Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730925 nr. 3

30 925
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Op 30 september 2004 is de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn) gepubliceerd (PbEU L 304). Onderhavig wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) aan deze richtlijn. Voor het overige vindt implementatie van de richtlijn plaats door middel van aanpassingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000), de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) en het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

2. De richtlijn

De richtlijn voorziet in het vaststellen van minimumnormen voor de erkenning en de status van personen die internationale bescherming aanvragen als vluchteling of als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus. De juridische basis van de richtlijn is artikel 63, aanhef en eerste lid, onder c, tweede lid, onder a en derde lid, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Trb. 1957, 74 en 91 (hierna: het EG-Verdrag).

De richtlijn is één van de Gemeenschapsinitiatieven inzake asiel en beoogt de verwezenlijking van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel op de langere termijn. Overeenkomstig het streven van de Europese Raad in Tampere in 1999 is de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelstel gestoeld op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 Trb. 1951, 131 (hierna: het Verdrag), zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967 om zo het verbod van uitzetting en terugleiding (non-refoulement) te handhaven en te garanderen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd.

De richtlijn vormt een eerste stap naar het uiteindelijke doel van een gemeenschappelijk asielstelsel en beoogt in alle lidstaten een minimumniveau van bescherming te bieden aan degenen die bescherming behoeven. Tegelijkertijd strekt de richtlijn ertoe om misbruik van het asielsysteem te voorkomen. Voorts wordt met de richtlijn beoogd om de ongelijkheden tussen de wetgevingen en de praktijk in de lidstaten te verminderen, zodat de secundaire migratie, die een uitvloeisel is van een uiteenlopend karakter van de toepasselijke regels inzake toekenning van de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming, alsmede de daarmee samenhangende rechten en voorzieningen, zoveel mogelijk kan worden beperkt.

De richtlijn is gestoeld op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag. Uit de overwegingen bij de richtlijn (met name 16 en 17) blijkt dat het doel van de richtlijn is om minimumnormen en gemeenschappelijke begrippen in te voeren ter voorlichting bij de toepassing van het Verdrag. De richtlijn beoogt geen wijziging of aanvulling van het Verdrag, maar biedt een richtsnoer voor interpretatie van het Verdrag. Het Verdrag is een multilateraal instrument met universele werking. De verdragsverplichtingen zijn bindend voor de lidstaten. De bepalingen van de richtlijn dienen dan ook geïnterpreteerd en toegepast te worden in het licht van deze internationale verplichtingen.

Het toepassingsbereik van de richtlijn strekt zich uit tot onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die verband houden met behoefte aan internationale bescherming. Internationale bescherming valt volgens de richtlijn uiteen in enerzijds de vluchtelingenstatus en anderzijds subsidiaire bescherming. Derdelanders of staatlozen die om andere redenen, bijvoorbeeld op humanitaire gronden, verblijven in een lidstaat, vallen niet onder de reikwijdte van deze richtlijn.

De richtlijn stelt minimumnormen vast voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming. In artikel 3 van de richtlijn wordt bepaald dat de lidstaten ter bepaling daarvan gunstiger normen kunnen vaststellen of handhaven, indien deze met de onderhavige richtlijn verenigbaar zijn. De term «minimumnormen» in artikel 63 van het EG-Verdrag geeft aan dat de Raad maatregelen vaststelt die een bepaalde mate van harmonisatie beogen waardoor een voor alle lidstaten gemeenschappelijke noemer tot stand wordt gebracht, zonder dat dat de lidstaten belet normen te handhaven of vast te stellen die gunstiger zijn. Om te voorkomen dat de beoogde harmonisatie wordt tenietgedaan, kan deze mogelijkheid niet onbeperkt zijn. Gunstiger normen dienen derhalve binnen de in deze richtlijn vastgestelde grenzen te blijven.

De richtlijn bevat vier verschillende categorieën normen om de beoogde doelstellingen te realiseren.

De eerste categorie betreft de algemene aard van internationale bescherming. In de richtlijn wordt de bewijslast van de asielzoeker en de wijze waarop de beoordeling van de feiten en omstandigheden door lidstaten dient plaats te vinden beschreven (artikel 4). Daarbij wordt aangegeven dat een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade gegrond kan zijn op gebeurtenissen of (onder voorwaarden) op activiteiten die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten (artikel 5). Voorts is opgenomen in de richtlijn wie de actoren van vervolging en ernstige schade zijn, wie de actoren van bescherming zijn, en wanneer er sprake is van zodanige binnenlandse bescherming dat de asielzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming (artikelen 6 tot en met 8).

De tweede categorie heeft betrekking op de erkenning als vluchteling in de zin van het Verdrag. In de richtlijn wordt gedefinieerd wie vluchteling is. Daartoe zijn bepalingen opgenomen over wat de daden van vervolging zijn (artikel 9) en wat de gronden van vervolging zijn (artikel 10). Daarnaast bepaalt de richtlijn wanneer een onderdaan van een derde land of staatloze ophoudt om vluchteling te zijn en/of uitgesloten is van de vluchtelingenstatus (artikelen 11 en 12). Beëindiging van de vluchtelingenstatus vindt plaats, indien – kort gezegd – de de «cessation clauses» (artikel 1C) van het Verdrag van toepassing zijn. Verder wordt de vluchtelingenstatus ingetrokken, beëindigd of wordt de verlenging van de status geweigerd indien de vreemdeling is opgehouden vluchteling te zijn, er wordt vastgesteld dat hij van de vluchtelingenstatus uitgesloten is of had moeten zijn, of als de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus (artikel 14, eerste en derde lid). De aan een vluchteling verleende status kán worden ingetrokken, beëindigd of niet verlengd, indien er goede redenen zijn om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt of indien hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van die lidstaat (artikel 14, vierde lid).

De derde categorie definieert wie in aanmerking komen voor subsidiaire vormen van bescherming. Dit is ingevolge artikel 2, onder e, van de richtlijn het geval als een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade. Ernstige schade bestaat volgens artikel 15 van de richtlijn uit doodstraf of executie, of foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst, of ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

In de richtlijn is voorzien in beëindiging en uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus. Een onderdaan van een derde land of staatloze komt niet meer in aanmerking voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend niet langer bestaan, of zodanig ingrijpend en niet voorbijgaand zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is (artikel 16). Voorts wordt de vreemdeling – kort samengevat – uitgesloten van subsidiaire bescherming indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat artikel 1F van het Verdrag van toepassing is dan wel wanneer openbare orde aspecten een rol spelen (artikel 17).

De subsidiaire beschermingsstatus dient te worden ingetrokken of verlenging dient geweigerd te worden indien de betrokkene ingevolge de artikelen 16 of 17 niet langer in aanmerking komt dan wel uitgesloten dient te worden van subsidiaire bescherming of indien er sprake is van een verkeerde weergave of het achterhouden van feiten of indien valse documenten zijn gebruikt en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiaire beschermingsstatus.

De vierde categorie betreft bepalingen inzake de kenmerken van internationale bescherming. Dit betreffen bepalingen over de bescherming tegen refoulement (artikel 21), het recht op informatie over de inhoud van de bescherming (artikel 22), de instandhouding van het gezin (artikel 23), de verblijfstitels (artikel 24), reisdocumenten (artikel 25), toegang tot werk (artikel 26), toegang tot onderwijs (artikel 27), sociale voorzieningen (artikel 28), gezondheidszorg (artikel 29), niet-begeleide minderjarigen (artikel 30), toegang tot huisvesting (artikel 31), vrij verkeer binnen de lidstaat (artikel 32), toegang tot integratievoorzieningen (artikel 33) en repatriëring (artikel 34).

Tot slot bevat de richtlijn een aantal bepalingen om de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn te verzekeren.

3. Implementatie van de richtlijn

3.1. De richtlijn in relatie tot het systeem van de Vw 2000

De richtlijn definieert wie in aanmerking komt voor internationale bescherming. Internationale bescherming valt volgens de richtlijn uiteen in enerzijds het vluchtelingschap en anderzijds subsidiaire bescherming. De richtlijn heeft – vertaald in het Nederlandse systeem – betrekking op houders van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000. De vluchtelingenstatus op grond van de richtlijn komt direct overeen met de verblijfsvergunning die op basis van artikel 29, eerste lid onder a, van de Vw 2000 aan een verdragsvluchteling kan worden verleend. De subsidiaire beschermingsstatus op grond van de richtlijn komt overeen met de verblijfsvergunning die op grond van artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000 kan worden verleend.

De Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (hierna: ACVZ) wijst in haar advies1 op de categorie in artikel 15, onderdeel c, van de richtlijn en is van mening dat deze categorie wel degelijk betekenis heeft. Voorzover de ACVZ er met deze opmerking op doelt dat de richtlijn ook ziet op de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000, wordt dit advies niet gevolgd. Voornoemd richtlijnartikel ziet blijkens de gebruikte formulering op individuele gevallen, en heeft derhalve betrekking op de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Dit wordt ook ondersteund door overweging 26 in de preambule van de richtlijn, waaruit blijkt dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen wordt blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt.

De Raad van State overweegt in zijn advies dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid en ter voorkoming van een a-contrarioredenering gewenst is om de onderdelen a en c van artikel 15 van de richtlijn expliciet in de Vw 2000 op te nemen. Ten aanzien van dit advies wordt het volgende overwogen. Blijkens de preambule van de richtlijn is het streven naar de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel gericht op het handhaven van het verbod tot uitzetting of terugleiding (non-refoulement) en om te garanderen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd (overweging 2). In het licht hiervan – alsmede in het licht van het aanvullende karakter van de subsidiaire-beschermingsregeling ten opzichte van de in het Verdrag neergelegde beschermingsregeling (overweging 24) – kunnen de in de richtlijn neergelegde minimumnormen terzake van de subsidiaire-beschermingsstatus niet anders worden begrepen dan dat hiermee beoogd wordt bescherming te bieden aan vreemdelingen die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komen, doch van wie de terugkeer naar het land van herkomst niettemin in strijd zou zijn met een verbod van refoulement. Artikel 15 van de richtlijn dient in dit licht te worden bezien en aldus te worden begrepen dat de desbetreffende onderdelen een opsomming geven van situaties waarin sprake zou zijn van strijd met een verbod van refoulement.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998–1999, 26 732, nr. 3, p. 37/38) strekt deze toelatingsgrond er eveneens toe om bescherming te bieden in gevallen waarin de terugkeer naar het land van herkomst in strijd zou zijn met een verbod van refoulement. Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 biedt derhalve niet enkel grondslag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien sprake is van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, doch tevens indien sprake is van de in de onderdelen a en c van artikel 15 van de richtlijn omschreven situaties. Gelet hierop acht ik het niet noodzakelijk om deze onderdelen expliciet in artikel 29 van de Vw 2000 op te nemen.

De wens van de Raad dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid op dit punt meer duidelijkheid dient te worden geboden, wordt evenwel gedeeld. In het kader van de implementatie van de richtlijn in het Vb 2000 zal derhalve in dat besluit een bepaling worden opgenomen over het toepassingsbereik van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in relatie tot artikel 15 van de richtlijn. Het opnemen van een dergelijke bepaling in het Vb 2000 in plaats van in de Vw 2000 wordt vanuit een oogpunt van systematiek meer wenselijk geacht, nu het hier om een verduidelijking van een bestaande toelatingsgrond gaat en niet om een wijziging daarvan. Teneinde deze bepaling in het Vb 2000 te kunnen opnemen, zal in artikel 29 van de Vw 2000 een delegatiegrondslag worden gecreëerd.

De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd valt niet onder de reikwijdte van de richtlijn. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend aan de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, van de Vw 2000. Daarbij maakt het niet uit of de oorspronkelijke grond voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid onder a, onder b, onder c of onder d, van de Vw 2000 is geschied. Het betreft hier geen verblijfsvergunning die is verleend op grond van één van de toelatingsgronden van de richtlijn. De bepalingen van de richtlijn hebben dan ook uitsluitend betrekking op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die immers wél verschillende, met de richtlijn verband houdende, gronden voor verlening kent.

Uitgangspunt van de Vw 2000 is een volgtijdelijk systeem, waarin in eerste instantie maar één soort verblijfsvergunning kan worden verkregen en waarin voor een ieder, ongeacht de verleningsgrond, een uniform voorzieningenpakket aan de verblijfsvergunning wordt verbonden om doorprocederen voor een sterkere status zoveel mogelijk te voorkomen (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, p. 5). Het voorkomen van doorprocederen is tevens een doorslaggevende factor bij de keuzes die gemaakt zijn in het kader van de implementatie van de richtlijn. Bij de implementatie in de Vw 2000 en de onderliggende regelgeving wordt aangesloten bij het bestaande systeem. Implementatie van de richtlijn leidt niet tot wijzigingen in het uniforme voorzieningenpakket. Weliswaar zullen de intrekkings- en niet-verlengingssgronden voor de verschillende toelatingsgronden in de Vw 2000 na implementatie van de richtlijn op onderdelen meer uiteen lopen dan nu het geval is (ook nu lopen de niet-verlengings- en intrekkingsgronden, bijvoorbeeld voor de d-grond en de overige gronden al uiteen), maar dit heeft geen gevolgen voor de bestaande systematiek. De vreemdeling zal zich door een rechtsmiddel in te stellen hangende de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning niet een gunstiger materiële rechtspositie kunnen verschaffen. Het voorzieningenpakket blijft immers hetzelfde. De omstandigheid dat de richtlijn verplicht tot intrekking als de situatie zich voordoet, doet hieraan niet af. Het is vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ABRvS 22 november 2002 inzake Abubakar, JV 2003/17) dat op het moment van vergunningverlening geen concreet en actueel belang bij doorprocederen aanwezig is. Bij gelegenheid van de intrekking dan wel niet-verlenging op de voet van artikel 32 van de Vw 2000, zal wanneer het belang bij de gekozen verleningsgrond wél actueel wordt, de verleningsgrond ten volle aan de orde kunnen worden gesteld.

3.2. Wijzigingen in nationale wet- en regelgeving als gevolg van de richtlijn

De richtlijn bevat inhoudelijke en procedurele normen met betrekking tot de aard van de internationale bescherming, de erkenning als vluchteling in de zin van het Verdrag, subdsidiaire vormen van bescherming en kenmerken van internationale bescherming. Voor een groot deel hebben de bepalingen van de richtlijn geen gevolgen voor het bestaande stelsel, nu deze overeenkomen met bestaande wet- en regelgeving. Veel van de vereisten in de richtlijnartikelen zijn terug te voeren op de Vw 2000 (met name de artikelen 29, 31 en 32) en de onderliggende regelgeving. Ook bieden de algemene bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (zoals de artikelen 3:2 en 3:4 Awb: bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen; het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het betrokken besluit belangen af) in veel gevallen een afdoende basis. Een aantal bepalingen van de richtlijn leidt echter wel tot (inhoudelijke) wijzigingen van de huidige wet- en regelgeving.

Ten eerste maakt de richtlijn het noodzakelijk om een aantal onderwerpen, die nu nog geregeld zijn in beleidsregels (Vc 2000) en/of vaste jurisprudentie over te hevelen naar een algemeen verbindend voorschrift. Het betreft de volgende richtlijnbepalingen: artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, de artikelen 5 tot en met 10 en artikel 12, derde lid. Deze bepalingen geven veelal invulling aan gronden en definities. Het is niet te verwachten dat overheveling naar een algemeen verbindend voorschrift een groot verschil zal uitmaken voor de bestaande praktijk, met dien verstande dat de omzetting als zodanig wel gevolgen heeft voor het karakter van de regel, omdat bijvoorbeeld de inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 van de Awb) bij algemeen verbindende voorschriften ontbreekt.

Ten tweede komen de richtlijnbepalingen die criteria bevatten voor de beëindiging, de uitsluiting en de intrekking/weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus (de artikelen 11, 12, 14, 16, 17 en 19 van de richtlijn) op onderdelen niet geheel overeen met de huidige nationale wet- en regelgeving. In de Nederlandse wetgeving bestaat veelal ruimte voor een belangenafweging bij de afwijzing of de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De richtlijn biedt deze ruimte in een aantal gevallen niet.

De ACVZ wijst er in haar advies op dat de richtlijn slechts minimumnormen biedt (hetgeen blijkt uit artikel 63 van het EG-Verdrag) en dat ingevolge artikel 3 van de richtlijn de mogelijkheid bestaat om gunstiger bepalingen te handhaven. Dat brengt volgens de ACVZ met zich mee dat de richtlijn het toelaat om in positieve zin van de richtlijn af te wijken in het nationale recht. Dat impliceert dat de richtlijn niet mag worden ingeroepen om in het nationale recht imperatief voor te schrijven dat een aanvraag wordt afgewezen of een vergunning wordt ingetrokken, aldus de ACVZ.

Anders dan de ACVZ ben ik van mening dat de richtlijn deze ruimte niet biedt. Weliswaar biedt de richtlijn in artikel 3 de mogelijkheid om gunstiger bepalingen te handhaven, maar deze dienen wel verenigbaar te zijn met de richtlijn. Dat is hier niet het geval. Bij de afwijzings-, intrekkings- en niet-verlengingsgronden gaat het om gedragingen die in geen enkele lidstaat getolereerd zullen worden. Indien op dit punt zou worden afgeweken van de richtlijn zou hiermee de beoogde harmonisatie teniet worden gedaan en afbreuk worden gedaan aan de doelstelling van de richtlijn om secundaire migratie van asielzoekers tussen de lidstaten te beperken.

Naar aanleiding van de richtlijn wordt de bestaande wet- en regelgeving met betrekking tot de afwijzing dan wel intrekking van een verblijfsvergunning wegens het vervallen van de grond voor verlening, wegens gevaar voor de openbare orde of in geval van verkeerde weergave van het relaas of het gebruik van valse documenten gewijzigd. Hieronder volgt een toelichting.

Uitsluiting van bescherming indien de grond voor verlening is vervallen

De richtlijn schrijft in artikel 14, eerste lid, voor dat, indien de grond voor verlening is komen te vervallen, de vluchtelingenstatus ingetrokken móet worden. Dit is het geval als de vluchtelingenstatus is verleend en vervolgens artikel 1C van het Verdrag van toepassing is, de zogeheten «cessation clauses». Zie voor een beleidsnotitie over de toepassing van de «cessation clauses» de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 6 mei 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998/99, 19 637, nr. 438).

Ook de subsidiaire bescherming dient ingevolge artikel 19, eerste lid, van de richtlijn te worden ingetrokken wanneer omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen of de wijziging van de omstandigheden zo ingrijpend en niet-voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hier is dus sprake van een imperatieve intrekkingsgrond zowel ten aanzien van de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus. In artikel 32, tweede lid, onder c, van de Vw 2000 is geregeld dat de verblijfsverguning kan worden ingetrokken, indien de grond voor verlening is komen te vervallen. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de benodigde delegatiegrondslag te creëren in de Vw 2000 teneinde voormelde richtlijnbepalingen te kunnen implementeren in het Vb 2000.

Uitsluiting van bescherming op grond van openbare orde

Op grond van de artikelen 12, tweede lid, 14, derde lid, 17, eerste lid, en 19, derde lid, van de richtlijn dient de vluchtelingstatus of de subsidiaire beschermingsstatus te worden geweigerd/ingetrokken/niet verlengd, indien er serieuze redenen zijn om aan te nemen dat een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1F (a) of (b) of (c) van het Verdrag.

Ingevolge artikel 14, vierde lid, van de richtlijn kunnenlidstaten besluiten een aan een vluchteling verleende verblijfsvergunning niet te verlengen of in te trekken, indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid of indien hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van die lidstaat. Het betreft hier derhalve een facultatieve bevoegdheid. Wat betreft de subsidiaire status is dit anders geformuleerd. Ingevolge artikel 17, eerste lid, en 19, derde lid, van de richtlijn moet de subsidiaire beschermingsstatuts worden geweigerd/ingetrokken indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van een ernstig misdrijf of indien sprake is van een gevaar voor de gemeenschap of nationale veiligheid.

Voornoemde richtlijnbepalingen stroken niet volledig met de huidige wet- en regelgeving. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bevat een imperatieve afwijzingsgrond. De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt heeft dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden, die hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. In het tweede lid van het artikel is evenwel bepaald dat bij het onderzoek of de aanvraag kan worden afgewezen verschillende omstandigheden kunnen worden betrokken. De belangrijkste omstandigheden worden in dit lid genoemd, maar ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen bij het onderzoek of de aanvraag kan worden afgewezen. Op grond van artikel 31, tweede lid onder k, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning worden geweigerd indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen daarover regels worden gesteld. In artikel 3.107 van het Vb 2000 is geregeld dat, indien artikel 1F van het Verdrag van toepassing is, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op andere gronden wordt verleend. Voor het overige is het openbare ordebeleid niet in het Vb 2000 of het VV 2000 uitgewerkt. Wel komen de richtlijnbepalingen voor een deel overeen met het beleid zoals geformuleerd in C1/5.13 van de Vc 2000 (wordt: C4/3.11 na actualisering van de Vc 2000). De richtlijn dwingt hier tot aanpassing van de bestaande regelgeving op het gebied van de openbare orde.

Op grond van artikel 32, eerste lid onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning worden ingetrokken of de verlenging van de geldigheidsduur worden geweigerd indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Het betreft hier een facultatief geformuleerde bepaling. Gelet op de bewoordingen van de richtlijn wordt er vanuit gegaan dat de verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000 wordt ingetrokken c.q. niet verlengd indien er serieuze redenen zijn om aan te nemen dat een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1F (a) of (b) of (c) van het Verdrag. De verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 kan worden ingetrokken/niet verlengd, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap van die lidstaat. De verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 wordt geweigerd/ingetrokken/ niet verlengd, indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd of sprake is van een gevaar voor de gemeenschap of openbare veiligheid. De bestaande regelgeving zal hieraan worden aangepast.

Uitsluiting van bescherming indien de vreemdeling zijn relaas verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden of valse documenten heeft gebruikt

Gelet op de bewoordingen van de richtlijn dient de verblijfsstatus van de vreemdeling beëindigd te worden, indien deze feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus/subsidiaire beschermingsstatus (artikelen 14, derde lid, onderdeel b en 19, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn). Artikel 32 van de Vw 2000 is facultatief geformuleerd: de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan in dat geval worden beëindigd. Bij de totstandkoming van de Vw 2000 is er echter al uitdrukkelijk op gewezen dat van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken, in beginsel altijdgebruik zal worden gemaakt, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of de algemeen beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten (Kamerstukken II 1999/2000 26 732, nr. 7, p. 27). Ook hier laat de richtlijn evenwel geen ruimte voor enige belangenafweging, hetgeen aanpassing van de bestaande regelgeving noodzakelijk maakt.

3.3. Facultatieve bepalingen

Een deel van de bepalingen in de richtlijn is facultatief. Dat wil zeggen dat de toepassing ervan wordt overgelaten aan de lidstaten. Voor een deel is in Nederland al sprake van toepassing van een facultatieve mogelijkheid die de richtlijn biedt. Een voorbeeld hiervan is artikel 8 van de richtlijn, dat handelt over binnenlandse bescherming. Naar Nederlandse begrippen gaat het hier om een binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief. Dit is nu nog geregeld in de Vc 2000, maar dit zal in een algemeen verbindend voorschrift worden opgenomen. Voor het overige zal geen gebruik worden gemaakt van de facultatieve bepalingen in de richtlijn. Allereerst kan in dit verband worden gewezen op artikel 5, derde lid, van de richtlijn. Dit artikel bepaalt dat, onverminderd het Verdrag, de lidstaten kunnen vaststellen dat een verzoeker die een herhaalde (in de zin van opeenvolgende) aanvraag indient, normaliter niet de vluchtelingenstatus wordt verleend indien het risico van vervolging gegrond is op omstandigheden die de verzoeker zelf heeft veroorzaakt nadat hij het land van herkomst heeft verlaten (het zogenaamde continuïteitsvereiste). Op grond van artikel 5, derde lid, kunnen lidstaten derhalve andere vereisten stellen aan een herhaalde aanvraag, die gegrond is op omstandigheden die de verzoeker zelf heeft veroorzaakt na vertrek uit het land van herkomst. Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt, nu dit niet past in het huidige Nederlandse systeem met betrekking tot herhaalde aanvragen, waarbij wordt beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Ook overigens wordt het niet wenselijk geacht om bij een herhaalde aanvraag sur place activiteiten buiten beschouwing te laten. In het kader van de beoordeling van een herhaalde aanvraag zal immers altijd getoetst worden of er sprake is van een reëel risico om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Voorts bevatten de artikelen 17, derde lid en 19, tweede lid van de richtlijn een keuzemogelijkheid. Deze artikelen zien op de situatie dat een vreemdeling in het land van herkomst een niet ernstig misdrijf heeft gepleegd (daaronder vallen in ieder geval niet de delicten die zijn opgesomd in artikel C1/5.13.3.2.2. Vc 2000 (wordt: C4/3.11.3.2, onder b, na actualisering van de Vc 2000), zoals moord, doodslag, verkrachting, terroristische activiteiten etc.) én aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De richtlijn biedt in dat geval de mogelijkheid om de vreemdeling subsidiaire bescherming te onthouden als de vreemdeling enkel uit angst voor zijn straf zijn land is ontvlucht. In een dergelijk geval mag – ondanks de weigering van de verblijfsvergunning – niet tot uitzetting naar het land van herkomst worden overgegaan gelet op de absolute aard van artikel 3 EVRM. Indien er niet een derde land is dat bereid is de vreemdeling op te nemen dan komt hij waarschijnlijk in de illegaliteit terecht. Gelet op de ernst (doodstraf, onmenselijke behandeling etc.) van wat een vreemdeling te wachten staat bij terugkeer, wordt weigering van een verblijfsvergunning disproportioneel geacht. Daarnaast is het weigeren van een verblijfsvergunning aan deze groep niet wenselijk gelet op de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de artikelen 29 en 45 van de Vw 2000. Het uitgangspunt van de Vw 2000 is immers dat wie niet mag blijven, vertrekt. De hier genoemde groep zal echter niet vertrekken gelet op wat hen bij terugkeer te wachten staat en evenmin kunnen worden uitgezet (tenzij een derde land bereid is de vreemdeling op te nemen). Deze onwenselijke situatie dient te worden vermeden. In de wetsgeschiedenis is deze situatie weliswaar uitdrukkelijk onder ogen gezien voor 1F-ers, maar niet voor de groep die een niet-ernstig misdrijf heeft gepleegd in het land van herkomst.

Artikel 20, zesde en zevende lid, van de richtlijn bieden de mogelijkheid om – binnen de beperkingen die internationale verdragen stellen – de voorzieningen te beperken van vluchtelingen en subsidiair beschermden die hun status hebben verkregen op basis van activiteiten die uitsluitend of in hoofdzaak ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om als vluchteling of subsidiair beschermde te worden erkend. Ook deze bepaling zal niet worden geïmplementeerd. Het gebruikmaken van deze mogelijkheid zou leiden tot de aanwezigheid van een belang bij doorprocederen voor een status met een beter voorzieningenpakket, hetgeen in strijd is met de systematiek van de Vw 2000.

3.4. Wijze van implementatie

De implementatie van de richtlijn vindt plaats in het Vw 2000, het Vb 2000, het VV 2000 en het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Tevens zal de Vc 2000 op onderdelen worden aangepast. Bij de verdeling van onderwerpen over het Vw 2000, het Vb 2000 en het VV 2000 is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande systematiek van de Vw 2000. In onderhavig wetsvoorstel wordt ter implementatie van de richtlijn een drietal nieuwe delegatiegrondslagen in de Vw 2000 geïntroduceerd. Hiermee ontstaat een basis om de wijzigingen waartoe de richtlijn dwingt te implementeren in lagere regelgeving. De daadwerkelijke implementatie van de richtlijn vindt vervolgens plaats in het Vb 2000 en het VV 2000.

De wijziging van het Vb 2000 ter implementatie van de richtlijn kent een tweeledig karakter. Enerzijds zal een aantal delegatiegrondslagen worden opgenomen, op grond waarvan nadere uitwerking van een aantal onderwerpen (zoals gedetailleerde definities en invullingen van gronden) in het VV 2000 kan geschieden; anderzijds zal een aantal imperatief geformuleerde afwijzings- en intrekkingsgronden in het Vb 2000 worden geïntroduceerd.

De ACVZ concludeert in haar advies dat een algemene maatregel of een ministeriële regeling niet zodanig mag zijn geformuleerd dat in feite sprake is van een wetswijziging. Anders dan de ACVZ ben ik van mening dat er ruimte bestaat om bij algemene maatregel van bestuur een discretionaire wettelijke bevoegdheid op imperatieve wijze in te vullen. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van de Vw en het Vb 2000. Ook nu worden op tal van plaatsen in het Vb 2000 discretionaire bevoegdheden imperatief ingevuld.

Volgens de ACVZ vloeit uit de richtlijn een aanspraak op titelverlening voort, die bij voorkeur in de Vw 2000 of ten minste in lagere regelgeving imperatief verankerd dient te worden. In het kader van de implementatie van de richtlijn in het Vb 2000 zal bezien worden in hoeverre dit advies wordt gevolgd.

3.5. Voortgang van de implementatie

De implementatietermijn van de richtlijn is op 10 oktober 2006 verstreken. Hoewel bij de totstandkoming van de richtlijn reeds is bezien hoe (het ontwerp van) de richtlijn zich verhoudt tot het nationale recht, bleek het onderzoek naar de inpassing van de bepalingen van de richtlijn in de nationale wet- en regelgeving complexer dan verwacht. Dit betrof met name de verhouding tussen bepaalde begrippen uit de richtlijn en begrippen in het nationale recht, de vraag of de richtlijn dwing tot imperatief geformuleerde bepalingen in het nationale recht en de mogelijkheden om eventueel gunstiger normen vast te stellen. Gelet op de complexiteit is het onderhavige wetsvoorstel – hoewel daartoe niet verplicht – ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (hierna: ACVZ). Voorts is veelvuldig overleg gevoerd met andere lidstaten over de interpretatie van de richtlijn. Door deze omstandigheden heeft de implementatie van de richtlijn vertraging opgelopen. Op dit moment worden uiteraard met gepaste spoed de benodigde maatregelen genomen om de richtlijn alsnog te implementeren in het nationale recht. Gestreefd wordt om de implementatie van de richtlijn uiterlijk één jaar na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn te voltooien.

De gevolgen van de niet-tijdige implementatie van de richtlijn voor vreemdelingen die rechten kunnen ontlenen aan de richtlijn, zijn echter beperkt. Het bestaande beleid inzake de toelating van asielzoekers, als neergelegd in de Vc 2000, alsmede de terzake geldende vaste jurisprudentie voldoet namelijk in hoofdlijnen aan de bepalingen van de richtlijn. De nationale uitvoeringsmaatregelen behelzen dan ook voor een groot deel slechts de omzetting van bestaande beleidsregels en/of vaste jurisprudentie in algemeen verbindende voorschriften. Op dit moment wordt dan ook geen aanleiding gezien om een overgangsregeling te treffen voor de periode tot de voltooiing van de implementatie van de richtlijn. Uiteraard zal echter gedurende deze periode bezien blijven worden of het treffen van zodanige regeling alsnog noodzakelijk moet worden geacht.

4. Kosten/bestuurlijke lasten

Nu er zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de bestaande wet- en regelgeving en de systematiek van de Vw 2000 zullen de wijzigingen op grond van de nieuwe delegatiebepalingen in de Vw 2000 veelal een codificatie bevatten van hetgeen reeds bestaand beleid en/of vaste jurisprudentie is. Gelet hierop ligt het niet in de verwachting dat de bestuurslasten aanzienlijk zullen stijgen.

Uit het wetsvoorstel vloeien geen administratieve lasten voort voor het bedrijfsleven en/of de burger. Het wetsvoorstel is ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Actal heeft, gegeven de selectiecriteria, besloten niet over het wetsvoorstel te adviseren.

5. Wijze van totstandkoming

Onderhavig wetsvoorstel is ter advies voorgelegd aan de ACVZ. Op de daartoe geëigende plaatsen wordt ingegaan op het ACVZ-advies.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel A (artikel 29)

Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, zal in het kader van de implementatie van de richtlijn in het Vb 2000 in dat besluit een bepaling worden opgenomen over het toepassingsbereik van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in relatie tot artikel 15 van de richtlijn. De onderhavige wijziging van artikel 29 strekt ertoe de hiervoor benodigde delegatiegrondslag te creëren.

Voorts zal op basis van deze delegatiegrondslag een aantal richtlijnbepalingen worden geïmplementeerd in het Vb 2000 die betrekking hebben op de invulling van de facultatieve bevoegdheid van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 14, vijfde lid, en artikel 17, eerste en tweede lid, van de richtlijn).

Onderdeel B (artikel 31)

De beoordeling van de aanvraag op één van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 vindt plaats in het kader van artikel 31 van de Vw 2000. In artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 komt tot uitdrukking dat de bewijslast op de vreemdeling rust; de vreemdeling maakt aannemelijk of zijn aanvraag op één van de gronden genoemd in artikel 29 voor inwilliging in aanmerking komt. Overeenkomstig de paragrafen 198 tot en met 219 van het Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status van de UNHCR wordt de vreemdeling, indien het asielrelaas geloofwaardig is, het voordeel van de twijfel gegund (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, p. 40). Op basis van voornoemd Handbook moet de vreemdeling aannemelijk maken dat hij vluchteling is en dient hij daartoe de nodige informatie te verschaffen. Naast de plicht van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij vluchteling is, heeft de staat de plicht om te onderzoeken of de asielzoeker bescherming verdient (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 7, p. 147 tot en met 149). In het tweede lid is bepaald dat bij het onderzoek of de aanvraag kan worden afgewezen verschillende omstandigheden kunnen worden betrokken. De belangrijkste omstandigheden worden in dit lid genoemd, maar ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen bij het onderzoek of de aanvraag kan worden afgewezen. Wel biedt dit artikellid een handvat voor de bewijslastverdeling tussen de asielzoeker en de overheid bij de beoordeling of de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij bescherming behoeft.

De voorgestelde wijziging van artikel 31, derde lid, strekt tot uitbreiding van de delegatiegrondslag tot artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Hiermee ontstaat een basis om diverse richtlijnbepalingen, die zien op de bewijslast, feiten en omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen, de beoordeling van aanvragen om internationale bescherming en de uitsluiting van bescherming, nader uit te werken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (Vb 2000 en VV 2000).

Allereerst kunnen op basis hiervan de artikelen 4, derde, vierde en vijfde lid (onderzoek naar feiten en omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen) bij of krachtens het Vb 2000 geïmplementeerd worden. Weliswaar zijn veel van de vereisten in deze richtlijnartikelen terug te voeren op de algemene bepalingen van artikel 3:2 en 3:4 Awb en vaste jurisprudentie, maar specifieke bepalingen ontbreken. Als gevolg van de voorgestelde wijziging van artikel 31 van de Vw 2000 wordt het tevens mogelijk om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de bewijslastverdeling. Daarvan zal gebruik worden gemaakt om ook artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn uit te werken in de lagere regelgeving.

Voorts biedt de nieuwe delegatiegrondslag een basis om de artikelen inzake de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming (artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7 en 8 van de richtlijn) en de voorwaarden voor het verkrijgen van een vluchtelingenstatus (artikelen 9 en 10 van de richtlijn) te implementeren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Vergelijkbare onderwerpen zijn op dit moment voor een groot deel opgenomen in de Vc 2000, maar zullen worden overgeheveld naar een algemeen verbindend voorschrift.

Onderdeel C (artikel 32)

Met de voorgestelde wijziging wordt het mogelijk om, naast de gronden genoemd in het eerste lid, onder a, b en d, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over artikel 32, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. In dit artikel is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden ingetrokken, dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur daarvan kan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000, is komen te vervallen.

Op grond van de uitgebreide delegatiebasis in artikel 32, tweede lid, van de Vw 2000 wordt het mogelijk om de artikelen 14, eerste lid en 19, eerste lid, waarin de intrekking c.q. niet verlenging in geval van het vervallen van de rechtsgrond voorgeschreven wordt, te implementeren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Voorts biedt artikel 32, tweede lid, van de Vw 2000 een grondslag om de artikelen 14, derde en vierde lid, en 19, derde lid, te implementeren. Het betreft hier – kort samengevat – de imperatief dan wel facultatief geformuleerde intrekkings- en c.q. niet-verlengingsgronden, waaronder de verkeerde weergave van feiten dan wel het achterhouden van gegevens, gevaar voor de openbare orde of een veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf.

Artikel II

In de inwerkingtreding wordt voorzien bij koninklijk besluit.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

BIJLAGE

(transponeringstabel)

Betreffende Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304)

Richtlijn (art.)Nieuwe regelgeving (art.)Bestaande regelgeving (art.)
1–3
4, eerste lid37 Vw 2000 jo 3.114 Vb 2000; 31 Vw 2000; 3:4 Awb
4, tweede lid3.114 Vb 2000; VV 200037 Vw 2000 jo 3.114 Vb 2000
4, derde lid31, derde lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 200031, eerste lid, jo. 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000; 37 Vw 2000 jo. 3.114 Vb 2000; 3:2 en 3:4 Awb
4, vierde lid31, derde lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 2000
4, vijfde lid31, derde lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 200031 Vw 2000; 37 Vw 2000 jo. 3.114 Vb 2000; 3:2 en 3:4 Awb
5, eerste en tweede lid31, derde lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 2000
5, derde lid
6, 7, 8, 9, 1031, derde lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 2000
1132, tweede lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 200032, eerste lid, onder c, Vw 2000
12, eerste en tweede lid29, eerste lid, onder a, Vw 2000
12, derde lid31, derde lid, en 32, tweede lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 200029, eerste lid, onder a, Vw 2000; 32, eerste lid, onder c, Vw 2000
1329, derde lid, Vw 2000; Vb 200029, eerste lid onder a
14, eerste lid32, tweede lid, Vw 2000; Vb 200032, eerste lid onder c Vw 2000
14, tweede lid3:2 en 4:2, tweede lid, Awb
14, derde en vierde lid32, tweede lid, Vw 2000; Vb 200032, eerste lid, onder a, b en c, Vw 2000
14, vijfde lid29, derde lid, Vw 2000; Vb 200029, eerste lid, onder a, Vw 2000
14, zesde lid29, eerste lid onder a, Vw 2000
1529, derde lid, Vw 2000; Vb 200029, eerste lid onder b, Vw 2000
1632, tweede lid, Vw 2000; Vb 2000; VV 200032, eerste lid onder c, Vw 2000
17, eerste en tweede lid29, derde lid, Vw 2000 en 32, tweede lid, Vw 2000; Vb 200029, eerste lid, onder b, Vw 2000 en 32, eerste lid, onder c, Vw 2000; 3.107 Vb 2000
17, derde lidFacultatieve bepaling; niet geïmplementeerd.
1829, derde lid, Vw 2000; Vb 200029, eerste lid onder b, Vw 2000
19, eerste en derde lid32, tweede lid, Vw 2000; Vb 200032, eerste lid, onder a, b en c, Vw 2000
19, tweede lidFacultatieve bepaling; niet geïmplementeerd.
19, vierde lid3:2 en 4:2, tweede lid, Awb
20, eerste lid93 Gw jo Vluchtelingenverdrag; 29, eerste lid onder a Vw 2000
20, tweede lidVw 2000
20, derde en vierde lid(zie bepalingen hierna waar van toepassing)
20, vijfde lid3 IVRK
20, zesde en zevende lidFacultatieve bepalingen; niet geïmplementeerd.
21, eerste lid3 EVRM en 33 Vluchtelingenverdrag jo 93 Gw
21, tweede lid93 Gw jo 33 Vluchtelingenverdrag
21, derde lid31 jo 32 Vw 2000
22Vb 2000; VV 200037, onder d, Vw 2000
23, eerste lid8 EVRM; 29, eerste lid onder e en f Vw 2000
23, tweede en derde lid29, eerste lid,onder e en f, Vw 2000 juncto 31, tweede lid, onder k Vw 2000; 3:107 Vb 2000
23, vierde lid31, tweede lid onder k, Vw 2000
23, vijfde lid29, eerste lid onder f, Vw 2000
243.105 Vb 200028 Vw 2000; 3.105 Vb 2000
2511 Paspoortwet
26Eerste en derde lid: 1c Besluit tot uitvoering van de Wet arbeid Vreemdelingen; Vestigingswet bedrijven 1954 en Vestigingsbesluit bedrijven. Tweede en vierde lid 5 AWGB en onderwijswetgeving. Vijfde lid 5 AWGB en sociale zekerheidswetgeving
278.1.1, eerste lid, WEB; art. 7.32, vijfde lid, WHW; art. 7.43, eerste lid, WHW) 40, eerste lid, WPO, art. 40, tweede lid, WEC, art. 27, lid 1a, WVO, art. 8.1.1, eerste lid, WEB en art. 7.32, vijfde lid, WHW 8.2.1 WEB; art. 7.28 WHW
2811 Wet Werk en Bijstand
29 5 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; 2 en 3 Ziekenfondswet; 3 Wet op de toegang tot de ziektekostenverzekeringen 1998 jo 1 van het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998; 4 Wet voorzieningen gehandicapten
30, eerste lid1:245 BW jo 1:241 BW en 1:295 BW
30, tweede lid13 en 47 Wet op de Jeugdzorg; 40 jo 61 Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg
30, derde lidUitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg5 Wet op de Jeugdzorg jo 34 Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg
30, vierde lidUitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg 
30, vijfde lidVc 2000
30, zesde lidUitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg
319 Huisvestingswet
3256 Vw 2000
33Wet Inburgering Nieuwkomers
34Remigratiewet
35
362:5 en 3:2 Awb
37 t/m 40

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.