nr. 5
BRIEF VAN DE LEDEN VAN VELZEN EN WAALKENS
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
’s-Gravenhage, 17 januari 2008
Hierbij willen we graag uw aandacht vragen voor het volgende. Vandaag
dienen wij het voorstel van wet zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies
van de Raad van State in.
Gezien het advies van de Raad van State is in het gewijzigd voorstel van
wet een nieuwe overgangsperiode opgenomen. Hoewel met het opnemen van een
datum in het wetvoorstel het beoogde overgangsrecht al afdoende kenbaar is
gemaakt, willen de indieners met het oog op de rechtszekerheid hierbij expliciet
wijzen op de overgangsregeling die gekoppeld is aan de situatie bij nertsenhouderijen
op 17 januari 2008. Hierdoor hopen indieners zoveel mogelijk (potentiële)
nertsenhouders te bereiken zodat zij hun gedragingen op het komende recht
kunnen afstemmen. De indieners zullen hiertoe tevens een persbericht laten
uitgaan.
De overgangsregeling
Wie komen in aanmerking voor de overgangsregeling?
Het is niet de bedoeling van de indieners om te bevorderen dat tijdens
de behandeling van het wetsvoorstel nieuwe bedrijven worden opgericht of dat
na 17 januari 2008 bestaande nertsenhouderijen worden uitgebreid. Daarom
zullen in principe alleen nertsenhouders voor de overgangstermijn van 10 jaar
in aanmerking komen die:
– vanaf 17 januari 2008 ononderbroken nertsen als pelsdier
houden, of
– die op 17 januari 2008 geen nertsen als pelsdier hielden,
maar die op 17 januari 2008 reeds over de benodigde vergunningen én
huisvestingsplaatsen ten behoeve van het houden van nertsen beschikten.
Om recht te doen aan het voornemen de nertsenhouderij op termijn in zijn
geheel te beëindigen zullen degenen die na 17 januari 2008 een nertsenhouderij
hebben overgenomen niet in aanmerking komen voor het overgangsrecht, tenzij
de overdracht heeft plaatsgevonden in verband met bijzondere omstandigheden
van de overdrager. Van bijzondere omstandigheden is echter alleen
sprake wanneer de nertsenhouder groot financieel nadeel lijdt doordat:
– hij door plotselinge arbeidsongeschiktheid niet langer in staat
is het houden van nertsen door te zetten,
– de nertsenhouderij deel uitmaakt van een te verdelen gemeenschap
en de nertsenhouderij als vermogensbestanddeel te gelde moet worden gemaakt
om de gemeenschap te kunnen verdelen, of
– hij wegens het bereiken van de leeftijd van 65 jaar de nertsenhouderij
niet wil of kan voortzetten.
Wanneer er geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft overdracht
van een nertsenhouderij na 17 januari 2008 tot gevolg dat de verkrijger
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet in aanmerking zal komen voor
de overgangstermijn en de nertsenhouderij zal moet beëindigen. Het staat
nertsenhouders natuurlijk vrij om hun nertsenhouderij eerder te beëindigen
of om te zetten in een ander bedrijf.
De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de overgangstermijn
Om in aanmerking te komen voor de overgangstermijn moeten nertsenhouders
zich binnen vier weken na inwerkingtreding van de wet melden bij de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Zij moeten de minister melden:
– hoeveel nertsen zij volgens hun vergunning mogen houden;
– hoeveel huisvestingsplaatsen op 17 januari 2008 in de nertsenhouderij
beschikbaar waren;
– het aantal nertsen dat zij op het tijdstip van melding houden;
– de plaats of plaatsen waar de nertsen op 17 januari 2008
worden gehouden; en
– de plaats of plaatsen waar de nertsen op het tijdstip van melding
worden gehouden.
Daarnaast moeten zij gedurende de overgangstermijn aan de volgende voorwaarden
voldoen:
– zij moeten aan de hierboven omschreven meldingsplicht hebben voldaan;
– zij dienen de nertsen te houden in een huisvestingsplaats die
tenminste voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de Verordening welzijnsnormen
nertsen (PPE) 2003, zoals deze luidden op 17 januari 2008;
– zij dienen op enig moment niet meer nertsen te houden dan het
aantal nertsen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer is verstrekt;
– zij mogen op enig moment niet meer nertsen houden dan het aantal
huisvestingsplaatsen dat ten behoeve van het houden van die soort nertsen
op 17 januari 2008 in de nertsenhouderij beschikbaar was, en
– zij dienen de nertsen op dezelfde plaats te houden als waarop
nertsen werden gehouden op het tijdstip van melding, dan wel op een andere
plaats, mits op de oude plaats niet langer sprake is van een nertsenhouderij
en van deze verplaatsing melding is gedaan aan Onze Minister.
Indieners bieden zittende nertsenhouders hierdoor de gelegenheid de door
hen reeds gedane investeringen terug te verdienen gedurende de overgangstermijn
van 10 jaar, maar laat uitbreiding van nertsenhouderijen na 17 januari
2008 niet toe. Nertsenhouders die er toch voor kiezen om na 17 januari
2008 uit te breiden komen niet in aanmerking voor de overgangstermijn. Het
aantal nertsen is gedurende de overgangstermijn immers gemaximeerd.
Gedurende de overgangstermijn mogen nertsenhouders niet meer nertsen houden
dan het aantal dat zij volgens hun vergunning mogen houden. Daarnaast
mogen zij niet meer nertsen houden dan het aantal waarvoor zij op 17 januari
2008 huisvestingplaatsen hadden in hun nertsenhouderij. Dit betekent dat nertsenhouders
die voor de inwerkingtreding van deze wet meer nertsen houden dan het aantal
waarvoor zij een vergunning hebben, dit aantal terug zullen moeten brengen
als zij in aanmerking willen komen voor de overgangstermijn. Daarnaast kunnen
nertsenhouders die nog zogenaamde«vergunningsruimte» hebben hier
geen gebruik meer van maken en maximaal het aantal nertsen houden waarvoor
zij op 17 januari 2008 een huisvestingsplaats hadden.
Volledigheidshalve willen de indieners erop wijzen dat ter voorkoming
van wanverhoudingen in het nertsenbestand gedurende de overgangstermijn niet
meer nertsen gehouden mogen worden in nertsenhouderijen dan het aantal plekken
dat op 17 januari 2008 voor het houden van die soort nertsen in die nertsenhouderij
beschikbaar was. Met «die soort nertsen» wordt gedoeld op het
aantal reuen, voedsters en daarbij behorende jonge dieren.
Ten slotte wordt ter voorkoming van misverstanden nog opgemerkt dat het
initiatiefvoorstel uitsluitend betrekking heeft op pelsdieren die bedrijfsmatig
worden gehouden met het oog op de productie van bont. Het houden van dieren
anders dan voor de productie van bont, zoals het houden van een dier als gezelschapsdier,
blijft toegestaan. Ook het houden van dieren waarvan de pels als bijproduct
van bijvoorbeeld de vleesproductie wordt gewonnen wordt niet verboden.
Van Velzen
Waalkens