoming van besluiten, zoals het bestemmingsplan en het projectbesluit, alle gelegenheid aan burgers en maatschappelijke organisaties om die strijdigheid te signaleren en zo nodig aan de rechter voor te leggen. Bovendien worden ontwerpen van de genoemde besluiten ook toegezonden aan de diensten van het Rijk en de provincies, die belast zijn met de behartiging van de belangen die in het betreffende besluit in het geding zijn. De Wro biedt die instanties de mogelijkheid zo nodig corrigerend te handelen. Op deze wijze biedt de Wro een evenwichtig stelsel waarbinnen beleidsconsistentie tussen de overheidsniveaus kan worden bewerkstelligd.

6. Inpassing van de beheersverordening in de bestaande wetgeving

De leden van de CDA-fractie wijzen erop, dat zij bij de introductie van de mogelijkheid om in gebieden waar geen of nauwelijks ruimtelijke ontwikkelingen spelen gemeenten een beheersverordening vast kunnen stellen, er vanuit zijn gegaan dat het in het bestemmingsplan toegestane gebruik in de beheersverordening wordt gehanteerd (de zogenaamde «ruime opvatting» van het begrip bestaand gebruik). Deze leden willen onder meer voorkomen dat er sprake kan zijn van planschade.

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd met het instrument beheersverordening, maar hebben wel vragen ten aanzien van de definitie die hieraan gegeven wordt of kan worden. Zij krijgen graag nadere toelichting op de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de beheersverordening. Gesproken wordt over enerzijds een luchtfoto van bestaand gebruik en anderzijds het vastleggen van een nog niet bestaande, gewenste toekomstige functie. In het eerste geval kunnen de leden de redenering volgen dat geen bezwaar en beroep mogelijk is: immers de situatie verandert niet. In het tweede geval, waarbij de toekomstige functie afwijkt of kan gaan afwijken van de huidige situatie zouden belanghebbenden hiertegen in de ogen van deze leden wel de mogelijkheid van bezwaar en beroep moeten hebben. Verder stellen deze leden dat de beslissing een beheersverordening op te stellen in plaats van een bestemmingsplan kan worden aangevochten bij de civiele rechter. Ook kan de bestuursrechter de rechtmatigheid van een beheersverordening indirect toetsen. Deze leden stellen de vraag op welke wijze wordt ondervangen dat een gebied planologisch vogelvrij is als de rechtsgrond voor de beheersverordening vervalt. Geldt in dat geval een regime zoals bij het huidige voorbereidingsbesluit?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of beide interpretaties van de beheersverordening (de enge en ruime interpretatie) in den lande naast elkaar kunnen bestaan. Indien dit niet het geval is, wanneer wordt dan duidelijk welke interpretatie geldend is? Indien dit wel het geval is vragen zij of dat niet zal leiden tot onduidelijkheid en verwarring en welke mogelijke consequenties kan dat hebben?

De beheersverordening is in de Wro opgenomen door middel van het amendement Verdaas/Van Bochove/Lenards1.

In een beheersverordening kan het bestaande gebruik worden vastgelegd in een gebied waar geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien. Omdat de verordening het bestaande gebruik vastlegt, dus vastlegt wat er al is of wat mogelijk is, geldt geen totstandkomingprocedure met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen en is er geen beroepsmogelijkheid.

Sinds de Wro in het Staatsblad is verschenen, is in het land discussie ontstaan over het begrip bestaand gebruik. Ten aanzien van de invulling van dit begrip is een enge en een ruime interpetatie mogelijk. De enge opvatting houdt in dat alleen het feitelijk bestaande gebruik wordt vastgelegd. Hierbij wordt uitgegaan van de feitelijke gebruiksvormen op het moment van vaststelling van de verordening. De beheersverordening is in die opvatting een bevriezing van de bestaande situatie («luchtfoto»). De ruime opvatting houdt dat in de beheersverordening het in het voor dat gebied geldende bestemmingsplan toegestane gebruik wordt vastgelegd ook al is dat nog niet gerealiseerd. Dit planologisch toegestane gebruik behoeft dus op het moment van vaststelling van de beheersverordening nog niet het feitelijk bestaande gebruik te zijn. Van een bevriezing van de bestaande situatie behoeft in die opvatting geen sprake te zijn.

Naar de figuur van de beheersverordening is in opdracht van het Ministerie van VROM onderzoek gedaan1. Het onderzoeksrapport stuur ik ter informatie mee. In het onderzoeksrapport is de conclusie opgenomen dat de wetgever omtrent de term bestaand gebruik meer duidelijkheid moet verschaffen. In paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel heeft het kabinet in eerste instantie aangegeven uit te gaan van de enge opvatting, derhalve het feitelijk bestaande gebruik. Deze interpretatie was ingegeven vanuit de gedachte van de «luchtfoto», waarover in het kader van het amendement steeds is gesproken.

Hierop is kritiek gekomen vanuit het veld. De kritiek houdt in dat ten gevolge van de enge opvatting het instrument beheersverordening in feite onbruikbaar wordt. Als argument wordt in de eerste plaats aangegeven dat het uitgaan van het feitelijk bestaand gebruik leidt tot bevriezing van de bestaande situatie zonder rekening te houden met wat er volgens het voorheen geldende bestemmingsplan nog wel was toegestaan. Hierdoor wordt als het ware een krimpfolie over het gebied gelegd. Dit geldt te meer indien zou worden uitgegaan van een enge interpretatie van het begrip «gebruik» als zodanig, namelijk dat hiermee niet de gebruiksvorm detailhandel wordt verstaan, maar het gebruik als slager, bakker of groentenwinkel. Een ander bezwaar is dat ten gevolge van het niet rekening houden met planologisch toegestaan gebruik eventuele gebruiksmogelijkheden die op basis van het bestemmingsplan bestaan maar nog niet feitelijk zijn gerealiseerd met de beheersverordening teniet worden gedaan. Ingevolge artikel 6.1 Wro is dit een grond voor een verzoek om tegemoetkoming in de schade. Tenslotte leidt het feit dat voor aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten als bedoeld in de Monumentenwet 1988 altijd een bestemmingsplan moet worden gemaakt tot een beperking van de reikwijdte van het instrument beheersverordening, ten aanzien van gebieden die vanwege het beschermde karakter op het eerste gezicht bij uitstek voor toepassing van de verordening geschikt lijken.

Het kabinet heeft geenszins de bedoeling het instrument van de beheersverordening onbruikbaar en daarmee het amendement zinledig te maken. Daarom heeft het kabinet de interpretatie van het begrip bestaand gebruik nader in beschouwing genomen. De signalen uit en gesprekken met het veld hebben tot de conclusie geleid dat ook de ruime interpretatie van het begrip mogelijk moet kunnen zijn. De tekst van artikel 3.38 Wro verzet zich daartegen niet.

Indien voor een gebied een bestemmingsplan geldt, moet een gemeente ervoor kunnen kiezen in een beheersverordening het in dat gebied in het bestemmingsplan toegestane gebruik vast te leggen. De reeds in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden kunnen worden gerealiseerd. Nieuwe bouwmogelijkheden van kleine omvang kunnen worden toegestaan door middel van door de gemeente in de verordening op te nemen ontheffingsmogelijkheid (de «binnenplanse» ontheffing), via de in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening op te nemen lijst van kleine «buitenplanse» ontheffingen. Ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang kan de gemeente een projectbesluit nemen. Indien het geldende bestemmingsplan functies bevat die al jarenlang niet zijn benut, kan de gemeente er ook voor kiezen daarvoor het feitelijk bestaand gebruik in een beheersverordening vast te leggen. De functie wordt dan in feite wegbestemd en de ontwikkelingsmogelijkheid wordt in lijn met het doel van de verordening beëindigd. Deze keuze kan in de toelichting bij de verordening worden onderbouwd met het argument dat de ontwikkelingsmogelijkheid wordt beëindigd vanwege het feit dat deze jarenlang niet is benut en het nut van het realiseren van de functie kennelijk niet wordt ingezien. Het vervallen van de functie onderstreept het laagdynamische karakter van het gebied. Een eventueel verzoek om een tegemoetkoming in de schade kan met deze argumenten tegemoet worden getreden. Als voorbeeld: voor een in de wijk gelegen stuk groen waar volgens het bestemmingsplan al jarenlang een school mag worden gebouwd, maar die nog steeds niet is gerealiseerd, wordt als bestaand gebruik het feitelijk gebruik als groenvoorziening vastgelegd. In de toelichting op de verordening wordt te dien aanzien uitgelegd dat met het vaststellen van de beheersverordening in lijn met het doel van de verordening de ontwikkeling van een school niet meer mogelijk is. Het nut van het realiseren van de schoolfunctie is kennelijk al die jaren niet ingezien.

Indien in een gebied geen bestemmingsplan geldt, is het alleen mogelijk het feitelijk bestaande gebruik vast te leggen. Bouwmogelijkheden kunnen worden geboden door in de verordening een regeling voor «binnenplanse» ontheffing op te nemen, of via een buitenplanse ontheffing op grond van de Bro-lijst dan wel door middel van een projectbesluit.

De eerdergenoemde enge interpretatie van het begrip gebruik wordt door het kabinet niet gedeeld. De opvatting dat met gebruik uitsluitend wordt gedoeld op de feitelijke functie van bijvoorbeeld bakker in plaats van de functie detailhandel vindt geen steun in en kan niet worden afgeleid uit de bedoelingen van het amendement Verdaas/Van Bochove/Lenards.

Ter toelichting van het voorgaande het voorbeeld van een woonwijk, die in de 70-er jaren is gebouwd. Zowel in de ogen van de gemeente als van de bewoners is de wijk «af»: met uitzondering van kleine uitbreidingen van woningen of de bouw van dakkapellen, zijn er geen bouwactivivteiten meer en er is ook niemand die dat anders wil. Het is een laagdynamisch gebied, waar een bestemmingsplan geldt. Het is mogelijk voor deze wijk een beheersverordening vast te stellen, die het planologisch toegestane gebruik vastlegt. Dit betekent dat de bestaande situatie wordt vastgelegd. Inspraak, zienswijzen en beroep ten aanzien van die mogelijkheden zijn destijds al geboden bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en zijn derhalve nu niet opnieuw nodig. Andere gewenste bouwmogelijkheden kunnen worden geboden door in de verordening een regeling voor «binnenplanse» ontheffing op te nemen, via een buitenplanse ontheffing op grond van de Bro-lijst dan wel door middel van een projectbesluit. De twee laatstgenoemde besluiten komen tot stand met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Awb met de mogelijkheid van de indiening van zienswijzen en beroep.

Concluderend kan worden gesteld dat bij de invulling van het begrip bestaand gebruik door de gemeente zelf voor het desbetreffende gebied kan worden gekozen voor de enge of de ruime opvatting. De ruime opvatting is evenwel alleen mogelijk indien in een gebied reeds een bestemmingsplan geldt.

In artikel 36 van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat voor gebieden die door de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht een ter bescherming strekkend bestemmingsplan wordt vastgesteld. Dit betekent dat met dit plan de bescherming van dat gezicht wordt gewaarborgd in de vorm van een duurzaam en kwalitatief hoogwaardig toekomstperspectief. Het wetsvoorstel Invoeringswet Wro voorziet niet in een wijziging van deze bepaling, hetgeen betekent dat voor deze gebieden geen beheersverordening kan worden vastgesteld. Dit is in het publieke debat naar aanleiding van de Invoeringswet opgevallen vanuit de gedachte dat de beschermde stads- en dorpsgezichten vanwege hun karakter zich in eerste aanleg bij uitstek lijken te lenen voor de vaststelling van een beheersverordening. Een en ander heeft tot gevolg dat in bepaalde gemeenten, bijvoorbeeld Den Haag, grote delen van de stad zijn uitgesloten van de mogelijkheid om in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vast te stellen, terwijl deze gebieden daarvoor mogelijk wel geschikt worden geacht.

Met mijn ambtgenoot van van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heb ik overleg gevoerd over deze kwestie. Geconstateerd is dat een aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht thans ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988 in de regel dient te worden gevolgd door een bestemmingsplan, waarin de bescherming van dat gezicht wordt gewaarborgd. Als echter een bestaand bestemmingsplan al de nodige bescherming biedt, kan bij het aanwijzingsbesluit worden bepaald dat geen nieuw bestemmingsplan behoeft te worden vastgesteld. Gelet op het karakter van een beheersverordening wordt nu, door aanpassing van het onderhavige wetsvoorstel, de mogelijkheid geboden om bij het aanwijzingsbesluit te bepalen dat in plaats van een bestemmingsplan ook een beheersverordening mag worden vastgesteld. Hiervan zal sprake kunnen zijn als het beschermingsniveau geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vereist, er daarnaast binnen het beschermde gezicht evenmin andere nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden verwacht en derhalve de bestaande situatie overeenkomt met de aanwijzing. Voorts zou het mogelijk moeten zijn om, indien in het verleden overeenkomstig de aanwijzing een beschermend bestemmingsplan is gemaakt of bij de aanwijzing een bestaand bestemmingsplan als voldoende bescherming biedend is aangemerkt en dat bestemmingsplan geactualiseerd moet worden, in overeenstemming met het karakter van de beheersverordening in plaats van een bestemmingsplan nieuwe stijl, een beheersverordening vast te stellen. In de nota van wijziging is het wetsvoorstel overeenkomstig het voorgaande aangepast. Daarbij is bepaald dat, voordat de gemeenteraad een beheersverordening voor een dergelijk gebied vaststelt, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) moet worden gehoord. Per geval verdient de vraag of gekozen wordt voor een beschermend bestemmingsplan of een beheersverordening een zorgvuldige afweging. Het doel van de aanwijzing van een, historisch gegroeid of ontworpen, gebied tot beschermd stads- of dorpsgezicht is immers niet de bestaande toestand – een samenstel van historische structuur, functies en beeld – te bevriezen, maar te bevorderen dat cultuurhistorische waarden duurzaam worden behouden of dat een zorgvuldige doorontwikkeling plaatsvindt met respect voor de historische waarden. Daartoe kan het nodig zijn bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen die de cultuurhistorische waarden negatief beïnvloeden te weren of het kan wenselijk zijn bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te stimuleren om ervoor te zorgen dat het beschermde gezicht zijn maatschappelijke vitaliteit behoudt. Het gemeentelijk ruimtelijk beleid moet daartoe de juiste voorwaarden scheppen, waarbij naast de cultuurhistorische waarden ook andere maatschappelijke belangen moeten worden meegewogen. Dit vereist per beschermd stads- of dorpsgezicht een specifieke afweging van waarden en belangen, en van de vraag wat vanuit het oogpunt van behoud en ontwikkeling het meest geëigende planologische instrument is: het bestemmingsplan of de beheersverordening.

Mocht de vastgestelde beheersverordening onverhoopt toch niet de gewenste bescherming bieden, dan bestaat uiteraard de mogelijkheid de gemeente een aanwijzing ingevolge artikel 4.4, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening te geven waardoor alsnog een beschermend bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Het kabinet verwacht dat de op dit moment in het veld gesignaleerde belemmeringen voor de inzet van de beheersverordening met de voorgaande beschouwingen en de daaraan gekoppelde wijziging van het wetsvoorstel zijn weggenomen. In de invoeringsbegeleiding zal overeenkomstig de toezegging aan uw Kamer aan de beheersverordening actief aandacht worden besteed. Bij de evaluatie van de Wro, die is voorgeschreven 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet, zal het gebruik en de werking van de beheersverordening in de praktijk expliciet in beschouwing worden genomen.

Tenslotte kan ten aanzien van de vraag van de leden van de PvdA welk regime in een gebied geldt nadat ten gevolge van een gerechtelijke uitspraak de rechtsgrond aan de beheersverordening komt te ontvallen het volgende worden opgemerkt.

Ten aanzien van beheersverordeningen is niet voorzien in bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Dat betekent dat de burgerlijke rechter kan worden benaderd, maar dat deze een beheersverordening geheel of gedeeltelijk buiten werking zou stellen is niet erg waarschijnlijk. Praktisch gesproken is eerder denkbaar dat de bestuursrechter, naar aanleiding van een beroep tegen een besluit dat op een beheersverordening is gebaseerd, oordeelt dat een onderdeel van die verordening onverbindend is, bijvoorbeeld wegens strijd met een hogere regeling. Dat oordeel zal ook gelden voor vergelijkbare gevallen, zodat er een «gat» ontstaat. Hierbij is van belang dat het oude bestemmingsplan niet meer geldt en ook niet herleeft. Dat plan is immers vervallen op grond van artikel 3.39 Wro.

Als er een groter of kleiner gat ontstaat in de beheersverordening zal de gemeente hierin moeten voorzien door daarvoor een (herziene) beheersverordening vast te stellen.

Hiernaast kan de gemeente een voorbereidingsbesluit nemen en hieraan de nodige bescherming in de vorm van een aanleg- en sloopvergunningenstelsel of een verbod tot wijziging van het gebruik koppelen. Vervolgens zal zij dan een bestemmingsplan moeten vaststellen.

7. Aanpassing Woningwet (memorie van toelichting 3.3.3)

De leden van de CDA-fractie willen graag een nadere verduidelijking zien hoe het intrekken van een bouwvergunning in de praktijk gaat uitwerken indien door de vergunningverlener zelf een fout is gemaakt.

Ook de leden van de PvdA-fractie hebben de nodige vragen bij de voorgestelde wijzigingen in de Woningwet waardoor bouwvergunningen die niet verstrekt hadden mogen worden ongeldig worden verklaard. Vooral de verhouding met de wijziging in de Woningwet die bouwvergunningen en bestemmingsplanwijzigingen aan elkaar koppelt en deze na vier weken als vergund beschouwt leidt hierbij huns inziens tot onduidelijkheid. Zij vragen zich af hoe wordt voorkómen dat bouwvergunningen van rechtswege zouden worden verstrekt (als na vier weken niet is gereageerd) op plaatsen waar dit vanwege geluidshinder, natuurwaarden (Vogel en Habitatrichtlijn), externe veiligheid of fijnstof niet geoorloofd zou zijn? Immers de bouwvergunning die is verleend, ook van rechtswege, wijzigt in het nieuwe stelsel meteen het bestemmingsplan.

Gemeenten zullen financiële verantwoordelijkheid dragen voor onterecht toegekende bouwvergunningen die achteraf ongeldig blijken. Welke instanties gaan hierop handhaven?

Ook vragen deze leden zich af hoe, indien een vergunning van rechtswege wordt verleend, eventuele belanghebbenden hiervan dan op de hoogte worden gesteld? Op welke wijze worden de rechten van bezwaar en beroep en termijnen uit de Awb gewaarborgd? Wie oefent controle uit op gemeenten of zij tijdig en voldoende breed belanghebbenden informeren?

Genoemde leden vragen voorts hoe gewaarborgd is dat bij bouwvergunningen de passende beoordeling wordt uitgevoerd voor ontwikkelingen in en rond Natuurbeschermingswetgebieden. Hoe wordt bepaald in welke gevallen sprake zou kunnen zijn van externe werking? Hoe wordt voorkomen dat «vergeten» wordt in zulke gevallen een passende beoordeling uit te voeren? Wat gebeurt er met de bedrijven die zonder Natuurbeschermingswetvergunning in het verleden zijn uitgebreid nabij natuurgebieden? Vallen deze ook onder het regime dat geldt voor vergunningen die nooit verstrekt hadden mogen worden en derhalve als niet verstrekt moeten worden beschouwd? Wat is de consequentie als een bouwvergunning ten onrechte of van rechtswege is verleend en deze vervolgens kan worden geëffectueerd? Welke instantie bepaalt dit? Welke instantie communiceert hierover met de aanvrager? In dat geval, wat gebeurt er met die bedrijven?

Voorgesteld wordt om in de Woningwet in artikel 50 een bepaling op te nemen dat B&W een bouwvergunning kunnen verlenen als deze in overeenstemming is met een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan (derde lid, onder a). Hiervoor was in de ogen van de leden van de PvdA-fractie het projectbesluit bedoeld. Dat besluit kent een zorgvuldige voorbereiding, met inspraak, watertoets en dergelijke. In artikel 50 van de Woningwet wordt in het vierde lid bepaald dat de openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, maar dan alleen voor bouwaanvragen als bedoeld in het derde lid, sub b, (projectbesluiten) en niet als bedoeld in het derde lid, sub a. Op verzoek van de Kamer is de projectprocedure in de wet opgenomen. Juist om bouwwerken met enige spoed te kunnen realiseren, vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan.

De leden van de fractie van de VVD verzoeken eveneens om een nadere toelichting op de voorwaarden waaronder, volgens het wetsvoorstel, bouwvergunningen ingetrokken kunnen worden. Wat zijn de mogelijkheden voor gemeenten om, indien na vergunningverlening blijkt dat er bij de vergunningverlening een fout is gemaakt aan gemeentelijke zijde, deze bouwvergunning alsnog in te trekken? Kan de regering voor de volledigheid ook ingaan op de mogelijkheden voor gemeenten om bij gebleken fouten aan de kant van de vergunningaanvrager, een al verleende bouwvergunning in te trekken? Om wat voor soort fouten gaat het?

Het wetsvoorstel zal, naar de leden van de ChristenUnie-fractie begrepen hebben, nog via een nota van wijziging worden aangepast, waardoor een vergunning, die aantoonbaar in strijd met het bestemmingsplan is verleend, kan worden ingetrokken. Deze leden vragen zich af of een dergelijke bepaling niet tot grote onzekerheid zal leiden bij degenen aan wie een bouwvergunning is verleend? Kunnen mensen er nog wel vanuit gaan dat een verleende bouwvergunning terécht is verleend? Tot wanneer kan een, achteraf bezien onterecht verleende bouwvergunning, weer worden ingetrokken? Hoe zal bijvoorbeeld worden gehandeld in het geval dat de bouw van een woning, op basis van een, achteraf bezien, onterecht verleende bouwvergunning reeds heeft plaats gevonden? Dient bij deze mogelijkheid tot intrekking niet een zodanige beperking te worden aangebracht dat de mogelijkheden hiertoe in de tijd worden begrensd? Wie is in een dergelijke situatie verantwoordelijk voor eventuele schade en reeds gemaakte kosten? Is deze risicoaansprakelijkheid afdoende geregeld? Zo ja, hoe?

Algemeen

De gang van zaken rond de besluitvorming op aanvragen om een (reguliere) bouwvergunning is als volgt.

Als een vergunningaanvraag wordt ingediend moet deze getoetst worden aan de criteria die in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet zijn opgenomen. Voldoet de aanvraag aan al deze criteria dan moet de vergunning worden verleend. Het besluit hiertoe moet binnen twaalf weken worden genomen. Gebeurt dit niet of niet tijdig dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend.

Indien een bouwvergunning van rechtswege is verleend, moeten buren hiervan ingevolge artikel 58 van de Woningwet schriftelijk op de hoogte worden gesteld binnen twee weken na die verlening. Als hieraan geen gevolg wordt gegeven en de buren overschrijden de bezwarentermijn bij het indienen van een bezwaarschrift, dan is die overschrijding verschoonbaar, mits zij zo snel mogelijk (volgens de jurisprudentie in beginsel twee weken) nadat zij met het bestaan van de bouwvergunning bekend waren dan wel bekend hadden kunnen zijn, alsnog bezwaar hebben gemaakt.

Bouwvergunning en bestemmingsplan

Ingevolge artikel 46 van de Woningwet is bovengenoemde (fatale) beslistermijn niet van toepassing op aanvragen die betrekking hebben op bouwwerken voor het bouwen waarvan slechts vergunning kan worden verleend na het verlenen van vrijstelling ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening (in het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel: ontheffing ingevolge de Wet ruimtelijke ordening of projectbesluit). Een dergelijke aanvraag wordt dan geacht mede een verzoek om de benodigde vrijstelling/ontheffing in te houden. Als hiervan sprake is moet eerst besloten worden omtrent die vrijstelling/ontheffing, waarmee de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt opgeheven, en vervolgens binnen vier weken omtrent de bouwvergunning. In veel gevallen worden beide besluiten (nagenoeg) gelijktijdig genomen.

Wordt, na het verlenen van de vrijstelling/ontheffing, evenwel niet binnen die vier weken omtrent de bouwvergunning beslist dan geldt er een vergunning van rechtswege.

Het is dus niet zo dat, als een aanvraag in strijd is met een bestemmingsplan, er sprake kan zijn van een vergunning van rechtswege zonder dat eerst uitdrukkelijk is besloten vrijstelling/ontheffing te verlenen.

Het stelsel zoals hiervoor beschreven is al sinds oktober 1992 in de Woningwet verankerd en wordt door de Invoeringswet Wro niet gewijzigd. Evenmin is dit overigens het geval bij het aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Wet geluidhinder en enkele andere wetten (Kamerstukken II 2006/07, 30 848). Bij deze laatste wijziging wordt slechts dit stelsel dat nu over de artikelen 46 en 49 van de Woningwet is gespreid, gestroomlijnd en in één artikel, artikel 46, ondergebracht.

De in de nota van wijziging, behorend bij deze nota naar aanleiding van het verslag, voorgestelde aanpassing van artikel 46 van de Woningwet, strekt er slechts toe de wijziging die genoemd wetsvoorstel in de Woningwet aanbrengt, redactioneel met de nieuwe Wro in overeenstemming te brengen.

Bij de discretionaire beslissing omtrent een aanvraag voor een ontheffing kunnen in voorkomend geval belemmerende omstandigheden als geluidhinder, natuurwaarden, externe veiligheid of fijnstof juist een doorslaggevende rol spelen om op die aanvraag negatief te besluiten.

Als in het nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel sprake is van een projectbesluit zal dit nog sterker gelden. Hierbij moet immers aan dezelfde eisen worden voldaan als bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Een goede ruimtelijke onderbouwing eist een zorgvuldige belangenafweging, waarbij wettelijk bepaalde zoneringen of contouren randvoorwaarden vormen.

Aanhouding en doorbreking

Indien voordat de bouwaanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit is genomen of een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd en er geen grond is de vergunning te weigeren, wordt ingevolge artikel 50 van de Woningwet de beslissing omtrent de bouwvergunning aangehouden. Deze aanhouding kan worden doorbroken indien de aanvraag in overeenstemming is met het toekomstige bestemmingsplan. Deze regeling is bij de Invoeringswet Wro voornamelijk redactioneel en technisch aangepast. In het nieuwe derde lid, onder a, is de mogelijkheid, die nu in het vierde lid van artikel 50 van de Woningwet is opgenomen, gehandhaafd. Het gaat hierbij om aanvragen voor bouwwerken die zowel in het oude als in het nieuwe plan passen en die niet nodeloos behoeven te worden opgehouden. Dergelijke aanvragen doorlopen de normale voor bouwaanvragen geldende procedure. In het nieuwe derde lid, onder b, is de mogelijkheid die nu in het vijfde lid van dat artikel is vervat, vertaald naar het projectbesluit. Het gaat hierbij om de verwezenlijking van een project, dat onder meer bouwwerken omvat, dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan en waarvoor dit plan buiten toepassing blijft. Ten behoeve hiervan kan eveneens de aanhouding worden doorbroken. De ruimtelijke onderbouwing geeft aan waarom die afwijking nuttig en nodig is, welke belangen daarbij zijn afgewogen en hoe de planologische structuur wordt vormgegeven. Bij de daarop volgende wijziging van het bestemmingsplan binnen één onderscheidenlijk drie of vijf jaar wordt deze structuur overeenkomstig het projectbesluit vastgesteld. Bij een dergelijk projectbesluit dient de voor dat besluit voorgeschreven procedure van afdeling 3.4 van de Awb te worden gevolgd. Dit is vastgelegd in artikel 50, vierde lid.

Bij de beantwoording van deze vraag van de leden van de PvdA-fractie is mij gebleken dat er in den lande geluiden klinken als zou het projectbesluit een teruggang betekenen naar het oude artikel 19 WRO, zoals dit luidde voor de introductie van de zelfstandige projectprocedure met ingang van 3 april 2000. Onderbouwing hiervan wordt gevonden in de koppeling van het projectbesluit aan het bestemmingsplan ten gevolge van het in de Wro ten aanzien van een projectbesluit opgenomen inpasbaarheidsvereiste. Hierdoor zou bij de besluitvorming omtrent een project het normenkader van het bestemmingsplan gelden.

Deze interpretatie wil ik toch met nadruk afwijzen. Zij strookt niet met de bedoelingen achter de desbetreffende bepalingen in de Wro. Niet alleen het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing weerlegt reeds dit standpunt, maar bovendien kan een projectbesluit onafhankelijk van een bestemmingsplan in procedure of een voorbereidingsbesluit worden voorbereid en vastgesteld. In zoverre lijkt het op de huidige zelfstandige projectprocedure. Deze heeft echter het nadeel dat zij geheel onafhankelijk is van een latere verwerking in het bestemmingsplan. Dat nadeel wordt nu opgeheven door voor te schrijven dat het projectbesluit moet worden gevolgd door een bestemmingsplan dat in overeenstemming is met dat projectbesluit. Deze «administratieve afhechting» zorgt voor de actualiteit van het betrokken bestemmingsplan. Bovendien zal het sluitstuk van de regeling van het projectbesluit, het opschorten van de bevoegdheid leges te innen en, bij niet tijdige aanpassing van het bestemmingsplan aan het projectbesluit, het vervallen van die bevoegdheid als zodanig, een stok achter de deur zijn om daadwerkelijk het bestemmingsplan tijdig overeenkomstig dat projectbesluit vast te stellen. Het is duidelijk dat het projectbesluit hierbij leidend is en het bestemmingsplan volgend. Het projectbesluit geeft de beoogde wijziging aan, vervolgens wordt een nieuw bestemmingsplan voorbereid dat de regels voor het beheer van die nieuwe bestemming vastlegt. Tenslotte merk ik in dit verband nog op dat voor de bij het projectbesluit betrokken grond het projectbesluit toetsingskader is zolang het bestemmingsplan nog niet hiermee in overeenstemming is gebracht.

Om buiten twijfel te stellen dat het projectbesluit werkelijk iets anders is dan de oude artikel 19-vrijstelling van vóór 3 april 2000 is bij nota van wijziging de redactie van artikel 3.13 in dit opzicht nog verduidelijkt.

Intrekking bouwvergunning

In de Invoeringswet is in artikel 8.17, onderdeel K, de mogelijkheid opgenomen om wanneer een bouwvergunning ten onrechte is verleend deze in te trekken. Bij de voorbereiding van deze regeling zijn abusievelijk de voorwaarden waaronder van deze intrekkingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt niet anders geformuleerd dan dat het zou moeten betreffen een vergunning die had moeten worden geweigerd dan wel had moeten worden aangehouden. Dit is veel te algemeen gesteld en schept rechtsonzekerheid voor de vergunninghouder, zoals bovengenoemde leden terecht stellen.

Bij nota van wijziging zijn dan ook de voorwaarden aangescherpt, zodat duidelijk is dat het om uitzonderlijke situaties moet gaan om deze bevoegdheid te gebruiken.

Bij de voorbereiding van het voorstel tot aanpassing van artikel 59 is uitgegaan van de noodzaak een situatie te voorkomen als zich in het verleden heeft voorgedaan in Valkenswaard, waar willens en wetens in flagrante strijd met het bestemmingsplan bouwvergunning werd verleend (uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2002, AB 2003, nrs. 1 en 2). Slechts na buitengewoon veel bestuurlijke lasten kon aan die bewuste niet naleving van het bestemmingsplan een einde worden gemaakt.

Naleving van de bij een bestemmingsplan door de gemeente zelf vastgelegde normen geschiedt immers met name door beslissingen op bouwaanvragen.

Het gaat daarbij dan dus in de eerste plaats om ruimtelijk gerelateerde toetsingsgronden. Artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet noemt in dit verband strijd met het bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Daarnaast moet ten gevolge van de in artikel 8.17, onderdeel A, van de Invoeringswet opgenomen wijziging van de Woningwet bij de beoordeling van een bouwaanvraag ook aan een inpassingsplan of beheersverordening worden getoetst. Voorts worden in artikel 8.17, onderdeel D, twee ruimtelijk gerelateerde toetsingsgronden aan artikel 44, eerste lid, van de Woningwet toegevoegd. Dit zijn de provinciale verordening en de algemene maatregel van bestuur – voor zover deze regels bevatten als bedoeld in het derde lid van artikel 4.1. respectievelijk 4.3 Wro – en een exploitatieplan of de krachtens zo’n plan gestelde eisen.

Niet zonder meer elke vergunning die in strijd met dergelijke ruimtelijke toetsingscriteria is verleend, zal voor intrekking in aanmerking moeten kunnen komen. Het is denkbaar dat de met het bestemmingsplan strijdige situatie door het alsnog verlenen van ontheffing of het nemen van een projectbesluit of door het alsnog aanpassen van het bestemmingsplan met het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht. Indien dit echter niet wordt overwogen of niet is toegestaan, kan er sprake zijn van ontoelaatbaar ernstig nadelige gevolgen voor de ruimtelijke ordening. In dat geval kan een intrekking van de vergunning overwogen worden.

Natuurlijk kan hierbij niet voorbijgegaan worden aan de belangen van degene die te goeder trouw een (in rechte onherroepelijke) vergunning heeft verkregen. In beginsel moet deze er toch vanuit kunnen gaan dat de vergunningverlener de toetsingscriteria goed heeft nageleefd en de vergunning terecht is verleend. Wordt na afweging van alle belangen uiteindelijk toch tot intrekking overgegaan, dan ligt een vergoeding van de door de vergunninghouder geleden schade op voet van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de rede indien hij een onevenredig nadeel zou leiden. Dat zal in het bijzonder aan de orde zijn indien de vergunninghouder reeds gebruik heeft gemaakt van de vergunning of in aanloop daartoe reeds investeringen heeft gepleegd. Daarnaast geldt mogelijk dat de gemeente jegens de vergunninghouder onzorgvuldig heeft gehandeld door in strijd met de wet een vergunning te verlenen en hij met een beroep op onrechtmatige overheidsdaad een claim jegens de gemeente indienen bij de civiele rechter.

Voor een gerechtvaardigde claim spelen wel allerlei aspecten een rol. Indien bijvoorbeeld aangenomen kan worden dat de vergunninghouder wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de vergunning hem niet verleend had mogen worden en dat ook een ontheffing niet tot de reële mogelijkheden behoorde, dan behoeven zijn belangen toch beduidend minder zwaar te wegen. Ook dit wordt bij een dergelijke schadeclaim wegens onrechtmatige overheidsdaad door de rechter meegewogen.

Het sluitstuk van deze regeling zit in artikel 7.6 van de Wro en in het nu bij nota van wijziging voorgestelde, daarmee overeenkomstige, artikel 100aa van de Woningwet. De Minister van VROM kan als dat in het belang van een goede ruimtelijke ordening geboden is de intrekking van de bouwvergunning vorderen en indien hieraan geen gevolg wordt gegeven hiertoe zelf overgaan. Het ligt in de rede dat slechts bij zeer ernstige gevallen of grove nalatigheid hieraan toepassing zal worden gegeven.

Met het voorstel voor de bevoegdheid voor gedeputeerde staten ingevolge artikel 7.7 van de Wro, en het daarmee corresponderende artikel 100ab van de Woningwet, om, indien dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening ter behartiging van provinciale belangen geboden is, de gemeente te verzoeken om tot intrekking van een aanleg-, sloop of bouwvergunning over te gaan, is beoogd buiten twijfel te stellen dat gedeputeerde staten onder dergelijke omstandigheden als belanghebbend zijn aan te merken.

Ik kom dan tenslotte op de relatie met de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet), die de leden van de PvdA-fractie aan de orde hebben gesteld.

Wat betreft de waarborg voor het uitvoeren van een passende beoordeling op grond van de Nb-wet voor ontwikkelingen in en rond Natuurbeschermingswetgebieden merk ik op, dat dit eigenlijk geen vraag is over de Invoeringswet Wro, de Wro of de Woningwet. De algemene notie is dat men in wetten niet kan regelen dat ze altijd correct nageleefd worden. Een gemeentebestuur zou voldoende alert moeten worden gemaakt dat bij een bestemmingsplanherziening, een projectbesluit of een bouwvergunning mede toetsing nodig is aan de Nb-wet. Overigens is het zo dat als bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, projectbesluit of bouwvergunning een MER of een strategische milieubeoordeling moet worden gemaakt, deze mede een passende beoordeling bevat.

Ook is in de Nb-wet een coördinatiemogelijkheid geboden. Het bevoegd gezag bevordert dat in geval van een Nb-wetvergunning de aanvrager in kennis wordt gesteld van de noodzakelijkheid van andere vergunningen, ontheffingen of besluiten. Indien de bouwvergunning niettemin wordt verleend, is het mogelijk dat deze wegens strijd met de Nb-wet niet kan worden geëffectueerd. De Wro of de Woningwet bieden echter geen grondslag voor intrekking om deze reden.

In dit kader wijs ik erop, dat een Handreiking voor de Vergunningverlening Natuurbeschermingswet 1998 is opgesteld die een methode aanbeveelt om de relevantie van de externe werking van het beschermingsregime na te gaan.

Op de vraag naar de situatie met betrekking tot bedrijven die in het verleden zonder Nb-wetvergunning zijn uitgebreid in de nabijheid van natuurgebieden, is niet zonder meer een eenduidig antwoord te geven; dit is mede afhankelijk van onder meer het moment waarop die uitbreiding heeft plaatsgevonden en van de op dat moment geldende eisen.

8. Aanpassing Wet milieubeheer

De leden van de VVD-fractie refereren aan het besluit naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede om de Wet milieubeheer aan te passen, zodat milieubelastende activiteiten in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer mede getoetst kunnen worden op de consequenties daarvan voor de kwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving. Dit om bijvoorbeeld het vestigen of in stand houden van bepaalde milieubelastende bedrijven nabij woonwijken te kunnen voorkomen, of om de mogelijkheid te hebben om hieraan bepaalde voorschriften te kunnen verbinden. Deze wijziging van de Wet milieubeheer wordt doorgevoerd in dit wetsvoorstel. Deze leden vragen of de regering kan toelichten om wat voor voorschriften het hierbij gaat? Waar in de wet worden (de bevoegdheden voor het stellen van) deze voorschriften nader gespecificeerd? Worden er hiervoor bijvoorbeeld bepaalde minimale afstanden gehanteerd, dan wel zones die moeten worden aangehouden?

Het wetsvoorstel voorziet door middel van artikel 8.8 (wijziging van de de Wet milieubeheer), meer in het bijzonder onderdeel B, in een aanvulling van de Wet milieubeheer in die zin dat het gezag dat de milieuvergunning verleent, ervoor zorg dient te dragen dat bij de vergunningverlening geen strijd ontstaat met de regels die mede bij of krachtens de Wro voor die inrichting gelden. Verder voorziet onderdeel C erin dat een milieuvergunning tevens geweigerd moet worden in het geval dat door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

In antwoord op de vragen van de leden van de fractie van de VVD kan allereerst worden opgemerkt dat op dit moment bij de Wro zelf geen eisen worden gesteld voor bedrijfsmatige activiteiten. Krachtens de Wro kunnen via het bestemmingsplan evenwel eisen aan (vestigingsmogelijkheden van) bedrijven worden gesteld.

Het bestemmingsplan is op gemeentelijk niveau het afstemmingskader tussen milieubeleid en ruimtelijk beleid. Een optimaal samenspel tussen milieu en ruimtelijke ordening zou moeten leiden tot een juiste afweging van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen, die vervolgens wordt vastgelegd in bestemmingsplannen en (gebruiks)voorschriften. Deze zijn vanwege hun normerend karakter bindend voor een ieder en dienen als toetsingskader bij bouw- en aanlegvergunningen. Maar gezien de thans vigerende wetgeving en de op basis daarvan ontwikkelde jurisprudentie moet worden vastgesteld dat in situaties waarin naast een vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet tevens een bouwvergunning is vereist, de aanvraag om de milieuvergunning niet kan worden getoetst aan het geldende bestemmingsplan.

Bestemmingsplannen kunnen normen bevatten ter bescherming van het milieu zoals vestigingsnormen en collectieve normen (geluidszones, veiligheidszones etc.). Op grond daarvan kan de toelaatbaarheid van individuele bedrijven binnen het bestemmingsplankader worden beoordeeld. Het wetsvoorstel voorziet erin dat een aanvraag om een milieuvergunning voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting direct kan worden getoetst aan de normen in het bestemmingsplan. Het voorkomt dat een vergunning om strikt milieuhygiënische redenen zou moeten worden afgegeven, terwijl er tegelijkertijd een strijdigheid is met het planologisch regime.

De regeling voorziet overigens ook in een voorziening voor het geval dat een bestemmingsplan bij nadere beschouwing niet of niet adequaat een «vertaling» bevat van eisen die krachtens hoofdstuk 4 van de Wro in een amvb of verordening zijn gesteld. In dit verband kan als voorbeeld worden gewezen op het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De formulering omvat mede de opdracht aan het bevoegd gezag de aanvraag van de milieuvergunning te toetsen aan die regels.

9. De begeleiding bij de inwerkingtreding van de Wro en de Invoeringswet Wro

De leden van de PvdA-fractie geven aan van mening te zijn dat invoeringsbegeleiding essentieel is om problemen te voorkomen en goed gebruik van de gewijzigde wet te bevorderen. Deze leden vragen op welke wijze de Kamer hier meer zicht op kan krijgen opdat haar controlerende taak goed tot uiting kan komen. Deze leden stellen bovendien dat gebruik en betekenis van het instrumentarium afhangt van de wijze van gebruik, en vragen hoe de regering het gebruik en de meerwaarde van het nieuwe instrumentarium in relatie tot het bereiken van inhoudelijke doelstellingen ziet. En wat zijn de doelen die onderscheiden kunnen worden?

De leden van de fractie van de ChristenUnie geven, ook in dit kader, aan blij te zijn dat door het Ministerie van VROM het begeleidingsproject «Invoering Wro» is opgezet.

Om betrokkenen in het werkveld goed voor te bereiden op de nieuwe Wro, is binnen mijn departement een apart project «Invoeringsbegeleiding nieuwe Wro» opgezet. Dit project loopt sinds een kleine twee jaar en zal dit jaar de piek van zijn activiteiten kennen. Doel van het project is om ervoor te zorgen dat op het moment van inwerkingtreding de noodzakelijke kennis bij de doelgroepen aanwezig is en dat zij tijdig over de voor hen noodzakelijke informatie beschikken om hun werkprocessen aan te kunnen passen. Activiteiten die gedurende de afgelopen periode hebben plaatsgevonden, zijn onder andere: de organisatie van bijeenkomsten voor bestuurders en ambtenaren van provincies en gemeenten rond het drieluik Nota Ruimte – nieuwe Wro – grondbeleid, bijeenkomsten met provinciale en gemeentelijke ambassadeurs voor de nieuwe Wro, die als scharnier fungeren tussen mijn departement en hun achterban, de productie van informatiemateriaal alsmede voorbereidende werkzaamheden voor het vervolg van het project. Activiteiten die voor het vervolg van 2007 gepland staan zijn onder andere: verdiepingsbijeenkomsten voor departementen, provincies, gemeenten en waterschappen, installatie van een helpdesk, opstellen van een procesbeschrijving van de bestemmingsplanprocedure onder de werking van de nieuwe Wro, inclusief de organisatie van de digitale processen, en het vervaardigen van één of meerdere handboeken. Het spreekt vanzelf dat deze activiteiten in nauwe samenwerking met betrokkenen in en uit het werkveld tot stand komen. Via de website van mijn ministerie zal ook informatie beschikbaar worden gesteld die voor betrokkenen van belang is. Ter informatie stuur ik een schematisch overzicht mee van het activiteitenprogramma zoals ik dat nu voor ogen heb (zie bijlage).

De nieuwe Wro beoogt onder meer stroomlijning van procedures, heldere rolverdeling tussen de overheden, waarbij de provincies voor provinciaal belang en het rijk voor nationaal belang verantwoordelijk zijn, en een duidelijk onderscheid in rol en status van bevoegdheden (structuurvisie voor beleid, bestemmings- c.q. inpassingsplan en projectbesluit voor uitvoering en algemene regels en de aanwijzing voor doorwerking); kortom een ruimtelijk ordeningsstelsel dat werkt! Ik ben het eens met de leden van de PvdA-fractie dat het bereiken van deze doelstellingen in grote mate afhankelijk is van de aanwezigheid van de juiste kennis bij de actoren binnen het speelveld van de ruimtelijke ordening. Zoals ik hierboven heb aangegeven speelt de invoeringsbegeleiding hierin een wezenlijke rol, enerzijds door het aanreiken van kennis en informatie, anderzijds door het stimuleren en faciliteren van deze actoren om ook zelf reeds aan de slag te gaan met de nieuwe wet. De opmerking van de leden van de ChristenUnie-fractie terzake beschouw ik als een steun in de rug om door te gaan op deze weg. Op de hierboven geschetste wijze geef ik bovendien invulling aan de toezegging gedaan aan uw Kamer tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wro dat ik betrokken ambtenaren en bestuurders in het land actief zal informeren over de nieuwe Wro.

De leden van de SP-fractie constateren bij gemeenten een tekort aan kennis en vaardigheden op het gebied van de ruimtelijke ordening. De snel op elkaar volgende moderniseringen van de VROM-regelgeving maken het voor gemeenteambtenaren nagenoeg onnavolgbaar. Ook de nieuwe Wro brengt weer veel veranderingen met zich mee. Slechts degenen die dagelijks de politiek en rechterlijke uitspraken volgen, zijn in staat alle implicaties te overzien, aldus deze leden. In de praktijk laten gemeenten zich daarom graag bijstaan door architecten, projectontwikkelaars en adviesbureaus. De verrommeling van het landschap toont aan dat dit geen gewenste ontwikkeling is. Is het mogelijk, zo vragen de leden van de SP-fractie, om in aansluiting op de digitalisering van bestemmingsplannen (DURP) een standaardisering in bestemmingen en componenten aan te brengen? Dit maakt zowel de uitvoering door betrokken ambtenaren als de handhaving door de VROM-Inspectie overzichtelijk en eenduidig. De leden van de SP-fractie vragen om diezelfde reden ook hoe de Invoeringswet Wro zich zal verhouden tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wabo, die mogelijk al in 2008 zal worden ingevoerd. Is het voor het begrip en ter voorkoming van bureaucratische verwarring niet zinvol de ingangsdatum te synchroniseren met die van de Invoeringswet Wro, zo vragen deze leden.

Het wetgevingstraject van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening met de daarbij behorende Invoeringswet Wro is in principe een apart traject ten opzichte van het wetsvoorstel algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Invoeringswet Wro is nodig om de nieuwe Wro, die reeds in november 2006 in het Staatsblad is geplaatst, in werking te kunnen laten treden. De Wabo bevindt zich in een ander stadium van het wetgevingstraject dan de Wro. Mede gelet op de geluiden uit het werkveld dat het tijd wordt dat de nieuwe Wro in werking treedt, ben ik er geen voorstander van om de datum van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro afhankelijk te maken van die van de Wabo. Dit zou geen goed signaal zijn naar al die provincies en gemeenten die bezig zijn, met juist die datum in het achterhoofd, zich op die inwerkingtreding voor te bereiden. Koppeling van deze data zou bovendien betekenen dat gemeenten in één keer met een extra werklast geconfronteerd zouden worden.

Ik ben het wel eens met de leden van de SP-fractie dat getracht moet worden de nieuwe ontwikkelingen en veranderingen die zullen optreden zo duidelijk en volledig mogelijk over het voetlicht te brengen. Hiervoor verwijs ik deze leden naar mijn uiteenzetting over het project Invoeringsbegeleiding nieuwe Wro. Overigens ontvang ik regelmatig signalen dat men in het land goed op stoom geraakt met de voorbereiding op het nieuwe wettelijk stelsel. Ik heb, zonder de rol van mijn departement hierin te veronachtzamen, vertrouwen in de kwaliteiten van provincies en gemeenten op het gebied van de ruimtelijke ordening.

Voor wat betreft de digitalisering wil ik het volgende opmerken. In het nieuwe wettelijk stelsel zullen ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar gesteld moeten worden. Binnen mijn departement loopt sinds 2001 het stimulerings- en implementatieprogramma Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen (DURP) dat zich hiermee bezig houdt. Na het aanvankelijk alleen nog stimuleren van alle overheden om met digitale plannen aan de slag te gaan, is daar nu een extra component bijgekomen. Dit betreft de zogenaamde wettelijke verankering. In het Besluit ruimtelijke ordening, dat op dit moment voorhangt bij uw Kamer, alsmede een ministeriële regeling (met de werktitel Regeling ruimtelijke documenten) zullen de vereisten worden neergelegd die noodzakelijk zijn om tot beschikbaarstelling, vergelijkbaarheid en gebruik van digitale ruimtelijke plannen te komen. In genoemde Regeling ruimtelijke documenten, die momenteel in voorbereiding is, zullen standaarden worden neergelegd die bij het opstellen van ruimtelijke plannen in acht genomen moeten worden. Voor bestemmingsplannen is reeds een standaard voor vergelijkbaarheid ontwikkeld. De standaardisering van bestemmingen, waarop de leden van de SP-fractie wijzen, is al klaar en zal in vernoemde regeling wettelijk worden verankerd. Dit zal, zo ben ik met deze leden eens, bijdragen aan verbeteringen van de toegankelijkheid van ruimtelijke plannen en verbetering van de handhaving; kortom grotere transparantie, kwaliteit en dienstverlening van de overheid.

10. Toetsing van de gevolgen van het wetsvoorstel (memorie van toelichting hoofdstuk 7)

De Rijksplanologische Dienst constateerde in februari 2000 dat er behoefte was aan nieuwe bestuurlijke verhoudingen rond de ruimtelijke inrichting, verheldering van begrippen, minder bureaucratie en minder juridificering van planvorming en projectuitvoering. De leden van de SP-fractie vragen na bestudering van het wetsvoorstel of met dit nieuwe wettelijk kader deze taakstellingen zijn bereikt. Om de Invoeringswet hierop zorgvuldig te kunnen beoordelen is in de eerste plaats meer inzicht in de begripsbepalingen nodig. Wat of wie zijn bijvoorbeeld belanghebbenden? Wat is rijksbelang en wat provinciebelang? Hoe wordt de ruimtelijke kwaliteit gedefinieerd?

De Wet ruimtelijke ordening sluit aan bij de hedendaagse opvattingen over bestuurlijke verhoudingen. Dit betekent dat bemoeienis van een hogere overheid met een lagere aan de orde is wanneer dit vanuit het specifieke belang van die hogere overheid noodzakelijk is. De Wet ruimtelijke ordening legt het zwaartepunt bij de gemeente als het meest geschikte overheidsniveau. Op dat niveau kan in het algemeen gesproken bij ruimtelijke normstelling beter rekening worden gehouden met relevante feiten en omstandigheden. Indien de aard of de schaal van de problematiek er toe nopen dat een hoger bestuursniveau een aangelegenheid moet aanpakken, maakt de Wet ruimtelijke ordening dat mogelijk. Dit houdt in dat normstelling en eventueel uitvoering op dát niveau plaatsvindt dat op democratisch gelegitimeerde wijze verantwoordelijk en ook het meest geschikt wordt gehouden om op een effectieve wijze het maatschappelijk vraagstuk op te lossen. De bevoegdheid volgt dus de verantwoordelijkheid.

Het wetsvoorstel koppelt de inzet van de bevoegdheid van het hogere bestuursorgaan aan het criterium dat er sprake moet zijn van een provinciaal of nationaal belang. Het zijn de politieke, sociaal-economische en maatschappelijke opvattingen die op een gegeven moment bepalen op welk niveau en door welk bestuursorgaan een bepaalde kwestie adequaat kan en dient te worden aangepakt. In onze ruimtelijke ordeningstraditie is dit al jaren zo en werkt het ook. Procedurele voorzieningen in het wetsvoorstel waarborgen dat rijk en provincies zorgvuldig met hun bevoegdheden zullen omgaan. Om onnodige doublures in de parlementaire stukken te voorkomen, wil ik de aan het woord zijnde leden voor een nadere verdieping van het bovenstaande graag verwijzen naar het antwoord op een gelijksoortige vraag van de Eerste Kamer in het onderdeel«Begrippen» van de Memorie van Antwoord bij wetsvoorstel 28 916 (Wet ruimtelijke ordening).

Het belanghebbende-begrip komt in de Wet ruimtelijke ordening enkele malen voor. Hier geldt de definitie van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): onder een belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De Awb bepaalt in dat artikel tevens dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. De algemene omschrijving van het belanghebbende-begrip in de Awb is in de jurisprudentie nader geconcretiseerd. Daaruit kan een aantal criteria worden afgeleid die bepalend zijn of iemand ook als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het belang dat iemand stelt te hebben, moet Objectief zijn (een persoonlijke beleving is onvoldoende), het moet Persoonlijk zijn en Eigen (geen belangen van anderen buiten de persoonlijke kring), Rechtstreeks geraakt (dat wil zeggen er mag niets tussen zitten, bijvoorbeeld een grote afstand) en Actueel (het belang moet nú aanwezig zijn en dus geen potentieel belang in de toekomst). In de Wro worden geen beperkingen of verruimingen van het belanghebbende-begrip van de Awb aangebracht.

Het begrip «duurzame ruimtelijke kwaliteit» treft men alleen aan in de considerans van de Wet ruimtelijke ordening. Ik erken dat het bij een eerste benadering als een abstract streefbeeld kan worden ervaren.

Het begrip ziet op een evenwicht tussen enerzijds voldoende ruimte voor bestaande en toekomstige maatschappelijke behoeften, en anderzijds het behoud of de verbetering van de fysieke ruimte en het gebruik daarvan in termen van belevingswaarde en duurzaamheid en de zorg voor kwetsbare belangen, zoals die van de sociaal zwakke groeperingen, natuur en milieu. Het streven naar dit evenwicht waarborgt dat geen collectieve belangentegenstellingen ontstaan.

De eisen die onze samenleving stelt aan de fysieke ruimte zijn hoog. Te denken is aan kwaliteitseisen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van mensen, maar ook aan kwaliteitseisen met ruimtelijke implicaties op het gebied van het waterbeheer, de ontwikkeling van natuur en/of recreatie, de bescherming van culturele en archeologische waarden, de energievoorziening (bijvoorbeeld locaties voor windmolens). Voor verschillende beleidsterreinen zijn kwaliteitsnormen geformuleerd die direct van invloed zijn op de ruimtelijke besluitvorming. Een goede ruimtelijke ontwikkeling verlangt dat de overheid telkens alle in het geding zijnde belangen met een ruimtelijke dimensie afweegt en de besluitvorming over het ruimtegebruik zo inricht dat dit leidt tot een kwalitatief goede ruimtelijke en maatschappelijke ordening, die niet alleen voor de korte termijn tevredenheid geeft maar ook aan de toekomstige generaties. Dit vergt een visie op, en een beschrijving van, de voor het betrokken gebied wenselijk geoordeelde ruimtelijke ontwikkeling.

Ik meen dat met de verdieping die de Nota Ruimte aan dat begrip heeft gegeven, het streefbeeld van het overheidshandelen op het terrein van de ruimtelijke ordening, te weten duurzame ruimtelijke kwaliteit, veel minder abstract is dan het in eerste opzicht lijkt.

De leden van de SP-fractie geven aan uit de woorden van voormalig Minister Winsemius op te maken dat algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) de stofzuigers worden voor de nadere uitwerkingen van de nieuwe Wro. Deze leden nemen aan dat het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dat ook zal zijn. De leden van de SP-fractie vragen wanneer de Kamer het Bro en de aanvullende amvb’s kan verwachten, of aan de amvb’s voorhangprocedures zijn verbonden, en als dat het geval is, of deze amvb’s dan wel tijdig gereed zijn voor de beoogde inwerkingtreding van de Wro.

Net zoals de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening nader is uitgewerkt in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985), heeft ook de nieuwe Wet ruimtelijke ordening als uitvoeringsbesluit een Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro is noodzakelijk om de nieuwe Wro in werking te kunnen laten treden. In het Bro, een algemene maatregel van bestuur die zijn grondslag vindt in een groot aantal artikelen van de Wro, worden onder andere de volgende onderwerpen geregeld: inhoud en vormgeving van bestemmingsplannen en andere planologische besluiten, procedures, subsidies en onderwerpen verband houdende met grondexploitatie (kostensoortenlijst).

De nieuwe Wro voorziet in een zogeheten voorhangprocedure, alsmede voorpublicatie gedurende een periode van 4 weken. Deze voorhangprocedure houdt in dat het ontwerp-Bro aan Tweede en Eerste Kamer wordt toegezonden, waarna beide Kamers gedurende een periode van vier weken de gelegenheid hebben op dit ontwerp te reageren. Bovendien is bij de behandeling van het wetsvoorstel grondexploitatie toegezegd dat de kostensoortenlijst, onderdeel van het nieuwe Bro, zal worden voorgehangen. Het ontwerp-Bro is op het moment van schrijven van deze nota reeds is aangeboden aan uw Kamer en de Eerste Kamer ten behoeve van de voorhang. Uw Kamer heeft inmiddels vragen gesteld in het kader van deze voorhangprocedure. Ik streef ernaar deze vragen voor het einde van het zomerreces te beanwoorden. De Eerste Kamer heeft te kennen gegeven nadat het wetsvoorstel Invoeringswet Wro bij de Eerste Kamer is ingediend (naar verwachting september/oktober) met mij van gedachten te willen wisselen over het ontwerp. Daarna zal het ontwerp om advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Na ommekomst van dit advies dient een nader rapport te worden opgesteld en kan het definitieve Bro na bekrachtiging in het Staatsblad worden geplaatst. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 juli 2008.

Naast het Bro, geeft de Wet ruimtelijke ordening in artikel 4.3 onderscheidenlijk artikel 4.1, vierde lid, de mogelijkheid om bij amvb algemene regels te stellen omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of provinciale verordeningen. De figuur van de amvb als hier bedoeld is één van de mogelijkheden waarmee het Rijk beleid kan laten doorwerken naar lagere overheidsniveau’s. Deze, meer beleidsinhoudelijke, amvb’s kennen ook een voorhang en voorpublicatie. Dit is terug te vinden in artikel 4.3, vijfde lid, van de Wro.

Momenteel beraad ik mij, in overleg met betrokken andere departementen, over de inhoud van amvb’s als hier bedoeld.

De leden van de ChristenUnie-fractie geven aan zich te kunnen vinden in de benadering van de regering waar het gaat over de mogelijke incidentele kosten voor gemeenten die het gevolg zijn van de invoering van de Wro. Weliswaar is een aantal zaken daarbij nog onduidelijk, aldus deze leden, maar het is zo dat ook onder de vigerende WRO reeds een tienjaarlijkse herzieningsverplichting geldt. Voor het grondgebied waar dus reeds een bestemmingsplanverplichting geldt, is een geldverslindende inhaalslag dan ook niet aan de orde. Het zou deze leden niet verbazen als de financiële meevallers voor gemeenten en provincies, bijvoorbeeld ten gevolge van de introductie van de beheersverordening, dan wel ten gevolge van eenvoudiger goedkeuringsprocedures of vereenvoudigde wetssystematiek met betrekking tot aan de Wro gerelateerde wetten, groter zullen zijn dan de mogelijke financiële nadelen. De leden van de ChristenUnie verzoeken de regering de Tweede Kamer te zijner tijd te informeren over de uitkomsten van het overleg terzake, dat met zowel het IPO als de VNG gevoerd zal worden.

Ik ben verheugd te constateren dat de leden van de fractie van de ChristenUnie mijn standpunt delen waar het incidentele kosten voor gemeenten betreft ten gevolge van de invoering van de Wro. Zoals al in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt opgemerkt zal het kabinet in de komende jaren de ontwikkelingen monitoren en bezien of naar aanleiding daarvan compensatie moet worden geboden. Dit zal meegenomen worden in het traject van evaluatie van de nieuwe Wro, die in artikel 10.10 van de Wro is voorgeschreven.

Daar waar nodig zal ik uw Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van overleg met VNG en IPO terzake.

De leden van de SP-fractie voorzien dat de ruimte voor interpretatie over begrippen en bevoegdheden leidt tot verdere juridificering van de ruimtelijke ordening. Ook de procedures rond beheersverordeningen en projectbesluiten, die veel weg hebben van de oude artikel 19-valkuil, zullen aanleiding zijn voor extra rechtspraak. Deze leden vragen hoe de Raad van State zich hierop voorbereidt qua menskracht en middelen en welke instantie in de gaten houdt of de Invoeringswet inderdaad leidt tot meer of minder juridificering. Zij vragen wanneer de Kamer (tussentijdse) resultaten van dat toezicht kan verwachten?

De uitspraak van de leden van de SP-fractie dat de begrippen en procedures in de nieuwe Wro zullen leiden tot een verdere juridificering en extra rechtspraak kan naar mijn mening in zijn algemeenheid niet worden gedaan. Begrippen als nationaal en provinciaal belang worden ook in de huidige Wro en in andere wetgeving gehanteerd en hebben in de afgelopen jaren geen aanleiding gegeven tot juridische vraagstukken. De verschillen tussen het projectbesluit en het oude artikel 19 WRO heb ik eerder in deze nota uiteengezet. Het amendement van de beheersverordening is door de Tweede Kamer breed aanvaard. Of de nieuwe Wro zal leiden tot extra rechtspraak en een zwaardere belasting van de Raad van State zal dus nog moeten worden bezien, mede in het licht van de algehele evaluatie van de wet, die 5 jaar na de inwerkingtreding is voorgeschreven. De Kamer wordt hierover uiteraard te gelegener tijd geïnformeerd.

De leden van de SP-fractie maken zich ook zorgen over de inspraak voor belanghebbenden. Zij menen dat met de structuurvisie de eerste stap in de fuik van rechtsgang is gezet. Het streven moet zijn naar een zo vroeg mogelijke betrokkenheid van belanghebbenden. De praktijk leert dat mensen pas alert worden op het moment dat ze persoonlijk geraakt worden. Het actief meepraten en meedenken tijdens het opstellen van structuurvisies is niet reëel te verwachten. Deze leden vragen in hoeverre de kans aanwezig is dat de bezwaren van een belanghebbende bij wijzigingen van een bestemmingsplan gehonoreerd worden als die wijzigingen wel in lijn zijn met de eerder al vastgestelde structuurvisie. Deze leden menen dat het gevaar dat mensen tegen een voldongen feit aanlopen omdat ze te laat bekend zijn met geplande veranderingen moet worden voorkomen. De leden van de SP-fractie pleiten daarom voor een duidelijk eerste meldmoment om mensen in een vroegtijdig stadium te informeren over implicaties van, en te betrekken bij het opstellen van structuurvisies en bestemmingsplannen. Zij vragen of de regering bereid is de overheden te verplichten via een multimediale melding het juridische belang van dit moment van planwijziging expliciet te markeren. Ook zijn deze leden van mening dat belanghebbenden te allen tijde recht op inspraak, bezwaar en beroep hebben bij het vaststellen van beheersverordeningen en projectbesluiten. Zij vragen of de regering ook van mening is dat dit een vastgelegd recht moet zijn en niet aan de bevoegdheid en beoordeling van de gemeente overgelaten kan worden?

In het nieuwe Bro zal worden bepaald dat bij een structuurvisie dient te worden aangeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding daarvan zijn betrokken. In de regel zal de gemeentelijke inspraakverordening op de structuurvisie van toepassing zijn. Dit is het eerste moment waarop een belanghebbende burger zijn mening kan geven over een nieuwe ontwikkeling. Ik verwacht dat indien een belanghebbende burger daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, hij ook gebruik zal maken van de inspraakmogelijkheid. Daarnaast is niet denkbeeldig dat structuurvisies kaders stellen voor ontwikkeling van actitiveiten waarop de m.e.r. wet- en regelgeving van toepassing is. De in dat kader te volgen stappen voorzien naar mijn mening in een adequate betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties. De volgende stap is de vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken. Ook in deze fase zal in de regel de mogelijkheid tot inspraak via toepassing van de inspraakverordening worden geboden. Een ontwerp-bestemmingplan of projectbesluit doorloopt vervolgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Deze biedt de mogelijkheid van zienswijzen en beroep. Een ingesteld beroep zal door de rechter worden beoordeeld rechtstreeks in relatie tot het belang van degene die het beroep heeft ingesteld. De vraag welke rol een belanghebbende wel of niet heeft gespeeld bij de voorbereiding van de beleidsvoornemens die aan de wijziging van het planologische regime ten grondslag hebben gelegen, speelt daarbij niet.

Ten aanzien van de beheersverordening bestaat geen directe bezwaar- en beroepsmogelijkheid. De indieners van het amendement hebben hiervoor bewust gekozen, omdat het een vastlegging van de bestaande situatie betreft. Eerder in deze nota zijn de mogelijkheden van de beheersverordening uiteengezet, mede in relatie tot de belangen van betrokken burgers.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel Grondexpoitatiewet in de Eerste Kamer heb ik gesteld te hechten aan burgerparticipatie en aangekondigd begin september mogelijkheden voor versterking hiervan te zullen presenteren. Momenteel wordt door het departement in overleg met het IPO, de VNG en de Neprom gewerkt aan een in het nieuwe Bro op te nemen meldingsplicht voor ontwikkelingsinitiatieven die vergelijkbaar is met de meldingsplicht in artikel 7.11c Wet milieubeheer. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat de gemeente via een openbare kennisgeving een voornemen tot het voorbereiden van plan zo spoedig mogelijk algemeen bekend dient te maken, waardoor voor burgers de mogelijkheid ontstaat daarop te reageren. Dit betreft dus de fase van de vroege planvoorbereiding. Daarnaast bevat het ontwerp-Bro, dat in het kader van de voorhangprocedure bij u bekend is, ook al een verantwoordingsplicht die inhoudt dat in ruimtelijke plannen en besluiten dient te worden aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de totstandkoming van het plan zijn betrokken. Ik stel mij voor om u aan het eind van het zomerreces een voorstel voor een meldingsplicht als hiervoorbedoeld te doen toekomen. In het kader van de voorhangprocedure van het ontwerp-Bro en desgewenst bij de behandeling van het wetsvoorstel Invoeringswet Wro zo mogelijk direct na het zomerreces kunnen wij daarover dan van gedachten wisselen.

11. Artikelsgewijze toelichting (memorie van toelichting hoofdstuk 8)

Artikel 7.8, onderdelen A en B (Spoedwet wegverbreding) en artikel 7.9 (Tracéwet)/Advies Raad van State en Nader rapport

De leden van de PvdA-fractie vragen of het juist is dat bij wegenaanleg een projectbesluit binnen een jaar wordt gevolgd door een bestemmingsplanherziening, zoals dit ook geldt voor «gewone» projectbesluiten. Afgezien van deze omissie vinden deze leden, dat de nieuwe Wro aanleiding had moeten zijn om de betreffende verkeerswetten nader te bezien. In hun ogen moet de initiatiefnemer verantwoordelijk zijn voor een goede inpassing in de omgeving en dit zou volgens deze leden dus bij voorkeur moeten gebeuren door middel van een inpassingsplan. Coördinatie met vergunningverlening kan dan plaatsvinden op grond van de coördinatieregeling in de Wro (de oude rijksprojectenprocedure). Eventueel kan gebruik gemaakt worden van het projectbesluit uit de Wro, maar dan is volgens deze leden in elk geval duidelijk dat de initiatiefnemer er ook verantwoordelijk voor is dat binnen een jaar een inpassingsplan ter visie wordt gelegd. Zij vragen of een deel van de Tracéwet kan worden vervangen door verwijzing naar de procedures in de Wro en wat hiervan de consequenties voor de inspraak van burgers zouden zijn.

De leden van de PVV-fractie vragen of met het oog op een voortvarende realisering van infrastructurele werken, zoals wegverbredingen, de Spoedwet wegverbreding en de Tracéwet dusdanig worden aangepast dat de minister sneller een besluit op grond van het wegaanpassingsbesluit respectievelijk tracébesluit door kan voeren, indien deze besluiten niet in overeenstemming zijn met een bestemmingsplan.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering de opvatting van de Raad van State, aangaande de onderbouwing of motivering van de voorgestelde aanpassing, niet deelt en dat de regering deze aanpassing aanmerkt als een «technische wijziging». Deze leden vragen de regering of het niet te denken moet geven dat de Raad van State de betreffende wetswijziging blijkbaar nadrukkelijk anders heeft geïnterpreteerd. Blijkbaar kan dit artikel met zodanige andere ogen gelezen worden, dat de door de Raad van State bepleitte aanvulling van de memorie van toelichting juist wenselijk is. Deze leden vragen of de regering bereid is de ten aanzien van dit onderdeel blijkbaar bestaande onduidelijkheid in de toelichting alsnog weg te nemen.

In reactie op de vraag van de leden van de PvdA-fractie wil ik aangeven dat reeds naar aanleiding van het amendement-Feenstra (Kamerstukken II 1999/2000, 26 343, nr. 19/21) in de Tracéwet een bepaling is opgenomen dat het (ontwerp-)tracébesluit een beschrijving bevat van de wijze waarop de inpassing van de nieuwe infrastructuur zal geschieden en, waar dat in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen (het huidige artikel 11, tweede lid, onder b, van de Tracéwet, overgenomen in artikel 4, tweede lid, onder d, van de Spoedwet wegverbreding). De Tracéwet bepaalt verder dat de gemeenteraad verplicht is om binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het tracébesluit het bestemmingsplan overeenkomstig dat tracébesluit vast te stellen of te herzien (het huidige artikel 15, negende lid, van de Tracéwet: artikel 11, elfde lid, van de Spoedwet wegverbreding).

Ten aanzien van de vraag van de leden van de PvdA-fractie over het nader bezien van de Tracéwet en de Spoedwet wegverbreding in relatie tot de nieuwe Wro, kan ik u mededelen dat mijn ministerie de Universiteit Utrecht de opdracht heeft gegeven om voor een aantal wetten (waaronder de Tracéwet) de mogelijkheden van integratie in de nieuwe Wro in kaart te brengen. Een en ander in het licht van de door de Kamer aanvaarde motie Verdaas/Bochove (Kamer II, 2005/0628 916, nr. 30). Deze resultaten van deze studie worden de Kamer toegezonden. In die studie wordt ook ingegaan op de vergelijking van de coördinatieregelingen.

In antwoord op de vraag van de leden van de PVV-fractie wil ik aangeven dat ook nu reeds op basis van het tracébesluit of het wegaanpassingsbesluit kan worden gestart met de uitvoering van het project, ook indien dit niet in overeenstemming is met het gemeentelijke bestemmingsplan.

De vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie zijn voor mij aanleiding geweest om het advies van de Raad van State opnieuw te lezen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de opmerkingen van de Raad van State niet zozeer – zoals aanvankelijk gedacht – betrekking hebben op de voorgestelde wijzigingen van artikel 6, tiende lid, artikel 11, achtste lid, van de Spoedwet wegverbreding, en artikel 15, zesde lid, van de Tracéwet, maar met name op de wijziging van artikel 6, elfde lid en het vervallen van artikel 11, elfde lid van de Spoedwet wegverbreding en op artikel 19, negende lid, van de Tracéwet.

Het wetsvoorstel Invoeringswet Wro regelt dat een tracébesluit de status heeft van een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29 van de Wro, m.a.w. een projectbesluit van het rijk. In artikel 3.29 Wro, tweede, echter is artikel onder meer 3.13 van overeenkomstige toepassing verklaard met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad. Dit betekent dat volgens de Wro niet de gemeenteraad maar het rijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het projectbesluit een ontwerp van een inpassingsplan ter inzage legt. Door het in artikel 3.29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaren van onder meer artikel 3.13 is niet langer de gemeenteraad maar de minister van VROM de bestemmingsvaststeller. Dat is niet de bedoeling van de regering en zeker niet te beschouwen als een technische wijziging. Het nader rapport gaat dan ook in onvoldoende mate in op de opmerkingen van de Raad van State. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben daar terecht opgewezen.

De Invoeringswet Wro wil een technische wijziging doorvoeren van de Tracéwet en heeft geenszins ten doel om het rijk in plaats van de gemeenteraad het bestemmingsplan vast te laten stellen. Om die reden bevat de nota van wijziging een wijziging van het wetsvoorstel, waarmee bereikt wordt dat overeenkomstig het systeem dat van de huidige Tracéwet en de Spoedwet wegverbreding geen verandering wordt aangebracht in de huidige verplichting voor de gemeenteraad het bestemmingsplan overeenkomstig het onherroepelijke tracébesluit of wegaanpassingsbesluit aan te passen. De nota van wijziging bevat een zelfde wijziging van het wetsvoorstel ten aanzien van de Wet mobiliteit en bereikbaarheid, die weliswaar niet door de Raad van State is genoemd, maar wat juridische regeling betreft, niet afwijkt van de Tracéwet en de Spoedwet wegverbreding.

De coördinatie van de voor het project benodigde uitvoeringsbesluiten geschiedt door middel van een coördinatieregeling die inhoudelijk – ook ten aanzien van de regeling van de inspraak – gelijk is aan de in de Wro opgenomen regeling. De mogelijkheid om deze regelingen om te vormen tot een uniforme wettelijke regeling zal worden bezien in het kader van de in voorbereiding zijnde regeling samenhangende besluiten in de Algemene wet bestuursrecht.

Natuurbeschermingswet 1998 en Interimwet stad- en milieubenadering

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het wetsvoorstel een wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 bevat waarbij wordt bepaald (zie bijvoorbeeld de leden 9 en 10 van artikel 19j NB 1998) dat, wanneer gedeputeerde staten niet binnen de daarvoor gestelde termijn een besluit tot onthouding van goedkeuring hebben genomen, het besluit wordt geacht te zijn goedgekeurd. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn bezorgd dat een eventuele nalatigheid van gedeputeerde staten zou kunnen leiden tot een ongewenste schade aan natuurgebieden. Zij achten het ook niet ondenkbaar dat de beoogde bepaling zou kunnen leiden tot een vorm van beloning voor het niet of onvoldoende beoordelen van in procedure gebrachte plannen. Datzelfde geldt ook voor de Interimwet Stad- en milieubenadering (art. 8.2).

In reactie op de opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie kan ik het volgende antwoorden.

Met het voorstel tot het invoegen van de leden 6 tot en met 11 in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet), zoals opgenomen in artikel 5.3, onderdeel D, van het wetsvoorstel, wordt een inhoudelijke en procedurele samenhang aangebracht tussen de procedure tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit van de Wro en de toetsing van deze besluiten door gedeputeerde staten op basis van de Nb-wet. De nieuwe leden bewerkstelligen dat de Nb-wet goedkeuring wordt geïntegreerd in het stelsel van de Wro. Het belang van deze vervlechting wordt eigenlijk door niemand betwijfeld.

De regeling zoals die nu wordt voorgesteld, voorziet erin dat gedeputeerde staten én de VROM-inspecteur elk voorstel voor een bestemmingsplan of projectbesluit, waarvoor een strategische milieubeoordeling annex beoordeling conform de Habitat- en Vogelrichtlijn moet worden gemaakt, moeten toetsen op de naleving van de terzake geldende bepalingen van de Nb-wet. Als die bedoelde beoordeling blijkens de stukken niet heeft plaatsgevonden, zijn gedeputeerde staten dan wel de inspecteur verplicht een zienswijze in te dienen waarbij op het verzaken van die verplichting wordt gewezen. Het betekent dat de gemeente de bedoelde beoordeling alsnog moet opstellen. In gevallen waarin een gemeente die zienswijzen bij het nemen van het besluit niet of niet volledig honoreert, wordt de goedkeuring op grond van het tiende lid geacht te zijn onthouden. Die onthouding, zo bepaalt het elfde lid, wordt gelijk gesteld met een reactieve aanwijzing op grond van de Wro. Een planonderdeel waarop die reactieve aanwijzing betrekking heeft in verband met de gevolgen van het plan voor een natuurlijke habitat, zal op grond van artikel 3.8, zesde lid Wro, niet in werking kunnen treden. Dit sluit aan bij de eisen en doelen van de Habitatrichtlijn. Het goedkeuringsvereiste dat onder omstandigheden geldt ingevolge het eerste of het tweede lid van artikel 19j Nb-wet, dient om te waarborgen dat een passende beoordeling plaatsvindt als bedoeld in de Habitatrichtlijn.

Indien blijkens de beoordeling van de gevolgen van het ontwerpplan of -besluit op basis van de Habitat- of Vogelrichtlijn de belangen van de natuur en de mogelijkheden tot bescherming daarvan onvoldoende zijn behartigd, zullen gedeputeerde staten en de VROM-inspecteur dat oordeel als zienswijze indienen en zal bij een niet opvolgen van die zienswijze eveneens de goedkeuring geacht te zijn onthouden.

Ik meen dat de bezorgdheid die de leden van de fractie van de ChristenUnie hebben verwoord, niet nodig is. Op de eerste plaats stel ik vast dat de provincies hun verantwoordelijkheden terzake van de natuurbescherming buitengewoon serieus nemen en de wettelijke en buitenwettelijke taken een hoge prioriteit toekennen. Ik ga er daarom niet vanuit dat de in het wetsvoorstel getroffen voorziening tot het stroomlijnen van de procedures en de vermindering van de administratieve lasten een reden zal vormen voor een vermindering van de aandacht voor de natuurbescherming. Op de tweede plaats moet worden onderkend dat met de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden de focus van de gemeenten, provincies en rijksinstanties ook gebiedsgerelateerd kan worden gericht. Ik bedoel daarmee dat de aandacht kan worden gericht op die ontwerpen voor bestemmingsplannen of projectbesluiten die gelegen zijn in of naburig zijn aan de bedoelde gebieden. De kans dat daarmee onbedoeld plannen aan de aandacht ontglippen, wordt daarmee beperkt. Natuurlijk kan ik niet uitsluiten dat er zich incidentele gevallen kunnen voordoen waarbij een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht dat ten onrechte niet voorzien is van de Habitattoets en dat dit gedeputeerde staten ontgaat. Ik stel evenwel vast dat de behartiging van de natuur niet exclusief aan gedeputeerde staten is toebedeeld. Ook de diensten van de Ministeries van LNV en VROM zetten zich daarvoor in en zijn erop bedacht dat gemeenten krachtens de Nb-wet verplichtingen hebben. De VROM-inspecteur zal dan ook vanuit die verantwoordelijkheid contact onderhouden met de provincie en zonodig zelf zienswijzen indienen.

Tenslotte voorzien zowel de voorbereidingsprocedure als de procedures voor rechtsbescherming erin dat belangenorganisaties mede een juiste toepassing van de Nb-wet kunnen waarborgen.

Het hierboven gegeven antwoord geldt mutatis mutandis ook voor de soortgelijke regeling in de Interimwet stad- en milieunadering. Hierbij teken ik nog aan dat de lage frequentie waarin het «stap drie besluit» wordt genomen leidt tot een hoge attentiewaarde bij burgers, regionale media en politiek. Die wet voorziet eveneens in een nauwe betrokkenheid van de provincie bij de gemeentelijke besluitvorming in dat kader. Daarom denk ik dat de vrees van de fractie van de ChristenUnie ongegrond is.

Inwerkingtreding

De leden van de VVD-fractie stellen tenslotte dat uit het wetsvoorstel niet duidelijk blijkt wat de voorziene datum van inwerkingtreding is. Wordt hierbij uitgegaan van 1 januari 2008? Deze leden stellen verder dat weliswaar wordt aangegeven dat inwerkingtreding van de Wro en van de Invoeringswet Wro bij hetzelfde koninklijk besluit wordt geregeld, maar vragen of de regering hierover nadere informatie kan geven.

Omdat ik in het najaar nog met de Eerste Kamer van gedachten zal wisselen over het ontwerp-Bro ga ik inmiddels uit van inwerkingtreding van het nieuwe wettelijk stelsel per 1 juli 2008. Deze datum geldt voor de Wet ruimtelijke ordening zelf, inclusief het onderdeel grondexploitatie, dat op 22 mei jl. door de Eerste Kamer is aanvaard, de Invoeringswet Wro en het Besluit ruimtelijke ordening. Bij koninklijk besluit zal dit tijdstip worden vastgelegd. Het zal hier naar verwachting één koninklijk besluit betreffen voor alle hierboven genoemde regelgeving.

In de communicatie naar betrokkenen wordt de datum van 1 juli 2008 ook actief uitgedragen.

Ik ben de leden van de vaste commissie buitengewoon erkentelijk voor hun opmerkingen en vragen. Zij hebben mij aanleiding gegeven het wetsvoorstel nog op enige punten te corrigeren. Ik spreek de hoop uit dat ik met mijn beantwoording u in staat stel de behandeling van het wetsvoorstel met voortvarendheid af te ronden.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

BIJLAGE 1

SpeerpuntenWanneerDoelgroepInhoud
1.  Dynamische lijst van vragen en antwoorden (online) MeiVakambtenaren en geïnteresseerden In nauwe samenwerking met o.a. de provinciale ambassadeurs voor de nieuwe Wro is een dynamische lijst van vragen en antwoorden tot stand gekomen. Het document is op de VROM-site gepubliceerd, zonder dat er rechten aan kunnen worden ontleend. Het is tot stand gekomen in samenwerking met de provincies, IPO, VNG. Het is een handreiking dat frequent zal worden geactualiseerd.
    
2. Procesbeschrijving bestemmingsplanprocedure «nieuwe stijl» Najaar 2007 Vakambtenaren Er wordt momenteel een product ontwikkeld dat in het najaar beschikbaar zal worden gesteld, namelijk de procesbeschrijving van de bestemmingsplanprocedure «nieuwe stijl», inclusief de beschrijving van digitale processen van a t/m z. Dit houdt in van beleidsvoor- bereiding tot en met beroep bij de RvS.
    
3. Internetmiddelen VROM.nl up to date in mei Een ieder; Rijk, provincies, gemeenten, burgers etc.De VROM site is informatievoorzienend voor bezoekers (ambtenaren en burgers) en bevat o.a. factsheets, nieuwsberichten, wettekstten, vragen en antwoorden en diverse handreikingen (www.vrom.nl/wro)
Ruimteforumjuni Vakambtenaren en geinteresseerden Het Ruimteforum betreft uitsluitend Interactie tussen professionals. Het Ruimteforum zal een dossier Wro gaan bevatten en zal worden gevoed door o.a. diverse interviews, opiniepeilingen, thematische behandeling van onderwerpen, overzicht en voorbereiding van Wro bijeenkomsten
    
4. Handboek Grex najaar/ november gemeentes De VNG, VVG, SDU en VROM zullen een handboek publiceren, waarin o.a. voorbeelden van een exploitatieplan en checklists zijn opgenomen. Het wordt een eenmalige publicatie en het plan is dat alle gemeenten en leden van de VVG een exemplaar krijgen toegestuurd (ook te downloaden via de websites). Extra papieren exemplaren zijn daarnaast te koop bij de SDU.
    
5. Helpdesk eind 2007 Een ieder die werkt met de Wro VROM stimuleert namelijk de kennisontwikkeling- en overdracht en voelt zich daar ook voor verantwoordelijk. De functie van de helpdesk is dat medewerkers van gemeenten, provincies, waterschappen, rijksinpecties en ook departementen vragen kunnen stellen over de toepassingsmogelijkheden van de nieuwe Wro. De intentie is om de helpdesk minimaal een jaar operationeel te laten zijn.
    
6. Overige Infobladen Wro, Grondexploitatiewet, DurpMei Allen Compacte, duidelijke weergave in informatiebladen (factsheets) die overzicht geeft wat de veranderingen zijn.
Folder burger en bedrijfsleven september Burgers Integrale en duidelijke weergave die overzicht geeft wat de veranderingen zijn.
Overleg ambassadeurs (provinciaal&gemeentelijk) Frequentie 2 keer p/mnd Provincies en gemeenten Door het IPO en VNG geselecteerde ambassadeurs die bijdragen in de totstandkoming van (bepaalde) producten, bijdragen bij invoeringsactiviteiten en provinciale/ gemeentelijke geluiden en signalen aanhoren en uitdragen
    
7. Verdiepingsbijeenkomsten oktober 2007 – begin 2008gemeenten, provincies, departementen bestuurders en vakambtenarenVROM biedt na een brede inventarisatie van thema’s en onderwerpen een standaardpakket aan voor de verdiepingsbijeenkomst. Dit pakket vindt aansluiting bij wat wenselijk is vanuit de praktijk en is vanuit VROM ook realiseerbaar. Van meer algemeen-bestuurlijke presentaties tot diverse specifieke workshops.

XNoot
1

Wet van 24 november 2005, Stb. 2005, 666.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2005/06, 28 916, nr. 26.

XNoot
1

De beheersverordening in de Wro. Een verkennend onderzoek naar de reikwijdte en de toepassingsmogelijkheden van de beheersverordening, mr. A.G.A. Nijmeijer m.m.v. mr. T.E.P.A. Lam, Radboud Universiteit Nijmegen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Nijmegen, 13 november 2006 en is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven