Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201330826 nr. 33

30 826 Voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem houdende een verbod op de pelsdierhouderij (Wet verbod pelsdierhouderij)

Nr. 33 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2013

Hierbij ontvangt u de beantwoording van de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken betreffende Wet verbod pelsdierhouderij, ingezonden op 26 juni 2013.

Uw Kamer heeft de volgende vragen gesteld: Hoe wordt gecontroleerd of een nertsenbedrijf dat uitbreidt vlak voordat het verbod ingaat aan de vereisten van voldoende hokcapaciteit voldoet en hiervan een correcte opgaaf heeft gedaan? Hoeveel capaciteit wordt op de controle ingezet? Hoe wordt volledige naleving gegarandeerd?

De Wet verbod pelsdierhouderij verbiedt het opstarten van nieuwe bedrijven vanaf 15 januari 2013. Indien bestaande nertsenhouders zich op grond van de wet hebben aangemeld, mogen zij tot 1 januari 2024 nertsen blijven houden.

Om gebruik te mogen maken van de overgangstermijn hebben de pelsdierhouders zich moeten melden bij de Dienst Regelingen van mijn ministerie. De periode van melden liep van 15 januari 2013 t/m 11 februari 2013. De Wet verbod pelsdierhouderij stelt daarbij welke gegevens de pelsdierhouder heeft moeten melden. Gedurende deze overgangstermijn geldt een uitbreidingsverbod in het aantal dieren.

Aan de overgangstermijn is een aantal voorwaarden verbonden. Onder andere moet een nertsenhouder op 15 januari 2013 een geldige omgevingsvergunning hebben. Ook moest hij aangeven over hoeveel huisvestingsplaatsen hij beschikte voor de te houden pelsdieren ten tijde van de melding.

Alle huisvestingsplaatsen dienen volgens het plan van aanpak dierenwelzijn van deze sector op 1 januari 2014 te voldoen aan de welzijnsnormen van PPE (Verordening welzijnsnormen nertsen 2003). Deze welzijnsnormen schrijven onder andere voor hoeveel hokoppervlakte een nerts ter beschikking dient te hebben. Omdat de overgangstermijn van het plan van aanpak dierenwelzijn afloopt op 1 januari 2014, kan het zijn dat nog niet alle bedrijven aan de benodigde hokcapaciteit van 1 januari 2014 voldoen. De pelsdierhouders hebben daarom nog de gelegenheid om voor 1 januari 2014 aan de welzijnseisen te voldoen, zonder een uitbreiding in aantallen dieren door te voeren. Dit is in lijn met de Wet verbod pelsdierhouderij.

De pelsdierhouders zijn daarom aanvullend gevraagd om bij de melding aan te geven of alle huisvestingsplaatsen op moment van melden reeds voldeden aan de welzijnsnormen en indien dat niet zo was, hoeveel huisvestingsplaatsen noodzakelijk zijn om de omvang van het bedrijf ten tijde van de melding, na

1 januari 2014 voort te zetten. Dit ten behoeve van de handhaving van de Wet verbod pelsdierhouderij.

Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf dat hij de juiste gegevens heeft verstrekt. De ondernemer geeft door ondertekening van het formulier aan dat hij dit naar waarheid heeft ingevuld. De ondernemer is dan ook zelf verantwoordelijk voor de gevolgen als later blijkt dat hij de gegevens niet correct verstrekt heeft.

Bij fysieke controle op de bedrijven zal NVWA toetsen of het aantal dieren dat daadwerkelijk gehouden wordt overeenkomt met het aantal dat de pelsdierhouder volgens de melding mag houden. Daarbij worden de gegevens van de melding en de omgevingsvergunning bij een fysieke controle op het bedrijf vergeleken. Bij overtreding zal het verschil tussen de feitelijke situatie en de meldingssituatie teruggebracht moeten worden. Dat kan betekenen dat de pelsdierhouder in aantal dieren en of huisvestingsplaatsen moet minderen. Deze wet wordt strafrechtelijk gehandhaafd.

In een pilotfase wordt gestart met de inspectie van een aantal bedrijven welke op basis van een administratieve controle een risico vormen. Zodra ervaringen zijn opgedaan met deze inspectie zal de definitieve handhaving worden ingericht en de definitieve capaciteit van een passende risicogebaseerde handhaving worden bepaald.

De Staatsecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma