30 832
Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 23 oktober 2006

1. Inleiding

De leden van de verschillende fracties ben ik erkentelijk voor hun inbreng. Ik zal hierna, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ingaan op de verschillende vragen. Ik volg daarbij de indeling van het verslag. Ik heb naar aanleiding van de door leden van verschillende fracties gestelde kritische vragen over het via deze wet, verder te noemen de Spoedwet, introduceren van een zorgplicht voor medezeggenschap besloten de discussie daarover te voeren bij de behandeling van de Wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHOO, Kamerstukken II, 2005/06, 30 588) en de bedoelde zorgplicht uit het voorliggende wetsvoorstel te schrappen. Op de vragen die hierover zijn gesteld, zal ik in algemene zin ingaan in de paragraaf waarin het doel van de wet wordt behandeld. Voor een meer specifieke beantwoording is geen aanleiding nu de zorgplicht medezeggenschap geen onderdeel meer uitmaakt van de Spoedwet.

Bij deze nota naar aanleiding van het verslag is een nota van wijziging gevoegd waarin de toezeggingen zijn verwerkt die ik in de beantwoording heb gedaan.

2. Doel en reikwijdte van de wet

De leden van verschillende fracties vragen om een nadere toelichting op de wijze waarop de regering het doel van de Spoedwet en de reikwijdte van de motie Tichelaar/Bakker (Kamerstukken II, 2005/06, 30 387, nr. 42) heeft geïnterpreteerd.

Het doel van de Spoedwet is om uitvoering te geven aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie Tichelaar/Bakker. Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt toezeggingen na te komen die ofwel aan de Tweede Kamer ofwel aan het onderwijsveld zijn gedaan, met daarbij de belofte een regeling daarvan in dit studiejaar te bevorderen.

De aan de motie gerelateerde onderwerpen zijn er vier: studiekeuze-informatie, rechtspositie student, medezeggenschap en Raad van Toezicht. Ik constateer dat de meeste vragen rijzen over de voorstellen voor de medezeggenschap. Het gaat daarbij vooral om het overhevelen van de zorgplicht medezeggenschap uit de WHOO naar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De zorgplicht medezeggenschap was opgenomen vanuit de gedachte dat verbeteringen van de positie van de student op dit punt konden samengaan met de naar het inzicht van de regering benodigde modernisering van dit onderdeel van de WHW. De regering is nog steeds overtuigd van de positieve bijdrage die de introductie van zorgplichten kan leveren aan een adequate en meer op de specifieke situatie van elke instelling toegesneden inrichting van het medezeggenschapsproces. In diverse bewoordingen geven de leden van verschillende fracties in het verslag aan dat daarvoor op dit moment geen steun is te verwachten. Ik heb daarom besloten de zorgplicht medezeggenschap niet langer onderdeel te laten zijn van het wetsvoorstel en het debat over de introductie van zorgplichten voort te zetten bij de behandeling van de WHOO.

De basis voor de regeling van de medezeggenschap blijft vooralsnog de huidige WHW. De daarin opgenomen bepalingen worden aangevuld met enkele onderwerpen die een versterking van de medezeggenschap voor de student met zich meebrengen:

• instemmingsrecht op (de vormgeving, niet de omvang van) het profileringsfonds;

• adviesrecht op het instellingscollegegeld;1

• uitbreiding hoorrecht van medezeggenschapsraad bij benoeming leden Raad van Toezicht (RvT) en college van bestuur tot alle instellingen voor hoger onderwijs;

• het onderzoeksrecht;

• één landelijke geschillencommissie;

• met daarbij een ten gunste van de medezeggenschap gewijzigde bewijslast.

Voor de overige drie onderwerpen geven de opmerkingen en vragen van de leden van de verschillende fracties mij geen aanleiding de tekst van de Spoedwet op essentiële punten te wijzigen. Bij de beantwoording van de diverse vragen licht ik dit nader toe. Waar het gaat om studiekeuze-informatie en de rechtspositie van de student komt de inhoud van de Spoedwet overeen met de WHOO. Ook de nota van wijziging brengt op deze punten geen aanpassingen met zich mee. Waar het de RvT betreft zijn de volgende elementen uit de WHOO opgenomen in de Spoedwet en niet veranderd met bijgaande nota van wijziging:

• verplichte raden van toezicht voor alle ho-instellingen (bestaat nu alleen voor openbare universiteiten);

• ruimere bevoegdheden: benoeming van accountant door en rapportage aan RvT (in plaats van college van bestuur);

• onafhankelijke ondersteuning van de RvT;

• governancecode.

Ook over de onderwerpen uit het wetsvoorstel die niet direct voortvloeien uit de motie Tichelaar/Bakker, maar naar de mening van de regering wel urgent zijn, zijn door leden van verschillende fracties vragen gesteld. Deze hebben mij ertoe gebracht de volgende voorstellen te schrappen: hersteltermijn accreditatie, de universitaire lerarenopleidingen en de diploma-erkenning ten behoeve van het ratificeren van de Lissabonconventie. Door middel van de bij deze antwoorden meegezonden nota van wijziging zijn deze voorstellen uit het wetsvoorstel gelicht. De regering acht het echter noodzakelijk om de volgende onderwerpen te handhaven:

• Associate Degree. De pilots met Associate Degree programma’s zijn conform de wens van de Tweede Kamer al gestart en de regering acht het zeer gewenst dat de studenten die deze programma’s volgen een wettelijk erkende graad kunnen krijgen. Al medio 2007 zouden deze studenten hun opleiding kunnen afronden.

• Het voorstel over de voor bekostiging mee te tellen studenten (CHN). De voor de hand liggende reden daarvoor is dat voor alle partijen glashelder moet zijn wat er op dit punt wel en niet kan. De HBO-raad heeft bij de uitwerking hiervan wel een aantal relevante vragen van technische aard gesteld. Over de beantwoording daarvan ben ik in gesprek. Praktische uitvoeringsproblemen verwacht ik niet. Er zijn mij slechts twee casus voorgelegd waarvoor ik samen met de betrokken instelling een adequate oplossing zoek. In de antwoorden op de vragen van de verschillende fracties zal ik nader ingaan op onder meer het aspect van de terugwerkende kracht van dit voorstel.

• De omkering van de macrodoelmatigheidstoets en de toets nieuwe opleiding. Hier wordt al gedurende lange tijd door vele partijen op aangedrongen omdat het een belangrijke bijdrage levert aan het terugdringen van de bureaucratische lasten van het accreditatieproces.

Deelt de regering de bezorgdheid van de leden van de SP-fractie over mogelijk noodzakelijke reparatiewetgeving van de WHOO, indien de Spoedwet afzonderlijk van de gehele WHOO behandeld wordt? Kan de regering haar mening toelichten, zo vragen deze leden.

De door deze leden aangebrachte relatie tussen reparatiewetgeving en separate behandeling van de Spoedwet en de WHOO zie ik niet. De WHOO ligt ter behandeling in de Tweede Kamer. Gedurende die procedure is er ruim voldoende tijd om wijzigingen – door de regering of de Tweede Kamer geïnitieerd – in het wetsvoorstel in te brengen. Er is dan ook geen enkele reden om te spreken over reparatiewetgeving.

De leden van de D66-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de Spoedwet, met name vanwege hun opvatting dat de Spoedwet de medezeggenschap verzwakt in plaats van versterkt. Ze brengen de bedoeling van de motie-Tichelaar/Bakker in herinnering door te stellen dat het niet de bedoeling is om de medezeggenschap uit te kleden en de studenten monddood te maken, waarna zij de conclusie trekken dat met het wetsvoorstel «broddelwerk» is afgeleverd.

Met het wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de genoemde motie. Dit is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot uitdrukking gebracht. De kwalificatie «broddelwerk» laat ik geheel voor rekening van deze leden.

Zoals gebruikelijk worden wetsvoorstellen met grote nauwkeurigheid en zorgvuldigheid tot stand gebracht. Voor de opstelling van het onderhavige wetsvoorstel is gebruikgemaakt van bepalingen die eerder in het wetsvoorstel WHOO waren opgenomen. Dat wetsvoorstel kent een lange voorbereidingsgeschiedenis waarbij alle betrokken partijen een stevige inbreng hebben gehad. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de betrokkenheid van het veld bij de totstandkoming van de WHOO en Wet financiering in het hoger onderwijs (WFHO). Dat niet iedereen het eens is met de gekozen beleidsuitgangspunten en de daaruit voortvloeiende inhoud van een wetsvoorstel, doet niets af aan de kwaliteit van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met weinig enthousiasme kennisgenomen van de Spoedwetswijziging van de WHW. Zij merken op dat de keuze van de regering om eerst de WHW aan te passen voor invoering van het leerrechtensysteem en vervolgens de WHOO in te dienen heeft geleid tot de rommelige en onduidelijke procedure, die weinig meer weg heeft van het zorg dragen voor zorgvuldige wetgeving.

Op het eerste gezicht kan het wellicht verwarrend overkomen dat op het terrein van het hoger onderwijs twee grote wetsvoorstellen in procedure zijn gebracht. De beide wetsvoorstellen – voor onder meer de leerrechten (WFHO) en de WHOO – zijn evenwel los van elkaar staande voorstellen. De WFHO wijzigt de huidige WHW en kan dan ook worden ingevoerd zonder dat de WHOO in werking treedt. Op verzoek van de Tweede Kamer zelf is, naar aanleiding van de meer genoemde motie Tichelaar/Bakker, op 9 oktober 2006 een derde wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, de onderhavige Spoedwet.

De leden van de fractie van de ChristenUnie steunden het wetsvoorstel ter invoering van de leerrechten niet, maar nu dit wetsvoorstel is aangenomen moet een aantal onderwerpen voorwaardelijk voor de invoering van de leerrechten alsnog bij Spoedwet worden geregeld. Zij vragen zich daarbij af of de invoering per 1 september 2007 nog wel mogelijk is, nu verschillende onderdelen uit voorliggend wetsvoorstel al in het voorjaar van 2007 moeten worden uitgevoerd om nog enig nut te hebben voor de invoering van het leerrechtensysteem per 1 september 2007. Op grond waarvan denkt de regering dat tijdige invoering nog mogelijk is, terwijl VSNU, HBO-raad, de studentenorganisaties en de vakbonden aangeven dat dit niet meer kan, zo vragen de leden.De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering er niet voor kiest de invoering van de leerrechten met minstens één jaar uit te stellen. Ook de leden van de SGP-fractie stellen dit thema aan de orde.

In het Algemeen Overleg van 4 oktober heeft de Tweede Kamer mij gevraagd om voor 30 oktober 2006 antwoord te geven op de vraag of invoering van leerrechten zoals vastgelegd in de WFHO per 1 september 2007 zal geschieden of dat er doorslaggevende redenen zijn om tot invoering op een later moment te besluiten. Ik zal in een separaat te verzenden brief, die ik de Kamer nog voor het wetgevingsoverleg over de Spoedwet doe toekomen, hierop nader ingaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen of in het wetsvoorstel sprake is van «regelrechte fouten» en of de bereidheid bestaat deze te herstellen zonder opnieuw de Raad van State te raadplegen.

Van «regelrechte fouten» is geen sprake. Ondanks de zorgvuldige voorbereiding bij het opstellen van een wetsvoorstel, is het evenwel mogelijk dat in technische zin een enkele omissie voorkomt. Zoals ik al meldde in antwoord op een vraag over ditzelfde thema van de D66-fractie blijft vooral de afstemming van een wetsvoorstel op een ander, al in procedure gebracht wetsvoorstel, een complexe zaak. Uiteraard zullen kennelijke onvolkomenheden worden hersteld. Dit kan zonder daarvoor advies te vragen van de Raad van State.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het uitvoeren van de motie-Tichelaar/Bakker door de zich voordoende omstandigheden een haastklus is geworden. Zij vinden dat onwenselijk. Zij vrezen dat de noodzakelijke zorgvuldigheid daardoor niet in alle opzichten voldoende wordt gewaarborgd.

Voor een reactie hierop volsta ik met een verwijzing naar hiervoor gegeven antwoorden op soortgelijke vragen van de leden van de fracties van D66, de ChristenUnie en de PvdA.

Draagvlak

Naast de zorg die de leden van de VVD-fractie hebben rond de inhoud van de Spoedwet, zijn zij zeer bezorgd over de wijze waarop het veld, de koepels en de instellingen omgaan met de ontwikkelingen in de wetgeving en de daarbij horende implementatie. Deze leden zijn altijd aanspreekbaar op zaken die de uitvoerbaarheid van wetgeving betreffen. Maar het komt hen nu voor alsof het veld zich niet of onvoldoende prepareert op de beoogde plannen, niet of onvoldoende preludeert op bijbehorende interne aanpassingen binnen de instellingen, en dat ondanks het feit dat het wetgevingstraject enige jaren geleden al in gang is gezet. De leden van deze fractie herinneren aan de motie-Tichelaar (Kamerstuk 29 410, nr. 4) uit 2004 die verzocht om een«stappenplan», hetgeen door de regering is toegezegd en nagekomen. Talloze overleggen, wetgevingsnotities, rondetafelgesprekken en brieven ten spijt laat het veld, bij monde van de VSNU en de HBO-raad, de Kamer recent weten absoluut niet voorbereid te zijn op relevante ontwikkelingen horend bij de nieuwe bekostiging in het leerrechtensysteem, zoals de informatievoorziening aan studenten en aanpassingen in de ICT-infrastructuur. Men zegt daar nog aan te moeten beginnen. Deze leden maken zich grote zorgen over de wijze waarop het veld zich in deze op heeft gesteld cq. zich nog altijd opstelt. Waarom zijn de voorbereidingen nog niet in volle gang of nagenoeg afgerond? Zij vragen de regering een uitvoerig chronologisch overzicht geven van het bestuurlijk overleg met het veld over het wetgevingstraject.

In of bij de brief die ik de Tweede Kamer zal toezenden over de invoering van leerrechten in het hoger onderwijs per 1 september 2007 of later, zal ik nader ingaan op de opstelling van de VSNU en HBO-raad in de afgelopen periode en het overleg dat met de koepels is gevoerd over de WFHO. In mijn brief van 2 oktober 2006 ben ik reeds ingegaan op de huidige stand van zaken en de informatie die bij de instellingen beschikbaar is.

Deze leden verkeren in de gedachte dat zowel over de WFHO, dus over de leerrechten, als de WHOO uitvoerig is overlegd en onderhandeld met het veld alvorens deze naar de Kamer zijn verzonden. Daaruit zou de conclusie mogen worden getrokken dat daarmee voldoende tijd is gecreëerd voor de instellingen om zich te prepareren op de noodzakelijke veranderingen. Zij vragen de regering om een reactie hierop.

De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat er al lange tijd met het veld gesproken en onderhandeld is over de invoering van een nieuwe bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs. De hoofdlijnen van de systematiek zijn al geruime tijd helder. De WFHO is bovendien op 20 juni 2006 door de Tweede Kamer aangenomen. Dit alles bij elkaar heeft de instellingen genoeg tijd gegeven om voorbereidingen te treffen.

Echter, bij de instellingen bestaan – ondanks het voorgaande – kennelijk nog steeds onduidelijkheden en onzekerheden over de invoering van leerrechten. Deze onzekerheden hebben enerzijds betrekking op de aanpassing c.q. de inrichting van de administratieve organisatie bij de instellingen, anderzijds op het tijdig en correct uitvoering geven aan het testen van software bij instellingen in relatie tot de Informatie Beheer Groep, een ketentest dus.

In paragraaf 10.1 van de memorie van toelichting bij de WHOO wordt uitgebreid gerapporteerd over het overleg met belanghebbenden over de WHOO. Vanaf voorjaar 2004 zijn onder meer de koepels zeer regelmatig betrokken en gehoord. Zo zijn er in het najaar van 2004 en in het voorjaar van 2005 twee grote werkconferenties georganiseerd en stond de WHOO sindsdien op de agenda van bijna ieder (bestuurlijk) overleg sinds die tijd met de VSNU, de HBO-raad, Paepon, het ISO, de LSVb, VNO-NCW en MKB-NL.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat de LSVb forse kritiek heeft op de Spoedwet. De studentenbond meent dat de regering totaal voorbij gaat aan het feit dat deze Spoedwet de kaders voor de leerrechten zou moeten regelen. De Spoedwet wordt gebruikt om allerlei omstreden principes rond «governance» er doorheen te drukken. Dat is nooit de bedoeling geweest van de Spoedwet. De SP vraagt hierover het oordeel van de regering.

Aan het begin van deze paragraaf heeft de regering haar bijgestelde opvatting hierover weergegeven.

Deze leden merken ook op dat de HBO-raad constateert dat de Spoedwet een aantal implicaties in zich draagt, zonder dat daarover een goed debat gevoerd kan worden. De leden vragen met de HBO-raad of de Spoedwet leidt tot fricties omdat de gewijzigde WHW daarmee op twee sturingsprincipes wordt gebaseerd: de traditionele rol en de nieuwe autonome rol. Tevens vragen zij naar de gevolgen hiervan voor het onderwijs en examenreglement.

Aan het begin van dit hoofdstuk heeft de regering toegelicht hoe zij aankijkt tegen de zorgplicht medezeggenschap. Deze zorgplicht wordt uit het wetsvoorstel getild en de WHW bepalingen worden aangevuld met extra rechten voor de medezeggenschapsraad. Voor zover er sprake zou zijn van twee sturingsprincipes is dat hiermee in ieder geval ondervangen.

De leden van de SP-fractie vragen verder met de HBO-raad of de regering het eens is dat alle noodzakelijke regelingen en voorzieningen op 1 april 2007 operationeel moet zijn, omdat studenten dan al beginnen met inschrijven.

In de brief die ik de Tweede Kamer op korte termijn zal toezenden over de invoering van leerrechten in het hoger onderwijs per 1 september 2007 of later, zal ik nader ingaan op de door deze leden aangehaalde problematiek.

De leden van de SP-fractie stellen ook nog vast dat het ISO veel kritiek heeft op de Spoedwet. Volgens hen frustreren electorale belangen een zorgvuldige en inhoudelijke behandeling. Deze bond meent dat de zorgplicht de positie van de medezeggenschap verzwakt. De leden vragen wat de regering vindt van deze kritiek.

Zoals aan het begin van dit hoofdstuk toegelicht heeft de regering besloten de zorgplicht medezeggenschap niet langer in dit wetsvoorstel mee te nemen.

Tenslotte vragen deze leden over het hier aan de orde zijnde onderwerp wat het oordeel van de regering is over het minimale draagvlak dat er bestaat voor de Spoedwet in het veld. Zij constateren dat de koepels en de studentenbonden tegen de voorliggende Spoedwet zijn. Is het verstandig om een wet in te voeren die niet wordt gedragen door de mensen die nauw betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik met name naar mijn antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over het draagvlak voor de Spoedwet.

3. De student in positie

Grenzen aan vraagsturing

De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de introductie van leerrechten met de daaraan gekoppelde vraagsturing te combineren valt met de gehandhaafde onderdelen van de WHW, die de eindverantwoordelijkheid voor de opleiding legt bij de instellingsbesturen. Met name vragen zij de regering in te gaan op de verhouding tussen de door de instellingen vast te stellen onderwijs- en examenregeling als bedoeld in de artikelen 7.13 en 7.14 van de WHW en de juridische verantwoordelijkheden van de instellingen en rechten van de studenten die voortvloeien uit leerrechten.

De juridische verantwoordelijkheid voor de opleidingen verandert niet met de bepalingen in de Spoedwet, noch met de WFHO. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vergelijkbare vragen van de CDA-fractie.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat de regering onderschrijft dat er waarborgen nodig zijn voor de positie van de professional en vragen of hierbij ook het waarborgen hoort van bevoegdheidsniveaus.

De regering stelt vast dat dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt. De beantwoording van deze vraag komt eventueel aan de orde bij de behandeling van de WHOO.

De leden van de SP-fractie vragen verder wat de regering vindt van het gegeven, dat er voor de Tweede Fase in HAVO/VWO wel bevoegdheidseisen gelden, maar niet voor docenten in het Hoger Onderwijs?

De regering stelt vast dat ook dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt.

De leden van de SP-fractie vragen of het volgens de regering wettelijk is toegestaan dat studenten in het HBO onderwijs kunnen krijgen van een afgestudeerde HBO’er zonder relevante werkervaring. Voorts vragen zij of dit wenselijk is en zo niet, vragen zij de regering of zij het nodig vindt om minimumeisen te stellen aan bevoegdheden van HBO-docenten ter wille van het recht van de student op goed onderwijs? Deze leden vragen ook nog of naar de mening van de regering bij de bevoegdheid van docenten WO en HBO tevens een didactische vaardigheid hoort en of dat wettelijk geborgd dient te worden?

Ook voor de onderwerpen van deze vraag geldt dat zij geen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel dat nu voorligt. Beantwoording op dit moment is daarom niet aan de orde.

Positie student versterken

De leden van de CDA-fractie nodigen de regering uit aan te geven waar nu precies de positie van de student in de medezeggenschap wordt versterkt.

De regering doet dat door een adviesrecht op te nemen over de hoogte van het instellingscollegegeld en een instemmingsrecht op het profileringsfonds, uitgezonderd de omvang hiervan. Verder wordt een onderzoeksrecht voor de medezeggenschap geïntroduceerd, en komt er één geschillencommissie voor het hele hoger onderwijs wat betreft medezeggenschap, benoemd door de minister. Deze geschillencommissie zal, indien het geschil het onthouden van instemming betreft, voortaan ook toetsen of de medezeggenschapsraad in redelijkheid zijn instemming heeft kunnen onthouden (art 9.37, lid 5, van de WHW). Tenslotte wordt het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij de benoeming van leden van de Raad van Toezicht en het college van bestuur uitgebreid tot alle instellingen voor hoger onderwijs. Het gaat dus ook gelden voor hogescholen en bijzondere universiteiten.

De leden van de CDA-fractie missen in het wetsvoorstel de positie die de student heeft bij het profileringsfonds, het instellingscollegegeld, de studiebegeleiding en bij fusies. Graag ontvangen zij hier een nadere toelichting op en horen graag van de regering of het nodig is die positie nader te regelen.

Het wetsvoorstel geeft instemmingsrecht op het profileringsfonds, uitgezonderd de omvang hiervan, en adviesrecht op het instellingscollegegeld. Het adviesrecht bij fusies bestaat al op grond van de WHW en deze bepalingen blijven in stand. Door een technische omissie zijn de bevoegdheden ten aanzien van het profileringsfonds nog niet in het wetsvoorstel opgenomen. Dat is hersteld bij de nota van wijziging, die met deze nota naar aanleiding van verslag wordt meegezonden. De studiebegeleiding is onderdeel van de procedures die worden geregeld in het onderwijs- en examenreglement. De medezeggenschap heeft daarop instemmingsrecht.

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten waarom bij de invoering van leerrechten de versterking van de positie van de student noodzakelijk is.

De regering is altijd van mening geweest dat het via de WHOO versterken van de positie van de student geen noodzakelijke voorwaarde is voor het invoeren van leerrechten maar dat de WHOO wel een betere context is. Niettemin heeft zij naar aanleiding van de motie Tichelaar/Bakker in de Spoedwet wel op verbetering van de positie van de studenten gerichte onderdelen opgenomen.

Deze leden vragen de regering voorts toe te lichten in hoeverre de instellingen met de invoering van leerrechten in vergelijking met de WHW meer ruimte krijgen om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten waardoor de student een zwakkere positie krijgt?

De regering is van mening dat hiervan geen sprake is. Wel geven de voorstellen zoals opgenomen in de WHOO de instellingen meer ruimte. Ook dat betekent overigens niet dat studenten daarmee een zwakkere positie krijgen.

Acht de regering het evenals de leden van de SP-fractie wenselijk dat de student gezien wordt als een lid van de universiteits respectievelijk hogeschoolgemeenschap en dat alle hoedanigheden, zoals die van benutter van medezeggenschapsmogelijkheden, gebruiker van consumentenfaciliteiten, toepasser van klachtenrecht, daarvan zijn afgeleid en in functie daarvan staan? Zo ja, waaruit blijkt dat in de spoedwet?

Evenals de leden van de SP-fractie meen ik dat studenten gezien moeten worden als lid van de universiteits- of hogeschoolgemeenschap. Daartoe bevat dit wetsvoorstel een duidelijk verbeterde medezeggenschapsregeling. Tegelijkertijd moet de student in de nieuwe situatie bewust omgaan met beperkte leerrechten. Mede daarom past een goede regeling bij voor klachten en geschillen.

De leden van de SP-fractie zijn verder van mening dat lid zijn van de universiteits respectievelijk hogeschoolgemeenschap, betekent dat eerder aan bemiddeling moet worden gewerkt dan aan juridisering. Geeft de regering hieraan gevolg door bemiddeling een uitdrukkelijke plaats te geven?

Uitgangspunt bij de regeling van de rechtsbescherming is geweest dat die voor de student toegankelijk, snel en oplossingsgericht zou moeten zijn. De gedachte daarachter is dat de studenten en de instelling samen een gemeenschap vormen, waar de onderlinge relatie voorop staat en de problemen die daarin kunnen ontstaan zoveel mogelijk in die sfeer opgelost moeten worden. De vorm en eigenheid van die gemeenschap vormen ook het kader waarbinnen de regeling van de klachten- en geschillenregeling gestalte krijgt. Het is voor iedereen het meest werkbaar en het minst belastend als de relatie tussen de student en instelling niet gejuridiseerd wordt. Daarom is de bemiddeling een rol gegeven: in de wettelijke bepaling is aan de adviescommissie uitdrukkelijk de bevoegdheid gegeven een minnelijke schikking te treffen tussen de partijen. Dat is een goede manier van geschillen oplossen, waarbij alle partijen baat kunnen hebben; hij is immers snel en resultaatsgericht.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat opleidingscommissies in de wet opgenomen dienen te blijven, omdat lid zijn van de universiteitsrespectievelijk hogeschoolgemeenschap mede tot uitdrukking komt in deelname door studenten in de opleidingscommissies en vragen op dit punt een reactie.

Doordat de zorgplicht voor de medezeggenschap niet langer deel uitmaakt van het onderhavige wetsvoorstel blijft de opleidingscommissie in de WHW opgenomen.

Deze leden stellen vast dat de LSVb meent dat de rechten van de studenten worden uitgekleed door de Spoedwet. De zorgplicht voor de medezeggenschap zal tot meer geschillen leiden. De leden vragen waarom de medezeggenschap moet worden gewijzigd met het oog op de leerrechten.

Zoals gezegd maakt de zorgplicht medezeggenschap geen onderdeel meer uit van dit wetsvoorstel. Voor zover de vraagstellers doelen op de noodzaak tot versterking van de positie van studenten als gevolg van de invoering van leerrechten verwijs ik naar het hiervoor gegeven antwoord op een vergelijkbare vraag van deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of de regering van mening is dat de volgende zaken verslechteringen zijn: het feit dat de opleidingscommissies worden geschrapt, dat studenten niets meer te maken hebben met benoeming van leden van het college van bestuur en de Raad van Toezicht, de instemming op de regeling financiële ondersteuning studenten wordt geschrapt, studenten hebben niets te zeggen over fusies etc.

De opleidingscommissie blijft in het naar aanleiding van deze nota gewijzigde wetsvoorstel bestaan. De bestaande basisset advies- en instemmingsrechten wordt uitgebreid met een adviesrecht over de hoogte van het instellingscollegegeld en een instemmingsrecht op het profileringsfonds, uitgezonderd de omvang hiervan. Beide nieuwe rechten vinden hun oorsprong in de WFHO. Aan de bestaande basisset advies- en instemmingsrechten wordt verder niet getornd in deze Spoedwet.

Het hoorrecht bij benoeming van leden van Raden van Toezicht was gekoppeld aan de benoeming van leden raden van toezicht door de minister. De minister benoemt niet meer. Hetzelfde geldt voor het college van bestuur dat nu benoemd wordt door de Raad van Toezicht. Deze benoemingen zijn een instellingskwestie geworden. De verschillende vragen over dit onderwerp hebben mij echter aanleiding gegeven het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming van leden van de Raad van Toezicht en het college van bestuur niet alleen te handhaven maar zelfs uit te breiden tot alle instellingen voor hoger onderwijs, dus ook te laten gelden voor hogescholen en bijzondere universiteiten. Het is niet langer de minister maar de Raad van Toezicht die de medezeggenschapsraad hoort.

De leden van de SP-fractie vragen ook waarom art. 9.33 uit de WHW wordt geschrapt.

Ik merk op dat via de bijgevoegde nota van wijziging artikel 9.33 weer in ere wordt hersteld.

De leden van de SP-fractie vragen tenslotte waarom in de Spoedwet niet staat dat de MR instemming heeft op de regeling financiële ondersteuning van studenten. Ook vragen zij waarom artikel 9.18 WHW wordt geschrapt, waarin de opleidingscommissies staan. De leden zijn van mening dat dit niet wordt opgelost door invoering van de zorgplicht, omdat het alleen maar tot meer geschillen zal leiden.

Het antwoord op deze vragen heb ik hiervoor al gegeven waar de leden van de SP-fractie informeerden naar mogelijke verslechteringen.

Transparante informatie over het hoger onderwijs

De leden van de CDA-fractie vragen hoe hetgeen in artikel I, onderdeel O, wordt geregeld zich verhoudt tot de bestuurlijke afspraken over studiekeuze-informatie. Graag horen deze leden meer over de inhoud van de bestuurlijke afspraak en de knelpunten die zich hier mogelijkerwijs voordoen. Ook willen zij weten of het mogelijk is studiekeuze-informatie tijdig te verstrekken aan studenten.

De bedoelde bepaling in het wetsvoorstel geeft de opdracht aan het college van bestuur om informatie te verstrekken aan studenten voor hun studiekeuze. Om de onderlinge vergelijkbaarheid van gegevens te waarborgen is het nodig dat alle instellingen de relevante gegevens via eenzelfde opzet aanleveren. In verband met het draagvlak voor en de uitvoerbaarheid van het beleid verdient een bestuurlijke afspraak met de instellingen en de studenten de voorkeur boven een specifieke wettelijke regeling. Zonodig kan worden geregeld welke informatie het college van bestuur moet verstrekken, op welke wijze de instellingen deze gegevens dienen te leveren en wie een dergelijk systeem in stand houdt. In het artikel worden beide geregeld.

De recent gemaakte bestuurlijke afspraak kent geen binding van de afzonderlijke instellingen.

De inhoudelijke ambitie van het bestuurlijk samenwerkingsverband studiekeuze123 en de uitwerking van deze ambitie in het Ontwikkelingsplan met het tijdpad geven echter vertrouwen dat de instellingen aan de uitvoering van deze afspraak hun medewerking zullen verlenen. De komende periode zal blijken in welke mate de instellingen zich werkelijk verbinden aan uitvoering van de gemaakte afspraak en op welke wijze de voorgenomen verbeteringen door het bestuurlijk samenwerkingsverband worden geconcretiseerd (zie ook mijn brief van 13 juli 2006, Kamerstukken II, 2005/06, 29 853, nr. 30).

Het ligt voor de hand dat eventuele inhoudelijke knelpunten gerelateerd zijn aan de voorgenomen verbeterpunten, zoals die in het Ontwikkelingsplan zijn opgenomen, te weten: het ontwikkelen van een goede maat voor begeleidingsintensiteit, de kwaliteit van de docenten, de internationale oriëntatie, alternatieve weergaven voor studietempo en slaagkans, een goede weergave van de inrichting van het onderwijsprogramma, doorstroommogelijkheden, het toevoegen van NVAO-data, informatie over onderzoek, numerus fixus en instellingenfixus en werkgeversoordelen, de ontsluiting en verbetering van alumni-oordelen en de aandacht voor overige, bijzondere kenmerken, waarmee opleidingen zich onderscheiden.

De tijdigheid van de informatievoorziening aan studenten vormt een van de aspecten van kwaliteit waarover in het bestuurlijk samenwerkingsverband afspraken zijn gemaakt. In de organisatie van het bestuurlijk samenwerkingsverband is voorzien in een onafhankelijk deskundigenpanel voor de borging van de kwaliteit.

De leden van de VVD-fractie zijn positief over het element in de spoedwet waarin de verplichting voor instellingen voor het leveren van relevante informatie aan (aankomend) studenten en de maatschappij. Nog beter zou het zijn wanneer een systeem van ranking verder zou worden ontwikkeld door een derde partij.

Het zou inderdaad goed zijn wanneer een derde partij een systeem van ranking zou ontwikkelen. Om ervoor te zorgen dat de basisinformatie die samenstellers van een dergelijke ranking nodig hebben beschikbaar en betrouwbaar is, heb ik in de opdracht aan Choice, het consortium van het HOP en Research voor Beleid dat in 2003 de tenderprocedure voor de uitvoering van Studiekeuze 123 heeft gewonnen, opgenomen dat zij de database met vergelijkingsinformatie tegen marginale kosten beschikbaar stelt. Dit levert geregeld nieuwe initiatieven op zoals bijvoorbeeld recent de studeerwijzer van de Volkskrant. Al eerder heb ik u meegedeeld dat tijdens het Seminar Studiekeuze en meerdimensionale ranking van de VSNU, CHEPS, en CWTS op 21 juni 2006 te Leiden een groot draagvlak bleek te bestaan om de vervolgstappen voor Studiekeuze123 in verband te brengen met de aanpak van het Duitse Centrum für Hochschulentwicklung (CHE). VSNU, HBO-Raad en CHEPS hebben samen met Vlaanderen de steun van de Europese Unie verworven voor een proefproject. Vanzelfsprekend ondersteun ik die samenwerking (zie ook mijn brief van 13 juli 2006, Kamerstukken II, 2005/06, 29 853, nr. 30).

De leden van de D66-fractie hechten er grote waarde aan dat betrouwbare informatie over het hoger onderwijs op een inzichtelijke manier toegankelijk is. Hoewel de leden er begrip voor hebben dat niet alles in (mogelijk onwerkbare) voorschriften wordt dichtgetimmerd, is het de vraag of nu niet te veel op bestuurlijke afspraken tussen de betrokken organisaties wordt geleund.

Een bestuurlijke afspraak heeft de voorkeur in verband met het benodigde draagvlak en uit oogpunt van uitvoerbaarheid van het op dit punt gevoerde beleid. Mocht de uitvoering van de bestuurlijke afspraak onverhoopt niet bevredigend verlopen, dan biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid nadere specificaties in een regeling vast te leggen. In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie over artikel I, onderdeel O, van het wetsvoorstel ben ik hier al nader op ingegaan.

De leden van de D66-fractie vragen op welke informatierechten een kiezende student straks op grond van de wet een beroep kan doen.

Het recht van (aanstaande) studenten op deze informatie vormt de spiegel van de plicht van instellingen (en andere organisaties) om relevante informatie te leveren. In het wetsvoorstel worden de eisen geformuleerd waaraan de informatie moet voldoen: zodanige informatie voor studenten én aanstaande studenten dat zij in staat gesteld worden opleidingsmogelijkheden te vergelijken en (tijdig) een keuze te maken voor onderwijs dat aansluit bij hun voorkeuren en mogelijkheden. Zonder te specificeren is daarmee een duidelijk kader gegeven waaraan de instelling moet voldoen. In de praktijk bepalen de instellingen en studenten gezamenlijk in het bestuurlijke samenwerkingsverband de specificatie van de inhoud van de informatie die de instellingen voor de studiekeuze verstrekken. Met deze – met instemming van de instellingen en studentenorganisaties vastgestelde – specificatie is ook de inhoud vastgelegd waarop de kiezende student straks een beroep kan doen.

Rechtsbescherming studenten

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de regels voor de rechtsbescherming van studenten en de vereenvoudiging die wordt aangebracht in de interne en externe procedures. Het is de leden niet duidelijk of dit wetsvoorstel reeds sleutelt aan de bevoegdheden van de examencommissie of dat deze bevoegdheden hetzelfde blijven zoals die in de huidige wet zijn geregeld. Deze leden willen over de nieuwe bevoegdheden van de examencommissie alleen praten in het licht van de nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek en niet in het kader van deze Spoedwet.

De rol en bevoegdheden van de examencommissie zijn met dit wetsvoorstel niet gewijzigd, met dien verstande dat de examencommissie de rol heeft gekregen om een uitspraak te doen over bepaalde geschillen, na advisering door de adviescommissie geschillen. Deze aanpassing vloeit voort uit de gewijzigde rechtsbeschermingsprocedure die wordt geïntroduceerd ter verbetering van de positie van de student.

Voor het overige heb ik in overeenstemming met de motie Tichelaar/Bakker (Kamerstukken II 2005/06, 30 287, nr. 42) die elementen geregeld, die in verband met de invoering van de leerrechten geregeld moesten worden. Daaronder valt – afgezien van het bovengenoemde – niet een andere positionering van de examencommissie. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het standpunt van de leden van de CDA-fractie dat zij alleen willen praten over de examencommissie in het kader van de WHOO.

Ook is het deze leden niet duidelijk hoe ver de bevoegdheden van de adviescommissie gaan en of de examencommissie uiteindelijk onder curatele van de adviescommissie staat.

De examencommissie is en blijft de commissie waarin de deskundigheid over wat een student moet kennen aanwezig is. Deze blijft exclusief belast met de beoordeling van het «kennen en kunnen» van de student. Daarom is het van groot belang dat deze commissie binnen de instelling onafhankelijk kan functioneren. De adviescommissie die geschillen behandelt, mag zich nadrukkelijk niet bemoeien met de beoordeling van het kennen en kunnen van een student. Wel kan de adviescommissie een oordeel vellen over randvoorwaardelijke zaken, waarover de examencommissie/examinator een beslissing heeft genomen. Nadere toelichting treft u aan in mijn antwoord op vergelijkbare vragen van de leden van de SP-fractie.

Graag willen zij een nadere toelichting op de voorwaarden die de adviescommissie aan de examencommissie kan stellen.

Voor mijn antwoord verwijs ik naar de beantwoording van de vorige vraag.

Behandelen van klachten en geschillen

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat, volgens het toetsingskader dat de geschillencommissie hanteert, de geschillencommissie beslist in de vorm van een bindend advies aan het college van bestuur? Is dit bindend advies geen advies, maar een bindend besluit waarvan het college van bestuur niet kan afwijken? Wordt hiermee beoogd om de rol van het college van beroep bij de examens door genoemde geschillencommissie te doen vervangen? Blijkt hieruit dat de huidige colleges van beroep voor de examens (artikel 7.60 WHW en verder) bevoegd zouden zijn om een inhoudelijk oordeel over het kennen en kunnen van studenten – gegeven door de examinator/examencommissie – integraal over te doen, zo vragen deze leden.

Voorts vragen zij of de vooronderstelling in het wetsvoorstel dat de geschillencommissie bij machte is om het oordeel van de examencommissie integraal over te doen, juist is. De leden van de SP-fractie stellen de vraag of de adviescommissie juist niet bevoegd zou moeten zijn om een integrale herbeoordeling van de beslissing van de examencommissie te geven? Deelt de regering de mening van de leden dat dit niet juist en wenselijk is? Niet juist omdat de colleges van beroep slechts beoordelen of de door de professionals gegeven oordelen al dan niet in strijd zijn «met het recht». Niet wenselijk, omdat zij niet vermogen een eigen oordeel over het kennen en kunnen te geven (artikel 7.61 lid 2 en 6 WHW).

De leden van de SP-fractie stellen de vraag of gewaarborgd is dat in de geschillencommissie voldoende ervaring met examineren is. De leden van de SP-fractie leggen de vraag voor of het niet wenselijk zou zijn een bepaling op te nemen over de juridische deskundigheid van de voorzitter.

Omdat deze reeks van vragen nauw met elkaar samenhangt zal ik die gezamenlijk beantwoorden.

In artikel 7.61 van de WHW wordt een sterk verbeterde klachten- en geschillenprocedure binnen de instelling voorgesteld. Belangrijk uitgangspunt daarbij is de «één-loket-gedachte».

In de huidige WHW is geen integrale regeling voor geschillenbehandeling opgenomen. Deze wordt in dit wetsvoorstel geïntroduceerd waarbij van belang is of bij een geschil een examencommissie of de examinator betrokken is of niet. Voor de student heeft dit onderscheid door de één-loket-constructie geen consequenties bij het aanhangig maken van het geschil (intern en extern). Voor de instelling is dit bij de behandeling wel van belang.

Als het een geschil betreft waarbij geen examencommissie of examinator is betrokken, neemt het instellingsbestuur een beslissing, daarbij geadviseerd door een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het staat het instellingsbestuur vrij om van dit advies af te wijken maar het zal dit niet kunnen doen zonder deugdelijke motivering. Als de student van mening is dat er na het besluit van het instellingsbestuur nog steeds sprake is van een geschil, dan kan hij tegen dat besluit in beroep gaan bij het College van beroep voor het hoger onderwijs. Als het een geschil betreft waarbij wél een examencommissie of examinator betrokken is, geldt dezelfde een-loket-gedachte maar er is een belangrijk verschil: niet het college van bestuur maar de examencommissie neemt het (hernieuwde) besluit. Het is echter niet zo dat enig ander het (oorspronkelijke) oordeel van de examinator of de examencommissie over het kennen en kunnen van de student kan overdoen. Een integrale herbeoordeling van een geschil over «kennen en kunnen» is dus niet mogelijk. Dat was reeds zo – ook voor het college van beroep voor de examens! – en dat blijft zo. Ik wijs op paragraaf 2.3.1 van de toelichting op het wetsvoorstel, waar ook de rol van de adviescommissie in het kader van beslissingen van de examencommissie aan de orde komt. Er staat letterlijk: «Er kan geen beoordeling door een ander orgaan (intern noch extern) plaatsvinden op het gebied van «kennen en kunnen». Daarmee is de weg van het voorleggen van een geschil over het kennen en kunnen in enge zin afgesloten; als bijvoorbeeld een student ontevreden is over een laag cijfer bij een tentamen, kan hij daarvoor niet naar de adviescommissie. Hier zijn immers de deskundigheid van en de beoordeling door de examinator aan de orde, terwijl deze niet verder ter discussie kunnen staan. Een student kan bijvoorbeeld wel naar de adviescommissie gaan als het tentamen zonder gebruik van hulpmateriaal is afgenomen, terwijl van te voren was aangekondigd dat het een open-boek toets zou zijn of als de accommodatie ongeschikt blijkt om zo’n toets te kunnen doen».

In de huidige situatie kan een student tegen een beslissing van de examencommissie of de examinator (behalve dus bij beslissingen ten aanzien van «kennen en kunnen») beroep aantekenen bij het college van beroep voor de examens. De taak van het college van beroep voor de examens is in dit wetsvoorstel ondergebracht bij de onafhankelijke adviescommissie. Het college van beroep voor de examens verdwijnt.

In het wetsvoorstel is niet opgenomen aan welke kwalificaties de leden van de adviescommissie moeten voldoen. Er is, zoals eerder is opgemerkt, zoveel mogelijk aangesloten bij de voorschriften die op grond van de Awb gelden. Er wordt vanuit gegaan dat een voorzitter wordt benoemd die voldoende gewicht heeft om goed als voorzitter te kunnen optreden. Daar zal juridische kennis en ervaring dikwijls deel van uitmaken. De leden van de commissie zullen voldoende ervaring met examineren moeten hebben.

De leden van de SP-fractie stellen voorts de vraag of het bij de geschillencommissie niet gaat om verschillende soorten geschillen, die hun eigen deskundigheid vereisen. Tevens vragen zij of het raadzaam is de advisering over geschillen en bindende advisering over uitspraken van de examencommissie in één geschillencommissie onder te brengen en vragen in de Spoedwet een klachten- en geschillenregeling op te nemen met dien verstande dat de geschillencommissie niet tevens van taak van commissie van beroep voor de examens vervult. De laatste dient als zelfstandige commissie gehandhaafd te blijven. Is het raadzaam om de advisering over geschillen en bindende advisering over uitspraken van examencommissies in één geschillencommissie onder te brengen? Gaat het hier niet om verschillende zaken, die ook verschillende deskundigheden vereisen, vragen de leden?

Verschillende soorten geschillen vragen inderdaad verschillende soorten deskundigheid. Uitgangspunt bij de regeling van de interne rechtsbescherming is echter dat de regeling daarvan laagdrempelig, eenvoudig en praktisch moet zijn. De student moet ongeacht de aard of zwaarte van zijn probleem naar één loket kunnen gaan. Zou voldaan worden aan het verzoek van de leden van de SP-fractie, dan zou daarmee een inbreuk worden gemaakt op dit uitgangspunt. Ik zal dit verzoek daarom niet inwilligen.

Tegelijkertijd wijs ik erop dat het de instelling vrij staat de behandeling van geschillen zodanig vorm te geven dat de facto een geschillencommissie voor de beslissingen van de examencommissie ontstaat. De instelling kan kiezen voor verschillende kamers, die een bepaald soort geschillen behandelen: algemene geschillen, geschillen over het bindend studieadvies en geschillen over besluiten van de examencommissie of examinator. Bij de vormgeving is het raadzaam rekening te houden met de verscheidenheid aan geschillen. De samenstelling van de commissie zal zodanig dienen te zijn dat de benodigde deskundigheid vertegenwoordigd is.

Met de voorgestelde regeling wordt aangesloten bij de systematiek van de Awb met betrekking tot bezwaar en beroep.

De studenten kunnen in de medezeggenschap via instemmingsrecht op de regeling invloed uitoefenen op de wijze waarop de rechtsbescherming wordt ingevuld.

De leden van de SP-fractie vinden het wenselijk het college van beroep zoals thans in de WHW voorgeschreven, te handhaven en vragen de regering toe te lichten waarom zij een andere beroepsmogelijkheid kiest.

Het is niet helemaal duidelijk op welk college van beroep de leden van de SP-fractie doelen: het college van beroep voor de examens of het college van beroep voor het hoger onderwijs.

Als gedoeld wordt op het college van beroep voor de examens verwijs ik voor de beantwoording kortheidshalve naar mijn antwoord op eerdere vragen van deze leden.

Als gedoeld wordt op het college van beroep voor het hoger onderwijs, merk ik het volgende op: in het kader van de externe rechtsbescherming blijft het college van beroep voor het hoger onderwijs bestaan. De artikelen 7.64, 7.65 en 7.66 hebben daar betrekking op. Maar in de huidige WHW is dit college niet voor alle hoger onderwijsinstellingen de rechter, noch is dit college bevoegd te oordelen over alle geschillen in het kader van de WHW; zo zijn bijvoorbeeld geschillen over examens uitgesloten. Met de voorgestelde bepalingen krijgt het college van beroep wel deze competentie en bevoegdheden.

Enkele zaken worden niet meer in de wet geregeld, zoals de verdeling van het college in kamers en de verdeling van werkzaamheden daarover. In verband met laagdrempeligheid en transparantie is gekozen voor één college dat voor alle gevallen bij alle instellingen bevoegd is. Daarom komt het college van beroep voor het bijzonder onderwijs te vervallen.

De leden van de SP-fractie vragen tenslotte nog waarom het niet wenselijk is het toetsingskader te handhaven.

Ik ga er vanuit dat de leden hiermee de bevoegdheid van het college van beroep voor het hoger onderwijs bedoelen. Er ontstaat nu één externe procedure die kan worden gevolgd in alle gevallen waarin een student het niet eens is met de uitkomst van de interne procedure. Daarmee komt een einde aan de voor de student onduidelijke situatie dat het college van beroep voor het hoger onderwijs in bepaalde gevallen niet bevoegd is en hij zich ergens anders moet vervoegen. Dat heeft mijn duidelijke voorkeur boven het laten voortbestaan van de onduidelijkheid.

Zorgplicht medezeggenschap

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de zorgplicht medezeggenschap niet thuishoort in de structuur van de bestaande wet.

Zoals gemeld heb ik besloten de zorgplicht medezeggenschap niet langer op te nemen in het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie verschillen van mening met de regering over het schrappen van de opleidingscommissie.

Doordat de zorgplicht voor de medezeggenschap geen deel meer uitmaakt van de Spoedwet, blijft de opleidingscommissie in de WHW gehandhaafd.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering de artikelen die betrekking hebben op de zorgplicht volwaardige medezeggenschap te schrappen.

De desbetreffende artikelen zijn inderdaad geschrapt.

De leden van de CDA-fractie willen weten waarin de basisset advies- en instemmingsrechten in deze Spoedwet afwijken van de in de huidige wet geregelde rechten. Zij vinden de introductie van een onderzoeksrecht voor de bestaande medezeggenschapsorganen wel een goede aanvulling op de bestaande regels.

De bestaande basisset advies- en instemmingsrechten wordt uitgebreid met een adviesrecht over de hoogte van het instellingscollegegeld en een instemmingsrecht op het profileringsfonds, uitgezonderd de omvang hiervan. Beide nieuwe rechten zijn al neergelegd in de WFHO.

Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Met het introduceren van de zorgplicht medezeggenschap zouden alle bepalingen omtrent medezeggenschap in de WHW vervallen en vervangen worden door die zorgplichtbepalingen. Dat gold dan ook voor de medezeggenschapsbepalingen die door de WFHO in de WHW werden geïntroduceerd. Nu de zorgplichtbepalingen niet langer worden voorgesteld, is het niet nodig om opnieuw de medezeggenschapsrechten te regelen die al geregeld zijn in de WFHO. Daarom behoeven deze rechten ook niet in de nota van wijziging te worden opgenomen. Aan de bestaande basisset advies- en instemmingsrechten wordt verder niet getornd in deze Spoedwet. Er komt wel een onderzoeksrecht. Ook is het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming van leden van de Raad van Toezicht en het college van bestuur uitgebreid tot alle instellingen voor hoger onderwijs en geldt dus ook voor hogescholen en bijzondere universiteiten. Het is niet langer de minister maar de Raad van Toezicht die de medezeggenschapsraad hoort.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts naar het spoedeisende karakter van het regelen van de keuzevrijheid voor het ongedeelde of gedeelde medezeggenschapsstelsel en of de regering bereid is dit onderdeel te schrappen.

De keuzevrijheid bestaat in het wetenschappelijk onderwijs al bijna tien jaar, en naar tevredenheid, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de in 2005 aan u aangeboden MUB-evaluatie. Redenerend vanuit de portee van de motie vind ik dat de keuzevrijheid voor de inrichting van de medezeggenschap in het hoger onderwijs hoort bij de zorgplicht voor de medezeggenschap. Omdat de zorgplicht geen deel meer uitmaakt van de Spoedwet vervalt ook die keuzevrijheid. Ik merk wel op dat voor het wetenschappelijk onderwijs de keuzevrijheid voor een medezeggenschapstelsel al in de WHW staat en dat die gewoon wordt gehandhaafd.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de samenhang tussen het governance principe en de leerrechten.

Met het schrappen van de zorgplicht voor de medezeggenschap is de discussie over de met de zorgplichten samenhangende sturingsfilosofie (governance) weer ondergebracht bij de WHOO. De beantwoording van deze vraag komt in dat kader aan de orde.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering ook te reageren op de overweging van het Interstedelijk Studentenoverleg dat academische vrijheid geen goed voorbeeld is van een bestaande zorgplichtsystematiek?

Ook voor het antwoord op deze vraag geldt dat de discussie daarover desgewenst zal worden gevoerd bij de behandeling van de WHOO.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering precies tegen heeft op instemmingsrechten voor studenten bijvoorbeeld bij het profileringsfonds en de vormgeving van studiebegeleiding?

Ik verwijs voor het antwoord op de vragen van de CDA-fractie over de versterking van de positie van de student.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom het hoorrecht van de medezeggenschap over leden van het college van bestuur en over de Raad van Toezicht komen te vervallen?

In het wetsvoorstel was niet voorzien in het hoorrecht van de medezeggenschapsorganen. De reden daarvoor was de onafhankelijke positionering van de raad van toezicht van de instellingen. In de nota van wijziging is de zorgplicht voor medezeggenschap vervallen en zijn verbeteringen op het gebied van medezeggenschap voor studenten ten opzichte van de huidige WHW opgenomen. In dat verband «herleeft» ook de huidige bepaling omtrent het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming van de leden van de raad van toezicht en van de leden van het college van bestuur. In de nota van wijziging is daartoe een bepaling opgenomen met betrekking tot het horen van het medezeggenschapsorgaan bij benoemingen in de raad van toezicht, vergelijkbaar met de procedure die thans geldt voor benoemingen door de minister in de raad van toezicht van een openbare universiteit. Hetzelfde is gebeurd ten aanzien van het hoorrecht van de medezeggenschap bij benoemingen in het college van bestuur. In de huidige situatie bestaat alleen voor openbare instellingen een wettelijke verplichting tot het hebben van een raad van toezicht. In dit wetsvoorstel wordt een raad van toezicht bij alle instellingen verplicht. Daarom is er voor gekozen dit «hoorrecht» – ook waar het gaat om benoemingen in het college van bestuur – uit te breiden tot alle instellingen. Een andere wijziging betreft het volgende: de leden van de raad van toezicht worden niet door de minister, maar door de instelling zelf benoemd.Om die reden is de verplichting om bij benoemingen de medezeggenschap te horen ook niet gericht aan de minister maar aan de instelling.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering voorts waarom de medezeggenschap het instemmingsrecht op de faculteitsreglementen verliest.

Door het op dit moment niet meenemen van de zorgplicht medezeggenschap zal het instemmingsrecht van de facultaire medezeggenschapsraad op het faculteitsreglement blijven bestaan en behoeft deze vraag geen verdere beantwoording.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom niet langer een gekwalificeerde meerderheid nodig is voor het vaststellen van het medezeggenschapsreglement.

Ook hiervoor geldt dat deze bepaling door de beslissing ten aanzien van de zorgplicht medezeggenschap ongewijzigd gehandhaafd zal blijven; er is dus nog steeds een tweederde meerderheid noodzakelijk voor het vaststellen of wijzigen van het medezeggenschapsreglement.

De leden van de PvdA-fractie verzoekt de regering in dit kader tenslotte toe te lichten hoe het schrappen van het college van beroep voor de examens de rechtspositie van de student verbetert.

De rechtspositie van de student wordt verbeterd omdat de interne rechtsgang voor hem vereenvoudigd wordt. Er is één loket, waartoe hij zich wendt. Daarna wordt bepaald hoe zijn klacht/geschil verder wordt behandeld. De adviescommissie voor de geschillen houdt zich ook bezig met geschillen naar aanleiding van beslissingen van de examinator en examencommissie met uitzondering van oordelen over het kennen en kunnen van de student. Het opheffen van het college van beroep voor de examens en het onderbrengen van dit soort geschillen onder de geschillencommissie heeft voor de student het voordeel dat er één loket is – en hij niet meer na hoeft te gaan wie bevoegd is – en zijn geschil niet «tussen wal en schip» valt.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het mogelijk is de huidige wetgeving zodanig aan te passen dat de positie van de student in de medezeggenschap voldoende is gewaarborgd om met leerrechtenbekostiging uit de voeten te kunnen.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de eerste vraag van de leden van de CDA-fractie onder het kopje «positie student versterken».

De leden van de VVD-fractie vinden verder de zorgplicht voor de medezeggenschap onvoldragen en niet noodzakelijk voor de invoering van de leerrechtenbekostiging, hoewel de leden niet negatief tegenover deze zorgplicht staan. Zij vragen hierop een reactie van de regering.

De regering waardeert de steun van deze leden voor het instrument van de zorgplicht. Aangezien deze zorgplicht intussen geen deel meer uitmaakt van de Spoedwet behoeft deze vraag geen verdere beantwoording.

De leden van de SP-fractie willen de Spoedwet graag in de context van de uiteindelijke WHOO kunnen beoordelen. Zij hebben daarom vragen over de zorgplicht. Leerrechten vragen volgens de regering om een zorgplicht van het college van bestuur voor het onderwijs. Als gevolg van artikel 2.1 lid 3 jo. lid 1 WHOO krijgt het college van bestuur ook de zorgplicht voor kwalitatief goed onderzoek. Is dit een indirect gevolg van de invoering van leerrechten, omdat in het WO onderwijs en onderzoek met elkaar verbonden zijn?

De regering stelt vast dat dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt en beantwoording van deze vragen in dit kader derhalve niet aan de orde is. De behandeling van de WHOO is daarvoor het juiste moment.

De leden van de SP-fractie geven verder aan dat in de huidige uitvoering van de WHW reeds periodieke beoordeling van de kwaliteit van promotieopleidingen plaats vindt door VSNU, KNAW en NWO op basis van het Standard Evaluation Protocol (SEP). Niet aangegeven wordt waarom dit op artikel 1.18 WHW gebaseerde stelsel – dat ook onder de WHOO, naast de KNAW-beoordeling intact blijft – niet meer zou voldoen.

De regering stelt vast dat dit onderwerp evenmin onderdeel vormt van het wetsvoorstel dat nu voorligt.

De leden van de SP-fractie vraagt of er door het wegnemen van de federale structuur van de universiteiten in de Spoedwet of in de WHOO een concentratie van bevoegdheden plaatsvindt bij het college van bestuur, dat het onderwijs- en examenreglement, bedoeld in artikel 3.40 WHOO – met inachtneming van de instemmings- en adviesrechten van de medezeggenschapsraad, artikelen 4.12 en 4.13 WHOO – moet vaststellen.

De regering stelt vast dat dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt maar van de WHOO. De discussie hierover dient dan ook in dat verband gevoerd te worden.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat de examinator, in de WHW de enige die tentamens kan afnemen (artikel 7.12 lid 3 WHW), in de WHOO vervangen wordt door de examencommissie. Deze commissie neemt blijkens de WHOO (artikel 2.6 lid 3 sub c) exclusief de examens af (daaronder vallen blijkbaar ook de onderdelen in de zin van de tentamens). Deze leden vragen de regering of zij het met hen eens is dat examinatoren daarbij fungeren als ondergeschikten, die de toetsen niet meer zelfstandig, maar in mandaat – in naam en onder instructie van de examencommissie – afnemen? Zij vragen voorts of zij dit wenselijk vindt en of de Spoedwet op dit punt toegelicht kan worden in het kader van de WHOO.

De regering stelt vast dat dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt maar wijst er niettemin op dat de constatering van deze leden onterecht is: deze rol van de examinatoren komt ook terug in de WHOO (zie artikel 2.10 van de WHOO).

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre de zorgplichten niet enkel meer fungeren als onderdeel van de accreditatietoets en als kader waarbinnen de beoordeling van promotieopleidingen aan de hand van het SEP plaatsvindt, maar daarnaast ook zelfstandige criteria vormen die door andere organen uitgewerkt worden?

De regering gaat er vanuit dat de leden van de SP-fractie doelen op de zorgplicht voor kwaliteit die in het wetsvoorstel WHOO wordt voorgesteld en stelt vast dat dit onderwerp geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt. De discussie hierover zal worden gevoerd bij de behandeling van de WHOO.

Niet duidelijk vinden de leden van de SP-fractie waar bij zorgplicht de eventuele winst zit, doordat blijkbaar meer op eindresultaat en minder op proces en middelen gestuurd gaat worden. Kan de regering dit toelichten?

Nu de Spoedwet geen zorgplicht meer bevat, behoeft deze vraag op dit moment geen beantwoording.

Richt zorgplicht zich ook op aspecten van proces en middelen, wanneer verwacht wordt van een instelling dat zij horizontale verantwoording aflegt, bijvoorbeeld aan de docenten en studenten, maar ook aan de werkgevers die de afgestudeerden afnemen?

Voor de beantwoording van deze vraag geldt hetzelfde als bij de beantwoording van de vorige vraag. De discussie hierover komt aan de orde bij de behandeling van de WHOO.

De leden van de D66-fractie vragen om een schematisch overzicht van de instemmings-, advies- en hoorrechten die er door de Spoedwet bij komen, af gaan of veranderen ten opzichte van de bestaande situatie.

Nu de regering heeft besloten op dit moment geen zorgplicht voor medezeggenschap in te voeren, blijven alle bestaande advies- en instemmingsrechten gehandhaafd. Deze worden aangevuld met een instemmingsrecht op het profileringsfonds, uitgezonderd de omvang hiervan, en een adviesrecht op het instellingscollegegeld. Verder hebben de verschillende vragen over het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming van leden van de Raad van Toezicht en het college van bestuur mij aanleiding gegeven dit niet alleen te handhaven maar zelfs uit te breiden tot alle instellingen voor hoger onderwijs, dus ook te laten gelden voor hogescholen en bijzondere universiteiten. Het is niet langer de minister maar de Raad van Toezicht die de medezeggenschapsraad hoort.

De leden van de D66-fractie willen dat de volgende rechten worden vastgelegd:

instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en hoogte van het profileringsfonds;

instemmingsrecht ten aanzien van de hoogte van het instellingscollegegeld;

instemmingsrecht ten aanzien van de wijziging van de statuten van de instelling;

instemmingsrecht ten aanzien van de keuze tussen een ombudsman of ombudscommissie;

adviesrecht ten aanzien van de profielschets van de ombudsman/ombudscommissie. De leden vernemen hierop graag een reactie van de regering.

Ten aanzien van het profileringsfonds regelt de spoedwet dat de medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft, behalve wat betreft de hoogte (omvang) van het fonds. Een instemmingsrecht op de hoogte van het profileringsfonds zou een instemmingsrecht op de begroting betekenen. Dit is onwenselijk omdat er dan een situatie van medebestuur zou ontstaan. Via het bestaande adviesrecht op de begroting staan de medezeggenschap voldoende middelen ten dienste om invloed uit oefenen op de hoogte van het profileringsfonds.

Het instellingsbestuur heeft de eindverantwoordelijkheid voor de vaststelling van het instellingscollegegeld en is daarop aanspreekbaar, maar het verantwoordelijke instellingsbestuur kan geen beslissing nemen zonder dat de medezeggenschap daarover heeft geadviseerd.

Wat instemmingsrecht op de statuten betreft: de doelstelling, identiteit en grondslag, zoals die zijn geregeld in de statuten van een vereniging of stichting, waarvan een bijzondere instelling van hoger onderwijs uitgaat, behoren bij uitstek tot de eigen aard van de betreffende rechtspersoon. Vaak zijn meer instellingen ondergebracht bij één stichting of vereniging. Een instemmingsrecht zou hier dan ook onwenselijke gevolgen kunnen hebben voor de andere aan deze stichting verbonden instellingen. Wel heeft de medezeggenschapsraad van een bijzondere hogeschool adviesrecht op aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen (artikel 10.22, onder b, van de WHW).

De instelling dient een klachten- en geschillenregeling te hebben op grond van artikel 7.61 van de WHW. Daarbij is het aan de instelling of dit wordt vormgegeven door het benoemen van een ombudsman, een ombudscommissie of op een andere wijze. Dit is een zaak die bij uitstek in het bestuursreglement van een instelling moet worden geregeld. De medezeggenschap heeft daarop instemmingsrecht. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van de medezeggenschap bij een eventuele profielschets van een ombudsman of ombudscommissie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om uiteen te zetten welke bepalingen op het gebied van medezeggenschap komen te vervallen en welke zijn toegevoegd. In het bijzonder vragen deze leden naar de medezeggenschap ten aanzien van het profileringsfonds.

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar het antwoord op de eerste vraag van de CDA-fractie onder het kopje «Positie student versterken».

De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet op de in de motie genoemde punten overeenkomstig de filosofie van de huidige wetgeving aanvullende maatregelen komen.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het begin van de paragraaf over het doel en de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie geven er de voorkeur aan om over de WHOO integraal het parlementaire debat te voeren.

Ik onderschrijf de wens van de leden van de SGP-fractie en meen dat daardoor het niet langer opnemen van de zorgplicht medezeggenschap in de Spoedwet ook alle ruimte is geschapen.

4. Raden van toezicht

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de bevoegdheden van de nieuwe raad zich verhouden tot die van de oude Raad van Toezicht en of het klopt dat de Raad van Toezicht minder in plaats van meer bevoegdheden krijgt.

De bevoegdheden van de Raden van Toezicht ten opzichte van het college van bestuur zijn in dit wetsvoorstel gelijk aan die van de nu nog door de minister benoemde raden van toezicht van de openbare universiteiten, met dien verstande dat:

• In het wetsvoorstel ook bepalingen zijn opgenomen die waarborgen dat de raad als intern toezichthoudend orgaan onafhankelijk kan opereren ten opzichte van het college van bestuur; in die zin is de positie van de raad ten opzichte van de oude situatie versterkt.

• Het laatste geldt zeker indien de taken en bevoegdheden van de raad worden afgezet tegen de huidige wettelijke taken en bevoegdheden die de zogenaamde bestuursraad heeft bij bijzondere hogescholen (deze bestuursraad is wettelijk voorgeschreven voor zover het college van bestuur alle taken en bevoegdheden van het instellingsbestuur uitoefent) Deze bevoegdheden zijn echter beperkt en deze raad heeft niet de toezichthoudende rol die in dit wetsvoorstel aan de Raad van Toezicht wordt toebedeeld. Door de verplichte invoering van de Raad van Toezicht worden in het HBO-veld de taken en bevoegdheden van het toezichthoudend orgaan voor alle hogescholen voorgeschreven.

• Toegevoegd is dat de accountant voortaan rapporteert aan en benoemd wordt door de RvT in plaats van het CvB.

Zijn de leden van de huidige raden van toezicht voldoende in staat om de wereld van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te overzien en hun eigen instelling en hun professionals daarin te kunnen plaatsen, en hoe garandeert het wetsvoorstel dat de leden van de Raad van Toezicht aan dit profiel voldoen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de Raad van Toezicht moeten in staat zijn de uitvoering van de taken door het college van bestuur en de algemene gang van zaken in de instelling op hoofdlijnen te beoordelen. Daarbij hoort uiteraard relevante kennis van en vertrouwdheid met het hoger onderwijs en onderzoek. Dat geldt voor de leden van de huidige raden van toezicht en voor de leden van de Raden van Toezicht die in dit wetsvoorstel worden geregeld.

De eisen van professionaliteit en deskundigheid, aangevuld met specifieke deskundigheden die de leden van de raad nodig hebben om hun toezichthoudende functie te vervullen, zullen tot uitdrukking moeten komen in de profielen die in het kader van hun benoeming worden gehanteerd (zie artikel 9.7, lid 5). De profielen maken in de praktijk inzichtelijk over welke deskundigheid de Raad van Toezicht moet beschikken en welke deskundigheden daadwerkelijk in de raad aanwezig zijn. Verder zij verwezen naar het vijfde lid van artikel 9.7. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat de samenstelling van de raad zodanig is dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan worden uitgeoefend.

Deze leden vragen ook de medezeggenschapsraden het recht hebben om mee te praten over het profiel van de leden van de Raad van Toezicht.

Een dergelijk recht is niet in het wetsvoorstel opgenomen. Voorop staat dat de benoeming van de leden van de Raad van Toezicht een transparant proces is voor alle belanghebbenden, waaronder het medezeggenschapsorgaan. Transparantie wordt gewaarborgd door de al genoemde profielbepaling; aan de hand van de vooraf openbaar gemaakte profielen wordt inzichtelijk gemaakt of de juiste man of vrouw op de juiste positie in de raad wordt benoemd. Het is voorts denkbaar dat de instelling de medezeggenschapsraad in staat stelt – bijvoorbeeld door de profielen en/of de procedure rond de totstandkoming daarvan op enige wijze vast te leggen in het bestuursreglement – over de profielen mee te praten.

Los hiervan hebben de verschillende vragen over het hoorrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming van leden van de Raad van Toezicht en het college van bestuur mij aanleiding gegeven dit recht niet alleen te handhaven maar zelfs uit te breiden tot alle instellingen voor hoger onderwijs, dus ook te laten gelden voor hogescholen en bijzondere universiteiten. Het is niet langer de minister maar de Raad van Toezicht die de medezeggenschapsraad hoort.

Hoe worden de leden van de Raad van Toezicht benoemd, zo vragen de leden van de CDA- en D66-fracties.

De instelling bepaalt wie in de Raad van Toezicht wordt benoemd. De instelling kan in haar bestuursreglement bepalingen opnemen met betrekking tot de werving en selectie van de leden van de raad. Het ligt voor de hand dat in de governancebranchecode daaraan ook aandacht wordt besteed. Voorop staat dat de wijze van benoeming voor alle betrokkenen transparant moet zijn; zo is in de wet vastgelegd dat benoeming geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen, en dat de Raad van Toezicht professioneel, deskundig en onafhankelijk dient te zijn. Over de benoeming wordt de medezeggenschapsraad gehoord.

Waarom is niet geregeld dat een of meer leden van de Raad van Toezicht op voordracht van de medezeggenschapsorganen kunnen worden aangesteld, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich af.

De Raad van Toezicht moet volstrekt onafhankelijk kunnen functioneren. Onafhankelijkheid verdraagt zich niet met het recht van voordracht door enige belanghebbende partij. Ook al gaat het om posities zonder last of ruggespraak, het risico bestaat dat toezichthouders zich direct of indirect zullen voegen naar de opvattingen of belangen van de partij of «achterban» die hen heeft voorgedragen.

De regering volgt hier ten principale de lijn van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Bewijzen van goede dienstverlening, 2004, paragraaf 8.2.4. «Samenhangend, sober en selectief toezicht»). De WRR beveelt aan de Raad van Toezicht als interne toezichthouder te erkennen en wettelijk te verankeren. Essentiële voorwaarde voor een goed functioneren van zo’n raad acht de WRR onafhankelijkheid, deskundigheid en periodiek openbare verantwoording. De legitimiteit van de Raad van Toezicht wordt volgens de WRR niet verkregen door representativiteit of vertegenwoordiging van een bepaald (deel)belang, maar juist door onafhankelijk en professioneel optreden.

Er is wel sprake van een hoorrecht van de medezeggenschapsraad wat betreft de benoeming van de leden van de Raad van Toezicht.

De leden van de VVD-fractie achten het Raad van Toezichtmodel onvoldoende uitgekristalliseerd om nu reeds bij Spoedwet wettelijk te verankeren; het onderwerp is niet noodzakelijk voor de invoering de nieuwe bekostigingssystematiek en dient bij de behandeling van de WHOO aan de orde te komen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering hierop een reactie te geven.

De regering wijst erop dat met indiening van het onderhavige wetsvoorstel onder meer uitvoering wordt gegeven aan de vaker genoemde motie Tichelaar/Bakker. Daarin wordt gevraagd om een voorstel tot wijziging van de WHW met betrekking tot – onder andere – verplichte instelling en verbetering van de bevoegdheden van een Raad van Toezicht. In de antwoorden op de vragen van leden van de CDA-fractie over de bevoegdheden van de nieuwe Raad van Toezicht ten opzichte van die van de oude Raad van Toezicht ben ik op de consequenties hiervan nader ingegaan.

De leden van de SP-fractie willen meer duidelijkheid over de introductie van leerplicht (bedoeld zal zijn: zorgplicht) en de juridische consequenties voor de verantwoording van de instellingen. Met name willen de leden weten of zorgplicht met horizontale verantwoording en een Raad van Toezicht, te rijmen valt met de in te voeren aanwijzingsbevoegdheid ex artikel 8.14 WHOO, waarin de Minister aan het college van bestuur of de Raad van Toezicht een aanwijzing kan geven als:

a) hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van de wet ernstige tekortkomingen constateert; of

b) de bestuurlijke ontwikkeling bij een of meer instellingen ertoe leidt dat de toegankelijkheid of pluriformiteit op stelselniveau wordt bedreigd.

Waarom acht de regering het nodig om deze bevoegdheid toe te voegen aan bekostigingssancties, verlies van accreditatie, een opdracht tot beëindiging van een opleiding vanwege ondoelmatigheid?

De regering stelt vast dat de aanwijzingsbevoegdheid geen onderdeel is van het wetsvoorstel dat nu voorligt. De discussie hierover is aan de orde bij de behandeling van de WHOO.

De leden van de SP-fractie vragen waarom een aantal artikelen is geschrapt rond de raden van toezicht (artikel 9.7, lid 2 en 5, artikel 9.8, tweede lid onder f en g, en artikel 9.9). Wordt daarmee geregeld dat de Raad van Toezicht geen verantwoording meer hoeft af te leggen aan het ministerie, zo vragen de leden zich af. Tot slot vragen deze leden hoe in de Spoedwet de benoeming van de Raad van Toezicht wordt geregeld.

Het tweede en vijfde van artikel 9.7 zijn geschrapt omdat op grond van het onderhavige wetsvoorstel de Raad van Toezicht niet langer door de minister wordt benoemd. De raad is een intern orgaan van de instelling. Om die reden is ook artikel 9.9 vervallen: de Raad van Toezicht legt verantwoording af over zijn handelen in het jaarverslag van de instelling en niet aan de minister. De inlichtingenplicht van de Raad van Toezicht jegens de minister is overigens gehandhaafd.

De genoemde bepalingen in artikel 9.8 zijn geschrapt omdat de taken en bevoegdheden van de Raad van Toezicht nu in artikel 9.7 worden geregeld. Wat meer specifiek de geschrapte onderdelen f en g betreft verwijs ik naar de antwoorden hierna aan de leden van de D66-fractie over de rol van de Raad van Toezicht bij het medezeggenschapsreglement en bij gemeenschappelijke regelingen.

Voor het antwoord op de wijze waarop de benoeming van de Raad van Toezicht wordt geregeld verwijs ik naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie.

Het is voor de leden van de D66-fractie niet duidelijk door wie de raden van toezicht worden benoemd.

Ook in dit geval verwijs ik voor het antwoord op de wijze waarop de benoeming van de Raad van Toezicht wordt geregeld naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van leden van de de CDA-fractie.

De leden van de D66-fractie vragen of de Raad van Toezicht niet hoeft in te stemmen met het medezeggenschapsreglement.

Er is geen instemming nodig van de Raad van Toezicht op het medezeggenschapsreglement. Dit zou een bestuurstaak betekenen voor de Raad van Toezicht. Door het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad zijn er voldoende waarborgen.

De leden van de D66-fractie vragen of de Raad van Toezicht geen zeggenschap krijgt over gemeenschappelijke regelingen zoals fusies.

De Raad van Toezicht houdt toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur (artikel 9.7, lid 3) en is in elk geval belast met het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het instellingsplan van de instelling (artikel 9.7, lid 3, onder c.). Bovendien dienen de taken en bevoegdheden van de Raad zodanig te zijn (zie lid 5) dat de Raad deugdelijk toezicht kan houden. Op grond van die taken heeft de Raad van Toezicht zeggenschap over gemeenschappelijke regelingen waarbij samenwerking tussen de besturen van twee of meer instellingen aan de orde is (artikel 8.1, lid 1, van de WHW). Ik neem aan de leden van de D66-fractie op deze samenwerking duiden als zij het begrip «fusie» hanteren.

Kan de regering ook nader ingaan op de betrokkenheid van studenten en personeel bij de benoeming van leden van de raden van toezicht, zo vragen de leden van de D66-fractie zich af.

Op dit punt ben ik reeds ingegaan bij mijn antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie waarom niet is geregeld dat een of meer leden van de Raad van Toezicht op voordracht van de medezeggenschapsorganen kunnen worden aangesteld.

5. Overige onderwerpen uit de WHOO

Accreditatie

De leden van de CDA-fractie vragen naar het spoedeisende karakter van het introduceren van een herstelperiode in de opleidingsaccreditatie en zij verzoeken de regering artikel I, onderdeel H, uit de Spoedwet te schrappen. De leden gaan wel akkoord met het met spoed omdraaien van de volgorde van de macrodoelmatigheidstoets en de accreditatietoets voor een nieuwe opleiding.

De regering neemt goed nota van de steun van de leden van de CDA-fractie voor het omkeren van de macrodoelmatigheidtoets en de toets nieuwe opleiding. Het voorstel voor invoeging van de herstelperiode is bij nota van wijziging uit het wetsvoorstel geschrapt. De omkering van de toets macrodoelmatigheid en de toets nieuwe opleiding heb ik wel gehandhaafd. Hier wordt zoals gezegd al gedurende lange tijd door vele partijen op aangedrongen omdat het een belangrijke bijdrage levert aan het terugdringen van de bureaucratische lasten van het accreditatieproces.

De leden van de D66-fractie hebben in het kader van het voorstel voor een herstelperiode begrip voor de moeilijke positie waarin opleidingen terecht komen als ze hun accreditatie verliezen, maar is bang dat zachte heelmeesters in dit geval stinkende wonden maken. Verder merken zij op dat het voorstel als consequentie heeft dat de betreffende opleidingen nieuwe studenten mogen blijven toelaten. Hoe ziet de regering de informatieverstrekking aan de betrokken studenten voor zich, willen zij weten. Ook vragen zij of de studenten wel het volle pond betalen moeten in termen van afboeking van leerrechten en collegegeld, terwijl ze eigenlijk geen waar voor hun geld krijgen, zo vragen zij. De leden van de D66 fractie zijn nog niet overtuigd van de wenselijkheid van het voorstel voor een herstelperiode in het accreditatieproces. Zij vernemen graag een reactie.

Het voorstel behelst inderdaad dat, op het moment dat de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) het vertrouwen heeft dat de opleiding binnen een periode van 2 jaar weet te voldoen aan de accreditatiekaders, zij nieuwe studenten mogen blijven toelaten. De regering deelt het standpunt van de leden van de D66-fractie dat instellingen de plicht hebben om studenten volledig te informeren over de status van de opleiding waar zij zich voor inschrijven. Voorts is zij van mening dat dit voorstel wel van belang is omdat de huidige zware regeling kan ontmoedigen om scherpe oordelen over de kwaliteit van het onderwijs uit te spreken en contraproductief kan werken op de inspanningen van de instellingen om de kwaliteit te herstellen. De leden van verschillende fracties hebben echter kritische vragen gesteld bij het voorstel voor de herstelperiode. Dat is voor mij aanleiding geweest dit onderdeel desondanks uit de Spoedwet te halen.

Associate-degreeprogramma

De leden van de CDA-fractie vragen of het mogelijk is binnen de bestaande wettelijke kaders voor de duale opleidingen studenten de mogelijkheid te bieden het Associate-degreeprogramma (Ad-programma) zo dicht mogelijk bij de werkplaats te volgen. Is het daarvoor nodig een wetswijziging te introduceren of is het mogelijk dat nader te regelen in de beleidsregel doelmatigheid?

Binnen de bestaande wettelijke kaders kunnen studenten van duale opleidingen al een Ad-programma zo dicht mogelijk bij de werkplaats volgen. Daarvoor is geen wetswijziging nodig. Het was al langere tijd mogelijk een beperkt deel van een opleiding op de werkplaats te (laten) verzorgen. Voor kleinschalige activiteiten, zoals praktijkoefeningen, stages, afstudeeropdrachten en enkele vakken was geen goedkeuring nodig. De nieuwe beleidsregel doelmatigheid van juli 2006 brengt een verruiming van de mogelijkheden om het onderwijs op de werkplaats te verzorgen. Ad-programma’s van bekostigde hogescholen kunnen daarvan profiteren in twee situaties.

1. Voor alle bacheloropleidingen geldt dat voor een onderwijsonderdeel met een omvang van minder dan 60 studiepunten van een bacheloropleiding zijn er geen beperkingen wat betreft de plaats waar de opleiding wordt aangeboden. Als dat deel van het onderwijs aan een Ad-programma is toe te rekenen, mag dat ook op de werkplaats worden gegeven.

2. Voor een duale hbo-bacheloropleiding geldt bovendien dat als het onderwijsdeel een omvang van minder dan 60 studiepunten heeft, er voor de hele opleiding geen toestemming nodig is om deze op de werkplaats te verzorgen. Voor het beroepsuitoefeningsdeel van zo’n opleiding is er al «vrijheid van vestiging». Als die duale opleiding met deze kenmerken een Ad-programma heeft, kan de hogeschool dit Ad-programma ook op de werkplaats verzorgen.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat een dergelijk programma altijd onderdeel moet zijn van een bacheloropleiding.

Voor aangewezen (niet-bekostigde) hogescholen zijn er helemaal geen beperkingen wat betreft de plaats waar opleidingen worden aangeboden en dus ook niet voor het daartoe behorende Ad-programma.

De tot nu toe goedgekeurde pilots met Ad-programma’s worden overigens in allerlei varianten aangeboden. Sommige hogescholen bieden het programma alleen voltijds aan, andere hogescholen in deeltijd of duaal. Ook zijn er Ad-programma’s die in verschillende varianten kunnen worden gevolgd.

6. Voor de bekostiging mee te tellen studenten

De leden van de CDA-fractie willen graag weten welke consequenties het introduceren van het woonlandbeginsel met terugwerkende kracht heeft.

Deze wijziging is ingegeven door de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak tussen de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zoals in de toelichting op de bij deze nota naar aanleiding van het verslag behorende nota van wijziging is verwoord, wordt met deze wijziging vooruitgelopen op de WFHO door de grensstreken aan te duiden. Tegelijkertijd is het een nadere specificatie van het woonplaatsvereiste dat geregeld is in het wetsvoorstel «korte klap» dat in augustus 2004 in werking is getreden (Stb. 2004, 177). Daarmee is als eis voor het meetellen voor de bekostiging geïntroduceerd dat een student onderwijs in Nederland moet volgen en de instelling zijn naam, adres- en woonplaatsgegevens moet verifiëren alvorens deze te laten registreren in het Centraal register inschrijvingen in het hoger onderwijs (Criho). Ook met die wijziging werd al beoogd de kring van buitenlandse voor de bekostiging mee te tellen studenten tot de grensstreken te beperken. Dat werd ook in de toelichting op dat wetsvoorstel al gemeld. Aangenomen wordt dat de instellingen daarnaar hebben gehandeld en studenten die buiten de bedoelde gebieden wonen, niet voor de bekostiging meetellen. Omdat het gewenst is de wijziging in de Spoedwet zo spoedig mogelijk, dus met ingang van het studiejaar 2006–2007, in werking te laten treden zal dat met terugwerkende kracht gebeuren. Met de inwerkingtreding op zo kort mogelijke termijn worden situaties zoals zich voordeden in de casus CHN voorkomen. De instellingen zijn hierover bij brief van 13 september 2006 geïnformeerd. Zij hebben dus al rekening kunnen houden met deze wijziging bij de telling op de peildatum 1 oktober 2006.

De leden van de CDA-fractie vragen wat betekent dit voor gecreëerde verwachtingen bij bestaande opleidingen? Is het wel juridisch houdbaar met terugwerkende kracht toe te passen, zo vragen deze leden.

De instellingen weten sedert de inwerkingtreding van het wetsvoorstel «korte klap» in 2004 dat alleen buitenlandse studenten die onderwijs in Nederland volgen en in een grensstreek wonen, meetellen voor de bekostiging. Alleen als instellingen verkeerde opgaven hebben gedaan en dus voor te veel studenten bekostiging hebben geclaimd, zullen zij de gevolgen van deze wijziging merken.

In antwoord op deze vragen merk ik tevens het volgende op. In het algemeen dient met het verlenen van terugwerkende kracht aan nieuwe regelgeving terughoudendheid te worden betracht. Alleen als een bijzondere reden bestaat, kan tot het invoeren met terugwerkende kracht worden overgegaan. Daarbij vormen het vertrouwensbeginsel, de redelijkheid en billijkheid, de rechtszekerheid en het «verrassingseffect» punten van overweging. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat nieuwe regelgeving die belastende effecten heeft, niet met terugwerkende kracht kan worden ingevoerd. Evenmin is het mogelijk om feiten met terugwerkende kracht strafbaar te stellen; dat zou een aantasting van de rechtszekerheid van de burger zijn. Een reden om wel terugwerkende kracht toe te kennen kan erin zijn gelegen te voorkómen dat burgers maatregelen treffen waardoor de regeling haar beoogde effect ontbeert of zelfs een tegenovergesteld effect krijgt. De terugwerkende kracht kan dan gaan tot de datum waarop betrokken burgers redelijkerwijs op de hoogte konden zijn van de nieuwe regelgeving. In het onderhavige geval wordt aan de desbetreffende wijzigingen van de WHW in verband met het doen meetellen van buitenlandse studenten terugwerkende kracht verleend tot en met het moment waarop de ministerraad daarmee heeft ingestemd en er in de media ruime aandacht aan is geschonken. Van de betrokken burgers en in casu de instellingen voor hoger onderwijs mag worden verwacht dat zij vanaf dat moment (18 augustus 2006) redelijkerwijs op de hoogte zijn en zich er reeds naar gedragen. Hiervoor is er al op gewezen dat de instellingen hierop bij brief van 13 september 2006 ten overvloede nog eens expliciet zijn gewezen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de Spoedwet voor de leerrechten het woonlandbeginsel wordt geformuleerd. Consequentie is dat bijvoorbeeld zo’n 500 Open Universiteitsstudenten niet zullen voldoen aan het nationaliteits- en woonplaatsvereiste en daardoor geen aanspraak kunnen maken op leerrechten. Kan de regering toelichten waarom zij dit niettemin ziet als een gepaste ingreep om fraude te bestrijden?

De Open Universiteit heeft zich uitgesproken tegen de bepaling in het wetsvoorstel over het woonplaatsvereiste: indien studenten in het hoger onderwijs, inclusief die bij de Open Universiteit, niet woonachtig zijn in Nederland, Bremen, Nedersaksen, Noord-Rijnland-Westfalen of België tellen zij niet mee voor de bekostiging. Gelet op de gerichtheid van de Open Universiteit op afstandsonderwijs acht zij deze geografische inperking niet opportuun en bepleit deze instelling dat het onderwijs aan alle OU-studenten met de Nederlandse nationaliteit van overheidswege wordt gefinancierd, ongeacht hun woonplaats. Volgens de door de Open Universiteit aangereikte cijfers studeren per 31 augustus 2006 570 studenten aan de Open Universiteit die buiten de genoemde gebieden wonen, waarvan 501 met de Nederlandse nationaliteit.

Een uitzonderingspositie voor de Open Universiteit zou, nog los van ongelijke verhoudingen met andere instellingen voor hoger onderwijs, impliceren dat de Nederlandse overheid zich verantwoordelijk zou weten voor financiering van het bij de Open Universiteit gevolgde onderwijs van alle personen met een nationaliteit van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. Als gevolg van het EU-recht mag er immers geen onderscheid gemaakt worden op grond van nationaliteit. Daarom is het woonplaatsvereiste essentieel.

Vervolgens laat zich de vraag stellen wat dit betekent voor een student die nu woonachtig is buiten de genoemde gebieden en of er sprake is van een korting op de rijksbijdrage die de Open Universiteit ontvangt. Zoals de Open Universiteit bekend is, zal het bedrag dat nu verstrekt wordt voor het verzorgen van onderwijs aan de 570 studenten die niet in het relevante gebied wonen maar wel aan het nationaliteitsvereiste voldoen, inbegrepen blijven in de overigens relatief forse onderwijsopslag van deze instelling. Van een bezuiniging is dan ook geen sprake. Met dit bedrag is de Open Universiteit in de gelegenheid naar eigen inzicht gemotiveerd te differentiëren in het vast te stellen instellingscursusgeld OU. Daardoor is geborgd dat de huidige deelnemers zich niet met een verhoging in de prijs voor het volgen van onderwijs geconfronteerd hoeven te zien. Ik ga er gelet op de opstelling van de Open Universiteit vanuit dat zij haar verantwoordelijkheid in deze zal nemen.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat met de Spoedwet geen recht wordt gedaan aan de afhandeling van het dossier Schutte.

Het dossier Rekenschap heeft geleid tot verschillende acties, waaronder het installeren van de commissie Schutte en de wijziging van artikel 2.6 van de WHW wat betreft het voor de bekostiging mee te tellen aantallen studenten via het wetsvoorstel «korte klap». In het Algemeen Overleg van 4 oktober 2006 is onder meer gesproken over de afhandeling van het Rekenschapsdossier. Met de Kamer ben ik van mening dat dit dossier zo snel mogelijk dient te zijn afgerond, maar dit dient ook zorgvuldig te geschieden in de richting van alle betrokkenen. De verdere afhandeling van het dossier kan nopen tot nadere acties. Dat kan eventueel ook een aanpassing van wet- en regelgeving betreffen, zoals in het onderhavige geval.

De leden van de SP-fractie vragen ook hoe de instellingen geacht worden met terugwerkende kracht het woonlandprincipe in te voeren.

In het Criho worden door de Informatie Beheer Groep voor elke student naast andere gegevens ook het adres en de woonplaats geregistreerd. Op basis van deze gegevens is het geen enkel probleem om bij de vaststelling van de rijksbijdrage rekening te houden met het woonland van de student. De instellingen hoeven daar in beginsel geen nadere informatie voor te verstrekken.

Deze leden willen verder weten wat de regering doet om problemen te voorkomen voor studenten aan de Open Universiteit die in het buitenland studeren.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op dezelfde vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering eveneens nader in te gaan op de gevolgen van beperking van de bekostiging van in het buitenland wonende studenten, in het bijzonder voor de Open Universiteit en hoger-onderwijsinstellingen in de grensstreken.

Ook voor mijn antwoord verwijs ik naar het antwoord op de eerdere vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de SGP-fractie vragen of het juist is dat sommige instellingen door het introduceren van het woonlandcriterium te maken krijgen met aanzienlijke financiële consequenties en willen weten hoe daarmee wordt omgegaan.

Bij de beantwoording van deze vraag onderscheid ik drie soorten instellingen, te weten:

• instellingen in het algemeen,

• instellingen in de grensstreek en

• de Open Universiteit.

Op de situatie van instellingen die niet in de grensstreek zijn gevestigd, verwijs ik naar de beantwoording van de vraag ter zake van de leden van de CDA-fractie. Op de consequenties voor de instellingen in de grensstreek en de Open Universiteit, ben ik mijn beantwoording van de vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie al ingegaan.

7. Effecten van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie horen graag meer over de mogelijke knelpunten in de in-en uitschrijfproblematiek van studenten. Graag horen zij ook van de regering welke afspraken instellingen met studenten met leerrechten mogen maken over het in- en uitschrijfgedrag. Tevens willen zij graag weten of het noodzakelijk is hierover nadere regels in de wet op te nemen.

Onderdeel van de systematiek van de WFHO is dat de student zich niet elk studiejaar opnieuw inschrijft, maar ingeschreven is tot het moment van uitschrijving. Indien een student zich onverhoopt tussentijds uitschrijft, ontvangt hij voor de resterende maanden, uitgezonderd de maanden juli en augustus, de niet-benutte leerrechten en het daarmee samenhangende collegegeld terug.

De VSNU en de HBO-raad menen dat vanwege deze laatste bepaling, opgenomen in het wetsvoorstel WFHO na amendering door de Tweede Kamer, sprake is van vergroting van administratieve lasten en misbruik en oneigenlijk gebruik. Ik deel dat beeld niet. Het is niet realistisch te verwachten dat grote groepen studenten vanwege de introductie van leerrechten «van maand tot maand» van studie veranderen. Onderzoeken naar studiekeuzemotivatie en studentenmobiliteit geven daarvoor geen indicatie.

In de onderwijs- en examenregeling wordt door elke instelling op haar eigen wijze structuur aan het onderwijsaanbod gegeven en een binding met de student gecreëerd. In de onderwijs- en examenregeling wordt aangegeven hoe het onderwijsaanbod vorm krijgt en daarmee ook welke natuurlijke instroom- en uitstroommomenten er bij een opleiding zijn (naast het begin en einde). De inschrijving geschiedt volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard, aldus artikel 7.33, eerste lid, van de WHW. In dat kader is het ook mogelijk om beperkingen te stellen aan instroom gedurende het studiejaar. Daarbij ga ik er vanuit dat instellingen zich ook ten opzichte van elkaar verantwoordelijk zullen opstellen. Ik wijs erop dat studenten in de systematiek van studiefinanciering ook een aanleiding kunnen zien zich uit te schrijven (om maanden prestatiebeurs op te sparen en/of de schuld te beperken); de ervaring leert dat van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt. Al met al acht ik de door de koepels genoemde onbedoelde effecten van de keuze voor tussentijdse uitschrijving niet aannemelijk, immers:

a. de student krijgt bij tussentijdse uitschrijving maar een deel van de niet-benutte leerrechten terug, namelijk voor twee maanden minder dan is ingezet,

b. de student heeft bij uitschrijving geen aanspraak op studiefinanciering en de OV-studentenkaart,

c. de student weet zich via de onderwijs- en examenregeling gebonden aan een opleiding en kan bijvoorbeeld zijn stage niet laten meetellen bij het afstuderen wanneer hij niet ingeschreven staat.

In dit perspectief heeft mijn ambtsvoorganger, onverlet enige verwoorde reserve, het amendement van de leden Joldersma en Tichelaar niet ontraden. Ik ga er vanuit dat de administratieve lasten en handelingen bij instellingen vanwege de invoering van leerrechten niet zullen toenemen.

Als gezegd, is het aan de instellingen om te bepalen wanneer inschrijving bij een opleiding (bij aanvang of gedurende het opleidingstraject) in de rede ligt en dat ook aan de studenten helder te maken. De regering acht het niet mogelijk en niet wenselijk om in de wet een nadere bepaling op te nemen waarmee het studenten wordt verboden om hen moverende redenen de inschrijving te beëindigen. Echter, gelet op de bepaling in het wetsvoorstel WFHO dat een student zich inschrijft bij een opleiding tot hij zich uitschrijft in plaats van inschrijving per studiejaar, gaat de regering er vanuit dat de student zich ook wel bewust is van het gevolg van deze keuze. Hij kiest voor deelname aan een kennisgemeenschap waarvan hij geacht wordt serieus deelgenoot te zijn om hoger onderwijs te volgen en dat in al haar facetten. Inschrijving bij een opleiding impliceert voor de regering meer dan inschrijving voor enkel een heel jaar of zelfs enkele maanden. Vanuit dit perspectief is het heel wel denkbaar dat de regering een gesprek tussen de koepels en studentenorganisaties ondersteunt over de wederzijdse binding van instellingen en studenten, en de rechten en plichten die van een inschrijving uitgaan.

De leden van de SP-fractie vragen of er bij de spoedwet een vermeerdering of een vermindering van regelgeving ten opzichte van de huidige WHW is.

In de door de nota van wijziging aangepaste spoedwet is sprake van zowel het vervallen en wijzigen van bestaande bepalingen van de WHW als van een aanvulling met enkele nieuwe artikelen. Per saldo is sprake van een toename. Die wordt met name veroorzaakt door de voorgestelde bepalingen ter versterking van de positie van de student, naar aanleiding van de motie Tichelaar/Bakker(rechtsbescherming, informatieverstrekking aan studenten en aanstaande studenten en de positie van studenten in de medezeggenschapsraad) en die het verplicht instellen van een Raad van Toezicht betreffen. Nieuw zijn ook de bepalingen over het Associate Degree-programma. De verwerking van de «CHN-uitspraak» leidt niet tot nieuwe maar tot gewijzigde, aangescherpte regelgeving.

Is sprake van een vergroting van de kwantitatieve en kwalitatieve regeldruk met betrekking tot de kwaliteitszorg voor het onderwijs? Vraagt vraagsturing door de student om verbetering van de kwaliteitszorg? Vraagt vraagsturing tevens om meer inzet op een transparante verantwoording van de interne kwaliteitszorg dan onder de WHW het geval is, zo willen de leden van de SP-fractie weten.

In de onderhavige Spoedwet zijn geen wijzigingen opgenomen die direct betrekking hebben op de kwaliteitszorg. De desbetreffende artikelen van de WHW blijven ongewijzigd. Er is derhalve geen sprake van een vergroting van de kwantitatieve en kwalitatieve regeldruk.

8. Overig

De leden van voornoemde fractie verzoeken de regering maatregelen te nemen om de ondersteuning en faciliteiten voor chronisch zieke en gehandicapte studenten te verbeteren. Zij verkrijgen graag een reactie op dit punt.

De regering stelt vast dat in het onderhavige wetsvoorstel geen wijzigingen worden voorgesteld met betrekking tot dit onderwerp. Voor studenten verandert de situatie op punt dan ook niet.

Studenten met een chronische ziekte of een functiebeperking kunnen in de eerste plaats een beroep doen op een jaar extra studiefinanciering die kan worden omgezet in een gift. Net als andere studenten kan daarna tot de leeftijd van 30 jaar nog 3 jaren een lening worden afgesloten. Er zijn bij de IB-Groep geen signalen dat de duur van de extra studiefinanciering in het algemeen tot problemen leidt. Daarnaast kan de student een beroep doen op het afstudeerfonds. Een uitkering door een instelling uit het afstudeerfonds moet de student in staat stellen zijn studie af te ronden. De hoogte ervan is niet vastgelegd, noch de omstandigheden waaronder de bijdrage kan starten: dat valt onder de bevoegdheid van de instelling. In de WFHO is opgenomen het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad op het profileringfonds (met uitzondering van de omvang hiervan). Voor wat betreft het instellingscollegegeld merk ik op dat dit na afloop van de reguliere studieduur nog 3 jaar is gemaximeerd. Dit geheel overziende meen ik dat een student met een functiebeperking nu en in de toekomst redelijkerwijs in staat wordt gesteld zijn studie af te ronden.

Instellingen voor hoger onderwijs moeten conform de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, indien nodig aanpassingen in het onderwijs aanbrengen om de betrokken studenten in staat te stellen een opleiding te volgen, tenzij deze aanpassingen een onevenredige belasting voor de instelling vormen. De HO-instellingen hebben de gelegenheid gekregen om voor 2006–2009 subsidie aan te vragen om zich daarvoor beter toe te rusten. Afspraken tussen student en instelling over aanpassingen maken deel uit van de rechten en plichten van instellingen en studenten onderling waarover een zou geschil kunnen ontstaan. Een dergelijk geschil – bijvoorbeeld ten aanzien van het tijdig scannen van studiemateriaal – kan via de interne geschillenprocedure worden aangekaart en kan ook vergezeld gaan van een verzoek om schadevergoeding bij geleden materiële schade.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

B. J. Bruins


XNoot
1

Instemmingsrecht profileringsfonds en adviesrecht instellingscollegegeld zijn reeds bij WFHO vastgelegd.

Naar boven