Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201430862 nr. 99

30 862 Goedkeuring van het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest betreffende de uitvoering van de ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium (Trb. 2005, 310)

Nr. 99 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 3 juni 2014

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 27 maart 2014 over de Evaluatie Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium (Kamerstuk 30 862, nr. 98).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 juni 2014. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De waarnemend voorzitter van de commissie, Van Dekken

De griffier van de commissie, Sneep

Vraag 1

Wat zijn de precieze onderzoeksvragen die met betrekking tot de Evaluatie Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium zijn gesteld?

Antwoord 1

De scope van de evaluatie is geregeld in artikel 9 van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium: «Het Politiek College beoordeelt elke 5 jaar in welke mate de doelstellingen van dit verdrag zijn verwezenlijkt en doet desgewenst voorstellen aan de Verdragssluitende partijen om maatregelen te treffen teneinde de mogelijkheden van deze doelstellingen te verbeteren, daarbij inbegrepen voorstellen tot wijziging van dit verdrag».

Voor de uitwerking hiervan verwijs ik u kortheidshalve naar het projectplan dat ten grondslag ligt aan de evaluatie. Vindplaats: http://www.vnsc.eu/uploads/2012/08/projectplan-evaluatie-verdrag-beleid-en-beheer-schelde-1.pdf

Vraag 2

Welke rol heeft de scheepvaart bij het uitvoeren van de onderzoeken ten behoeve van de Agenda voor de Toekomst?

Antwoord 2

De Agenda voor de Toekomst heeft als speerpunt het bevorderen van een duurzame balans tussen de belangen van een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium. Hiertoe wordt voor de scheepvaart een capaciteitsstudie uitgevoerd. Deze studie richt zich in eerste instantie op het in kaart brengen van eventuele knelpunten (huidige en toekomstige) in de capaciteit van de vaarweg. In een vervolgfase zullen oplossingsrichtingen voor de eventueel geconstateerde knelpunten worden geïnventariseerd.

Vraag 3

  • a. Wat is het budget voor de uitvoering van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium?

  • b. Wat is het kostenverdelingsmodel tussen Nederland en België?

  • c. Wat is er nog aan aanvulling nodig voor de Agenda voor de Toekomst en hoe verhoudt zich dit tot de inhoudelijke evaluatie in 2016?

Antwoord 3

  • a. De budgetruimte voor de uitvoering van dit verdrag is jaarlijks ongeveer 2,5 miljoen euro. Dit betreft de kosten van het Uitvoerend Secretariaat van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) en de kosten van onderzoek en monitoring.

  • b. De kostenverdeling is 50% Nederland en 50% Vlaanderen.

  • c. Voor de uitwerking van de Agenda voor de Toekomst wordt een onderzoeksprogramma opgesteld. Dit past binnen de huidige financiële kaders. De onderzoeksprogrammering is dynamisch en kan jaarlijks worden geactualiseerd. Indien uit de inhoudelijke evaluatie in 2016 nieuwe aandachtspunten naar voren komen, dan worden deze afgewogen bij de eerstvolgende actualisatie van de onderzoeksprogrammering.

Vraag 4

In de Agenda voor de Toekomst wordt geen duidelijkheid gegeven over de vraag of er opnieuw verdieping van de Schelde plaats zal vinden en of daarbij natuurcompensatie (al dan niet in de vorm van ontpoldering) noodzakelijk is.

Kunt u hier duidelijkheid over geven?

Antwoord 4

De Agenda voor de Toekomst richt zich in eerste instantie op de ontwikkeling van een Vlaams-Nederlands kennis- en onderzoeksprogramma. De focus van deze agenda ligt dus (nog) niet op concrete uitvoeringsprojecten.

Overigens is, in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, de derde vaargeulverruiming van de Westerschelde uitgevoerd zonder de noodzaak van natuurcompensatie. Hiervoor behoefde dus niet te worden ontpolderd.

Vraag 5

Welke afspraken zijn er gemaakt over de huidige en toekomstige bereikbaarheid van Antwerpen?

Antwoord 5

Hierover zijn geen afspraken gemaakt, anders dan de afspraken die zijn opgenomen in het Verdrag Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium.

De evaluatie heeft dus niet geleid tot voorstellen om dit verdrag te wijzigen.

Vraag 6

De vier pagina’s tellende Agenda voor de Toekomst lijkt de agenda te geven waarop de Scheldecommissie de aandacht zal richten in de komende periode. Deze geeft echter weinig inzicht in een gezamenlijke visie op toekomst van de Schelde. Komt er nog wel een dergelijk visiedocument? Zo ja, wanneer? En zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

De gezamenlijke visie op de toekomst van het Schelde-estuarium is opgenomen in het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium.

De Agenda voor de Toekomst benoemt binnen deze visie een aantal aandachtvelden, die in het onderzoeksprogramma nader worden onderzocht, zoals de slibhuishouding, de getijslag, de sedimentstrategie, de lange termijn waterveiligheidsstrategie en de capaciteitsstudie.

Vraag 7

Welke aanbevelingen neemt de regering over van het rapport van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie? En hoe worden deze aanbevelingen concreet ingevuld?

Antwoord 7

De aanbevelingen van het evaluatierapport betreffen de aanbevelingen van het Politiek College van de VNSC. De Nederlandse regering is hierin vertegenwoordigd. Dit impliceert dat alle aanbevelingen relevant zijn. De aanbevelingen worden geïmplementeerd in de Vlaams-Nederlandse samenwerking vanuit de VNSC en hebben bijvoorbeeld al geleid tot de instelling van de Schelderaad als adviesorgaan van de VNSC en een plan van aanpak voor de toekomstige onderzoeksprogrammering (gezamenlijke Joint Fact Finding) ten behoeve van de Agenda voor de Toekomst.

Vraag 8

  • a. Waarom worden waterveiligheidsstrategieën voor de Westerschelde voor de lange termijn aan Nederlandse zijde ontwikkeld en gedeeld met Vlaanderen? Kan dat niet gezamenlijk gedaan worden?

  • b. Wat gebeurt er als Vlaanderen hierin niet wil of, financieel gezien, niet kan delen?

  • c. Welke commitment is er op dit vlak?

Antwoord 8

  • a. De kracht van de Vlaams-Nederlandse samenwerking in de VNSC is dat zoveel mogelijk gezamenlijk beleid en beheer wordt ontwikkeld en gevoerd.

  • b. De bouwstenen voor het Deltaprogramma voor de lange termijn waterveiligheidsstrategie van de Westerschelde zijn dan ook gezamenlijk met Vlaanderen ontwikkeld.

  • c. Dit is niet aan de orde; zie het antwoord op vraag a.

  • d. De Vlaams-Nederlandse samenwerking en dus ook het commitment staan op dit vlak niet ter discussie; zie de antwoorden op de vragen a. en b.

Vraag 9

  • a. Kan het nieuwe instrumentarium voor veiligheid op basis van risico's voor slachtoffers en economische schade sowieso voor dit gebied worden geïmplementeerd, ook als Vlaanderen dat niet zou doen?

  • b. Kunnen twee instrumenten in een dergelijk gebied naast elkaar bestaan?

  • c. Hoe wordt dit financieel geregeld?

Antwoord 9

  • a. Dit is niet aan de orde aangezien Vlaanderen al een risicobenadering hanteert.

  • b. Ja. Overigens wijken de instrumenten qua systematiek niet wezenlijk van elkaar af.

  • c. Dat is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van Vlaanderen en Nederland zelf. Nederland regelt dat via het Deltafonds waterveiligheid.

Vraag 10

  • a. Wat wordt er gedaan met de wens om te onderzoeken of de huidige aanpak van wateroverlast en watertekort in Vlaanderen en Nederland niet aangepast moet worden om beter te kunnen voldoen aan toekomstige behoeften?

  • b. Op welke klimaatwijzigingen wordt gedoeld en op basis waarvan wordt dat gedaan?

Antwoord 10

  • a. Conform de Agenda voor de Toekomst wordt hiertoe dit jaar een plan van aanpak opgesteld. Van Nederlandse zijde wordt daarbij de verbinding gelegd met het Deltaprogramma.

  • b. Voor wat betreft de klimaatscenario’s, en de onderbouwing daarvan, wordt eveneens aangesloten bij het Deltaprogramma.

Vraag 11

  • a. Kan een toelichting worden gegeven wat bedoeld wordt met de zin: «Het is wenselijk te onderzoeken of de huidige aanpak van wateroverlast en watertekort in Vlaanderen en Nederland (...) niet aangepast moet worden om beter te kunnen voldoen aan de toekomstige behoeften, zeker met de klimaatwijzigingen in het achterhoofd, en of er criteria kunnen worden opgesteld om de behoeften van de klanten onderling te prioriteren»?

  • b. Wat wordt bedoeld met «de behoeften van de klanten onderling te prioriteren»?

  • c. Wie bepaalt de voorgenoemde prioritering, mede in het licht van het feit dat zoetwater steeds schaarser wordt? Hoe verhoudt zich dat zich tot de Deltabeslissingen?

  • d. Wat is volgens u de rol van de Kamer hierin?

Antwoord 11

  • a. De huidige aanpak heeft als doel om, ter voorkoming van wateroverlast, het teveel aan water zo snel mogelijk af te voeren. Vanuit de Agenda voor de Toekomst wordt bezien of deze strategie aanpassing behoeft met het oog op de klimaatverandering. In elk geval zal verbreding plaatsvinden in de zin dat het vermijden van het tekort aan zoetwater in perioden van droogte een belangrijk element zal zijn.

  • b. Aan Nederlandse zijde betreft het de uitwerking van de lange termijn strategie van het Deltaprogramma Zoetwater, waarbij voor de prioritering de verdringingsreeks als randvoorwaarde geldt.

  • c. In Nederland is de verdringingsreeks opgenomen in de Waterwet, inclusief de bevoegdheidsverdeling tussen rijk en regio. Zie verder het antwoord op

  • d. vraag b.

  • e. De bevindingen van de VNSC worden opgenomen in het Deltaprogramma, dat jaarlijks wordt aangeboden aan het parlement.

Vraag 12

  • a. Wat is de stand van zaken bij zowel het verziltings- als het waterbergingsproject Volkerak-Zoommeer?

  • b. Worden bij deze projecten de economische effecten meegewogen? Zo ja, wat zijn die economische effecten en welke conclusies worden daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 12

  • a. Het project Waterberging Volkerak-Zoommeer is in de uitvoeringsfase gegaan, nadat hierover in het najaar van 2012 een SNIP 3-besluit is genomen. Over de stand van zaken van dit project heb ik u in de VGR 23 geïnformeerd.

  • b. De wenselijkheid en haalbaarheid van het eventueel weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer (VZM) maakt onderdeel uit van de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (RGV). Over de start van de RGV heb ik u begin 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 531 nr. 1). De kabinetsbehandeling van de ontwerp-RGV is medio 2014 voorzien.

  • c. De beantwoording van deze vraag beperkt zich tot het VZM als onderdeel van de RGV, omdat het project Waterberging VZM reeds in uitvoering is.

  • d. Een onderdeel van de RGV is het maken van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Hierin worden de economische effecten meegenomen. De kosten en baten van het weer zout maken van het VZM worden daarbij afgezet tegen de situatie waarin het VZM zoet blijft. De bevindingen van de MKBA worden betrokken bij de kabinetsbehandeling. Vervolgens zal het parlement worden geïnformeerd.

Vraag 13

  • a. Bent u in het kader van de moeilijke realiseerbaarheid van sommige natuurontwikkelingsprojecten van de Ontwikkelingsschets 2010 (OS2010), van plan om in Nederland bestemmingsveranderingen van gronden door te voeren?

  • b. Zo ja, bij welke gebieden en wat zijn de consequenties daarvan?

Antwoord 13

  • a. Ja.

  • b. Dit gebeurt al in het kader van de Hedwigepolder en Het Zwin. De huidige bestemming wordt daar veranderd in estuariene natuur.

Vraag 14

Waarom zijn er naar aanleiding van paragraaf 3.4 (Evaluatie inhoud) geen conclusies geformuleerd? Zullen er nog conclusies geformuleerd worden? Zo ja, door wie en op welke moment zal dit gebeuren?

Antwoord 14

De conclusies van de evaluatie van de inhoud zijn opgenomen in de Agenda voor de Toekomst. Deze agenda maakt onderdeel uit van het evaluatierapport. Momenteel wordt door de VNSC een onderzoeksprogramma uitgewerkt voor de Agenda voor de Toekomst.

Vraag 15

  • a. Hoe ziet u de aanbevelingen en de Agenda van de Toekomst nu de inhoudelijke evaluatie nog niet beschikbaar is?

  • b. Op welke wijze kan er bijgestuurd worden en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken?

Antwoord 15

  • a. Op grond van het Verdrag Beleid en Beheer dient elke 5 jaar de Vlaams-Nederlandse samenwerking in het Schelde-estuarium te worden geëvalueerd. De huidige evaluatie is uitgevoerd op basis van de nu beschikbare kennis.

  • b. De resultaten van de evaluatie in 2016 van het functioneren van het estuariene systeem, worden meegenomen in de eerstvolgende evaluatie op grond van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium.

  • c. De toestand van het Schelde-estuarium wordt regelmatig onderzocht en gemonitord. Op basis van de resultaten hiervan kan voortdurend worden bijgestuurd. De Kamer wordt in elk geval geïnformeerd aan de hand van de periodieke evaluaties op grond van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium.

Vraag 16

Zijn er voorbeelden in het Schelde-estuarium waaruit zou blijken dat de natuurdoelstellingen uit Natura 2000 een beperking hebben betekend voor de scheepvaart en de ontwikkeling van havenactiviteiten? Zo ja, welke en in welke hoedanigheid?

Antwoord 16

Nee, dergelijke voorbeelden zijn mij niet bekend.

Vraag 17

Op welke wijze krijgt het beeld dat de toekomstige configuratie qua grootschalige dynamiek niet vergelijkbaar is met die uit het verleden, een plaats in de doelstellingen voor natuurlijkheid voor de Westerschelde?

Antwoord 17

Dit aspect wordt meegenomen bij de ontwikkeling van de gedragen visie op natuurontwikkeling. De ontwikkeling van deze visie is aangekondigd in de Agenda voor de Toekomst.

Vraag 18

Zal blijvend gemonitord worden of de Zeeschelde zich niet zal ontwikkelen zoals de Eems en de Loire, waarbij hypertroebele systemen met hoge slibconcentraties en zuurstofloosheid ontstonden? Wordt er, vanwege het feit dat er geen intergetijdengebied meer is en de rivier over de hele lengte vloeddominant is en er een afname van veerkracht is waargenomen, ook daarop gemonitord?

Antwoord 18

Ja, de Zeeschelde wordt op beide aspecten blijvend gemonitord. Overigens legt Vlaanderen voor het herstel van de veerkracht van de Zeeschelde, in samenhang met de versterking van de waterveiligheid, 1.100 ha nieuwe natuur aan. Ook deze projecten worden gemonitord.

Vraag 19

Op welke wijze worden de uitwerkingen in het kader van Natura 2000 de grootschalige trends en gewenste estuariene dynamiek concreter benoemd, om te voorkomen dat er statische (en daardoor niet-realiseerbare) doelen worden geformuleerd?

Antwoord 19

Dat gebeurt op basis van de te ontwikkelen gedragen visie op natuurontwikkeling en de ontwikkelingen in de (fysische) systeemkenmerken van het Schelde-estuarium.

Vraag 20

Wanneer worden de doelen met betrekking tot morfologisch beheer vastgesteld?

Antwoord 20

De doelen zijn reeds vastgelegd in het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium, het Verdrag Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium en in de vergunningen voor de derde vaarwegverruiming.

Vraag 21

Wat zijn de consequenties voor de scheepvaart wanneer de grootschalige trends en de estuariene dynamiek een plaats krijgen in de uitwerkingen in het kader van Natura 2000?

Antwoord 21

Het uitgangspunt van de Vlaams-Nederlandse samenwerking is en blijft een duurzame balans tussen de belangen van een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium. In dit uitgangspunt zijn de belangen van de scheepvaart verdisconteerd.

Vraag 22

Hoe verhoudt het betrekken van de samenhang in natuurbehoud en -herstel tussen het Vlaamse en Nederlandse deel van het estuarium, door de huidige wetenschappelijke visie op natuurontwikkeling te toetsen aan de praktisch haalbare natuurontwikkeling, zich tot de wens tot het faciliteren van de havenontwikkelingen in België en Nederland?

Antwoord 22

Zie het antwoord op vraag 21.

Vraag 23

Welke doelstellingen zijn er geformuleerd voor het herstel en de verbetering van estuariene processen?

Antwoord 23

Deze zijn vastgelegd in de instandhoudingsdoelstellingen die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit Westerschelde & Saeftinghe op grond van Natura 2000. Vindplaats: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/122/n2k122_db_hvnw_westerschelde_en_saeftinghe.pdf

Vraag 24

Op welke wijze wordt de benodigde systeemkennis hiervan nog door vertaald naar de daarbij behorende beleidskaders?

Antwoord 24

Zie het antwoord op vraag 19.

Vraag 25

Wordt daarbij ook de samenhang in natuurbehoud en – herstel tussen het Vlaamse en Nederlandse deel van het estuarium betrokken? En wordt daarbij de huidige wetenschappelijke visie op natuurontwikkeling getoetst aan praktische haalbare natuurontwikkeling, die breed gedragen wordt?

Antwoord 25

Ja, de Vlaams-Nederlandse samenwerking vormt de kern van de VNSC. Dit is vastgelegd in het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium en betreft naast de natuurlijkheid, ook de veiligheid en de toegankelijkheid. Zie verder ook het antwoord op vraag 21.

Vraag 26

Hoe verloopt het project van de vernieuwing van de zeesluis bij Terneuzen?

Antwoord 26

Dit project verloopt volgens planning.

Vraag 27

Worden de adviezen van de verschillende organisaties, die in de adviescommissie zitting hebben, gebaseerd op een meerderheidsbeslissing of kan er sprake zijn van een vetoconstructie?

Antwoord 27

Er is geen sprake van een vetorecht. De Schelderaad bepaalt overigens zelf zijn interne werking.