nr. 14
NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VOS TER VERVANGING
VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 13
Ontvangen 1 november 2007
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel III vervallen de onderdelen B en D.
II
In artikel III wordt na onderdeel E een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ea
Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Tegen een uitspraak in hoger beroep van het College van Beroep
voor het bedrijfsleven kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
beroep in cassatie in het belang der wet instellen wegens schending of verkeerde
toepassing van artikel 8.8.
III
Artikel III, onderdeel G, komt te luiden:
G
Na artikel 8.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 8.8
Een handelaar neemt de bepalingen van afdeling 3A van Titel 3 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek in acht.
IV
In artikel III, onderdeel J, vervallen de punten 1 en 2.
Toelichting
Dit amendement regelt dat de Consumentenautoriteit en de Autoriteit Financiële
Markten (AFM) tegen alle oneerlijke handelspraktijken bestuursrechtelijk kunnen
optreden. Daarmee worden deze toezichthouders bevoegd om – zoals bij
alle andere markttoezichthouders als de NMa, NZa, OPTA het geval is –
ook tegen overtredingen van zogenaamde «open normen» op te treden.
Open normen zijn normen die in de concrete omstandigheden van het geval moeten
worden uitgelegd en toegepast. Naast open normen zijn er «gesloten normen»
waarvan de overtreding eenvoudig is vast te stellen. In het voorliggende wetsvoorstel
zijn de Consumentenautoriteit en de AFM slechts aangewezen voor de bestuursrechtelijke
handhaving van dergelijke gesloten normen.
Er zijn drie argumenten voor dit amendement.
1. Bestuursrechtelijke handhaving is efficiënter dan het tweeledige
bestel van zowel civielrechtelijke als bestuursrechtelijke handhaving. De
Consumentenautoriteit en de Autoriteit Financiële Markten moeten immers
een civielrechtelijk verzoekschrift motiveren, waarna het Gerechtshof in Den
Haag het werk moet overdoen. Dat kost tijd en menskracht.
2. Met het amendement verdwijnt de discrepantie in het voorliggende
wetsvoorstel tussen de handhaving van open en gesloten normen. Deze discrepantie
is er in gelegen dat een malafide handelaar voor een overtreding van een gesloten
OHP norm bestraft wordt met een door de Consumentenautoriteit of AFM op te
leggen boete van maximaal 450 000 euro, terwijl de handelaar voor een
overtreding van een open OHP norm in het geheel geen straf kan krijgen, zelfs
als het om een zeer zware overtreding gaat.
3. Bij civielrechtelijke handhaving van een open norm via de verzoekschriftprocedure
bij het Gerechthof Den Haag (art. 3:305d BW) kan volgens het voorliggende
voorstel de toezichthouder slechts een bevel tot staking van de overtreding
verzoeken aan de rechter. Er kan echter geen boete worden opgelegd. Ook is
schadevergoeding vorderen niet mogelijk via deze verzoekschriftprocedure.
Ook via een collectieve actie door een consumentenorganisatie (art. 3:305a
BW) of een toezichthouder als de Consumentenautoriteit (art. 3:305b BW) is
vordering van schadevergoeding niet mogelijk. Dat betekent dat punitieve sancties
ontbreken voor het overtreden van dergelijke open normen, hoewel het gaat
om oneerlijke handelspraktijken. Het voorliggende wetsvoorstel heeft daarmee
onvoldoende afschrikwekkende werking om malafide handelaars te weerhouden
van het overtreden van deze open normen en daarmee is de consument onvoldoende
beschermd. Daar komt bij dat staking van een overtreding (logischerwijs) alleen
verzocht kan worden bij lopende inbreuken. Een handelaar die zijn oneerlijke
praktijken staakt, ontspringt dus de dans. Het amendement maakt het sanctioneren
van dergelijke praktijken wel mogelijk door bestuursrechtelijke handhaving
(bestuurlijke boete en last onder dwangsom) te introduceren – voor zowel
lopende als reeds gestaakte inbreuken. In de mededingingspraktijk heeft deze
bestuursrechtelijke praktijk zijn nut bewezen.
Uiteraard staat er voor de handelaar die geconfronteerd wordt met sancties
altijd rechtsbescherming open in de vorm van beroep bij de rechter (rechtbank
Rotterdam met als hoger beroepsinstantie het College van beroep voor het bedrijfsleven).
Deze rechter zal zware eisen stellen aan de bewijslast die de Consumentenautoriteit
of AFM naar voren brengen, hetgeen een zorgvuldige afweging van de belangen
van zowel de handelaar als de consument waarborgt.
Omdat met dit amendement naast de (gewone) civiele rechter in individuele
zaken ook de Rechtbank Rotterdam en het College van beroep voor het bedrijfsleven
in de bestuursrechtelijke weg dezelfde begrippen uit het Burgerlijk Wetboek
(artikelen 6:193a tot en met 6:193j BW van het wetsvoorstel) uit kunnen leggen,
wordt tevens met het amendement bepaald dat «cassatie in het belang
der wet» kan worden ingesteld tegen uitspraken in hoger beroep van het
College van beroep voor het bedrijfsleven in de bestuursrechtelijke weg. Daarmee
wordt uniformiteit van jurisprudentie en begripsuitleg in deze twee verschillende
rechtskolommen verzekerd. Conform artikel 78 van de Wet op de rechterlijke
organisatie, neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen
uitspraken van de administratieve rechter als hierin wettelijk is voorzien
(wat met aanname van dit amendement is geregeld). Alleen de procureur-generaal
bij de Hoge Raad kan «cassatie in het belang der wet» eisen. Cassatie
in het belang der wet kan niet worden ingesteld indien voor partijen een gewoon
rechtsmiddel openstaat en brengt geen nadeel toe aan de rechten door partijen
verkregen. Dit vloeit automatisch voort uit artikel 78 van de Wet op de rechterlijke
organisatie. De Hoge Raad kan zich dus bijvoorbeeld niet buigen over de hoogte
van een opgelegde boete. De procureur-generaal zal cassatie in het belang
der wet instellen, als de uitleg van dezelfde BW-begrippen uit elkaar dreigt
te lopen door jurisprudentie van verschillende rechters in de twee rechtskolommen.
Met dit amendement wordt bepaald, dat de Hoge Raad het laatste woord heeft
bij de uitleg van het Burgerlijk Wetboek. De figuur van cassatie in het belang
der recht bij de Hoge Raad tegen uitspraken van administratieve rechters is
niet uniek en komt ook voor in het sociale zekerheidsrecht en de fiscaliteit,
waarbij dezelfde begrippen zowel door de civiele als de administratieve rechter
kunnen worden uitgelegd – zie de wetsgeschiedenis rond artikel 78 van
de Wet op de rechterlijke organisatie (TK 27 181, nr. 3 – p. 61
en nr. 6 – p. 103/104).
Vos