30 832
Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer versterking van de rechtspositie van de student en de verplichte instelling van de raad van toezicht en verbetering van zijn bevoegdheden (rechtspositie studenten en raden van toezicht)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 19 oktober 2006

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave 
   
1.Doel2
 Uitwerking Motie-Tichelaar/Bakker2
 Reikwijdte4
 Draagvlak5
   
2.De student in positie7
 Grenzen aan vraagsturing7
 Positie student versterken7
2.1Transparante informatie over het hoger onderwijs8
2.2Rechtsbescherming studenten8
 Behandeling van klachten en geschillen9
2.3Zorgplicht medezeggenschap9
   
3.Raden van toezicht12
   
4.Overige onderwerpen uit de WHOO13
 Accreditatie13
 Associate-degreeprogramma14
   
5.Voor de bekostiging mee te tellen studenten14
   
6.Effecten van het wetsvoorstel15
   
7.Overig15
 Chronisch zieke studenten15

1. Doel

Uitwerking motie-Tichelaar/Bakker

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende spoedwet over de rechtspositie studenten en raden van toezicht. Zij vinden dat de behandeling van de spoedwet los moet worden gezien van de invoeringsdatum van leerrechten. Zij constateren dat de kritiek van de Raad van State zich voornamelijk toespitst op het spoedeisende karakter van de wet. Met name lijkt de Raad van State zich af te vragen of het wel noodzakelijk is de genoemde punten in de door deze Kamer aangenomen motie-Tichelaar/Bakker (Kamerstuk 30 387, nr. 42) te regelen voordat de leerrechten worden ingevoerd. Deze leden hebben deze motie gesteund en vinden het dan ook wenselijk de spoedwet met spoed te behandelen.

De leden merken voorts op dat artikelen in het wetsvoorstel rond «transparantie studiekeuze informatie; sterke rechtspositie van de individuele student, sterkere stem studenten in de medezeggenschapsraad en verplichte instelling/verbetering bevoegdheden van een raad van toezicht» zijn gelicht uit het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHOO, kamerstuk 30 588) waarvoor deze Kamer al een schriftelijke inbreng heeft geleverd. Graag vernemen de leden van de regering nog eens precies in hoeverre de wetsartikelen hierover in deze spoedwet overeenkomen met de wetsartikelen hierover in de nieuwe WHOO en waar de verschillen liggen. Het moet bij de uitvoering van de motie gaan om die elementen die noodzakelijk zijn voor de invoering van leerrechten en een spoedeisend karakter hebben. De leden van deze fractie vinden de zorgplicht rond de organisatie van de medezeggenschap niet spoedeisend en ook niet noodzakelijk voor de invoering van leerrechten.

De leden van de PvdA-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden constateren dat de regering de uitvoering van de motie Tichelaar/Bakker heeft aangegrepen om een soort verzamel-algemeen overleg in de wet vast te leggen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling, maar ook enige zorg, kennisgenomen van de voorliggende spoedwet. De leden constateren dat het wetsvoorstel een uitwerking is van de motie-Tichelaar/Bakker waarin de regering wordt verzocht een aantal bepalingen in de huidige Wet hoger onderwijs en wetenschap (WHW) te wijzigen of op te nemen om de rechtspositie van studenten te versterken, de medezeggenschap te versterken en de bevoegdheden van de raad van toezicht te verbeteren, vóór het leerrechtengedeelte van de nieuwe wetgeving met betrekking tot de bekostiging van de instellingen in werking zal treden. De motie werd ingediend bij de behandeling van de zogenaamde «leerrechtenwet» en legde een relatie tussen de wettelijk geregelde financiering van de hoger onderwijsinstellingen en de wettelijk geregelde organisatie van het hoger onderwijs. Aangezien het in de bedoeling lag van de regering de nieuwe financiering per september 2007 in te laten gaan, maar niet zeker was of de complementaire veranderingen in het stelsel ook op tijd zou zijn behandeld, drong de motie aan om eventueel via een spoedwet de transparantie van de studiekeuze-informatie, een sterke rechtspositie van de individuele student, een sterkere stem voor de studenten in de medezeggenschapsraad en de verplichte instelling en verbetering van de bevoegdheden van een raad van toezicht alvast wettelijk te regelen. Deze leden hebben die motie gesteund, omdat ook zij het van groot belang achten dat aan genoemde randvoorwaarden is voldaan om de invoering van de leerrechtensystematiek tot een succes te maken. De leden van deze fractie herinneren ook aan de motie-Kraneveldt (Kamerstuk 29 200 VIII, nr. 64) uit 2003 die verzocht financiering van de instellingen, studiefinanciering voor studenten en het stelsel zo veel mogelijk parallel te behandelen. Het ging inzake de spoedwet, naar inzicht van deze leden, daarom om een beperkt aantal aanpassingen van de huidige wetgeving teneinde de nieuwe bekostiging mogelijk te maken per september 2007. De spoedwet die voorligt, voldoet niet geheel aan die verwachting, wat een deel van de hierboven genoemde «zorg» verklaart.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de spoedwet. Zij hebben ernstige twijfels bij nut en noodzaak van dit wetsvoorstel. De leden van deze fractie vinden het uiterst onzorgvuldig om deze wet in korte tijd door de Kamer te loodsen. De wet is bedoeld om de leerrechten per volgend studiejaar in gang te kunnen zetten. De leden vragen waarom de regering er niet voor kiest om invoering van de leerrechten met minstens één jaar uit te stellen. Deelt de regering de bezorgdheid van deze leden over mogelijk noodzakelijke reparatiewetgeving van de WHOO, indien de spoedwet afzonderlijk van de gehele WHOO behandeld wordt? Kan de regering haar mening toelichten, zo vragen de leden.

De leden van de D66-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de spoedwet over onder andere de rechtspositie van studenten en raden van toezicht. De verbazing van deze leden schuilt vooral in het feit dat de spoedwet de medezeggenschap verzwakt in plaats van versterkt, terwijl de regering juist beweert met de spoedwet uitvoering te geven aan de motie-Tichelaar/Bakker. Heeft de regering de intentie van de motie soms niet begrepen, willen deze leden weten. Is de motie voldoende onder de aandacht gebracht bij de dossieroverdracht aan de nieuwe staatssecretaris, zo vragen de leden. Deze leden merken ter informatie aan de regering op dat het gaat om de motie-Tichelaar/Bakker met Kamerstuknummer 30 387, nr. 42. In de betreffende motie wordt de regering verzocht de Wet financiering hoger onderwijs (WFHO) wat het leerrechtengedeelte betreft niet in werking te laten treden indien de WHOO op een later tijdstip dan 1 september 2007 in werking treedt of een wijziging van de WHW door te voeren met betrekking tot transparantie van studiekeuze-informatie; een sterkere rechtspositie van de individuele student; een sterkere stem voor de studenten in de medezeggenschapsraad; verplichte instelling en verbetering bevoegdheden van een raad van toezicht. De bedoeling van de motie is dus niet om de medezeggenschap uit te kleden en de studenten monddood te maken, zoals de regering ten onrechte lijkt te denken. Naar de mening van deze leden heeft de regering broddelwerk afgeleverd en zou het niet verantwoord zijn het wetsvoorstel in ongewijzigde vorm goed te keuren.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met weinig enthousiasme kennisgenomen van de spoedwetswijziging van de WHW. De leden hechten er aan op te merken dat zij het betreuren dat de regering in eerste instantie heeft gekozen voor een gefaseerd wetgevingstraject, waarbij eerst de WHW werd aangepast om een snelle invoering van het leerrechtensysteem mogelijk te maken en vervolgens een voorstel voor een nieuwe WHOO werd ingediend. Deze keuze heeft naar de mening van deze leden geleid tot de rommelige en onduidelijke procedure, die weinig meer weg heeft van het zorgdragen voor zorgvuldige wetgeving. De leden steunden het wetsvoorstel ter invoering van de leerrechten niet, maar nu dit wetsvoorstel is aangenomen moet een aantal onderwerpen voorwaardelijk voor de invoering van de leerrechten alsnog bij spoedwet worden geregeld. Al vragen zij zich daarbij wel af of de invoering per 1 september 2007 nog wel mogelijk is, nu verschillende onderdelen uit voorliggend wetsvoorstel al in het voorjaar van 2007 moeten worden uitgevoerd om nog enig nut te hebben voor de invoering van het leerrechtensysteem per 1 september 2007. Op grond waarvan denkt de regering dat tijdige invoering nog mogelijk is, terwijl VSNU, HBO-raad, de studentenorganisaties en de vakbonden aangeven dat dit niet meer kan, zo vragen de leden.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij stellen vast dat wordt beoogd om tegemoet te komen aan de door de Kamer aanvaarde motie-Tichelaar/Bakker, die uitstel of aanvullende maatregelen vraagt voor het geval de WHOO niet evenals het wetsvoorstel waarin de leerrechten worden geregeld per 1 september 2007 in werking kan treden. Die situatie doet zich voor als gevolg van de val van het kabinet Balkenende-II. Om nog tot aanvullende maatregelen te kunnen komen, is haast geboden. De regering heeft daar blijkens de voorliggende spoedwet voor gekozen. Kan de regering nader aangeven waarom niet is gekozen voor de in de motie gesuggereerde optie van uitstel? Het gebruiken van het instrument van een spoedwet vraagt naar het oordeel van de leden een extra rechtvaardiging. Welk grote belang is gediend met het onderhavige wetsvoorstel en welke onoverkomelijke problemen zullen zich voordoen als het wetsvoorstel dat de leerrechten regelt bijvoorbeeld een jaar later dan voorzien in werking kan treden, zo vragen deze leden.

Reikwijdte

De leden van de CDA-fractie hebben vraagtekens over de andere zaken die in deze spoedwet zijn meegenomen. De leden hebben met name moeite met de herstelperiode accreditatie, de zorgplicht voor de organisatie van de medezeggenschap, de keuzevrijheid inzake het medezeggenschapsmodel, en de universitaire lerarenopleidingen. Zij verzoeken de regering deze zaken uit de spoedwet te lichten en daarover een apart wetsvoorstel aan de Kamer voor te leggen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de spoedwet andere onderwerpen zijn opgenomen dan voorstellen aangaande zeggenschap in relatie tot de invoering van de leerrechten. Deze verdienen een aparte discussie, vinden deze leden.

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen bij de spoedwet. Naast genoemde onderwerpen waarvoor de Kamer het nodig achtte de regering te verzoeken over te gaan tot spoedwetgeving, is een aantal andere onderwerpen uit de recent bij de Kamer ingediende WHOO aan de orde in de spoedwet. De spoedwet preludeert vanzelfsprekend op de WHOO (is daar onderdeel van), maar naar het oordeel van deze leden behoren de onderwerpen associate degree, de positie van de lerarenopleidingen en accreditatie geen onderdeel van de spoedwet te zijn. Deze onderwerpen dienen aan bod te komen bij de behandeling van de WHOO.

Ook bij de invoering van de zorgplicht voor de medezeggenschap kunnen om vergelijkbare redenen vraagtekens worden geplaatst. De zorgplicht is immers een instrument dat past in de besturingsfilosofie van de WHOO, maar is nooit onderdeel is geweest van de inhoud en strekking van de (huidige) WHW. Deze leden vragen of de regering van mening is dat dit thema conceptueel en praktisch voldoende is uitgewerkt om nu reeds bij spoedwet in te voeren. Naar inzicht van de bovengenoemde leden kan de spoedwet volstaan met enkele aanpassingen van de medezeggenschapsregeling in de WHW. Deze leden willen de spoedwet beperkt zien tot de absoluut noodzakelijke wijzigingen van de WHW om de invoering van de leerrechtensystematiek per 1 september 2007 mogelijk te maken, waarbij vooral de rechtspositie en informatievoorziening van de student voldoende wordt gewaarborgd. Dat betekent dat het in de wet opnemen van de elementen waar in de motie-Tichelaar/Bakker om werd gevraagd, volstaat. Zij verzoeken de regering zich in de wetgeving te beperken tot de noodzakelijke wijzigingen om de invoering van leerrechtenbekostiging per 2007 mogelijk te maken. Daarbij maken de leden van deze fractie één uitzondering, en wel voor het element waarin wordt bepaald welke studenten meetellen voor de bekostiging. Zij beschouwen dit element, evenals de Raad van State, als een onderwerp dat met urgentie behandeld moet worden. Dit om verkeerd gebruik van publiek geld en«Schutte-achtige» toestanden te voorkomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het wetsvoorstel verder gaat dan hetgeen op grond van motie Tichelaar/Bakker van de regering werd gevraagd. In deze motie werd alleen verzocht de wijzigingen door te voeren met betrekking tot transparantie van studiekeuze-informatie, een sterke rechtspositie van de individuele student, een sterkere stem voor de studenten in de medezeggenschapsraad en verplichte instelling en verbetering van de bevoegdheden van een raad van toezicht. De leden van deze fractie constateren dat de regering er met voorliggend voorstel voor heeft gekozen om niet alleen uitvoering te geven aan de motie, maar ook op een wijze waardoor een belangrijk voorschot wordt genomen op de veel globalere wetgeving in de WHOO. Met als gevolg dat de WHW op twee gedachten hinkt. Dit manifesteert zich met name op het punt van de zorgplicht voor de medezeggenschap van studenten, een algemeen geformuleerde informatieplicht en de wijze van instelling en bevoegdheden van de raad van toezicht. De leden van deze fractie vinden dit onwenselijk. Zij vragen de regering dan ook nader te onderbouwen waarom er niet voor is gekozen om de motie Tichelaar/Bakker op basis van de systematiek van de WHW uit te voeren, maar een voorschot te nemen op de WHOO door allerlei onderwerpen vergaand te regelen, conform de systematiek van die wet.

De leden merken voorts op dat voor andere onderdelen niet goed in te zien waarom deze bij dit wetsvoorstel moeten worden geregeld, zoals de regelingen voor het associate-degreeprogramma, de universitaire lerarenopleidingen en de uitwerking van Lissabon-afspraken. De leden vragen hierop een nadere toelichting.

Draagvlak

De leden van de PvdA-fractie merken op dat betrokken onderwijsorganisaties klagen dat zij wel een mening kunnen geven over de spoedwet, maar op zo korte termijn niet in staat zijn geweest hun achterban te raadplegen. Hoe weegt de regering het draagvlak voor de onderhavige spoedwet onder deze omstandigheden? Er wordt ook beweerd dat er regelrechte fouten zijn geslopen in de wet. Erkent de regering dat hiervan sprake is? Wil hij deze dan herstellen, zonder opnieuw de Raad van State te raadplegen in verband met de consequenties in de samenhang van het gehele wetsvoorstel, zo vragen de leden van voornoemde fractie.

Naast de zorg die de leden van de VVD-fractie hebben rond de inhoud van de spoedwet, zijn zij zeer bezorgd over de wijze waarop het veld, de koepels en de instellingen omgaan met de ontwikkelingen in de wetgeving en de daarbij horende implementatie. Deze leden zijn altijd aanspreekbaar op zaken die de uitvoerbaarheid van wetgeving betreffen. Maar het komt hen nu voor alsof het veld zich niet of onvoldoende prepareert op de beoogde plannen, niet of onvoldoende preludeert op bijbehorende interne aanpassingen binnen de instellingen, en dat ondanks het feit dat het wetgevingstraject enige jaren geleden al in gang is gezet. De leden van deze fractie herinneren aan de motie-Tichelaar (Kamerstuk 29 410, nr. 4) uit 2004 die verzocht om een «stappenplan», hetgeen door de regering is toegezegd en nagekomen. Talloze overleggen, wetgevingsnotities, rondetafelgesprekken en brieven ten spijt laat het veld, bij monde van de VSNU en de HBO-raad, de Kamer recent weten absoluut niet voorbereid te zijn op relevante ontwikkelingen horend bij de nieuwe bekostiging in het leerrechtensysteem, zoals de informatievoorziening aan studenten en aanpassingen in de ICT-infrastructuur. Men zegt daar nog aan te moeten beginnen. Deze leden maken zich grote zorgen over de wijze waarop het veld zich in deze op heeft gesteld cq. zich nog altijd opstelt. Waarom zijn de voorbereidingen nog niet in volle gang of nagenoeg afgerond? Zij vragen de regering een uitvoerig chronologisch overzicht geven van het bestuurlijk overleg met het veld over het wetgevingstraject. De leden verkeren in de gedachte dat zowel over de financieringswet (over de leerrechten) als de instellingswet (WHOO) uitvoerig is overlegd en onderhandeld met het veld alvorens deze naar de Kamer zijn verzonden. Daaruit zou de conclusie mogen worden getrokken dat daarmee voldoende tijd is gecreëerd voor de instellingen om zich te prepareren om de noodzakelijke veranderingen. Deze leden vragen de regering om een reactie hierop.

De leden van de SP-fractie verwijzen in hun reactie naar de forse kritiek van de Landelijke Studenten vakbond (LSvb) op deze spoedwet. De studentenbond meent dat de regering totaal voorbij gaat aan het feit dat deze spoedwet de kaders voor de leerrechten zou moeten regelen. De spoedwet wordt gebruikt om allerlei omstreden principes rond «governance» er doorheen te drukken. Dat is nooit de bedoeling geweest van de spoedwet. De leden van deze fractie vragen hierover het oordeel van de regering.

Vervolgens verwijzen de leden van voornoemde fractie naar de reactie van de HBO-raad. De HBO-Raad constateert dat de spoedwet een aantal implicaties in zich draagt, zonder dat daarover een goed debat gevoerd kan worden. De leden vragen met de HBO-raad of de spoedwet leidt tot fricties, omdat de gewijzigde WHW daarmee op twee sturingsprincipes wordt gebaseerd: de traditionele rol en de nieuwe autonome rol. Wat voor gevolgen heeft dit voor de omgang met het onderwijs- en examenreglement? Volgens de HBO-Raad leidt dit tot bestuurlijke drukte en is het halfslachtig. De leden vragen met de HBO-Raad of de regering het eens is dat alle noodzakelijke regelingen en voorzieningen op 1 april 2007 operationeel zijn, omdat studenten dan al beginnen met inschrijven. Ook het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) heeft veel kritiek op de spoedwet. Volgens hen frustreren electorale belangen een zorgvuldige en inhoudelijke behandeling. Deze bond meent dat de zorgplicht de positie van de medezeggenschap verzwakt. De leden vragen wat de regering vindt van deze kritiek.

Tot slot vragen de leden van deze fractie wat het oordeel van de regering is over het minimale draagvlak dat er bestaat voor de spoedwet in het veld. Zij constateren dat de koepels en de studentenbonden tegen de voorliggende spoedwet zijn. Is het verstandig om een wet in te voeren die niet wordt gedragen door de mensen die nauw betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet, zo vragen de leden.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het uitvoeren van de motie-Tichelaar/Bakker door de zich voordoende omstandigheden een haastklus is geworden. Zij vinden dat onwenselijk. Zij vrezen dat de noodzakelijke zorgvuldigheid daardoor niet in alle opzichten voldoende wordt gewaarborgd. Daarbij stellen zij vast dat er zowel onder studenten en werknemers, als bij de instellingen grote vragen leven over de wenselijkheid van de voorliggende spoedwet. Kan de regering ingaan op het draagvlak van deze wet en het belang dat zij daaraan hecht? Overigens merken de aan het woord zijnde leden op dat zij niet voor het Wetsvoorstel Financiering in het hoger onderwijs (Kamerstuk 30 387) hebben gestemd. Alleen al om die reden hebben zij geen behoefte om door middel van de voorliggende spoedwet de introductie van leerrechten te bespoedigen.

2. De student in positie

Grenzen aan vraagsturing

De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de introductie van leerrechten met de daaraan gekoppelde vraagsturing te combineren valt met de gehandhaafde onderdelen van de WHW die de eindverantwoordelijkheid voor de opleiding legt bij de instellingsbesturen. Met name vragen zij de regering in te gaan op de verhouding tussen de door de instellingen vast te stellen onderwijs- en examenregeling als bedoeld in de artikelen 7.13 en 7.14 van de WHW en de juridische verantwoordelijkheden van de instellingen en rechten van de studenten die voortvloeien uit leerrechten. De regering onderschrijft – evenals de leden van deze fractie – dat er waarborgen nodig zijn voor de positie van de professional. Behoort hierbij ook het waarborgen van bevoegdheidsniveaus? Wat vindt de regering van het gegeven, dat er voor de Tweede Fase in havo/vwo wel bevoegdheidseisen gelden, maar niet voor docenten in het hoger onderwijs? Is het volgens de regering wettelijk toegestaan dat studenten in het hbo onderwijs kunnen krijgen van een afgestudeerde hbo-er zonder relevante werkervaring? Is dit wenselijk en zo niet, vindt de regering het nodig om minimumeisen te stellen aan bevoegdheden van hbo-docenten ter wille van het recht van de student op goed onderwijs? Hoort bij de bevoegdheid van docenten wo en hbo tevens een didactische vaardigheid en dient dat wettelijk geborgd te worden, zo willen de leden van deze fractie weten.

Positie student versterken

De leden van de CDA-fractie verwijzen in hun reactie naar de opmerkingen van de Raad van State over de versterking van de positie van de student. Graag nodigen zij de regering uit aan te geven waar nu precies de positie van de student in de medezeggenschap wordt versterkt. Zij missen in het wetsvoorstel de positie die de student heeft bij het profileringsfonds, het instellingscollegegeld, de studiebegeleiding en bij fusies. Graag ontvangen zij hier een nadere toelichting op en horen graag van de regering of het nodig is die positie nader te regelen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten waarom bij de invoering van leerrechten de versterking van de positie van de student noodzakelijk is. Kan de regering toelichten in hoeverre de instellingen met de invoering van leerrechten in vergelijking met de WHW meer ruimte krijgen om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten, waardoor de student een zwakkere positie krijgt? Acht de regering het, evenals de aan het woord zijnde leden, wenselijk dat de student gezien wordt als een lid van de universiteitsrespectievelijk hogeschoolgemeenschap en dat alle hoedanigheden, zoals die van benutter van medezeggenschapsmogelijkheden, gebruiker van consumentenfaciliteiten, toepasser van klachtenrecht, daarvan zijn afgeleid en in functie daarvan staan? Zo ja, waaruit blijkt dat in de spoedwet, zo vragen de leden. Deze leden zijn van mening dat lid zijn van de universiteits- respectievelijk hogeschoolgemeenschap, betekent dat eerder aan bemiddeling moet worden gewerkt dan aan juridisering. Geeft de regering hieraan gevolg door bemiddeling een uitdrukkelijke plaats te geven? De leden van deze fractie zijn van mening dat opleidingscommissies in de wet opgenomen dienen te blijven, omdat lid zijn van de universiteits- respectievelijk hogeschoolgemeenschap mede tot uitdrukking komt in deelname door studenten in de opleidingscommissies. Zij verkrijgen hierop graag een reactie van de regering. Voorts wijzen deze leden op de reactie van de Landelijke Studenten vakbond (LSvb) De LSvb meent dat de rechten van de studenten worden uitgekleed door de spoedwet. De zorgplicht voor de medezeggenschap zal tot meer geschillen leiden. Deze leden vragen waarom de medezeggenschap moet worden gewijzigd met het oog op de leerrechten. De leden wijzen vervolgens op enkele andere verslechteringen zoals bijvoorbeeld het feit dat de opleidingscommissies worden geschrapt, het feit dat studenten niets meer te maken hebben met benoeming van leden van het College van Bestuur en de Raad van Toezicht, het schrappen van de instemming op de regeling financiële ondersteuning studenten, het feit dat studenten niets te zeggen hebben over fusies. Deelt de regering de mening dat dit verslechteringen zijn, zo willen de leden weten. De leden vragen waarom er geen specifieke eisen worden gesteld aan de studiekeuze-informatie. Voorts vragen de leden, met de LSVb, waarom artikel 9.33 uit de WHW is geschrapt. Daarin staat dat de medezeggenschapsraad instemming heeft op de regeling financiële ondersteuning van studenten. Ook vragen zij waarom artikel 9.18 WHW wordt geschrapt, waarin de opleidingscommissies staan. Dit wordt niet opgelost door invoering van de zorgplicht, omdat het alleen maar tot meer geschillen zal leiden.

2.1 Transparante informatie over het hoger onderwijs

De leden van de CDA-fractie hechten aan transparante studiekeuze informatie. Het is deze leden niet duidelijk hoe hetgeen in onderdeel O wordt geregeld zicht verhoudt tot de bestuurlijke afspraken over studiekeuze informatie. Graag horen deze leden meer over de inhoud van de bestuurlijke afspraak en de knelpunten die zich hier mogelijkerwijs voordoen. Ook willen zij weten of het mogelijk is studiekeuzeinformatie tijdig te verstrekken aan studenten.

De leden van de VVD-fractie zijn positief over het element in de spoedwet waarin de verplichting voor instellingen voor het leveren van relevante informatie aan (aankomend) studenten en de maatschappij. Nog beter zou het zijn wanneer een systeem van ranking verder zou worden ontwikkeld door een derde partij. De voorgestelde verbeteringen voldoen echter aan de minimale vereisten van transparantie. De leden van deze fractie achten dit onderdeel van de spoedwet als noodzakelijk voor de succesvolle invoering van de nieuwe bekostigingsystematiek.

De leden van de D66-fractie hechten er grote waarde aan dat betrouwbare informatie over het hoger onderwijs op een inzichtelijke manier toegankelijk is. Hoewel de leden er begrip voor hebben dat niet alles in (mogelijk onwerkbare) voorschriften wordt dichtgetimmerd, is het de vraag of nu niet teveel op bestuurlijke afspraken tussen de betrokken organisaties wordt geleund. Op welke informatierechten kan een kiezende student straks, op grond van de wet, een beroep doen? De leden verkrijgen graag een reactie op dit punt.

2.2 Rechtsbescherming studenten

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de regels voor de rechtsbescherming van studenten en de vereenvoudiging die wordt aangebracht in de interne en externe procedures. Het is de leden niet duidelijk of dit wetsvoorstel reeds sleutelt aan de bevoegdheden van de examencommissie of dat deze bevoegdheden hetzelfde blijven zoals die in de huidige wet zijn geregeld. Deze leden willen over de nieuwe bevoegdheden van de examencommissie alleen praten in het licht van de nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek en niet in deze spoedwet. Ook is het deze leden niet duidelijk hoe ver de bevoegdheden van de adviescommissie gaan en of de examencommissie uiteindelijk onder curatele van de adviescommissie staat. Graag willen zij een nadere toelichting op de voorwaarden die de adviescommissie aan de examencommissie kan stellen.

Behandeling van klachten en geschillen

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat, volgens het toetsingskader dat de geschillencommissie hanteert, de geschillencommissie beslist in de vorm van een bindend advies aan het college van bestuur? Is dit bindend advies geen advies, maar een bindend besluit waarvan het college van bestuur niet kan afwijken? Wordt hiermee beoogd om de rol van het college van beroep bij de examens door genoemde geschillencommissie te doen vervangen? Blijkt hieruit dat de huidige colleges van beroep voor de examens (artikel 7.60 WHW en verder) bevoegd zouden zijn om een inhoudelijk oordeel over het kennen en kunnen van studenten – gegeven door de examinator/examencommissie – integraal over te doen, zo vragen deze leden. Deelt de regering de mening van de leden dat dit niet juist en wenselijk is? Niet juist omdat de colleges van beroep slechts beoordelen of de door de professionals gegeven oordelen al dan niet in strijd zijn «met het recht». Niet wenselijk, omdat zij niet vermogen een eigen oordeel over het kennen en kunnen te geven (artikel 7.61 lid 2 en 6 WHW). Is de vooronderstelling in het wetsontwerp, dat een geschillencommissie bij machte is om het oordeel van de examinator/examen-commissie integraal over te doen wel juist, zo vragen de leden. Is het niet zo dat deze commissie niet bevoegd dient te zijn (vanwege de ook in de nieuwe wet te respecteren academische vrijheid, zie artikel 4.2 lid 2 WHOO) om zulk een integrale herbeoordeling te geven? Is zij daar overigens wel toe in staat? Het voorstel over de geschillencommissie gaat samen met het schrappen van het college van beroep voor de examens. Op deze manier worden de diverse rechtsgangen uit de WHW zo veel mogelijk bij elkaar gebracht. De taak van het college van beroep voor de examens wordt derhalve overgenomen door de geschillencommissie. Is er in de geschillencommissie gewaarborgd dat er voldoende ervaring met examineren is? Er zijn geen bepalingen ten aanzien van de juridische deskundigheid van bijvoorbeeld de voorzitter. Zou dat niet wenselijk zijn?

De leden vragen om in de spoedwet een klachten- en geschillenregeling voor studenten op te nemen, met dien verstande dat de geschillencommissie niet tevens de taak van de commissie van beroep voor de examens vervult. De laatste dient als zelfstandige commissie gehandhaafd te blijven. Is het raadzaam om de advisering over geschillen en bindende advisering over uitspraken van examencommissies in één geschillencommissie onder te brengen? Gaat het hier niet om verschillende zaken, die ook verschillende deskundigheden vereisen, vragen de leden. De leden vinden het wenselijk om het college van beroep, met de samenstelling zoals thans in de WHW voorgeschreven, te handhaven en vragen de regering om toe te lichten waarom zij een andere beroepsmogelijkheid kiest. Waarom is het volgens de regering niet wenselijk om het huidige toetsingskader te handhaven, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

2.3 Zorgplicht medezeggenschap

De leden van de CDA-fractie kunnen zich goed vinden in de kritische opmerkingen van de Raad van State dat het regelen van een volwaardige zorgplicht rond medezeggenschap hoort binnen de nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek en niet past binnen de structuur van de bestaande wet. Over de volwaardige zorgplicht rond medezeggenschap willen deze leden graag nader van gedachten wisselen met de regering bij de behandeling van de nieuwe wet. In deze nieuwe wet nemen de zorgplichten en de structuur rond governance een centrale plek in. Deze leden verschillen bijvoorbeeld van mening met de regering over de wenselijkheid van het schrappen van de opleidingscommissie. Zij hechten er daarom aan dat in de bestaande wet niet wordt getornd aan de bestaande medezeggenschapsorganen. In het belang van de spoedige behandeling van de spoedwet horen zij graag van de regering welke artikelen in de spoedwet betrekking hebben op de volwaardige zorgplicht rond medezeggenschap en verzoeken zij de regering deze te schrappen ten gunste van het handhaven van de bestaande wettelijke regelingen rond medezeggenschap. Deze leden willen graag weten waarin de basisset advies- en instemmingsrechten in deze spoedwet afwijken van de huidige in de wet geregelde rechten. Zij vinden de introductie van een onderzoeksrecht voor de bestaande medezeggenschapsorganen een goede aanvulling op de bestaande regels. Zij willen ook graag weten wat het spoedeisende karakter is van het regelen van de keuzevrijheid voor het ongedeelde of gedeelde medezeggenschapsstelsel en waarom dat niet in de nieuwe wet kan worden geregeld. Is de regering zonodig bereid ook dit onderdeel te schrappen?

De leden van de PvdA-fractie merken op dat, alleen kijkend naar de medezeggenschapsvoorstellen, geconcludeerd moet worden dat de onderbouwing geschiedt vanuit de besturingsfilosofie van de zorgplichten. Deze filosofie is echter nooit in de Kamer besproken, maar maakt onderdeel uit van de WHOO, die de Kamer pas na de verkiezingen mogelijk zal agenderen. Het is volstrekt ongepast dat daarop nu wordt vooruitgelopen. Kan de regering toelichten welke samenhang hij ziet tussen het governanceprincipe van zorgplichten en de leerrechten? Kan de regering inhoudelijk reageren op de overweging van het Interstedelijk Studenten Overleg dat academische vrijheid geen goed voorbeeld is van een reeds bestaande zorgplicht in de zin van de zorgplichtsystematiek, waarbij doelen vaststaan maar instellingen de middelen zelf mogen bepalen?

De voorstellen gaan in belangrijke mate niet in op thema’s rond de invoering van de leerrechten, zoals het profileringsfonds, in- en uitschrijving. Wat heeft de regering precies tegen op instemmingsrechten voor studenten bijvoorbeeld bij het profileringsfonds en de vormgeving van studiebegeleiding? In belangrijke mate lijken bepalingen uit de spoedwet de positie van de student in de medezeggenschap juist te verzwakken. Kan de regering toelichten waarom het hoorrecht van de medezeggenschap over leden van het College van Bestuur en over de Raad van Toezicht komen te vervallen? Kan de regering toelichten waarom de medezeggenschap het instemmingsrecht op de faculteitsreglementen verliest, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Kan de regering toelichten waarom niet langer een gekwalificeerde meerderheid nodig is voor het vaststellen van het medezeggenschapsreglement? Kan de regering toelichten hoe het schrappen van het College voor Beroep en Examens (COBEX) uit de WHW de rechtspositie van de student verbetert, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd dat de medezeggenschap op dit moment, met de WHW als uitgangspunt, in een zorgplicht moet worden ondergebracht. Als gezegd, de zorgplichten zijn nadrukkelijk een uitwerking van de besturingsfilosofie van de WHOO en laten zich niet gemakkelijk in de WHW onderbrengen. Is het mogelijk de huidige wetgeving zodanig aan te passen dat de positie van de student in de medezeggenschap voldoende is gewaarborgd om met de leerrechtenbekostiging uit de voeten te kunnen, zo vragen deze leden. Elementen als het profileringsfonds en het onderwijsproces zijn onderwerpen waarover de studenten zich in de nieuwe systematiek via de medezeggenschap uit moeten kunnen spreken. Deze leden staan niet negatief tegenover de zorgplicht voor de medezeggenschap, maar beschouwen voorliggend wetsvoorstel op dit punt als onvoldragen en niet noodzakelijk voor de invoering van de leerrechtenbekostiging. Kan de regering hierop een reactie geven, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie willen de spoedwet graag in de context van de uiteindelijke WHOO kunnen beoordelen. Zij hebben daarom vragen over de zorgplicht. Leerrechten vragen volgens de regering om een zorgplicht van het College van Bestuur voor het onderwijs. Als gevolg van artikel 2.1 lid 3 jo. lid 1 WHOO krijgt het college van bestuur ook de zorgplicht voor kwalitatief goed onderzoek. Is dit een indirect gevolg van de invoering van leerrechten, omdat in het WO onderwijs en onderzoek met elkaar verbonden zijn? In de huidige uitvoering van de WHW vindt reeds periodieke beoordeling van de kwaliteit van promotieopleidingen plaats door VSNU, KNAW en NWO op basis van het Standard Evaluation Protocol (SEP). Niet aangegeven wordt waarom dit op artikel 1.18 WHW gebaseerde stelsel – dat ook onder de WHOO, naast de KNAW-beoordeling intact blijft – niet meer zou voldoen. De in de KNAW-beoordeling aan te leggen en door de Minister goed te keuren eisen hebben grotendeels betrekking op de inrichting van de opleiding. Hoe rijmt zich dit met zorgplicht van het College van Bestuur?

De huidige universiteit is conform hoofdstuk 9 van de WHW gebaseerd op een federale structuur, waarbinnen de faculteiten en opleidingen naast het college van bestuur een zelfstandige positie innemen (artikel 9.11 WHW). Die positie wordt gerepresenteerd in de persoon van de decaan of in het meerhoofdige faculteitsbestuur (artikel 9.12 WHW). De decaan/het faculteitsbestuur heeft eigen, niet aan het college van bestuur ontleende bevoegdheden, zoals onder meer het vaststellen van het onderwijs- en examenreglement (artikel 9.15 WHW), dat aan advisering door de desbetreffende opleidingscommissie (artikel 9.18 WHW) en aan instemming van de facultaire medezeggenschap onderworpen is (artikel 9.38 WHW). Vindt er door het wegnemen van deze structuur in de spoedwet of in de WHOO een concentratie van bevoegdheden plaats bij het college van bestuur, dat het onderwijs- en examenreglement als bedoeld in artikel 3.40 WHOO – met inachtneming van de instemmings- en adviesrechten van de medezeggenschapsraad, artikelen 4.12 en 4.13 WHOO – moet vaststellen, vragen de leden van deze fractie. De examinator, in de WHW de enige die tentamens kan afnemen (artikel 7.12 lid 3 WHW), wordt in de WHOO vervangen door de examencommissie. Deze commissie neemt blijkens de WHOO (artikel 2.6 lid 3 sub c) exclusief de examens af (daaronder vallen blijkbaar ook de onderdelen in de zin van de tentamens). Deelt de regering de mening van de leden dat examinatoren daarbij fungeren als ondergeschikten, die de toetsen niet meer zelfstandig, maar in mandaat – in naam en onder instructie van de examencommissie – afnemen? Vindt zij dit wenselijk? Kan de spoedwet op dit punt door u toegelicht worden in het kader van de WHOO?

Kan de regering toelichten in hoeverre de zorgplichten niet enkel meer als onderdeel van de accreditatietoets en als kader waarbinnen de beoordeling van promotieopleidingen aan de hand van het SEP plaatsvindt, fungeren, maar daarnaast ook zelfstandige criteria vormen, die door andere organen uitgewerkt worden?

Niet duidelijk is, zo vinden deze leden, waar bij zorgplicht de eventuele winst zit, doordat blijkbaar meer op eindresultaat en minder op proces en middelen gestuurd gaat worden. Kan de regering dit toelichten? Richt zorgplicht zich ook op aspecten van proces en middelen, wanneer verwacht wordt van een instelling dat zij horizontale verantwoording aflegt, bijvoorbeeld aan de docenten en studenten, maar ook aan de werkgevers die de afgestudeerden afnemen, zo vragen de leden.

Naar de mening van de leden van de D66-fractie kiepert de regering door middel van de zorgplicht voor medezeggenschap de verantwoordelijkheid over de heg. Te vrezen valt dat studenten hierdoor in elke instelling hun medezeggenschap opnieuw zullen moeten bevechten, terwijl de strekking van de motie-Tichelaar/Bakker is dat de medezeggenschap moet worden versterkt. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel geeft daarnaast onvoldoende aan welke medezeggenschapsrechten er door de spoedwet bij komen of geschrapt worden. De leden van deze fractie kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat er voornamelijk rechten verdwijnen. Kan een schematisch overzicht worden verstrekt waarin te zien is welke, instemmings-, advies en hoorrechten er door de spoedwet bij komen, af gaan of veranderen ten opzichte van de bestaande situatie? De leden van deze fractie vinden het efficiënter om gewoon een aantal rechten toe te kennen, in plaats van loopgravenoorlogen uit te lokken waarin studenten voor deze rechten moeten knokken. Zij willen bijvoorbeeld dat de volgende rechten worden vastgelegd: instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en hoogte van het Profileringsfonds; instemmingsrecht ten aanzien van de hoogte van het instellingscollegegeld; instemmingsrecht ten aanzien van de wijziging van de statuten van de instelling; instemmingsrecht ten aanzien van de keuze tussen een ombudsman of ombudscommissie; adviesrecht ten aanzien van de profielschets van de ombudsman/ombudscommissie. De leden vernemen hierop graag een reactie van de regering.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in het bijzonder naar de uitwerking van de versterking van de medezeggenschap van studenten. De leden vragen de regering uiteen te zetten welke bepalingen op het punt van medezeggenschap precies komen te vervallen en welke zijn toegevoegd, conform de transponeringstabel in het wetsvoorstel voor de nieuwe WHOO. Zij vragen daarbij in het bijzonder naar de medezeggenschap van studenten op het punt van het profileringsfonds.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de punten waarop de motie-Tichelaar/Bakker aanvullende maatregelen vraagt in het voorliggende wetsvoorstel zijn opgenomen. Zij stellen vast dat het daarbij vooral gaat om het naar voren halen van onderdelen uit de WHOO. De WHOO gaat echter uit van een andere beleidsfilosofie dan de bestaande wetgeving. Zodoende worden elementen uit twee geheel verschillende contexten samengevoegd. De leden hebben daar moeite mee. Waarom is er niet voor gekozen aanvullende maatregelen te nemen op de in de motie genoemde punten binnen het kader en dus ook overeenkomstig de filosofie van de bestaande regelgeving? De aan het woord zijnde leden constateren dat met name de studenten er niet van zijn overtuigd dat de voorliggende voorstellen ook daadwerkelijk een versterking van hun positie betekenen. Dat bevestigt hun voorkeur om over de WHOO niet in delen, maar integraal het parlementaire debat te voeren en de wet ook als een geheel in werking te laten treden.

3. Raden van toezicht

De leden van de CDA-fractie stemmen in met het uitgangspunt van een strikte scheiding tussen bestuur en toezicht. Van de raad van toezicht mag worden verwacht dat zij bijdraagt aan de «checks and balances» in de organisatie en voldoende tegenwicht kan bieden aan het college van bestuur. Deze leden vinden het daarom terecht dat de bevoegdheden voor de raden van toezicht in deze spoedwet worden geregeld. Graag horen zij van de regering hoe de bevoegdheden van de nieuwe raad van toezicht zich verhouden tot die van de oude raad van toezicht. Klopt het dat de raad van toezicht minder in plaats van meer bevoegdheden krijgt? De raad van toezicht moet volgens deze leden vooral in staat zijn te beoordelen hoe het met de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek is gesteld en hoe het college van bestuur omgaat met de haar toevertrouwde vrijheden. Zo vinden deze leden dat de raad van toezicht in staat zou moeten zijn corrigerend op te treden wanneer het college van bestuur op de stoel van de professional gaat zitten. Dit vraagt van de leden van de raad van toezicht dat zij de wereld van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen overzien en hun eigen instelling en haar professionals daarin kunnen plaatsen. Deze leden vragen of de huidige raden van toezicht daar voldoende toe in staat zijn. Deze leden willen graag weten hoe het wetsvoorstel garandeert dat de leden van de raad van toezicht aan dit profiel voldoen. Hebben de medezeggenschapsorganen het recht om mee te praten over het profiel van de leden van de raad van toezicht. Ook vragen deze leden hoe de leden van de raad van toezicht in de toekomst worden benoemd. Waarom is niet geregeld dat een of meer leden van de raad van toezicht op voordracht van de medezeggenschapsorganen kunnen worden aangesteld, zo vragen zijn.

De leden van de VVD-fractie hebben in de schriftelijke inbreng met betrekking tot de WHOO (Kamerstuk 30 588, nr. 8.) reeds vragen gesteld over de uitwerking van het raad van toezichtmodel. Ook bij de behandeling van de wetgevingsnotities hebben deze leden zich op dat onderdeel kritisch uitgelaten. Naar mening van de leden van bovengenoemde fractie is het voorgestelde model nog onvoldoende uitgekristalliseerd om nu reeds bij spoedwet wettelijk te verankeren. Ook voor dit element geldt dat de voorgestelde wijziging niet noodzakelijk is voor de invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek en daarom bij de behandeling van de WHOO nader aan de orde dient te komen. Deze leden vernemen graag een reactie van de regering hierop.

De leden van de SP-fractie willen meer duidelijkheid over de introductie van leerplicht en de juridische consequenties voor de verantwoording van de instellingen. Met name willen de leden weten of zorgplicht met horizontale verantwoording en een raad van toezicht, te rijmen valt met de in te voeren aanwijzingsbevoegdheid ex artikel 8.14 WHOO, waarin de minister aan het college van bestuur of de raad van toezicht een aanwijzing kan geven als a) hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van de wet ernstige tekortkomingen constateert; of b) de bestuurlijke ontwikkeling bij een of meer instellingen ertoe leidt dat de toegankelijkheid of pluriformiteit op stelselniveau wordt bedreigd. Waarom acht de regering het nodig om deze bevoegdheid toe te voegen aan bekostigingssancties, verlies van accreditatie, een opdracht tot beëindiging van een opleiding vanwege ondoelmatigheid, zo vragen de leden van deze fractie. Deze leden vragen, met de LSVb, waarom allerlei artikelen rond de Raden van Toezicht zijn geschrapt (artikel 9.7 lid 2 en 5, 9.8 lid 2f-g en artikel 9.9). Wordt daarmee geregeld dat de raad van toezicht geen verantwoording meer hoeft af te leggen aan het ministerie? En hoe wordt in de spoedwet de benoeming van de raad van toezicht geregeld, willen zij weten.

De leden van de D66-fractie hebben bij de regeling voor de raden van toezicht zo hun bedenkingen. Zo is niet duidelijk door wie de raden wordt benoemd, hoeft de raad van toezicht niet in te stemmen met het medezeggenschapsreglement en krijgt de raad van toezicht geen zeggenschap over gemeenschappelijke regelingen zoals fusies. Kan de regering ook nader ingaan op de betrokkenheid van studenten en personeel bij de benoeming van leden van de raden van toezicht, zo vragen deze leden.

4. Overige onderwerpen uit de WHOO

Accreditatie

De leden van de CDA-fractie zien niet in waarom het introduceren van een herstelperiode in de opleidingsaccreditatie spoedeisend is. Deze regeling komt niet voort uit de motie Tichelaar/Bakker. Bij de behandeling van de notitie «naar een volledige onderwijsaccreditatie» heeft het CDA bepleit in de accreditatie geen onomkeerbare beslissingen te nemen totdat er een nieuwe regering is en het nieuwe accreditatiesysteem nader is uitgewerkt en rekening is gehouden met de kanttekeningen van deze leden. Het introduceren van een herstelperiode in de opleidingsaccreditatie betekent dat een opleiding die ondermaats is nog een tweede kans krijgt om een voldoende te halen. Deze leden betwijfelen om dat wel past bij het doel van accreditatie. Een onvoldoende is een onvoldoende. Accreditatie is juist bedoeld om de «rotte appels» uit het systeem te halen. De leden vinden dat bij het introduceren van een herstelperiode accreditatie en kwaliteitsverbetering door elkaar gaan lopen. Zolang niet duidelijk wordt hoe in de toekomst accreditatie en kwaliteitsverbetering zich tot elkaar verhouden, vinden de leden van deze fractie het niet nodig de herstelperiode met spoed te introduceren. Zij verzoekt de regering onderdeel H uit de spoedwet te schrappen. De leden gaan wel akkoord met het met spoed omdraaien van de volgorde van de macrodoelmatigheidstoets en de accreditatietoets voor een nieuwe opleiding. Dit bespaart veel tijd en moeite.

Deelt de regering de mening van de leden van de SP-fractie dat de wet een bepaling dient te hebben inzake de voorwaarden waaronder de herordening van het opleidingenaanbod (verbreding van opleidingen) soepel kan verlopen?

De leden van de D66-fractie merken op dat wordt voorgesteld om (bij opleidingen die hun accreditatie hebben verloren) in de herstelperiode een verlengd accreditatiebesluit te doen gelden als het Nederlands Vlaams Accreditatie Orgaan (NVAO) het aannemelijk acht dat later alsnog aan het accreditatiekader zal worden voldaan. Deze leden hebben begrip voor de moeilijke positie waarin opleidingen terecht komen als ze hun accreditatie verliezen, maar is bang dat zachte heelmeesters in dit geval stinkende wonden maken. Het voorstel heeft als consequentie dat de betreffende opleidingen nieuwe studenten mogen blijven toelaten. Hoe ziet de regering de informatieverstrekking aan de betrokken studenten voor zich, willen zij weten. Zij zullen er toch uitdrukkelijk van op de hoogte moeten worden gesteld dat ze hebben gekozen voor een opleiding die op dat moment niet aan de eisen voldoet? Moeten de studenten wel het volle pond betalen in termen van afboeking van leerrechten en collegegeld, terwijl ze eigenlijk geen waar voor hun geld krijgen, zo vragen zij. De leden van deze fractie zijn nog niet overtuigd van de wenselijkheid van het voorstel. Zij vernemen graag een reactie op dit punt.

Associate-degreeprogramma

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde wijzigingen rond de toets nieuwe opleidingen voor de associate degree. Zij vinden het terecht dat met de associate degree zo snel mogelijk wordt gestart. Deze leden hebben nog wel een vraag over de opleidingen die voor een associate degree in aanmerking komen. Volgens hen gaat het daarbij vaak om praktijkgerichte opleidingen die in een duale vorm worden aangeboden. Daarbij is het van belang dat de studenten de opleiding zo dicht mogelijk bij hun werk kunnen volgen. Zij vragen of het mogelijk is binnen de bestaande wettelijke kaders voor de duale opleidingen studenten de mogelijkheid te bieden de opleiding zo dicht mogelijk bij de werkplaats te volgen. Is het daarvoor nodig een wetswijziging te introduceren of is het mogelijk dat nader te regelen in de beleidsregel doelmatigheid?

5. Voor de bekostiging mee te tellen studenten

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in het regelen van hoe studenten meetellen voor de bekostiging. Het regelen daarvan is noodzakelijk vanwege de rechtszaak rond de onrechtmatigheden in de bekostiging van de Christelijke Hogeschool Leeuwarden. Deze omissie in de wet moet zo spoedig mogelijk worden hersteld. Andere opleidingen moeten niet de kans krijgen studenten voor bekostiging in aanmerking te brengen die nauwelijks tot geen stap in Nederland hebben gezet. Deze leden willen wel graag weten welke consequenties het introduceren van het woonlandbeginsel met terugwerkende kracht heeft. Wat betekent dit voor gecreëerde verwachtingen bij bestaande opleidingen? Is het wel juridisch houdbaar met terugwerkende kracht toe te passen, zo vragen deze leden.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de spoedwet voor de leerrechten het woonlandbeginsel wordt geformuleerd. Consequentie is dat bijvoorbeeld zo’n 500 Open Universiteitsstudenten niet zullen voldoen aan het nationaliteits- en woonplaatsvereiste en daardoor geen aanspraak kunnen maken op leerrechten. Kan de regering toelichten waarom hij dit niettemin ziet als een gepaste ingreep om fraude te bestrijden? De conclusie kan geen andere zijn dan dat de spoedwet met deze inhoud geen goedkeuring kan verkrijgen van de leden van deze fractie. De spoedwet vormt geen adequate vertaling van de motie Tichelaar/Bakker, wil diverse onderwerpen behandelen welke thuis horen bij de behandeling van de WHOO en doet geen recht aan de afhandeling van het dossier Schutte, zo vinden de aan het woord zijnde leden.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de instellingen geacht worden met terugwerkende kracht het woonlandprincipe in te voeren. Ook willen zij weten wat de regering doet om problemen te voorkomen voor studenten aan de Open Universiteit die in het buitenland studeren.

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de gevolgen van beperking van de bekostiging van in het buitenland wonende studenten, in het bijzonder voor de Open Universiteit en hoger-onderwijsinstellingen in de grensstreken.

De leden van de SGP-fractie vragen of het juist is dat sommige instellingen door het introduceren van het woonlandcriterium te maken krijgen met aanzienlijke financiële consequenties en willen weten hoe daarmee wordt omgegaan.

6. Effecten van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie horen graag meer over de mogelijke knelpunten in de in- en uitschrijfproblematiek van studenten. Immers, in het wetsvoorstel leerrechten is geregeld dat studenten zich op elk moment in- en uit mogen schrijven. Na het regelen van jaarlijkse leerrechten voor studenten die met de student worden afgerekend in maanden (uitgezonderd juli en augustus), zijn de instellingen zeer beducht geworden voor het in- en uitschrijfgedrag van studenten en de administratieve en financiële gevolgen daarvan. De leden hebben hier begrip voor. Graag horen zij van de regering welke afspraken instellingen met studenten met leerrechten mogen maken over het in- en uitschrijfgedrag. Tevens willen zij graag weten of het noodzakelijk is hierover nadere regels in de wet op te nemen.

De leden van de SP-fractie vragen of er bij de spoedwet een vermeerdering of een vermindering van regelgeving ten opzichte van de huidige WHW is. Is er sprake van een vergroting van de kwantitatieve en kwalitatieve regeldruk met betrekking tot de kwaliteitszorg voor het onderwijs? Vraagt vraagsturing door de student om verbetering van de kwaliteitszorg? Vraagt vraagsturing tevens om meer inzet op een transparante verantwoording van de interne kwaliteitszorg dan onder de WHW het geval is, zo willen de leden weten.

7. Overig

Chronisch zieke studenten

De leden van de D66-fractie willen aandacht vragen voor chronisch zieke studenten, aangezien zij achteraf gezien teveel buiten beschouwing zijn gebleven bij de behandeling van het wetsvoorstel over de leerrechten. Chronisch zieke studenten hebben vaak veel te weinig aan één jaar extra studiefinanciering, of in de toekomst leerrechten. Als het recht op studiefinanciering afloopt is een chronisch zieke student thans aangewezen op auditorensteun, en in de toekomst op steun uit het profileringsfonds. Deze steun biedt studenten niet de mogelijkheid tot bijlenen, terwijl dat bij studiefinanciering wel mogelijk is. Voor chronisch zieke studenten behoort een bijbaantje vaak niet tot de mogelijkheden en ze krijgen ook nog eens te maken met het instellingscollegegeld. Voor chronisch zieke studenten is het dus financieel moeilijk om hun studie af te ronden. Dit verslechtert vervolgens hun kansen op de arbeidsmarkt en vergroot de kans dat ze aangewezen raken op een uitkering. Ook zijn de ondersteuning en faciliteiten voor chronisch zieke studenten per onderwijsinstelling verschillend geregeld en zijn Nederlandse onderwijsinstellingen (in tegenstelling tot in sommige andere landen) niet verplicht om lesmateriaal in digitale vorm aan te leveren. Door het ontbreken van deze verplichting moet het studiemateriaal voor visueel gehandicapte studenten eerst gescand worden, waardoor studievertraging ontstaat. De leden van voornoemde fractie verzoeken de regering maatregelen te nemen om de ondersteuning en faciliteiten voor chronisch zieke en gehandicapte studenten te verbeteren. Zij verkrijgen graag een reactie op dit punt.

De voorzitter van de commissie,

Aptroot

Adjunct-griffier van de commissie,

Boeve


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Lambrechts (D66), Hamer (PvdA), Van Bommel (SP), Mosterd (CDA), Blok (VVD), Balemans (VVD), Slob (CU), Vergeer (SP), Herben (LPF), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Eski (CDA), Aptroot (VVD), voorzitter, Smeets (PvdA), ondervoorzitter, Eijsink (PvdA), Leerdam (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Van Dam (PvdA), Visser (VVD), Azough (GL), Roefs (PvdA) en Jungbluth (GL).

Plv. leden: Ferrier (CDA), Bakker (D66), Bussemaker (PvdA), Vacature (SP), Brinkel (CDA), Griffith (VVD), Örgü (VVD), Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Vacature (LPF), Dijksma (PvdA), Hessels (CDA), Sterk (CDA), Atsma (CDA), Hermans (LPF), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Van Aartsen (VVD), Verbeet (PvdA), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), Szabó (VVD), Meijer (PvdA), Nijs (VVD), Halsema (GL), Kalsbeek (PvdA) en Vendrik (GL).

Naar boven