nr. 10
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel II, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan artikel 193a, eerste lid, onder f, wordt een zinsnede toegevoegd,
luidende: en eerlijke marktpraktijken.
2. In artikel 193a, eerste lid, onder j, wordt een zinsnede toegevoegd,
luidende: of het toezien op de naleving van de gedragscode door degenen die
zich hieraan hebben gebonden.
3. In artikel 193a, tweede lid, wordt na «voorzien dat die
groep» ingevoegd: wegens hun geestelijke of lichamelijke beperking,
hun leeftijd of goedgelovigheid.
4. Artikel 193b wordt als volgt gewijzigd:
a. In het tweede lid, onder b, wordt «aanmerkelijk wordt beperkt»
vervangen door: merkbaar is beperkt of kan worden beperkt.
b. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De gangbare en rechtmatige reclamepraktijk waarbij overdreven
uitspraken worden gedaan of uitspraken die niet letterlijk dienen te worden
genomen, maken een reclame op zich niet oneerlijk.
5. Artikel 193c wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef van het eerste lid wordt «bedriegt of kan bedriegen»
vervangen door: misleidt of kan misleiden.
b. In het eerste lid, onder g, wordt «of de risico’s
die hij eventueel loopt» vervangen door: waaronder het recht van herstel
of vervanging van de afgeleverde zaak of het recht om de prijs te verminderen,
of de risico’s die de consument eventueel loopt.
6. In artikel 193c, tweede lid, onder a, wordt na «marketing
van het product» ingevoegd: waaronder het gebruik van vergelijkende
reclame.
7. Het eerste lid van artikel 193h komt te luiden: Een handelspraktijk
is in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking
genomen, agressief indien door intimidatie, dwang, waaronder het gebruik van
lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de
vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product
aanzienlijk wordt beperkt of kan worden beperkt waardoor de gemiddelde consument
een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet
had genomen.
8. In artikel 193h, tweede lid, onder d, wordt na «wenst uit
te oefenen» ingevoegd: waaronder het recht om de overeenkomst te beëindigen
of een ander product te kiezen.
B
Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IIa
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 7, tweede lid, wordt na «verzoek tot betaling van een
prijs» ingevoegd: , terugzending of bewaring.
C
Artikel III wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel Ba wordt als volgt gewijzigd:
In het tweede lid wordt na de aanduiding «2.» ingevoegd: Er
wordt een lid toegevoegd, luidende: 2.
2. Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid (nieuw) wordt «en die overtreding betrekking heeft
op een financiële dienst of activiteit» op een nieuwe regel geplaatst
en vervangen door: en die inbreuk of overtreding betrekking heeft op een financiële
dienst of activiteit.
Toelichting
De Europese Commissie volgt de implementatie van de richtlijn oneerlijke
handelspraktijken door de lidstaten op de voet en ondersteunt het implementatieproces
waar mogelijk. Zo heeft de Europese Commissie een aantal informele expertmeetings
georganiseerd waarin ervaringen van de lidstaten zijn uitgewisseld met betrekking
tot de implementatie. Begin september 2007 is op verzoek van de Europese Commissie
op ambtelijk niveau overleg gevoerd over het voorstel van wet tot implementatie
van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Uit dit overleg zijn enige
punten naar voren gekomen die tot aanpassing van het wetsvoorstel nopen. Dit
betreft in het bijzonder een nauwkeuriger aansluiting bij de bewoordingen
van de richtlijn en opneming van voorbeelden in de wettekst zelf die ook in
de richtlijn zijn vermeld. De voorgestelde wijzigingen beogen dan ook slechts
verduidelijking van de tekst. Hieronder wordt voor een aantal artikelen een
nadere toelichting op de voorgestelde wijziging gegeven.
A
Artikel 6:193a, eerste lid, onder f
In de definitie van professionele toewijding wordt tot uitdrukking gebracht
dat een handelspraktijk in overeenstemming moet zijn met de voor de handelaar
geldende professionele standaard maar ook met eerlijke marktpraktijken. Het
zal niet in alle gevallen voldoende zijn dat de handelaar voldoet aan de geldende
professionele standaard in zijn sector. Deze zou immers van een zodanig niveau
kunnen zijn dat niet gesproken kan worden van een eerlijke handelspraktijk.
De handelwijze van de handelaar moet daarom ook overeenkomstig eerlijke marktpraktijken
zijn.
Artikel 6:193b
Het vierde lid (nieuw) is ontleend aan de laatste volzin van het derde
lid van artikel 5 van de richtlijn. De richtlijn oneerlijke handelspraktijken
kent een bijzondere bescherming voor de kwetsbare consument (zie artikel 193a
lid 2). Voor reclame (één van de handelspraktijken die onder
het wetsvoorstel vallen) is een nuancering opgenomen ten behoeve van de beoordeling
in welke gevallen een reclame oneerlijk is. De nuancering heeft als consequentie
dat het enkele feit dat een kwetsbare consument niet begrijpt dat de boodschap
in de reclame niet letterlijk dient te worden genomen, zoals gebruikelijk
in de reclamepraktijk, niet voldoende is voor het aannemen dat de reclame
oneerlijk is. In combinatie met andere feiten en omstandigheden kan dit overigens
wel het geval zijn.
Artikel 6:193c, eerste lid, aanhef
Hoewel de richtlijn spreekt over «bedriegen» (artikel 6, eerste
lid, van de richtlijn) wordt voorgesteld om deze terminologie te wijzigen.
Het gebruik van het woord misleiding sluit beter aan bij de intentie van het
genoemde artikel in de richtlijn. Bedriegen veronderstelt opzet en dat is
voor een misleidende handelspraktijk geen noodzakelijke voorwaarde. Zie ook
het advies van de Vereniging voor Reclamerecht over de implementatie van de
richtlijn oneerlijke handelspraktijken, 7 maart 2007, pp. 11–151.
Artikel 6:193c, eerste lid, onder g In de toegevoegde voorbeelden van
rechten van de consument gaat het in het bijzonder om de rechten van de consument
genoemd in de artikelen 21 lid 1 onder b en c en 22 lid 1 onder b van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
B
Artikel 7:7
Artikel 193i, onder f, verbiedt ongevraagde levering in combinatie met
verzoek om onmiddellijke dan wel uitgestelde betaling, om terugzending of
bewaring. Deze formulering is specifieker dan het huidige verbod zoals deze
is opgenomen in artikel 7:7. Door de wijziging worden beide artikelen met
elkaar in overeenstemming gebracht.
C
De voorstellen betreffen beide redactionele verbeteringen. In onderdeel
Ba (artikel 2.15 Whc) was abusievelijk de aanhef weggelaten en in onderdeel
D (artikel 3.3 Whc) het woord «inbreuk».
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
De staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk