Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2006-2007 | 30832 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2006-2007 | 30832 nr. 7 |
Ontvangen 23 oktober 2006
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel I, onderdeel A, vervalt onderdeel 1.
Artikel I, onderdeel B, vervalt.
Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef van het onderdeel komt te luiden:
Artikel 2.6, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede volzin komt te luiden:.
2. Toegevoegd wordt een nieuw punt, luidende:
2. Toegevoegd wordt na de tweede volzin een nieuwe volzin, luidende: In afwijking van de tweede volzin tellen studenten die op 1 oktober tijdelijk in verband met het volgen van onderwijs aan een Nederlandse instelling in een ander land of een andere Duitse bondsstaat dan die, bedoeld in de tweede volzin, onderdeel b, wonen, mee, indien zij direct voorafgaand aan het wonen in dat land of die Duitse bondsstaat aan de desbetreffende Nederlandse instelling onderwijs volgden.
In artikel I, onderdeel D, wordt aan de aan artikel 2.9, eerste lid, toe te voegen volzin toegevoegd: , voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen.
Artikel I, onderdelen G en H, vervalt.
In artikel I, onderdeel P, onder 3, wordt «vierde lid» vervangen door «derde lid» en wordt de aanduiding «4.» voor de tekst vervangen door de aanduiding «3.».
Artikel I, onderdelen R tot en met U, vervalt.
Artikel I, onderdeel W, wordt wat betreft artikel 7.36a als volgt gewijzigd:
1. In de tekst vervallen «of extraneus» en «of de extraneus».
2. Toegevoegd wordt een tweede volzin, luidende: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de extraneus.
Artikel I, onderdeel X, vervalt.
Artikel I, onderdeel Z, wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 7.60, onderdeel b, wordt «studen» vervangen door: student.
2. In artikel 7.61, vijfde lid, wordt vóór «onder welke voorwaarden» ingevoegd: en.
Artikel I, onderdeel CC, komt te luiden:
Artikel 9.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede tot en met zevende lid vervallen.
2. Het achtste lid wordt vernummerd tot tweede lid.
Artikel I, onderdelen HH, II en JJ, vervalt.
Na artikel I, onderdeel KK, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Artikel 9.30a, vierde lid, vervalt.
Artikel I, onderdelen LL en MM, komt te luiden:
Na artikel 9.32 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9.32a. Onderzoeksrecht
1. Indien het college van bestuur systematisch niet voldoet aan artikel 9.32, vijfde lid, over een onderwerp dat essentieel is voor zowel de universiteit als het personeel of de studenten, is de universiteitsraad gerechtigd een schriftelijk of een mondeling onderzoek in te stellen of te laten instellen naar de gang van zaken binnen de universiteit wat betreft dat onderwerp.
2. Het onderzoek wordt niet gestart dan nadat de geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.39, met betrekking tot het geschil over de toepassing van het informatierecht, bedoeld in artikel 9.32, vijfde lid, in een uitspraak heeft vastgesteld dat een orgaan binnen de universiteit systematisch niet heeft voldaan aan dat informatierecht.
3. Bij de toepassing van het eerste lid verleent het college van bestuur inzage in de benodigde zakelijke gegevens en stukken.
Aan artikel 9.36 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur of de raad van toezicht wordt overgegaan, wordt de universiteitsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3, komt te luiden:
Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap
Artikel 9.39. Geschillencommissie medezeggenschap
1. Er is een geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs die bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
2. Onze minister benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
3. Voor de benoeming, bedoeld in het tweede lid, dragen de gezamenlijke instellingen en vertegenwoordigers van de medezeggenschapsraden elk een lid en een plaatsvervangend lid voor. Die twee leden dragen een derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger voor.
4. De leden functioneren zonder last of ruggespraak.
5. De geschillencommissie stelt, na goedkeuring van Onze minister, een reglement vast over de wijze waarop zij een geschil behandelt.
6. In het reglement, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval vastgelegd dat de termijn waarbinnen de geschillencommissie een beslissing moet nemen over een geschil over het informatierecht, bedoeld in artikel 9.32, vijfde lid, niet meer dan tien weken bedraagt.
Artikel 9.40. Bevoegdheden en procedure geschillencommissie medezeggenschap
1. De geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen tussen de universiteitsraad, de faculteitsraad of de gezamenlijke vergadering, bedoeld in artikel 9.30a, en het college van bestuur over:
a. de totstandkoming, wijziging of toepassing van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.34, en
b. geschillen over de toepassing van de artikelen 9.30a, 9.32 tot en met 9.36, 9.38 en 9.38a.
2. Indien er een geschil is tussen de universiteitsraad of faculteitsraad en een bevoegd personeelslid, meldt een van beide partijen dit geschil aan bij het college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan de geschillencommissie, tenzij het college van bestuur een minnelijke schikking tot stand brengt.
3. Indien het geschil betrekking heeft op het niet of niet geheel volgen van het advies van de universiteitsraad of faculteitsraad, wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort met vier weken, tenzij de desbetreffende raad geen bedenkingen heeft tegen onmiddellijke uitvoering van de beslissing.
4. De geschillencommissie is bevoegd een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, beslecht de geschillencommissie een aan haar voorgelegd geschil door een bindende uitspraak te doen, waarbij zij toetst of:
a. het college van bestuur zich heeft gehouden aan de eisen van de wet en het reglement, bedoeld in artikel 9.34, en
b. het college van bestuur bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het voorstel of de beslissing heeft kunnen komen.
5. Indien het college van bestuur voor de voorgenomen beslissing geen instemming van de universiteitsraad, de faculteitsraad of de gezamenlijke vergadering, bedoeld in artikel 9.30a, heeft gekregen, kan het de geschillencommissie, in afwijking van het vierde lid, toestemming vragen om de beslissing te nemen. De geschillencommissie geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de universiteitsraad, de faculteitsraad of de gezamenlijke vergadering om geen instemming te geven onredelijk is of indien de voorgenomen beslissing van het college van bestuur gevergd wordt door zwaarwegende organisatorische, economische of sociale redenen.
Artikel I, onderdeel NN, komt te luiden:
Artikel 9.46 komt als volgt te luiden:
Artikel 9.46. Procesbevoegdheid universiteitsraad en faculteitsraad
1. Van een uitspraak van de geschillencommissie staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
2. De universiteitsraad of faculteitsraad kan in rechte optreden, als het beroep strekt tot naleving door het college van bestuur of de decaan van de verplichtingen tegenover de raad, voortvloeiend uit de artikelen 9.32 tot en met 9.36, 9.38 en 9.38a. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing, indien het college van bestuur een geschil op grond van artikel 9.40, tweede lid, van een personeelslid overneemt.
3. Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand, nadat de universiteitsraad of faculteitsraad dan wel het college van bestuur of de decaan van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
4. Een beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de geschillencommissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.
5. Van een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen cassatie worden ingesteld.
6. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de universiteitsraad of faculteitsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
Artikel I, onderdelen OO en SS, vervalt.
In artikel I, onderdeel VV, wordt in artikel 10.9, derde lid, vóór «artikelen 10.2» ingevoegd: 9.3, tweede lid.
Artikel I, onderdeel ZZ, komt te luiden:
Na artikel 10.19 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10.19a. Onderzoeksrecht
1. Indien het instellingsbestuur systematisch niet voldoet aan artikel 10.19, vijfde lid, over een onderwerp dat essentieel is voor zowel de hogeschool als het personeel of de studenten, is de medezeggenschapsraad gerechtigd een schriftelijk of een mondeling onderzoek in te stellen of laten stellen naar de gang van zaken binnen de hogeschool wat betreft dat onderwerp.
2. Het onderzoek wordt niet gestart dan nadat de geschillencommissie, bedoeld in artikel 10.26, met betrekking tot het geschil over de toepassing van het informatierecht, bedoeld in artikel 10.19, vijfde lid, in een uitspraak heeft vastgesteld dat een orgaan binnen de hogeschool systematisch niet heeft voldaan aan dat informatierecht.
3. Bij de toepassing van het eerste lid verleent het instellingsbestuur inzage in de benodigde zakelijke gegevens en stukken.
Na artikel I, onderdeel ZZ, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aan artikel 10.24 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur of de raad van toezicht wordt overgegaan, wordt de medezeggenschapsraad vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel I, onderdeel AAA, komt te luiden:
De artikelen 10.26 tot en met 10.32 worden vervangen door:
Artikel 10.26. Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap
1. De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de hogescholen.
2. De artikelen 9.39, 9.40 en 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen.
Artikel I, onderdeel BBB, komt te luiden:
Artikel 11.2 komt te luiden:
Artikel 11.2. Samenstelling college van bestuur
1. Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter.
2. Artikel 9.3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I, onderdeel CCC, vervalt.
Artikel I, onderdeel HHH, vervalt.
Artikel I, onderdeel III, vervalt.
Artikel I, onderdeel JJJ, komt te luiden:
Artikel 11.16 komt als volgt te luiden:
Artikel 11.16. Van overeenkomstige toepassing bepalingen geschillencommissie medezeggenschap
1. De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de Open Universiteit.
2. De artikelen 9.36, vierde lid, 9.39, 9.40 en 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.
Artikel I, onderdeel KKK, komt te luiden:
Artikel 14.1, tweede lid, onderdelen d en e, komt te luiden:
d. artikel 5a.11,
e. artikel 6.5, en.
Artikel I, onderdelen LLL en MMM, vervalt.
In artikel I, onderdeel NNN, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Artikel 18.63 vervalt.
2. Artikel 18.64 wordt vernummerd tot artikel 18.63.
3. Artikel 18.63-nieuw wordt als volgt gewijzigd:
1°. In het eerste en tweede lid wordt «artikel 9.36» telkens vervangen door: artikel 9.39.
2°. Het vierde lid vervalt.
4. De artikelen 18.65 en 18.66 worden vernummerd tot artikelen 18.64 en 18.65.
5. De artikelen 18.67 en 18.68 vervallen.
6. De artikelen 18.69 tot en met 18.75 worden vernummerd tot artikelen 18.66 tot en met 18.72.
7. In artikel 18.70-nieuw wordt «artikel 18.72» vervangen door: artikel 18.69.
In artikel V wordt in het voorgestelde onderdeel J, onder 1, «Artikel 7.60» vervangen door: Artikel 7.66.
De artikelen VI en VII vervallen.
Artikel IX wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel B komt te luiden:
Artikel I, onderdeel R, wordt wat betreft artikel 7.42 als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Noordrijnland-Westfalen» vervangen door: Noord-Rijnland-Westfalen.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «college van bestuur» vervangen door: «instellingsbestuur», en wordt «Informatiseringbank» vervangen door: Informatiseringsbank.
3. Onder vernummering van het derde tot vierde lid wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een student die in verband met het volgen van onderwijs aan een Nederlandse instelling tijdelijk in een ander land of een andere Duitse bondsstaat dan die, bedoeld in de tweede volzin, onderdeel b, woont en direct voorafgaand aan het wonen in dat land of die Duitse bondsstaat een leerrecht heeft aangewend ten behoeve van het volgen van onderwijs aan de desbetreffende Nederlandse instelling, over leer- en uitlooprechten als bedoeld in het tweede lid.
4. In het nieuwe vierde lid vervalt «voor de eerste maal».
2. In onderdeel J wordt in artikel 7.44a, tweede lid, aanhef, «beschikt en» vervangen door: beschikt of.
In artikel X worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt «onderdelen C, M, N, Q, en NNN, wat betreft artikel 18.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek» vervangen door: onderdelen A, C, M, N, en Q.
2. In het derde lid wordt «onderdelen M» vervangen door: onderdelen A, M.
3. Het vierde lid vervalt.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is uitvoerig ingegaan op de motivering van het laten vervallen van een aantal onderwerpen daaruit. Deze nota van wijziging voert de aangegeven wijzigingen in het wetsvoorstel door en brengt op een klein aantal punten wijzigingen van technische aard aan.
Deze toelichting onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Dit betreft een technisch herstel. De woorden «of artikel 7.7a» zijn met ingang van 25 januari 2003 reeds vervallen bij de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijsen onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 216; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2003, 25).
Deze wijziging vloeit voort uit het «terugdraaien» van de aanvankelijk voorgestelde bepalingen omtrent de medezeggenschap.
Studenten die in het kader van hun studie langer dan acht maanden in het buitenland verblijven bijvoorbeeld in verband met een stage, dienen zich uit te schrijven bij het GBA. Daardoor ontstaat het ongewenste effect dat deze studenten in een stagejaar in het buitenland niet meetellen voor de bekostiging. Deze wijziging voorziet er in dat dit wordt voorkomen.
Expliciet is gemaakt dat het jaarverslag alleen wat over (afwijkingen van) de branchecode dient te bevatten, indien sprake is van een overeenkomstig artikel 2.14 aangewezen code. Als weliswaar een code voor het hoger onderwijs is vastgesteld maar deze niet is aangewezen door de minister, hoeft hierop in het verantwoordingsdocument niet te worden ingegaan.
De aanvankelijk voorgestelde bepalingen over de accreditatie worden uit het wetsvoorstel gehaald. Dit onderdeel bewerkstelligt dat.
Dit is een zuiver technisch herstel.
Deze vervallen onderdelen hebben betrekking op onderwerpen waarvoor in de motie-Tichelaar/Bakker geen regeling wordt gevorderd en die conform hetgeen ik daarover heb opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag, uit het wetsvoorstel worden geschrapt.
Uit de voorgestelde tekst van artikel 7.36a zou kunnen worden begrepen dat een extraneus onderwijs volgt. Aangezien hiervan geen sprake is, is het artikel tekstueel verduidelijkt.
Door middel van dit onderdeel blijven de opleidingscommissies als zodanig in de WHW staan.
Dit onderdeel brengt in zowel artikel 7.60 als artikel 7.61, vijfde lid, een taalkundige wijziging aan.
Dit betreft een technisch herstel van een omissie.
Ook deze wijziging vloeit voort uit het «terugdraaien» van de aanvankelijk voorgestelde bepalingen omtrent de medezeggenschap.
In verband met de invoering van een landelijke geschillencommissie voor de medezeggenschap en de formulering van de bevoegdheden van deze commissie, dient het vierde lid van artikel 9.30a – dat aan de gezamenlijke vergadering van personeel en studenten instemmingsrechten geeft – te worden geschrapt. Met een nieuw onderdeel in de spoedwet wordt daarin voorzien.
Door middel van deze wijzigingen wordt voor de universiteiten de positie van de universiteitsraad versterkt. De raad krijgt de bevoegdheid een onderzoek te (laten) starten naar de nalatigheid van het instellingsbestuur om de raad van afdoende informatie te voorzien.
Bovendien wordt de aanvankelijk al voorgestelde introductie van één landelijke geschillencommissie voor de medezeggenschap op een logischer plaats in de WHW geplaatst (zie de herformulering van artikel I, onderdeel MM, van de spoedwet).
Het nieuwe onderdeel LLa zorgt ervoor dat – zoals ook nu reeds het geval is – de medezeggenschap wordt gehoord over benoeming en ontslag van leden van het college van bestuur en de raad van toezicht.
In het oorspronkelijke voorstel voor de spoedwet was voor de medezeggenschapsraad in artikel 9.41 de procesbevoegdheid opgenomen. In verband met de keuze om de zorgplicht voor de medezeggenschap uit het wetsvoorstel te halen, dient de procesbevoegdheid voor de universiteitsraad en de faculteitsraad te worden geregeld binnen de huidige kaders van de WHW. Dit onderdeel doet dat.
De oorspronkelijk opgenomen wijzigingen van artikel 9.51 en artikel 10.3c van de WHW dienen te vervallen, in verband met de keuzes die in de nota naar aanleiding van het verslag zijn gemaakt.
Voor een toelichting hierop kan worden verwezen naar de toelichting bij onderdeel J.
Het onderzoeksrecht voor de medezeggenschapsraad op hogescholen wordt met dit onderdeel op een logischer plaats in de WHW opgenomen.
Kortheidshalve verwijs ik naar de toelichting die hiervóór bij onderdeel N is gegeven ten aanzien van het nieuw in de spoedwet in te voegen onderdeel LLa.
Hiermee wordt de nieuwe regeling voor de landelijke geschillencommissie voor de medezeggenschap van toepassing op de hogescholen.
Voor een toelichting hierop kan worden verwezen naar de toelichting bij onderdeel K.
Ook bij de Open Universiteit blijven de opleidingscommissies bestaan.
Het hier genoemde onderdeel vervalt in verband met het «terugdraaien» van met name de voorstellen omtrent de zorgplicht medezeggenschap.
Hiermee wordt de nieuwe regeling voor de landelijke geschillencommissie voor de medezeggenschap van toepassing op de Open Universiteit.
Gebleken is dat bij het formuleren van deze bepaling is uitgegaan van een inmiddels achterhaalde versie van artikel 14.1. Met deze wijziging wordt dit hersteld.
De onderdelen LLL en MMM van artikel I van de spoedwet kunnen vervallen in verband met het «terugdraaien» van de aanvankelijk voorgestelde bepalingen met betrekking tot de universitaire lerarenopleidingen.
De overgangsbepalingen die betrekking hebben op de nu geschrapte onderdelen, kunnen worden gemist. In dit onderdeel worden daartoe de nodige aanpassingen gepleegd in het desbetreffende hoofdstuk.
De aanvankelijk foutieve verwijzing naar het desbetreffende artikel van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is in zuiver technische zin aangepast.
Nu de keuze voor gedeelde of ongedeelde medezeggenschap niet langer meer in het wetsvoorstel is opgenomen, zijn de daarmee samenhangende wijzigingen van de Arbeidstijdenwet en van de Wet op de ondernemingsraden overbodig.
Studenten die in het kader van hun studie langer dan acht maanden in het buitenland verblijven bijvoorbeeld in verband met een stage, dienen zich uit te schrijven bij het GBA. Daardoor ontstaat het ongewenste effect dat er voor een stagejaar in het buitenland geen leerrechten kunnen worden gebruikt. Het eerste onderdeel van deze wijziging voorziet erin dat dit wordt voorkomen.
In het tweede onderdeel wordt de bepaling over instellingscollegegeld die door middel van de wet leerrechten in de WHW wordt opgenomen (artikel 7.44a, tweede lid) gewijzigd om het mogelijk te maken het instellingscollegegeld te vragen aan studenten die niet voor leerrechten in aanmerking komen. Te denken valt hierbij aan niet-EER-studenten.
Dit betreft noodzakelijke aanpassingen in verband met het laten vervallen van een aantal onderdelen van artikel I van het wetsvoorstel.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30832-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.