nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 17 januari 2008
De vaste commissie voor Financiën1 belast
met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer
als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag
afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling
van het voorstel van wet voldoende voorbereid.
De leden van de vaste commissie voor Financiën (hierna: de commissie)
hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorstel tot wijziging
van de Wet op de omzetbelasting 1968 (aanpassing tarief levende dieren).
Deze gemengde gevoelens worden met name opgeroepen door de welhaast on-Haagse
voortvarendheid waarmee de regering dit wetsvoorstel heeft ingediend. De commissie
kan niet nalaten op te merken dat voortvarendheid het kabinet kan dan wel
zou kunnen sieren op velerlei terrein, maar dan juist niet op dit terrein.
Daarnaast doorkruist dit voorstel ook de mede op verzoek van Nederland
in de Ecofin Raad aangekaarte discussie met de Europese Commissie over de
differentiatie van de BTW-tarieven. Het behoort eigenlijk aan de lidstaten
om te bepalen welke goederen dan wel diensten onder het hoge dan wel lage
tarief dienen te vallen zolang maar geen concurrentieverstoring tussen de
lidstaten optreedt. Dat is de inzet van de thans aangevangen discussie. Voor
de Europese eigen middelen maakt het niet uit of goederen dan wel diensten
onder het hoge dan wel lage tarief vallen zolang maar minimumtarieven zijn
vastgesteld.
Het oorspronkelijke voorstel tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting
was opgenomen in het Belastingplan 2007. Door middel van het met overgrote
meerderheid aangenomen amendement De Nerée tot Babberich/Dezentjé
Hamming-Bluemink (vergaderjaar 2006–2007, 30 804 nr. 10) is
het voorstel toen uit het Belastingplan gehaald. En terecht: want was Nederland
toen het enige land dat in overtreding leek, inmiddels is gebleken dat zeven
andere landen ook door de Europese Commissie belaagd worden voor dezelfde
vermeende schending van de Europese Richtlijn 2006/12/EG (hierna: de Richtlijn
2006). Op 18 oktober 2007 heeft de Europese Commissie de
eerste stap (schriftelijke aanmaning) in de inbreukprocedure gezet tegen Oostenrijk,
Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië en Luxemburg. Tegen
Nederland is de inbreukprocedure ook geopend. Het ziet er niet naar uit, zo
heeft de commissie uit doorgaans welingelichte kringen vernomen, dat deze
landen op korte termijn hun wetgeving aan zullen willen passen aan de opvattingen
van de Europese Commissie op dit punt. Kan de regering dit bevestigen? Bovendien,
zo blijkt uit de memorie van toelichting, mogen Frankrijk, Luxemburg en Ierland
nog wel een verlaagd tarief blijven toepassen omdat die situatie veelal gedekt
is door speciaal overgangsrecht. De commissie vraagt zich af hoe de opening
van de procedure door de Europese Commissie tegen deze specifieke landen zich
verhoudt tot het hiervoor genoemde speciale overgangsrecht?
Sinds wanneer bevat de wetgeving van Nederland en die van de andere relevante
landen een bepaling waarin is vastgelegd dat voor alle levende dieren, inclusief
hobbydieren en ren- en dressuurpaarden nog wel een verlaagd tarief kan bestaan?
Waarom is de Europese Commissie pas nu in actie gekomen om te komen tot de
wijziging van de nationale wetgeving van een aantal lidstaten in verband met
vermeende strijdigheid met de Richtlijn 2006? Is het wellicht mogelijk dat
de richtlijn en de bijlagen daarbij toch niet zo duidelijk zijn als de Commissie
en in navolging daarvan de Nederlandse regering doen voorkomen?
In de memorie van toelichting vermeldt de regering dat het Nederlandse
belang er niet mee gediend zou zijn als op een betrekkelijk ondergeschikte
zaak als de onderhavige nog eens de – bij voorbaat verloren –
strijd met de Commissie zou worden aangegaan. De commissie vraagt zich af
waar de regering haar oordeel op baseert dat de paardensector een betrekkelijk
ondergeschikte zaak is. De commissie vraagt zich af wat in de ogen van de
regering dan zaken zijn die niet van ondergeschikte aard zijn?
Verder is de commissie in hoge mate verbaasd dat de regering het aanvechten
van de mening van de Commissie op dit punt een bij voorbaat verloren strijd
vindt. Inmiddels verkeren zeven andere landen in dezelfde situatie als Nederland.
Is de regering van mening dat ook deze landen een bij voorbaat verloren strijd
voeren? Is de regering verder van mening dat het opnemen destijds in de Nederlandse
wetgeving dat het verlaagde tarief altijd van toepassing is waar het gaat
om rundvee, schapen, geiten, varkens en paarden, een handeling was die in
strijd was met de Europese regelgeving?
De Europese Commissie is naar algemene opvatting de hoedster van het Europese
verdrag. Op grond daarvan is het haar plicht inbreuken op verdragsverplichtingen
aan te pakken en desnoods voor de rechter te brengen. Het is echter uiteindelijk
de rechter die beslist of sprake is van een inbreuk op de uit het verdrag
voortvloeiende regels. Gezien de op zich niet geheel heldere tekst van de
Richtlijn 2006 juncto bijlage III van deze richtlijn en mede gezien de interpretatie
die zeven andere lidstaten aan deze bepaling hebben gegeven, is er in de opvatting
van de commissie op zijn minst aanleiding tot gerede twijfel over de reikwijdte
van de bepaling. In een dergelijk geval verkiest de commissie dat de zaak
uiteindelijk beslecht wordt door het Hof van Justitie in Luxemburg boven het
bij voorbaat aanpassen van de Nederlandse regelgeving. Uiteindelijk zal dan
zal blijken of de Nederlandse regelgeving aangepast zal moeten worden.
Wellicht dat in de loop van het proces de discussies tussen de Raad van
Ministers en de Europese Commissie over de vrijheid van lidstaten om te bepalen
welke goederen en diensten onder het hoge dan wel lage tarief vallen, tot
een positieve afronding zijn gekomen.
De commissie brengt met nadruk naar voren dat zij de onderhavige kwestie
geen betrekkelijk ondergeschikte zaak vindt en dat zij de strijd die moet
worden aangegaan geen bij voorbaat verloren zaak vinden.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Blok
De griffier van de commissie,
Berck
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GL), Blok (VVD), voorzitter, Ten
Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Gerkens (SP), Van Haersma Buma
(CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Dezentjé Hamming (VVD),
Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma
(PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (CU), J. Kortenhorst (CDA),
Van der Burg (VVD), Van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Heerts (PvdA), Gesthuizen
(SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA) en Vos (PvdA).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Halsema (GL), Remkes (VVD), Jonker (CDA),
Aptroot (VVD), Van Gerven (SP), De Vries (CDA), Van Hijum (CDA), De Krom (VVD),
De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van
der Veen (PvdA), Vacature (CDA), Anker (CU), Mastwijk (CDA), Nicolaï
(VVD), De Roon (PVV), Van Dam (PvdA), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme
(PvdD), Heijnen (PvdA) en Roefs (PvdA).